SCHETSEN UIT ZEELAND. (continued 2)
Reading edition
Wij gaan door de overwelfde poort en staan voor de Koorkerk, eigenlijk het koor van de oude abdijkerk, doch sedert 1577 daarvan afgescheiden. Vraagt ge waarom? Eenvoudig omdat de ruimte der oude kerk voor de nieuwe eeredienst te groot was. Men brak dus een deel der kerk af en maakte daarvan twee gebouwen: het eene, thans de Nieuwekerk genaamd, werd door de Hervormden in gebruik genomen; het andere, na tot verschillende einden gediend te hebben, in 1759 mede tot kerk ingericht. Dat door deze splitsing het karakter van het geheel verloren ging en beide gebouwen bedorven werden, was eene zaak van ondergeschikt belang.
In haar tegenwoordigen toestand onderscheidt de Koorkerk zich door niets bijzonders. Alleen vertoeft ge eenige oogenblikken voor den gedenksteen ter nagedachtenis van den als geleerde en dichter beroemden Hadrianus Junius, die in deze kerk begraven ligt.—Het was mede een graftombe, die ons bewoog ook een bezoek te brengen aan de aangrenzende Nieuwekerk, weleer de Abdijkerk, waarin ook de Roomsch-Koning Willem II begraven werd. Toch was het niet om een bezoek te brengen aan zijn graf, dat wij onze schreden richtten naar dit kerkgebouw, dat mede op zich zelve weinig bezienswaardigs heeft. Ik mocht Middelburg niet verlaten zonder mijn vriend te hebben geleid naar de graftombe van twee mannen, wier namen door ieder Nederlander met billijken trots worden uitgesproken, en die ook voor hun deel—en voorwaar voor geen gering deel!—hebben bijgedragen om de door grondgebied en bevolking zoo weinig beteekenende republiek te verheffen tot den rang van een der eerste mogendheden van Europa. Deze Nieuwekerk bevat namelijk het praalgraf der gebroeders Jan en Cornelis Evertsen, uit de in het jaar 1834 gesloopte Oude- of Sint-Pieterskerk herwaarts overgebracht.
Hier nadert Evertsen! in ’s Lands vergaderzaal,
Alom behangen met der Britten wapenpraal,
Spreekt hij: “O, laat mij de eer, de onschatbre eer verwerven,
“Om voor de vrijheid van mijn vaderland te sterven;
“Vier mijner broederen, en mijn vader, met mijn zoon,
“Zijn, strijdend voor ’s Lands regt, gesneuveld! Ook dat loon
“Zij aan mijn dienst vergund, na veertig jaren strijden!
“’k Wil het overschot mijns bloeds aan ’t heil van Neerland wijden!”
Hij gaat; beklimt de vloot; knot Englands dwinglandij:—
En als zijn broedren, zoon en vader, sneuvelt hij.
Neen, ik zal niet verder gaan. Ik zie reeds den glimlach, die om de lippen van den lezer speelt, als hij zich de welbekende regels herinnert, die nu volgen. Bombast, niet waar? Welnu, ik zal het u niet tegenspreken; ik zal u zelfs niet betwisten, dat ook in de bovenstaande regels, hoewel buiten alle vergelijking beter, wel het een en ander valt af te keuren, dat ook hier meer soberheid geen schade zou doen; maar toegeven moet ge toch, dat Helmers, toen hij deze verzen schreef, iets in zijne ziel voelde tintelen van dat echte vuur, dat den dichter maakt; dat het feit, door hem bezongen, hem aangreep met eene macht, waarvan wij ons te nauwernood rekenschap kunnen geven. Zou het niet mogelijk zijn, dat het sterke en overdrevene in zijne uitdrukkingen ons juist daarom zoo zeer treft, zoo komisch op ons werkt, omdat wij zooveel armer aan geestdrift zijn geworden, omdat wat hem bezielde en geheel medesleepte, ons tamelijk koel laat? Toch, zoo ergens geestdrift geoorloofd is, dan is het wel bij dit monument, dat ons de herinnering voor den geest roept aan een geslacht van helden, dat maar voor weinigen behoeft te wijken; een dier kloeke geslachten, uit den schoot des volks gesproten, die met lijf en bloed de republiek hielpen grondvesten en voor hare vrijheid, hare eer, haar macht, alles overhadden; een dier geslachten, wier kortstondige, maar schitterende bloei, een beeld en type is van de geschiedenis dezer republiek zelve. Bij de tombe dezer helden staande, mocht ik mijn vriend verhalen van hunne daden, van de grootsche herinneringen uit dit schitterende tijdperk onzer geschiedenis, dat zoo luide getuigt van hetgeen de kracht eens volks, gedragen en bezield door een hooger beginsel, ook ondanks de ongunst der omstandigheden, vermag.
In weemoedige gedachten—want het vertoeven in dat verleden stemt, bij vergelijking met het heden, wel tot weemoed—in weemoedige gedachten wandelen wij verder, en werpen in het voorbijgaan een blik op de Oost- of Koepelkerk, een inderdaad statig en indrukwekkend gebouw uit de tweede helft der zeventiende eeuw, in italiaanschen renaissance-stijl opgetrokken. Doch van kerkbezoek hebben wij nu voorloopig genoeg; bovendien, er is hier geen enkele, die bijzonder de aandacht verdient. Vooral voor den vreemdeling, die zoo pas uit België komