← Table of contents
't Bedrijf van den kwade

HERMAN TEIRLINCK'S (continued 2)

Reading edition

—Waarom vroeg hij, wat ik over Mariëtte denk?

En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe. Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel. Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar.

Ze stond meteen vóor 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich vóor den drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier ontsloten—gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het aangezicht....

V.

Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en vóor den spiegel heur haar een beetje schikte:

—Och! ja, moeder....

Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen, van Goedele's kleed.

—Ge hebt wolle op uw kleed.

Ze zette zich neer vóor 't venster en kruiste hare beenen en deed haar pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op de randen van zijne lippen.

—'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en nutteloos....

—En hijgt zijn borste?

—Bij stonden.

—En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...?

—Watte?

Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg....

—Uit belang ... zekerlijk.

Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen achter malkaar:

—Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven.

Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden.

Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud.... Dàn wilde ze sterven, alleen dàn.

Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen hare tanden:

—De prije zal ik wegkrijgen.

Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen.

—Dat arme Wiezeken....

Ze prevelde drij keeren:

—Dat arme, arme Wiezeken....

Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat ende.

—'t Zou 't ende zijn.

Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens—Wiezeken was zoo'n luttel ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens.... 't was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn....

Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken.

Na 't diner—ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met groenten gegeten—sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had meegebracht. Hij zei:

—Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!...

Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering, en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou zijn.

—Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen....

Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten teeken dat de veêren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten nijverheidstentoonstelling—een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer —een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning. Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen, achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk:

—Dat is nu mijn eigendom.

Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in 't zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen, nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge, die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was 't wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid. Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik krijgen middelerwijl.

—Mishandt er iets? vroeg ze.

—Wel neen, wel neen, zoo precies....

Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich:

—Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is!

Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer, zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig rumoer—af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof zóo eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg:

—Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw?

—Ba ja....

—Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader?

Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad aanbod ook.

—'t Is een brave jongen....

—Dat is de zaak niet.

Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts éene waarheid, en die lag besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde:

—Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?...

Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen naar zijne luie vingeren.

—Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt....

Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne slapen gekomen was.

—Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!...

Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze kamer, werd weelde, zijne weelde.

—Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de éen en twintig die 'k hier openlegge ... toe ...

Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg:

—Hebt-ge ze alreeds?

—Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen.

—Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de kaarte van uw keuze, zegt het boekje.

—In 't deze, rechts....

Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de kaarten nadien weer in drij pakjes.

—En nu?

—In 't deze opnieuw, rechts....

Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche aangezicht. Hij verdeelde de kaarten.

—En nu?

—In 't pakje te midden....

—In 't pakje te midden.

Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte niet vergeten.

—Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd?

—Ja....

—Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een beetje attentie....

Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering, in de afwachting der wonderbare machten.

—Kijk nu!

Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde omme.

—Koekelaas!

Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde:

—Koekenaas.... Hee!

—'t Was koekenaas.

—Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ... eigenlijk....

Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede, verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon, en dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een zake bezien.

—'t Is een kind nog.

Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden, en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij vroeg, bedrukt:

—Houdt ge niet hiervan?

Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen, beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken?

—'t Wordt avond....

Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad, voordeelig voor de droomende stilten....

Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure. Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk. Ze ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige handen, bekommerde zich om zijne bleekte.

—Zijt-ge vermoeid?

—Een beetje.

Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd, zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond, en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood hij mijnheer Wilder een sigaar aan.

—Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien.

Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en wilde alles zelf doen.

—Gebruikt ge melk van avond?

—Als 't u belieft, een geutje....

Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan zei 't:

—'t Is een gulden avond.

Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen. En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte, oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde vroolijk daarbij.

—Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes!

Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker, sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle glanzende hoofd.

—Bella? vroeg Sebastiaan.

—Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken....

—Ik weet niet....

Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een, die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't naïeve gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't maakte hem dronken. Hij zei stille:

—Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen.

—Wij?

Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde, folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in, dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee.... Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was, bezeerde haar.

Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen mocht.

—Dat doet u dan ook plezier, niet waar?

Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei, niet wetende:

—Ja....

Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten.

Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden had tot zijn doodsure alle weeën, die een ziele dragen kan, en hoe hij toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje. Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij niet vreezen wilde.

—En hij vreesde!...

Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou....

Tot ze hem meteen het woord afnam:

—Is dàt uw werk?

Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik: 't was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen.

—Is dàt uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!...

Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte uitspreidend om haar.

—Mijn vleesch is struisch—maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden geest?

—Goedele!

Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende lippen:

—Dat is slecht, wat ge doet.

—Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me lief hebt....

Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken mochten.

—Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes. Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ... Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is zóo de wereld, zóo de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel en ik lijd: ben ik abnormaal?

Ze dwong stille haren arm los.

—Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik ween als ik eenzaam zit—Mocht ik dat alles ú niet zeggen?

Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg:

—Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan....

Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol. Ze stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte.

—Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn—slagen in de hersens.

Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte armen.

—'t Is best ... dat moeder niets weet ... getweeën zullen we 't gemakkelijker ... vergeten....

Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet taken met haren blik. Ze wachtte.

—Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen bedaardheid.—Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken. Ze sprak:

—Het alkoollampje brandt nutteloos.

Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde.

—Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een druppelken munte?

—Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal geleidelijk overgaan.

—Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan?

Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou.

—'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten.

Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed. Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die overal was, werd onverdraaglijk....

Sebastiaan vertrok.

Ursule kwam vóór Goedele staan en kruiste hare armen over hare borst.

Ze beet haar toe:

—Kijk òp!

Ze wilde in de hersens wroeten van haar onwillig kind en tusschen hare tanden heen sisten hare woorden.

—Wat zijt ge van zin?... Ik vraag u—wat zijt ge van zin? ... Kijk òp, zegge 'k. Wat zijt ge van zin.... Laat me zien in uwe oogen. En duik uw voorhoofd niet.... Op! wat is er?

Ze bukte zich en stiet haar kinne naar voren, en een rimpel duwde de hoeken van haren mond neerwaarts.

—'t Wordt tijd dat ik het weet.... Nu zal ik alzoo gesteend en gejammerd hebben om 't kwade gedrag van Romaan; nu zal ik alleen zijn rechte gebleven om de hoop, die ik stelde in u ... en nu zoudt ge 't leste gebouw omverre storten?

Ze sloeg haar hoofd met een snok achterover, en stond daar een oogenblik met hatelijke blikken en dichtbeloken lippen, zich in te houden precies, om geen uiterst geweld te zeggen. Dan schoot ze uit, lijk een razende, onbeteugeld en afgrijslijk.

—'t En zal!... Hoe gij 't ook draait of keert, hoe oolijk gij 't aanlegt, hoort ge?—'t En zal! Ik zal u vasterijgen.... Ik zal u vasteketenen.... Ik zal u dwingen tot eerbied voor mijn wil.... Luister goed—ik heb mijn leven lang gezwoegd en geslaafd om geld ... met mijne vingeren, tot mijn nagels sleten ... en tot de nacht al verre was ... en van heel vroeg in den morgen ... om geld.... Dat geld zou vruchtbaar zijn. Luister goed: ik wil dat het vruchtbaar zij ... ik wil dat nog zien om mijn ouderdom blij te maken.... Romaan heeft mij verraden ... die laf hertig is en liever zijn moeder beleedigt ... dan zijn slette.... Maar gij, ik zegge 't u, wees voorzichtig.... Ho! Ho! ik zegge 't u.... Rechtgaan ... de weg is dáar—ik heb hem u gewezen....

Ze merkte nu hoe Goedele, eerst verschrikt, zich allangerhand hervatte en tot bezinning kwam, hoe zij zich tegenwoordig rustig neerzette en al die harde woorden zonder aandoening liet wegslibberen, zijwaarts. Een onzeglijke woede verdonkerde haar aangezicht en vierkantig viel haar mond open.

—Haâ-aâ-aâ....

Maar ze wrong hare kaken regelmatig thoope en zweeg. Vluggelings begreep ze dat het dwaas was met koppigheid tegen Goedele's koppigheid aan te stooten, en hare gewone sluwheid dook op, almachtig. Hare minste gebaren werden lijk te voren berekend en geleid, en hare gramschap liet ze meteen wegvallen in een diepen zucht:

—Och, Heere-lief!...

Ze zakte naderhand ineen op een stoel, vouwde stille hare handen over haren schoot, en, haar voorhoofd neerbuigend, staarde in droef gepeins op 't gebloemte van het tapijt. Ze bleef een stonde sprakeloos en daar zeeg over heur gelaat een groote droefenis. Met een ontroerde stemme zei ze:

—Ik heb ongelijk.... Ik voel dat ik niet wel ben.... Ik had u dat anders moeten zeggen ... niet zoo brutaal, mijn kind ... maar ik ben niet wel, zekerlijk.... Ik ben koortsig. Ge moogt die leelijke dingen ... daar even ... niet kwalijk opnemen. Ik heb u lief, ik wil uw geluk....

—Ik ben niet gelukkig.

—Ja ... daarom wil ik zoo hardnekkig uw geluk. Ik mag u niet laten onzinnig zijn. Ik moet u leiden, ik moet u doen opgaan ... naar dat later geluk.... Wat scheelt er?... Ge vindt het hier eng. Ge moet u opbeuren. Het is hier niet eng. Wat scheelt er? Ge beeldt u dat allemaal in, omdat ge te veel alleene zit. Ge timmert al die akeligheden op, in uwe eenzaamheid.... Laat Bella hier komen!... na het diner ... 's avonds, en praat wat, zing wat....

—Bella moet hier niet komen.

—Laat Sebastiaan alle dagen zijn bezoek doen!... na het diner ... dat deert immers niet!

—Dat deert mij.... Kijk! Ik ben weer kalm. Alles kan gerust blijven zooals vroeger. Maak u niet meer lastig om mijnentwille nu, moeder....

—Denk ook een beetje aan mij, Goedele ... zult ge?

—Ik denk aan u....

—En beloof me dat ge braaf zult blijven.... Wel! Wel! een mensch heeft al heel veel harde dingen voor in zijn leven ... hij mag niet zoo dwaas zijn en kleine vervelingen opketsen tot smetten! Geef me een zoen....

Goedele stond recht en ging Ursule kussen op haar voorhoofd. Ze keerde zich daarna langzaam omme en vertrok. Even bleef ze stille in 't deurgat.

—Goeien avond.

Ze tort de trap op.

—Goeien avond, antwoordde Ursule.

Tot ze, dan boven, Goedele's kamerdeur hoorde sluiten, zat mevrouw Wilder onbeweeglijk vóor zich uit te kijken, zonder zien. De zoetigheid, die zij om haren mond geleid had, viel meteen en haar bloed sprong in een machtige geute naar heur slapen. Ze hief haar vuist omhooge en liet ze met een forsig gezwaai neerploffen op het tafelberd. Een koffiekopje joepte kantewaarts rinkelend omme en, over het witte laken, spreidde een bruine vlek, die geleidelijk openging....

In de voorkamer stond Rik, en hij lachte stillekens, een diepe leute gevoelend, zóo op een keer.

VI.

Goedele, als ze op hare kamer kwam, stak haar nachtlichtje aan en ging neerzitten bij 't venster. De tuin was in dichte donkerte gezonken. 't Had al gesmokkeld in den avond, en nu begon het te regenen. Tegen de ruiten sloegen de druppels, menig en leuterig, aldus een tokkelveuzeken makend, dat eentonig en klagend was. Altemets vulde de wind zijn zoevende flanken en dan roefelde de volle vlage ineens langs het raam. Andermaal was 't weer zoete, en de regen trippelde in gelijke maten, zoo smertelijk van zin, dat Goedele om haar herte een endelooze droefenis voelde, die in warme aandoening opjoeg, kriebelend binnen hare oogen. Ze zat in hare schoone eenzaamheid den dag te overpeinzen, die verleden was. Ze herdichtte den pronten morgen, vol zonne en klare droogte, de levende stad, het levende volk daar krioelend langs luidelijke straten, al het geruchte, dat deugddoende was, en dan, bij Romaan en Madeleen, de vrije, heldere huiselijkheid. Ze zag Wiezeken; ze had Wiezeken danig lief. Ze voelde hoe vol leven ook dit huis ginder was, met dat heel zieke kindeken, en hoe dood die muren hier, die zoldering, die heele monsterachtige doening van kouden steen. Ze voelde 't overal. Ze krinste met hare schouders en bibberde van de killigheid die hier tallenkante blijvende was ... en ze keek seffens naar de duisternis, den nacht in den hof, om los te geraken met nieuwe gedachten, die klaarten brengen moest in haar hoofd. Al wat ze hier met hare zinnen toetste, was haar eene vernedering en woog op hare hersens.

De regen klabbetterde welluidend voort. Van tijd was 't of hij wegdropte en 't geluchte binstdien leeg en open aan 't worden was; de ruiten bleven ongetaakt ... een stondeken ... maar opnieuw vingerde 't natte weer algauw, en 't werd een reesem rappe geluiden, zich haastend om de stilte in te winnen. En Goedele onderging den invloed van dezen trippelzang, en langzaam baadde haar gansche lijf-en-ziele in 't zoete gerucht, dat rijzende of zijgende ging. Ze bepeinsde zich en wroette in haar binnenste, en legde somtijds een gevoel vaste, dat overanderlijk blijven zou. Nadien was ze bezig met Ameye. Ze had bewondering voor zijn groote figure—dien hoogen man met een sterk gezichte en een breede borst. Ze zag nog duidelijk zijne witte handen: ze konden zoo struisch een gebaar teekenen, en de vingeren gingen dan allen zaam en vouwden zich thoope of rokken zich uit. 't Waren, lijk woorden, heldere gezegden. Ze dacht:

—Maar hij sprak zoo gek!

Ze maakte zich met moeite wijs dat hij een grove lummel was en wellicht brutaal moest wezen. Naderhand was ze zeker dat hij een drinkebroer of een nachtraaf was.

—Hij loopt in kroegjes....

Ze herkende het aan zijne goedzakkige manieren en aan de moeheid die soms zoo zoetig zijne blikken maakte. Ze veronderstelde dat hij met lichte meiskes omging.

—De stad is zoo vol daarvan!

Doch allicht veranderde ze van oordeel: 't was dan een "blasé", een ontgoocheld wezen, een kalme ziender van andermans leed en plezier—een zonder doel en zonder verlangen, zonder drift ... ontzenuwd.... Ze had gewild dat hij anders was. Romaan, zoo gauw begeesterd en zoo gauw verslagen, had ze lief. Ze wou een man treffen, die op haar broeder geleek. 't En duurde maar een vlage van den regen, en ze vond dat Romaan in den grond een zwakkeling was....

Ze hoorde moeder slapen gaan, en naderhand Rik, en bleef nog turen aan 't venster. De tijd verstreek langzaam, en 't was haar of zij 't niet tasten kon: de ure bleef stille, alles hing in verwachting, zonder angst noch ongeduur. Bijwijlen steeg in de boomen de asem van den wind, en rijzekens werd ze den gang gewaar der stonden, die overhand wegzijpelden in 't verleden, achterwaarts.

De volle nacht, geheimzinnig en zwijgend en roerloos, begon in huis....

Maar meteen merkte Goedele een varende klaarte in bewegende vlekken loopende van heester tot heester over den hof, dichtbij de woonste. 't Was wel iemand, die in de eetzaal was en licht maakte en ermee, langs de voorkamer wandelde, zoodat de teekening der ruiten laaierig in den tuin zich openbreidde. Ze werd bang. Elkendeen was te bedde, of ... was Marie in de keuken gebleven?

—Maar wat verricht Marie in de eetplaats?

Ze herinnerde zich dat ze ook Marie had hooren opgaan, naar hare kamer. Het licht verdween. Voorzichtig tort iemand langs de trap naar boven, en ging Goedele's deure voorbij: door de splete herkende zij Rik. Hij stapte gebukt door en trachtte 't gestraal der keerse, die hij droeg, met vreesachtige vingeren weg te bergen. Ze hoorde dat hij de leege zalen binnenging.

Deze leege zalen bezocht nooit iemand. Om de maand werden ze schoongeschuurd en verlucht. Goedele had ze altijd met benauwdheid genaderd, omdat hier, tusschen die papieren behangsels met gulden wapens en heraldieke leeuwen nog precies heerschte de geest van den ouden markies. Rik had dikwijls daarover zitten mompelen en beweerde dat hij ten twaalve al eens een spook had zien rondwaren, om de vensters. Ze hechtte nooit geloof aan Rik zijn gekke gezegden; hij was gestadig bezig met schimmen en bange verschijningen en zeemeerminnen, en ze wist wel dat dit al maar ziekelijke verzinsels waren, die hij broeide in zijn ouden kop. Ze vond het nu echter danig zonderling, dat hijzelf, zonder aarzeling, in de leege kamers drong. Ze ontsloot stille hare deur, liet hare sloffen op den drempel en tort kousevoets in den gang. De eerste zaal was leeg en de daaropvolgende ook. Van hier bemerkte ze 't keerselicht dat op de muren danste, in de vierde. Voorzichtig naderde ze, sloop langs de donkerte der hoeken naar voren, tot ze zien kon wat er gebeurde. Ze bleef staan en hield haren asem op om geen 't minste geruchte te maken, en ze keek verwonderd toe.

Rik had zijn keersepan neergezet op 't roode plankierken, nabij den schoorsteen. Hij knielde en boog zijn krommen rugge en maakte in de schouwe een planke los. Hij tastte dan in de holte, en op zijn aangezicht kwam seffens een groote blijdschap.

—Ze zijn er nog! mompelde hij.

Hij trok een blauw zakje te voorschijn en lei 't neere voor hem, en nam vervolgens nog een grooter zakje, in getafeld linnen, en lei 't nevens 't andere. Hij bekeek ze dan allebei met troetelende oogen, en zijn tonge sleerde tweemaal over zijn lippen ten teeken dat hij tegenwoordig gelukkig was. Hij ontknoopte zijn jas en over zijn beenen heen zeeg het ivoren kistje, dat Sebastiaan aan moeder ten geschenke gegeven had. Juist bij tijde kon hij 't grabbelen, en een subiete warmte schoot op naar zijne wangen, bij 't gedacht dat het in zijn val op den vloer groot gedruisch hadde gemaakt. Hij keek onwillekeurig omme, en Goedele zag zijn oogen van schrik openstarren en zijn neuze, langgeworden, over zijn mond een schaduw leggen, lijk een bange holte. Hij bukte zich opnieuw. Hij ontsloot het getafeld zakje en goot in het kistje, profijtelijk om niet de stilte te storen, den rinkelenden inhoud. 't Waren koperen en zilveren muntstukken en allerlei kleine dingen van stoffelijke weerde: gulden franjen, oude knoopen, kragen en borduursels van marine-officiers, allerlei metalen platen en rondekens, schitterende gesteenten. Goedele herkende in den kostelijken schat een duurbaren halsband van peerlen en koralen stekjes met onderaan een schoon geel kruis. Ze had het juweel overjaar verloren, meende ze. Ze merkte nog een paar ringen, die Sebastiaan peinsde te zijn zoek geraakt bij de pompe, een dag in den Zomer, als hij moegetennist was en zijn handen wou wasschen. Vele kleinoodiën lagen daar ondereen in wanorde. Rik wroette met zijne vingeren erin en stak zijn kinne uit naar voren, en neep zijne oogen dichte om diepe zijn wellust te voelen. Hij scharrelde in de schitterende gesteenten, hij streelde langzaam dien overvloed van weelde, peuterde om robijnen en diamanten, bepootelde de zware kettingen, zich deugddoende aan zijn tastelijk eigendom. Zijn lippen hergingen bijwijlen. Hij reutelde, zingend zoetekens:

—Al 't mijne ... àl 't mijne....

En zijn hoofd bijsde overentweer, op mate van het durend gedoe zijner handen. Hij ontbond naderhand de snoeren van het kleine zakje, bracht de keersepanne dichterbij, zoodat het vlammeken meteen wispelturig al links en al rechts wiegde, en Rik zijn ronde schaduwe op den muur, over de zoldering, tallenkante te dansen begon. Hij schudde 't zakje leeg in zijn zijden klakke, die hij vóór zijn knieën neergelegd had. 't Waren al goudstukken, groote en kleine dooreen, en ze belden wel een oogenblik in de ruimte, maar zwegen seffens als ze dof in de klakke sleerden. En Rik zijn hoofd gloeide stilaan van ongemeene koortse, en zijne vingeren, die weer aan 't schefferen waren in dien rijkdom, bibberden van ongeduldigheid. En hij lispelde:

—Al 't mijne....

Hij sprong meteen op en zijn gelaat werd wild, ruw, wreedaardig. Goedele vreesde dat hij haar bemerken zou. Hij bleef rondkijken, en trok geweldig zijn asem op langs zijn neuze, alsof hij een ongewonen reuk opsnoof en weten wilde.... Hij tort naar een der vensters en keek door een splete der luiken de donkerte in van den nacht. Hij zakte nadien ineen op den grond, lengde zich uit en sloot zijn oor aan tegen den vloer. Hij kroop seffens rechte en stond op een nieuw te staren en te luisteren. Dan blikte hij neerwaarts op het volle kistje en de volle klakke, en zijne armen gingen van weerskanten in liefderijke bewondering omhoog.

—Al 't mijne....

Zijn lijf rilde en zijn beenderen konden niet stille staan. Het keerselicht klaterde in 't stralende goud en druppelde in 't geperel der juweelen. Hij trippelde errond, en 't was of hij dansen wilde en maar niet in kadense geraken kon. Zijne knieën kluppelden tegeneen aan en zijne hielen wendden en keerden zich waaiewijs omme. Hij was vier, vijf maal tewege neer te hurken en zijne handen reikten subiet naar die schitteringe daar—en dadelijk sloeg zijn rugge opwaarts en hij huppelde her en rond, lijk te voren....

Aldoor heviger schokten zijne schouders. Zijne blikken werden lijk staal zoo puntig, en zijn mond, neerplooiend, viel in stuipachtige snokjes scheef. Langs zijne slapen zijpelde een overdadig zweet, en zijne haren plekten toe in natte strengen, van weerskanten. En hij hakkelde schor:

—Al ... al ... 't mij-ij ... ne ... á-á-ál....

Tot hij tegen den schoorsteen aanstruikelde, zich koortsig aan 't marmeren schouwblad vastklampte, en langzaam neerviel, een thoopezinkende klodde gelijk. Hij zat een oogenblik te hijgen belook zijne wimpers, en zijn aangezicht, nu regelmatig en drifteloos, werd uitermatelijk bleek....

Met een ruk rok hij zijnen hals uit en staroogde, benauwd en verwilderd om zich heen. Maar fluks glimlachte hij en kroop over den vloer tot hij 't kistje en de klakke taken kon. Haastig dook hij weer alles weg, en schoof de plank over de heimelijke holte, binstdien nog zuchtend, alsof hij spijt had dat hij op een ende toch weg moest van hier.

—Wel! wel! pruttelde hij binnensmonds, Ursule ... gij onnoozele....

Goedele ijlde vluggelings naar heur kamer terug en zakte ontzet neer op een stoel. Ze kon rijzekens hare gedachten bijeenrapen en voelde een zeerdoende moeheid in hare beenen. Ze kon 't niet gelooven, wat zij gezien had, en ze was danig ongerust, niet begrijpende die schrikkelijke doening van Grootvader. De eenzaamheid werd haar onuitstaanbaar en haar herte klopte om te breken. Ze vatte haar hoofd in beide hare handen.

—'k Hebbe zoo'n pijn!...

Ze meende dat hare hersens uiteenspatten zouden. In haar nekke vliemde een borende smette en tot door hare lenden woog haar onverdragelijk leed. Ze vroeg zich af:

—Wat is 't?

Zij en vatte niets. Zij en kon hare zinnen niet bijhouden. Ze zag gedurig Rik zijn verwrongen gelaat, en de keerse, die er witte vlekken op kletste. Ze wilde slapen en alles licht opnemen, lijk een gewone gebeurtenis. Maar gestadig werkten hare teugellooze gepeinzen, slingerden dooreen in haren kop, snokten en klopten tegen haren schedel daarboven. En 't geluchte werd endeloos bang.

Ze ontkleedde zich spoedig, kroop in haar bedde, blies het nachtlichtje uit ... De donkerte spookte om haar; daar waarden heimelijke wolken in de kamer. Ze moest seffens het lamplichtje weer aansteken, en dook zich onder de dekens, drong huiverig ineen, hare knieën saambrengend in hare armen. Het huis werd haar nu een schrikkelijke woonste en ze blikte met afgrijzen in de toekomst. Ze herinnerde zich nog goed den koffiehandel en den onverpoosden ijver van moeder. Ze wist dat moeder van nederige afkomste was, dat grootvader op vischvangst leefde. Hoe was zoo gauw de groote rijkdom gekomen? In een flikkering zag ze de gouden galonnen van marine-officiers uit het getafeld zakje rollen. Ze dorst niet verder denken. Ze neep met geweld hare oogen dicht en wilde op andere dingen peinzen. Maar ze kon niet buiten het huis geraken, buiten dees huis van gevaarlijke geheimzinnigheid, buiten deze knellende muren, en die deuren allemaal....

—Is mijn deure goed vaste?

Ze stapte uit haar bedde en ging de klinke herdraaien, om zeker te zijn. Ze kroop bibberend onder de sargie. Ze dacht: hoe gelukkig is Romaan ... en Madeleen ... en tante Olympe.... Ze zou alles aan Romaan vertellen, hem raad vragen. Ze wist zelve geen raad.

—Johannes zal meehelpen ... om raad....

Ze voelde Ameye nu van dichtebij: 't en was geen vreemdeling meer. Ze verwonderde zich niet dat ze zoo plotselings zijn naam hoorde in haar, en zij en schaamde zich ook niet daarover. Al wat hier bestond, had zich meteen van haar verwijderd, en wat buiten het hekken leefde naderde tot haar. Ze voelde nievers zoo pijnlijk eene vreemdte dan hier. Ameye was een vriend.

Geleidelijk voortmijmerend, kon ze op een ende 't zicht van dees misdadig huis verlaten; ze sliep, oververmoeid, in en droomde van den markies, van zijn zonderlinge gewoonten, van zijn wapens met kronen en klauwende leeuwen.... en ze vond het zoo plezierig dat hij een pruike droeg en dat het witte steertje, ommekrullend, daar boven zijn krage gestadig met een gele lintje aan 't vlaggelen was....

Heel late in den morgen werd ze wakker. Ze was gestild. Ze herinnerde zich seffens wat er gebeurd was, en 't en wekte in haar geen buitengemeene aandoening. Hare gedachten waren verdraaid naar nieuwe richtingen: ze had, docht haar, deze leelijkheid al lange aangenomen. Als ze in de eetkamer binnenkwam, zag ze Ursule heel bleek en thoopegedrongen in een leunstoel zitten.

—Zijt ge ziek, moeder? vroeg ze.

Ursule begon seffens te klagen en te jammeren: zij en had van den ganschen nacht geen gebenedijd ooge dichte gekregen, en dezen uchtend was ze opgestaan met een kwalijke slapte in de beenen.

—'t Is of het rheumathiek ware....

En dan moest ze subiet hijgen, bij haar minste gedoe was ze afgemat; ze was met groote moeite alleen beneden geraakt. En dan hadden ze haar nog gefolterd.

—Gefolterd ... wie?

—'k Hebbe Marie weggezonden ... al dieveggen, die 'n mensch uit medelijden van de strate raapt....

—Zoo dan terug op strate gesmeten?

—Ze heeft me brutaal geantwoord.... Ze heeft geweigerd mij een hoofdkussen te halen ... dat heeft ze.

Op de trap hoorde Goedele een stille gesnik en dadelijk daarop een ruw gemompel van Grootvader.

—Toe-de ... toe-de ... ronkte Rik ... gij leelijke kerte ... en kus uw handje ... dat ge er zoo zoetekens van af komt....

De deur in de voorkamer werd met een ruk toegesmeten, en nadien piepte 't zware hekken.

—Ze is weg, zei Ursule.

Ze dorst niet spreken van het ivoren kistje dat haar ontstolen was—Marie was een dievegge—en ze herkloeg met gelijke woorden over haar leed: de pijne zonk tot in hare lenden en straalde van daar uit in gansch haar lijf, en bijwijlen had ze een hevigen harteklop—haar kele stropte toe en 't was alsof ze niet meer asemen zou.

—En die rheumatiek daarenboven....

—Ge moet den dokter halen.

—Och! Och!...

Ze haalde de dokters alleen op 't laatste oogenblik, als geen andere doening meer helpen kon. Ze was overtuigd dat de dokters prutsen, tot ze de menschen voor goed ziek krijgen, en dat ze best later maar kwamen. Toen ze, na Romaan zijn vlucht van huis, te bedde lag en endelijk den dokter bij haar liet roepen, en dan hoorde van hem hoe ze in der waarheid gevaarlijk ziek was, had ze werkelijk deugd, altijd maar vreezende te voren, dat haar kwale slechts een tijdelijke onpasselijkheid zou zijn. Ze wilde nu niet luisteren naar Goedele. Ze liet zich gewillig pramen, oolijk-tevreden om Goedele's aandringende deernis. Ze keek diep-mijmerende naar 't onbijt van hare dochter en legde in hare oogen een geveinsde droefheid. Ze tuurde sprakeloos naar de koffiekanne en het tinnen melkpotje en de witte teelkens en koppekens, die daar ondereen in 't noesche licht te klateren stonden—en naar Goedele's vingeren, die verduldig werkzaam waren eromme. Ze liet een peinzende stilte vallen en wachtte tot het geluchte langs hare woorden voordeelig werd. En ze herbegon dan vage dingen te zeggen, al treurende, op een moeden toon en met slepende stemgolvingen. Ze sprak van haar verleden, van ijverige tijden, tijden van duurbaar werk, van voortdurend zwoegen.

—Ho! ik hebbe gezwoegd!...

Ze volendde eentonig hare klagementen en vroeg dan met spijtige gezegden, wat zij voor zooveel slaafsch gedoe verwachten mocht. Ze zanikte zoo. Ze werd het zelf gewaar hoe vervelend ze werd, en ze was dan boos op haar eigen. Ze loerde zijlings naar Goedele, merkte hoe rustig ze voortdeed met haar ontbijt, hoe ze soms weggeraakte met hare gedachten en niet meer luisterde. Ze sprak luider, al op eens een vrage doende om Goedele weer tot zich te trekken:

—Wat is mijne belooninge?

Goedele schrikte even op en boog subiet haar hoofd.

—Wel ... moeder....

En Ursule jammerde verder, al voelde ze dat ze hare dochter maar niet taken kon, niet vatten met iets. Wantrouwig meende ze nu dat Goedele verdoken geheimen had, verdoken inzichten. Ze folterde haren geest met nieuwe oolijkheid, aldoor tuk op versche subtiliteiten.

En Goedele bleef sprakeloos.

Rik tort binnen. Hij zei:

—'k Hebbe ze op strate gegooid.

Hij lachte met wel genoegen en wreef zijne handen overeen en zette zich bij 't vuur te warmen. Hij schudde zijnen kop, ten teeken dat hij in zijn geest aan 't redeneeren was, en hij deed zijne knieën tegeneen knokkelen, in koortsige vroolijkheid.

—Ze dorst nog weenen, de valsche leegloopster!

't Walgde Goedele. Ze stond recht en keek naar 't horloge, lijk iemand die op de ure wacht om heen te gaan. Ursule bemerkte 't seffens.

—Vertrekt ge?

—Wiezeken bezoeken....

—'t Is half-elf.

—'k Ben gauw terug ... rijzekens hooren hoe 't is ... daar ginder....

Rik lachte meteen luidop, en Goedele kreeg een pijnlijker stoot in haar herte. Maar zij en keerde zich niet omme en ging zich aankleeden, verlangend om weg te zijn van hier, waar nievers een gezellige warmte komen wou....

Buiten voelde ze opnieuw haar lijf in vrije lustigheid, en algauw verdreef ze uit haar hoofd de lastige gedachten, die daar woonden. 't Was alsof zij zich op den drempel ontdeed van al wat binnen den huize haar wrevelig miek. Ze haastte zich tot ze buiten bereik was, tot ze de stille strate verlaten had en baden kon in 't gejoel der lawaaierige stad.

De regen had de steenen klaar gekletst en, bij plaatsen, speelde de dag er met lichtende vlekken. De hemel bleef grijs en beloken, maar zilverige tinten liepen er, ten teeken dat bovenwaarts de zonne aanwezig en klaterend was. De huizen, in vlakke reken van weerskanten, zonder zichtbaar dak en zonder wispelturigen gevel, stonden omhuld in vale verven. De vensters waren holten rotewijs geschikt en de deuren, tallenkante op eender hoogte, legden gelijke, donkerten er onder. De drempels bleven zwijgend: geen troppels kinderen of kijvende vrouwen waren eromme levend, lijk in 't zomertij of in de voorjaarszoelte. De herbergen waren ruchtig en de winkels. Er roerde haastig volk.

Goedele deed seffens mee met het rumoer; ze voelde zich wegsmelten in 't gedruisch, dat ronkte om haar, en zij en was geen eenigheid meer in de woeling der bezorgde menschen. Ze liet zich beïnvloeden, ze liet zich zwak worden, al-vergetend wat achterwege was, en nu een kinderlijk belang stellend in de minste straatgebeurtenis. Ze huppelde door, drentelend bij stonden, haperend aan schoone uitstallingen van wintergoed. Ze dacht somtemets aan Romaan en Madeleen en het kindje. Ze zou Wiezeken geerne wat lekkergoed meedragen en liep een bakkerijtje binnen. Ze koos van ditte en van datte een pakje vol, en had een drollig plezier in den naam van al deze snuisterijen. De bakker, een ronde man met een zijpelend wezen en een neuze daar te midden, waar de teekening der ruiten bijkans schitterwit op uitblonk, lichtte haar gulzig toe en deed zijn beste moeite om zijn waar ordentelijk aan te prijzen.

—Geen muntebollen, juffrouw? Geen lekkers op stokjes? Eerste klasse juffrouw, en niet geverfd.

Ze wees die gloedroode stampers af met een weigerend knikje.

—Kletskoppen ... puur honing en een hemelsche bete, dat verzeker ik u.

—Ja, dat wel.

Ze keek in de wissen mandekens, die bij 't venster stonden, vol met veranderlijke zoetigheid, en bloosde meteen als ze Ameye herkende, welke vóor 't raam te wachten stond. Hij groette haar met een buigen van zijn hoofd, en ze was daardoor subiet in de war. Ze werd ongedurig en wilde maar dadelijk gedaan maken met den dikken bakker, die 't haar met zijn uiterste vriendelijkheid lastig maakte. Hij moest zich spoeden. Ze voelde eene wrevelige warmte naar heure slapen opschieten, als de brave man, een guitig lachje zettend, gulhertig verklaarde dat hij sito-sito klaar zou geraken.

—Even nog een koordeken—hier—met een strikje ... Zóo!

Ze keerde zich fluks omme en hoorde hoe hij haar met dienstwillige woorden achterna volgde, overdreven en stilspottend, alsof hare aandoening belachelijk bloot lag op haar aangezicht:

—Als 't u zal believen, juffrouw—tot een naaste keer.... Anders, juffrouw, anders de klinke draaien ... zóo ... let op de trap ... zóo.... danke wel!

De deur viel toe achter haar en zij stond vlak vóor Ameye. Hij lachtte en knikte, en prees de voorzienige stonde, die hem bij haar had gebracht. Hij vroeg, in een vloed van hoffelijke woorden, hoe zij 't maakte. De wolkenlaag in den hemel scheurde open en de zonne viel in witte stralen tallenkant. Daar kwam een bedwelmende leutigheid in 't geluchte.

—Ik was naar uw broer tewege.

—Ik óok, precies....

Ze zei 't gretig, met een dwaze haastigheid, die haar blozen deed. Ze dierf er niet bijvoegen dat het wel meeviel, alzoo, en wist zelf een beetje tegen te stribbelen, in schijnbare verlegenheid, als hij haar voorstelde om saam de bane te doen. Ze kon echter niet weigeren en verheugde zich om die onmogelijkheid. Hij moest niet lang aandringen.

Ze praatten ondereen, gezellig, en 't en duurde maar weinigen tijd, eer ze teenemaal vrij werden in hunne uitdrukkingen, los van alle gedwongen beleefdheid. Hij sprak bijzonder zwaar, diep ernstig, en had altijd een particulier zicht op de zaken. Ze voelde in hem een, die haar meester was en waar ze leerlustig naar luisteren kon. Hij vatte het leven heel breed op, heel menschelijk. Allerwege zag hij entwat, dat liefderijk was en goedheid asemde. De menschen op strate, de peerden en de honden.... Goedele keek ernaar, omdat hij er kon over klappen met zoo'n innigheid, zoo'n belang. Hij groef in hare hersens diepe prenten, een nieuwe vizie der dingen, en ze was nooit moe, ze hoorde hem aan met groote aandacht.

De zonne bracht een spelend licht overal, lanterfantte langs de vele ruiten, stortte met lustig gestraal, menig en rijkelijk, op de natte steenen. Bij plaatsen was de hemel geheel en al blauw. 't Lawaai der stad zwol op en het volk krioelde al thoope. Het docht Goedele dat er veel kinder stemmekens tusschen stegen en tegelijk een schelle geklepper deden omgaan, dat haar deugd deed. Ze werd vroolijk en antwoordde op Ameye's grondige gezegden, met haar volle gemoed, en redeneerde met hem, liet zich kwaadgezind omdat hij haar te vroeg gelijk gaf, en schaterde het uit. Hij hoorde haar geerne bezig, voelde wel de nadering van deze rijkbegaafde vrouw, en hij raadde hoe vernepen ze gehouden werd, naarmate ze zich nu wild en begeesterd overgaf.

Ze keken alles omme en na. Hij deed haar overal iets opmerken, dat ze genoeglijk bezag, verwonderd dat zij zelve het niet merken kon. Vóor hen stapte een heer met een macferlan en een dame in kostelijke kleeding. De dame hing aan den arm van den heer, die groot en struisch was en matelijk voorttort. Ze kon hem haast niet opvolgen, en drilde nevens hem, altijd een stap te late. 't Was alsof ze getweeën kreeftsgewijs doorgingen, allebei noesch weg. De dame deed den heer af en toe stilblijven voor een modewinkel, en de heer haperde gewillig vóor de uitstalling van een boekhandelaar. Ze zeiden maar luttele woorden.

—Dat zijn brave getrouwde menschen, sprak Ameye.

—Zoo verschillend van meeningen toch?

—Ze geven malkander toe. Ze zijn redelijk. Zie! De heer kijkt naar de illustratie van het uithangbord, binstdat de dame nauwkeurig de hoeden beloert. Hij is verduldig. De dame zal straks verduldig zijn.

—Maar dat is een zotte leven! meende Goedele.

—Die menschen zijn getrouwd, zei Ameye. Hij liet haar naderhand vragen wat hij omtrent het huwelijk dacht, en hij beweerde dat de beteekenis van het huwelijk grootendeels in die boutade besloten lag.

—Het huwelijk is wel een beetje onzedig.

—Onzedig?

—Maar een noodzakelijke instelling, die dan weinig te maken heeft met wat we liefde noemen. De liefde kan in het huwelijk bestaan, en heel vaak slijt eruit weg, omdat twee saamgebrachte wezens van nature sluw worden, door ikzucht, en geen wederzijdsch vertrouwen bewaren kunnen. Aldus spreek ik nog maar van gezonde, billijke huwelijken. Onze maatschappij is echter zóo ingesteld, dat over 't algemeen met een echte liefde geen rekenschap gehouden wordt.

—O ja!...

Hij voelde hoe zij met nadruk dat zei en seffens droeve werd. Hij bleef een oogenblik zwijgen en sprak nadien met een daling van zijn stemme:

—De liefde daarenboven is waar zij is, en wij, zijn niet meester over haar. Wij zijn allemaal zoo'n zwakke, slaafsche schepsels, juffrouw. En als de liefde buiten het huwelijk komt, wat kunnen wij doen?... De liefde is overal heilig.

—Dat wil zeggen: de liefde mag wispelturig zijn?

—De liefde is niet wispelturig, maar wij noemen altegauw liefde, wat geen liefde is, wat een klein gevoel is zonder wortelingen. De liefde is heilig, als zij grondelijk is en ons gansche vleesch beheerscht—en dan heeft ze paal noch perk, en dan kennen wij geen mate om ze te meten en geen banden om ze te dwingen. Dan is ze ons zelf, geheel en al, en heilig ... en overal....

—Ik weet zoo geen liefde.

Hij boog zijn hoofd, precies om een hevig gestraal der zonne te ontvluchten en zichtbaar hergingen rijzekens zijne lippen. Hij zag de waterplaskens en de grijze droogten wegsleren onder zijne voeten. Op deze stonde, waar ze beide stille voorttorten, ontstond er een wrevelig ongemak. Goedele voelde dat hare oogen moe werden, lijk die van iemand, die te lang in warme kamers bleef. Ze zei:

—We loopen buiten onzen weg!

Ze keerden zich alletwee naar links en rechts, en begonnen te lachen. Ze waren nabij de St. Anne markt.

—Ja, sprak Ameye, we loopen buiten onzen weg....

Ze was tewege hem te vragen waarom hij zoo zonderling op zijn woorden aandrong, maar ze gebaarde dat ze niet geluisterd had.

't Was hier een groote drukte. De menschen liepen dooreen in ijverig bedrijf. De markt was zwaar van rumoerig leven. Vrouwen met paanders drumden tegen malkander aan rond de kramen, en kozen hun waar, eromme pootelend en tastend en wroetelend om niet bedrogen te worden. Uit een zijstrate kwam een vlote stootkarrekens aangereden, met een gulden vracht appelsienen beladen en door ruchtige meissens gevoerd. Vóor 't portaal van de St. Anne-kerke stond een liedjeszanger te brullen van "de lieve Genoveva" binstdat zijn wijf, bezorgd voor al te strenge politie, een endeken verder de wacht hield. En de zonne wemelde tusschen die luidelijke beweging, smeet open haar bundels licht, klaterde langs de zwellende tenten, waaronder de wind zich toornig miek.

Goedele lanterfantte een beetje, een toenemend belang stellend in de doening van die werkzame menschen, ook om de koelte te vergeten, die over haar en Ameye gezonken was. Ze verwonderde zich over 't een en 't ander, lachte altemets luidop of werd weemoedig van deernisse.

—Aai-Jezes! Kijk hier!...

Een oud manneken was daar dichtebij, ronddrevelend met een houten kistje, vol met muskaatnoten en kruidnagels. Zóo klein was hij, dat hij zich gedurig met de ellebogen te voorschijn moest worstelen en alleen zichtbaar werd door zijne uitbundige gebaren. Hij had luttele handjes. Hij droeg een grijze veste, en een roste broek, bleek en donker getafeld, slodderde om zijne kromme beenen. Hij dretste onhoorbaar op palullige sloffen, en een roode halsdoek, geelgebloemd, waaide rond zijnen korten hals. Zijn hoofd was rond en groot, en zijn gezichte, heel nietig tusschen twee uitschelpende ooren, lonkte en loerde, uiterst sluw en uiterst beweeglijk. Hij riep met een pieperig stemmeken:

—Nikske van doen?... Alla-dan, madameken,... alhier! alhier!

Hij zag Goedele, en hoe ze daar onthutst hem aan te kijken stond, en rok zijn nekke naar heur uit, en kwam vriendelijk zijn:

—Toe-da, madameken, een dozijntje? Groffels, lijk er nievers meer te vinden zijn—en lekker ook voor tandpijne! Hoeveel? 't Zijn de leste.

Hij merkte Ameye en werd seffens hoffelijk, aldoor buigend en groetend:

—Mijnheere!

Hij nam een kruidnagel met zijn duim en zijn wijsvinger en hief dien omhooge, profijtelijk:

—'n Volle mate voor vijf centen!... Kijk nu toe! Zoo donker als de nacht en zoo sappig als de lente! Ge moogt kijken, madameken, en betasten ook... Alla-alla-de! een dozijn groffels voor 'n jong huishouden....

Goedele bloosde, en Ameye moest den dwerg afwijzen met een strengen blik. 't Oudje hinkte zijlings weg en schetterde in een uitval:

—Jè-dan ... schoon koppel....

En 't gewone rumoer herbegon, breed en allerwege aanwezig, golvend over de menigte, die langs de kramen scharrelde.

—Loopt ge aldus geerne in het razend gewoel? vroeg Ameye.

—Wel ja ik, redelijk.

—De tast van het volk is niet altijd zuiver....

—Zeker, maar ik voel me hier zoo volledig leven, zoo gezond en zoo volledig. Ik weet niet—vandaag word ik mijn eigen zoo allerzijds gewaar, en alles is mij goed. Ik ben lijk iemand die lang ziek te bedde lag en nu uit mag ... en ik dartel in de zonne. Dat leelijk ventje was me niet leelijk. Die wijven te gare, die 'k zie staan met hun vuisten op hun heupen ... ik merk het wel: ze zijn gemeen.... Maar 'k bezie ze van een anderen kant precies ... en alles is mij goed....

Ze wond zich op in 't spreken, probeerde haar vaag gevoel met stipte woorden uit te drukken en wijdde uit in vele zinnetjes, nooit tevreden omdat ze nooit iets bepalen kon. Ze jubelde en liet zich meegaan met den slag van haar driftig herte. Ameye was sprakeloos geworden. Hij stapte nevens haar en luisterde met gretigheid, seffens weer neerslachtig als er een korte stilte tusschen beide viel.

Ze geraakten in de groote laan. Hij kocht van een leurend meisje een rankje hulstgroen met roode peerlen, en bood Goedele het takje aan.

—Voor de aardigheid, zei hij.

Hare hand bibberde even, als zij het broze takje aannam. Ze keek naar hem en hare blikken stieten geweldig tegen de zijne aan. Een bedwelmende flikkering schoot door haren geest en ze bleef een oogenblik verbijsterd, alsof zij haar ziele in zijne oogen opklaren zag, nu in lichtende waarheid zich veropenbarend aan haar eigen zelve, en een overgroot geneuchte maakte haar dronken....

Ze stapten haastig door, zonder spreken, en geen vond het zonderling dat de andere zwijgende was. Ze spoedden zich om straks alleen te zijn, om te te peinzen in eenigheid—want nu was hun hoofd vol met aanzienlijke gedachten. Achterwege lag de gansche wereld. Achterwege was moeder en vader en het vreeselijke huis. Vooruit bestond de endelooze verte, de wijde ontijdelijkheid. Het was of ze nu deel gingen uitmaken van iets, dat machtig was boven de sterkte van menschenarmen—en eeuwig zijn zou. Ze verheerlijkten hun lijf en geest in een nieuwen dageraad ... en wat komen moest, was niet te weerhouden.

Ze gingen alzoo. De wagens en sjeezen reden door, holderdebolder over de kasseide. De trams tjinkten van verre. Jongens ventten rond met dagbladen en riepen luidkeels het nieuws van den dag.

—Zijn we nu op goeden weg? vroeg Goedele.

—Ginder is de brugge.

Bij de vaart werd-het stil. De luie schepen lagen vast tegen de kaaien en donkere mannen losten de koolvracht. Men zag ze over de planken wiegen, hun duistere gestalte, verlengd nog in het water, waar ze door vlug golvengeklets ziggezagsgewijs uiteen werd gezwabberd.

Als ze in de doode straat kwamen, waar Romaan woonde, vertraagde Ameye zijnen gang, en hij sprak weemoedig, zonder naar Goedele op te zien:

—We zijn er alreeds....

—Ge tert zoo zoetekens!

Hij vertelde dat hij een beetje moe was: gisteren heel den avond gewerkt aan een dringende bestelling, en dezen uchtend heel vroeg te been. Ze vroeg:

—Werkt ge veel?

—Als ik alleen ben.

—Zijt gij dikwijls alleen?... Ge hebt nog uwe moeder?

—Moeder is ... weg.

—Zoo eenig leeft ge!

Ze had medelijden met hem. Ze herdacht wel het vierkante huis ginder en hare ouders achter het hekken, maar vond het dan bij Ameye veel droever—een woonste zonder heerd en altijd zonder geruchte.

Hij bleef staan. Ze begreep niet waarom hij zoo aarzelend deed, waarom een groeve boven zijne oogen zichtbaar werd ten teeken van pijnlijk gemijmer. Ze praamde hem om door te stappen.

—'t Wordt noene straks.

—Ja.

Hij tort verder zonder opkijken, en, vóor de drempel, als Goedele het linnenwinkeltje ingaan wou, vatte hij hare hand. Hij deed haar zeer, hij knelde hare vingeren in de zijne, en zijn gelaat kwam naderbij. Hij fluisterde:

—Gij weet niet?

Zijn asem taakte haren hals en deed haar rillen in al heure leden.

—Niet?

Ze bad dat hij haar los zou laten. Ze was bang omdat zijne blikken zoo hopeloos werden, en ze werd niet seffens gewaar hoe onredelijk zijn doeninge was: ze bekommerde zich om hem. Hij zuchtte zwaar en slokte eens om zijn kele nat te krijgen.

—Niet?...

Ze hoorden, binnen in den winkel, een paar vrouwen hun keuze doen, en heel omhooge, tenden de zoldertrap, een vroolijk liedeken van Mariëtte.

Ah! Môsieu le capucin, T'as d' la veine— T'as d' la veine!...

Ameye zei:

—Ik ben getrouwd ... al vier jaren....

Goedele rukte zich vrij. Ze voelde geen juiste verhoudingen meer. Ze voelde niet meer wat ze was tegenover dezen man, niet meer dat hij voor haar een vreemdeling was. Ze kon zich zoo seffens niet hervatten, en ze werd heel bleek. Omdat ze leed, wilde ze straffen en geweldig handelen.

Maar hare armen zonken neerwaarts en haar bloed deed een smertlijken ommedraai. Over hare wangen rolden twee tranen, die ze niet had kunnen verdringen en die nu in de hoeken van haar lippen haperen bleven. Ze stamelde, haar gezicht verwringend tot een treurigen glimlach:

—Ho!... ja ... zoo!...

Ameye raapte het witte pakje met suikergoed en het rankje hulstgroen op, die, nevenseen, op de zulle waren neergevallen.

VII.

Eenige dagen verstreken voor Goedele in eendelijke onverschilligheid. Ze was heel korten tijd bij Romaan gebleven, had geweend omdat Wiezeken er zoo deerlijk uitzag en was weggeloopen, seffens. Tante Olympe met haar gestadig geklaag maakte haar zenuwachtig, en Madeleen ook, die daar met gebogen hoofd aldoor te kijken zat in de toekomst. Ze was weggeloopen. Ameye walgde haar.

En de dagen waren verstreken alzoo. Ze wilde niet meer terug bij haar broer, ginder waar ze geleden had een onverklaarbare pijne, nievers nog geleden. Ze was bang. Ze wilde geerne alles wisschen uit haren geest, maar niets anders wekte hare belangstelling, en ze voedde haar wee. Al wat gebeurde om haar, werd haar onverschillig. Allentwege was 't nietigheid, en de woorden, die gesproken werden, waren ijdel.

Ze werd naderhand door opvretende eenzaamheid, streng voor wat buiten het leven stond van hare droefenis. Ze had ruwe woorden met vader. Ze verdroeg zijn onnoozel gespeel niet meer en zei het hem met een ruk. En Albien keek dan verwonderd op, niet begrijpende die stoere manieren, getaakt in zijne liefde, als hij nu dacht, in kinderlijke vreezen:

—Zij ook ... en ziet mij niet geerne....

Omdat ze zoo verduldig was met hem, had hij gemeend dat zij hem dan toch vatte. Hij vroeg:

—Zijt ge ziek, mijn kind?

Ze was getroffen omdat zijn stemme zoo diep een grondslag had, omdat hij zoo innig bedrukt was, en meteen zoo vaderlijk. Ze zag hoe hij het nieuwe Snoeckboekje met onverschillige vingeren van zich afduwde en nader kwam, dichte bij haar, en zoetekens hare handen toetste.

—Nu ben ik in waarheid triestig van zin, zei hij.

Hij boog zich om goed in haar gezicht te blikken, om te zoeken naar heur leed, dat wel ievers in hare oogen zou na te speuren zijn.

—Hebt ge zeer?... Toe-de, mijne dochter.... waar is 't dat ge zeer hebt? Voor de eerste maal voelde Goedele in dezen zachten man haar vader levendig zijn en goed. Ze werd gewaar dat ze weenen zou, als ze geweld moest doen om te spreken. Haar borste zwol.

—Wat is 't, zei Albien, dat hier ommegaat, sinds dagen? Ge loopt rond lijk te lore in dees huis, en ge zwijgt ... en het wordt van alle kanten zoo bang. Ik heb nu geen lust meer in ditte ... noch datte.... Moeder is ziek en gij?... Wat deert er? Ik heb nu permintelijk geen lust meer.... Wáar, wáar, mijn kind.

Stille kwamen zijne woorden te reke, en ze brachten eene treurige stemming alom. Maar Goedele stiet dan aan tegen 't beeld van haar eigen lot en ruw werd ze op nieuw.

—Bah!

Ze draaide op hare hielen rond, lijk een meisje licht van gemoed, en ze liet vader alleen. Als ze de deur uit was, wilde ze wel terugkeeren en den man meteen in hare armen prangen, al streelende dat brave hoofd, dat kinderlijke, vol kleine gepeinzen. Ze kon niet: ze moest lachen luidop, ten gebare dat ze hier alles potsierlijk vond, en ze drilde verder, langs leege uren zich voortsleepend, lijk een schaduw in noesche licht.

Ursule lag in haren leunstoel te denken. Seppie, het hondje, moest gedurig op haren schoot stille blijven, en ze streelde met luiere vingeren in zijn lange haren, wijlend achter zijne oorkens, waar 't hem uitermate deugd deed. De dagen gingen omme en ze was gestadig aan 't wroeten in hare hersens, overentweere wiegend met blijvende mijmeringen.

—Daar heerscht een geheim in 't geluchte. Ze voelde 't zoo, ze tastte 't. De doening van Goedele ontsnapte haar niet, en ze was zeker dat een gevaarlijke gebeurtenis aan 't zieden was en aan 't zwellen. Omdat ze nooit anders dan meesteresse geweest was en nievers door verborgen machten bekampt, wilde ze klare wegen zien en vaste staan. Ze begreep wel dat Goedele wegslibberen wou, en ze vreesde dat zij er toe komen mocht. Om dwaze plannen te kunnen tegenwerken, moest ze Goedele's inzichten kennen. En Goedele was ondoordringbaar....

Ursule's vroegere strijdlustigheid geraakte wakker stilaan: ze zou weer door oolijke listen hare dochter overwinnen, lijk ze vroeger haar vader overwonnen had. Ze deed Goedele door Justa, de nieuwe meid, bespieden. Justa moest al de brieven over den moordamp in de keuken openbreken, moest in Goedele's kamer snuffelen en laden met valsche sleutels ontsluiten, alles omkeeren en inzien en beloeren. Ze had Justa voor dergelijk werk bijzonderlijk aangenomen.

Justa was een klein vrouwken, levendig en minzaam. Ze ontving alle boodschap met een vriendelijk glimlachje en sprak iemand nooit anders aan dan in den derden persoon. Ze had uiterst leelijke handen, met omkrullende vingers, en hoekige kneukels. Ze bracht die gedurig bij malkaar, in profijtelijke houding, boven haren buik en wreef ze trage overeen, al schattend somtemets met vierkante nagels. 't Was een Westvlaamsch meisen. Ursule kende hare ouders, gebogen eerde-wroeters zonder hope, etende en biddende wezens, den dood nabij. Justa, de eenige dochter, had met blij gemoed hare broers en de oudjes verlaten. Haar doorslepen zinnen, waar ze aldoor in de parochie gebruik had van gemaakt om oolijke daden te stichten, meende ze nu eens ten dienste van vrijer bedrijvigheid te kunnen stellen. Als Ursule haar met korte woorden uiteengeleid had wat in werkelijkheid van haar verlangd werd, had ze aldadelijk heel de zake begrepen en aanveerdde gretig het nieuwe gebod. Ze was bovendien werkzaam en net, bracht goede orde in de keuken en leerde veel van Ursule, die haar in kookkunde hielp. Ze werd een voortreffelijke meid. Men had haar een schoone belooning beloofd, als ze dienstveerdig zijn wou naar Ursule's volle goesting.

—Zóo is mijne goesting! had Ursule gezeid.

Ze moest Goedele tot in haar minste bedrijf bespieden....

Ursule vernam echter niets. Goedele bleef thuis, liep de kamers door, zat altemets een endeken te borduren, te knippen aan een kunsttapijtje, te kijken meerendeels langs het venster naar 't gewaai dat bijsde in de boomen. Hare kleeren, hare laden, hare brieven—'t werd alles besnuffeld en befrutseld: nievers lag een verraad van haar geheim gedoe. Justa luisterde achter de deure, als ze saam met Sebastiaan in de eetzaal was.

—Wat zeggen ze? vroeg Ursule.

—Bijna niets ... een woord ... een ja—een neen....

—Maar, hoofdzakelijk?

—Niets! zei Justa.

Ursule werd koortsig daarvan, hetgeen haar dan niet het minst voordeelig was, want al nijpender drong de pijne van haar "rheumatiek" in hare braaien en ze kon soms rijzekens opstaan uit haren zetel. Ze wilde geen dokter.

—'t Is rheumatiek.

Dat was zóo haar zeker zijn. Ze hechtte daarenboven niet veel belang aan die tijdelijke ziekelijkheid. Haar geest was voortdurend anderszijds gespannen en wilde klaar krijgen de vaagheid om Goedele's manieren ... Zij deed op een uchtend Goedele bij haar komen en neerzitten nevens 't raam, vlak onder het nieuwe daglicht. Ze begon te klagen: ze had sinds nachten geen ooge meer beloken, ze was zóo lijdende, ze voelde dat het erg worden zou, en de nachtmerrie bezocht haar....

—Och! Och!... dat is vreeslijk!

Ze praamde Goedele dat ze maar goed opletten moest, en in geen tocht mocht blijven, en 's avonds aandachtig de vensters zou sluiten, en een dobbele sargie vragen aan Justa.

—'t Is nu 't gevaarlijke seizoen.

Dan was 't een ander thema: ze wilde bovenal Goedele's geluk, ze dacht er altijd, altijd aan, en ze zou alles doen om dat geluk te verzekeren.

—Willen we verhuizen?

Goedele hief onverschillig hare schouders op en zuchtte. Ursule drong aan:

—We zullen hier weggaan, we zullen een Engelsche villa betrekken, ievers in den omliggende, waar er bloemen zijn, buiten de wilde stad. Ik zie dat ge hier wegkwijnt en ik weet niet de reden.

—Daar is geen reden ... en ik kwijn niet weg, moeder....

—Kom! Kom!...

Ze stoop zich voorover en lonkte met droeve teerheid, wenkend dat Goedele naderen zou. Ze sprak met zoetigheid: ze zag alles, ze was moeder daarom, ze wist dat iets mishandde.

—Voel ik dan niet?... Ik voel uw treurende gepeinzen. Niet neen zeggen, kind, niet neen zeggen.... Ge draagt een last. Ik mag u helpen. Ik wil doodgeerne uw leven zacht maken, uw wegen zacht maken. Duik niets voor mij, die boven alles uwe moeder ben. Ik heb al doen uitzien naar een villa, een djentig dingetje diepe in het loover. Ik wil ook niet dat ge hier zoo eenig loopt. Bella zal na den noene komen, een paar uren, met haar borduurwerk.... Zoo slijt de leege tijd. Ik ben vol zorgen om uwentwil, mijn kind. Waarom wilt ge u verbergen voor mij?

—Toch niet, moeder ... maar, kijk, ik ben moe en ziek. Romaan is zoo buiten reden triestig en Madeleen ook ... en Wiezeken is verre, verre....

—Is dat alleen uw droefenis?

—Dat is een groote droefenis.

Ursule bukte zich meer nog en vatte Goedele's hand. Ze vroeg, al starrelings turend dwars in hare oogen:

—En Sebastiaan?... Ge zit zwijgend nevens hem. Ge zegt hem niet wat uwe tranen beduiden. Ge zegt niets. Dat zijn toch geen geheimen?... Mijn pover kind, gij hebt Sebastiaan niet lief!

Ze bleef uitermatig zachte en Goedele keek verwonderd op, niet wetende wat er uit zoo'n gesprek komen moest en vreesachtig, om den wille van moeder's sluwe manieren. Ursule vroeg;

—Wenscht ge niet te trouwen met hem? Laat ons vertrouwelijk zijn. We zullen saam beramen wat we doen moeten, en wel vinden, wel iets vinden.... Ik wil u niet in iemands armen gooien, tegen uwen zin. Ik heb goed nagedacht.... Spreek nu, laat uw herte vrij daar liggen vóor mij, uwe moeder. Hebt ge, buiten Sebastiaan, een man ontmoet, en voelt ge een andere liefde?

Goedele sprong koortsig rechte en schoot uit in eenen schokkenden lach. Ze werd heel rood en haar oogen baadden in glinsterende tranen. Ze moest haren neusdoek over haar aangezicht brengen en 't was of ze nadien te niezen begon. Ze bedaarde. Ze riep:

—Wel, moeder, onnoozele moeder!

Ze wilde wegloopen, maar Goedele gebood dat ze blijven moest. Ze bleef. Ze lachte lijk een zottin en joepte met snokjes opwaarts. Ze gichelde bij poozen:

—Ikke?... Ikke?... Wel hemelsche deugd! mijn moederken!... Liefde voelen of andermans liefde ontvangen!... Bespottelijk, zoo'n idee!... Ik zegge 't u: stel u in ruste... Ik trouw met Sebastiaan.

Ze nam Seppie op, schudde hem boven haar hoofd, zoodat het beestje daar in de leegte, met luie pootjes, te slodderen hing. Ze knikte hem toe, smeet hem omhooge en grabbelde hem tegen hare borst vaste. Ze lei hem naderhand op moeder haren schoot terug, merkte hoe ze nu vol met haarkens was, langs hare schouders en op hare mouwen, en mummelde met pruilende lippen:

—Hatje! het leelijke jong!...

Ze werd seffens heel ernstig, knipte de haarkens weg, zenuwachtig en kort. Ursule jubelde in haar eigen, als ze de verklaring kreeg dat het gewenschte huwelijk ten slotte toch gebeuren zou, maar nadien, bij 't zonderling gesnap van Goedele, werd ze wantrouwig opnieuw. Ze zweeg echter en rolde binstdien in haar hoofd een versche golving spijtige gepeinzen.

Al pratend, en dooreengooiend een reesem lichtzinnige woorden, drilde Goedele langs de trap naar heur kamer, en sloot zich op. Ze viel lijk een massa op haar bedde en begon hevig te schreemen. Dat duurde een lange stonde, tot Justa haar opzoeken kwam voor 't noenmaal. Ze waschte zich haastig, liet 't kille water vloeien over hare slapen en baaide hare oogen. Ze had deugd aan die prille frischheid en voelde een klaarte komen in hare onrustige gedachten. Ze tort dan de eetzaal binnen en ging neerzitten, naar gewoonte, tusschen vader en moeder.

Na den eten werd aan 't groote hekken gescheld. Bella schoot huppelend in huis en vloog blozend en schaterend aan Ursule's hals.

—Hoe gaat ge, beste mevrouw?... Wel! men kan het niet eens zien op uw wezen, dat ge ooit ziek geweest zijt?... Dag, Goedele, dag, beste heer.... 't Is wel koud buiten, hoor! Dan zet ik het op een drafken langs de straten ... en de menschen kijken me na.... Ik loop geerne in 't koude weer....

—Ja ... ja ... de jonkheid, lachte Albien.

—Ik ben met de gauwte naar hier gedreveld ... Wilt ge even mijn paletot helpen uittrekken, Goedele? Dat is een dwaas ding—ik geraak er nooit van af. Mijn mouwen zijn ook zoo potsierlijk ingewikkeld.... Hai! mijlieve, ge snokt me haast de armen van het lijf.... Ja! Ja! Ja!

Ze danste van ongedurigheid, bijsde hare heupen en lachte. Ze tikte met hare vingeren dolle haarkrullekens weg, die op haar voorhoofd belden en jeukten in hare wenkbrauwen. Ze reikte dan aan Ursule een ranke mimosa, die ze met haar hermelijnen mofje op de glazen dresse had neergeleid.

—Djentig, hee?

—Heerlijk, mijn kind—Onnoozel dat ge ervoor zoo'n dwaze onkosten doet. 't En was in waarheid niet noodig....

—Ja!... ja!... ja!...

—Danke.

Bella weerde zich om drollerig te zijn en sprak van heur magere spaaroordekens. Anders had ze een heelen ruiker meegebracht.

—Ge weet wel—zoo zacht-witte winter-rozen ... maar dat kost! dat kost! Ze zette zich neer en vingerde ongedurig om de gulden korreltjes van hare halsketen en, omdat nu een tijd de stilte neerviel langs deze ongezellige kamermuren, zocht ze opgewonden in haren geest naar spelende woorden. Ze vertelde van thuis—hoe moeder sinds een paar dagen aanhoudend aan maagpijn leed en hoe ze dan zoo lastig van humeur was, en hoe vader dan wegliep, om ongemakken te vermijden. Ze tuurde naar 't kille gezichte van Ursule, daar roerloos rustend tegen de hooge leuning van haren stoel, schoon-gelijk van weerskanten en effen lijk gladde marmersteen, even hard ook en zonder warmte van binnen. Ze voelde wel dat ze met hare vroolijke zinnetjes kwam zonder uitslag aanstooten tegen de roerlooze vlakten van dees gewillig gelaat. Ze loerde omdieswille rijzekens naar Goedele, die opstaarde langs 't venster naar de varende doening der wolken. Ze had een zonderlinge bangheid over zich, lijk iemand die zondigt entwat en meent dat elkendeen 't kan lezen. 't En was precies niet dat ze gezondigd had, maar toch vreesde ze den diepen, droomenden blik van Goedele. Aan dien blik kon ze geen geheime gedachte verbergen. Daarom taterde ze aldoor, haar eigen vergetende en alles om haar vullende met ijdel gebabbel. Ursule knikte stillekens of fluisterde:

—Ja ... zekerlijk ... ik peinze aldus....

Bella was erdoor opgehitst en sprong mateloos van 't eene nietig voorval naar 't andere. Ze wilde met woorden alles opjagen tot een gewichtige gebeurtenis, en verzinde tallenkant eromme een kantwerk van belangwekkende detailleeringen. Ze belonkte op Ursule's wezen of daar endelijk geen snare bewegen zou en, als bijwijlen een rimpel langs den neuze zonder reden dieper viel, bleef ze om haar gezegde met opzet haperen en vertijen, meenende dat Goedele zoo meteen zeer aandachtig werd. Ze was aan 't vertellen van de verkiezing.

—Och! mevrouw-lieve, gijlie gaat nooit buiten huize! De stad is éen strijd, éen roepen van kwade of geestdriftige menschen. Ge moet al die gezichten eens zien uitrekken naar de brutale kleuren van politieke plakkaten. De eene peinzen: 't is waarheid! De andere vloeken: ze liegen! Daar loopt soms een heerken tusschen, dat zwijgt en niets en denkt en in 't gewoel zijn dansend buiksken laat wiegen.... Die ziet er gelukkig uit.

Goedele liet over haar gaan die reesems huppelende zinnen en 't werd haar in den beginne een aangenaam gezeur, lijze streelend langs hare slapen. Ze voelde alzoo een korte bedaring ruste brengen in hare opgeketste leden en ze mijmerde. Ze vaarde geleidelijk met onbepaalde gedachten weg, en de ruimte daarbuiten, de schoone ruimte met hare vrije golvingen en hare pluimlichte endeloosheid, kwam om haar. Ze zweefde er in, en ze werd haar eigen aandoeningen nauwelijks gewaar. Ze kon wel in 't zoete geharrewar van al hare ommentweer doezelende ideeën 't zicht herkennen van Madeleen en Romaan, van Wiezeken en tante Olympe, van Ameye.... Ze tastte nog het werkelijke leven, maar 't en bezeerde haar niet. En Bella babbelde. En daarhooge togen de wolken voorbij. Ze kreeg de heel grijze emotie van heur kinderjaren, eene vluchtige verschijning van verre herinneringen, ginds in den hemel, rotewijs. En dan, plotseling, de val van een takje hulstgroen met roode perels....

Ze bracht misnoegd hare hand over haar voorhoofd en het gekwetter van Bella tjokte onwelluidend in hare ooren. Ze fronste hare wenkbrauwen, stond seffens rechte en merkte opeens dat een nijpende hoofdpijne haren kop tot in haar nekke omknelde. Ze stapte langzaam de deur uit. Ze bleef aarzelen bij de zoldertrap en tort na een oogenblikje toch naar boven.

Ze had nu een leelijke kure, een ziekelijke wreedheid. Ze ontmoette vóór hare slaapkamer grootvader, die er kousevoets stond, met angstige oogen, te loeren kantewaarts naar heur. Ze herkende in zijne blikken de valsche lichten, die hij niet duiken kon, en ze moest op die stonde door een helsche kwaadwilligheid gedreven, hem treiteren, hem nijpen met dubbelzinnige woorden, hem zeer doen met brutale gezegden. Dat voelde ze.

—Wat doet ge daar?

Hij grinnikte en schokschouderde. Ze wilde hem wegjagen.

—Uit mijne kamer! Wat doet ge, in mijne kamer tewege? Weg, zeg ik u!

Ze fluisterde hem toe:

—'k Hebbe toch al mijn laden vaste gesloten....

Rik rilde een tijdeken. 't Viel hem nu kwalijk, dat gedoe van Goedele. Hij probeerde zijn lijf verontweerdigd achterover te snokken. Ze zei dadelijk:

—Haal moeder's kistje!

Hij zakte ineen. Zou hij op dees oogenblik kapot gaan? Hij grabbelde achterwaarts naar den muur om steun te vatten. Hij kon zijne oogen van Goedele's hand niet krijgen, die, gebiedend, naar de hooge deur der leege zalen wees. Hij zeeg lijk een vodde thoope en zijn asem wilde uit zijn kele niet. Hij snakte. Hij deed zijn kop gedurig hergaan, lijk iemand die jaknikt, en zijne vingeren scharrelden over den muur, wilden zich ievers vasthaken.

Goedele keerde zich vluggelings omme en tort klaar-lachend de trap af. Hare lach klonk heel wit en eendelijk, en ze hoorde Bella beneden even ophouden met tateren, binstdat moeder vroeg met ontstelde stem:

—Wat gebeurt er?

Ze kwam in de kamer weer en zette zich op een stoel. 't Was hier nu danig droeve. Ze zei:

—Ge moet mij alzoo niet bekijken, menschen.... Ik heb daar een vieze leute gehad!

Bella lachte subiet mee.

—Vertel eens, Goedele....

—Straks!

Ze ging vóor den spiegel staan en schikte nauwkeurig eenige losse haarstrengen. Ze peuterde nadien aan een strikje, dat leelijk viel op haren rechterschouder, en vroeg, onverschillig:

—Hebt ge uw borduurwerk mee, Bella?

—Ja ... wacht even....

Ze zetten zich allebei onder 't noesche vensterlicht, en Goedele schoof het kleine werktafelken bij. 't Duurde een heelen tijd, eer ze hun tamboerijn gespannen hadden en de vele zijden strengetjes klaar gemaakt. Bella was bezig aan een bleek-groen fichu, waar ze teer-gele boterbloemen op stikte, in kransjes liefelijk saamgebracht. Ze was seffens aan den gang, haastte zich gejaagd alsof 't gauw afmoest. Ze boog zich lage over haar werk, en moest bijwijlen scheef gaan zitten om licht te krijgen op de luttele teekening. Ze werkte altijd zoo, gauw-weg, zonder goesting en zij en zocht nooit naar een fijne nuanceering. Ze naaldde de tinten te gare, nagenoeg zooals ze aangeduid waren op 't model, en ze was alzeere moe, om een beetje te rusten al zuchtend.

Goedele zat meestendeels met luie vingeren te wachten, te kijken naar Bella, en ze merkte dan 't een en ander op, bitsig een woord zeggend, dat onaangenaam klonk. Endelijk geraakte in huis een zwaar en moedeloos zwijgen, en onderwijl zoefde alover den tuin een grillige wind. Ursule had hare oogen dichtgedaan en hare handen lagen bijeen, rijzekens mekaar takend, op haren schoot.

—Zie! sprak Goedele, trouwen, daar moest ge eens aan denken, Bella!

—Trouwen?

Bella giechelde en de strengskens zijde schoven van haar knieën op het voettapijt. Ze was tevreden dat ze, bukkend om 't lichte gerief op te rapen, alzoo haar blozende wangen kon verbergen. Een leelijke rimpel groef een nijdige schaduw om Goedele haren mond. Ze zei, koud:

—Doe nu niet gek! Ik zie wel dat ge geerne er aan denken zoudt.... Maar helpt mijnheer De Vleeschhouwer u niet hierin? Moeder heeft me aan Vrebos geholpen.... A-propos, die komt straks weeral!

Ze blikte naar 't horloge en vroeg:

—Is 't hier 't juiste uur, moeder?

Ursule ontlook langzaam hare oogen, trok haar uurwerk te voorschijn en bracht het aan, heur oor. Ze keek nadien vluggelings er naar en antwoordde:

—Half-vijve.

Hare wimpers vielen trage toe.

Goedele vroeg een versche naalde aan Bella, en merkte hoe Bella's hand even bibberde, al reikende over de werktafel. Dezelfde plooi zakte van weerskanten, bezij hare lippen. Ze kreeg een kwaad en onweerstaanbaar verlangen, precies lijk daarboven, als ze meteen vóor grootvader stond. Ze veranderde van stem en liet hare woorden met scherpe ruwte hakken in de stilte.

—Zeg eens, Bella, wat is eigenlijk uw idee omtrent mijn verloofde?

Ze genoot in waarheid de ongesteldheid van het meisje, dat daar verlegen en hopeloos tegen haar vrage spartelde. Het was haar een ongewoon geneuchte, een deugddoend gevoel, dat uit een kwaden drift opwalmde en spelemeide in hare hersens, heel zacht. Bella vingerde zonder aandacht om haar borduurwerk en stamelde dat ze niets dacht.

—Wat heb ik te denken, lieve, en wat bedoelt ge met zoo'n advies?

—Juist uw advies. Ge meent zelve best wat ik bedoelen wil. Een advies. Is hij schoon?

—Och!

—Is 't een vent met een lijf voor de liefde?

—Zotte kappe!

—Peinst hij diepe en drukt hij 't sierlijk uit? Enfin, ge joept daar nu stotterend en ongedurig op uw stoel....

—Ik vind het hier bang....

—Ja—bang.

Ze blikten subiet op naar mekaar en Bella beukte tegen de harde oogen van Goedele. Ze zonk precies weg, niets meer doende, zich overgevend, tewege te weenen. Ze wilde geerne opstaan en buiten loopen en lucht krijgen. Ze fluisterde:

—Ik word ongemakkelijk....

Omdat niemand haar opbeurde en te helpen naderde, werd de gloeiing om hare slapen onverdragelijk. Ze voelde den scherpen stoot van Goedele's blikken gedurig. Goedele zei:

—Ge windt uzelve op.

—Neen.... maar 't zal wel overgaan. De stove brandt geweldig.

—De assche ligt dood.

—Mag de deure niet open met een reetje?

Ze stond op en werd eene knikkende slapte gewaar in hare knieën. Ze bleef een endeken in het deurgat staan. Ze zag Rik zitten op de trap, heel bleek, en staren met diepe oogen, grauw ommendomme beschaduwd. Ze probeerde zich te hervatten en lachte den grijzaard even toe, al groetend:

—Dâag—dâag—

Rik grommelde onachtzaam, en ze tort binnen opnieuw, teenemaal ontredderd. Er werd aan de straatpoorte gescheld. Ze bracht schokkend hare hand over haren boezem, binstdat Goedele lachte:

—We hebben van den duivel gesproken: daar is nu Sebastiaan!

Bella hijgde. Het docht haar dat de tijd niet voort wilde, dat hij zich langzaam uitrok en dat er geen ende aan dees folterend oogenblik zou geraken. Ze vreesde de stonde, waar Sebastiaan zou binnen komen, en seffens daarna verlangde zij die, benauwd voor de eeuwigheid die zij meende van dit oogenblik af te zien aanbreken. Ze hoorde door 't getuit, dat ziedde in hare ooren, de stemme van Ursule.

—'t Ligt hier zoo alles in wanorde!

En ze had dan nog een haastige beweging om de zijden draadjes, die tallenkant uiteengewaaid waren, een beetje te schikken. Een haastige stap klonk op den drempel. De peizelijke groet van Vrebos viel haar zwaar te moede en ze kon nauwelijks glimlachen. Ze staarde naar de boterbloempjes op het borduurtamboerijn. Als Goedele sprak, was 't haar of heel de kamer instortte onder 't klabetterend lawaai. Ze lei rijzekens hare hand in de uitgereikte hand van Sebastiaan. 't Was eene nieuwe emotie. Goedele zei:

—Kijk! Basti, ik en deug niet voor u. Ge moest eens goed ommezien en met Bella trouwen!

Bella gilde. Haar bloed schoot ineens weg en haar kinne schokte op hare borst. Ze stortte achterwaarts over en lag, met een doffen slag, roerloos op het tapijt. Elkendeen sprong toe. Men klopte in hare handen en wreef over haar voorhoofd.

—Djeezes-Maria! stotterde Ursule.

Goedele stond een oogenblik triomfelijk rond te turen. Een donkerroode blos kleurde hare wangen. Langs de open deur, merkte ze toevallig nog Rik, die 't ivoren kistje aan 't bergen was, achter een fuchsiapot, gebarende dat het daar ievers wel mogelijk was zoek geraakt.

Ze was nu niet schoon. De twee rimpels in de hoekjes van haren mond lagen heel diepe.

VIII.

Goedele had in den nacht hevige traanbuien, en zij en kon maar lichte insluimeren, gedurig weer wakker opschietend in bange droefenis. Ze weende bij 't naderen van haar onredelijk wee: ze dacht aan haar zelve, aan de toekomst, en ze voelde dat haar leven gebroken was. Ze snikte seffens. Ze had geen gramschap in haar, geen toornige uitvallen wolkten met heete walmen op uit haar herte. Ze bekeek elkendeen zonder wrok. Moeder was haar geen hardvochtig wezen meer en ze kon peinzen op heur, zooals ze peinsde op vader: een groot medelijden verlamde haar oproerig karakter en ze weende, duikende haar brandend gezichte in 't zakkend geveder van haar hoofdkussen.

In den morgen verzwakte haar uitermatig leed, maar ze bleef den dag door turen naar den komenden winter, verslonden in vaag gemijmer, aldoor treurig en maf. Ursule trachtte meermaals met zoet gevlei haar op te beuren. Ze sprak weer van een cottage, waar ze zouden gaan inwonen, bij 't naderen van de lente. Ze dierf echter het gezelschap van Bella niet meer oproepen. Het was gisteren al te bar verloopen en de herinnering eraan zou geen goed stichten.

De weke liep door. De verkiezingen gebeurden met groot lawaai en een nagalm ervan drong in dees spokig huis. Men sprak van 't voorval, en dat bracht een beetje verscheidenheid binnen. Ook een heele zake was 't, als Justa, in 't voorkamertje, het ivoren kistje ontdekte. 't Was tooverij. Maar Ursule had voorloopig gewichtiger gepeins en Goedele was niet uit haar droomen te leiden, zoodat het kistje algauw vergeten werd.

Op een nacht begon 't nijpend te vriezen. Schoone bloemen waren 's ochtends zichtbaar op de ruiten, witte bloemen met divers geblaan, allemaal zuiver en sierlijk van vormen. De tuin lag met blanken rijmel bestoven en de strate, onder den tert der menschen en 't gerammel der wagens, klonk bijzonder luidelijk. De postbode bracht, al heel vroeg, een brief voor Goedele.

—Wat is 't? vroeg Ursule.

Hij werd koortsig opengebroken. Er kwamen hier bijna nooit brieven toe, behalve somtemets een kort schrijven van Vrebos of een welruikend kaartje van mevrouw De Vleeschhouwer. Deze brief was van tante Olympe.

—Nieuws van Romaan, fluisterde Goedele, heel laag.

Hare blikken schoven vluggelings over de zwarte onregelmatige letters, heel die brave, gebrekkige taal van 't oude wijveken, en stilaan geraakten hare oogen vol. Ze moest rap pinken om de tranen weg te duwen en verder klaar te zien. 't Was slecht nieuws.

Ursule lengde haren hals uit, en op dees oogenblik overviel haar werkelijk een breede moederlijke aandoening. Ze stotterde, een ongemak voelend in haar kele:

—Watte?... Watte?... Hein?

Ze beloerde 't stille geween van Goedele, elken traan te reke, die rond werd onder de donkere wimpers, klaar optikkelde met een sterreken veranderlijk licht en trage neerwaarts droop. Goedele stamelde:

—Slecht nieuws....

—'t Is van Wiezeken, niet waar?

—Wiezeken is aan het sterven.

Ze zaten nu allebei rechtover mekaar, in stilte te schreemen. In langen tijd had Ursule zoo 'n ware emotie niet gehad en ze verwonderde zich dat dees waarachtige droefheid, die haar week maakte en afmatte, haar zacht was en deugdelijk. Ze voelde dat ze met dees leed tot dichtebij Romaan naderde en ze jubelde zoete, al snikkend, omdat Romaan zoo dichtebij was. Ze werd bijna tegen hare vingeren de warmte gewaar van zijn geliefde voorhoofd.... Ze zei:

—Ge moet gaan....

—Ja.

—Ge moet zeggen ... iets van mij ... iets van zijne moeder ... aan Romaan.

Goedele voelde dadelijk dat moeder rechtzinnig was en ze wilde haar geerne kussen, dankbaar om hare goede smert. Binstdat ze zich met haast aankleedde, vertelde ze van den verloren broer, zooals ze er nog nooit hier in huis over had verteld. Ze wist vele bijzonderheden aan te halen, waaruit het gulden hert van Romaan stralend te voorschijn kwam. Het was alsof ze tewege was ook van Madeleen te spreken. Het woord verzoening geraakte bijkans op hare lippen.... Ze zweeg echter, op dat woord juist, nog aarzelend en nog vreezend.

Buiten, op de koude straat, tort ze dapper door. Ze was weer in 't gewoel van de haastige menschen, ze taakte weer het drukke werk van al die dravende lijven, en, hoe onzeker ook, ze genoot de luchtige vrijheid lijk overrijd. Maar gauw drilden hare voeten, al slaande tegen hare rokken, en ze beluisterde den slag, hem gauwer aanzettend, om gauwer ginder te zijn. De winkels met hunne breede vensters en veelvervige uitstallingen sleerden zijlings voorbij. Ze herkende ievers een confectiehuis en wierp hare blikken subiet anderzijds. Een oud ventje hinkte krukkebeenend op haar af en reikte eene bevende hand uit. Ze bleef staan en vingerde in haar geldtasje en gaf een stuiver aan den man. Hij boog en een kistje met solferdoosjes, dat hing op zijne borst, kwikte schier omme.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings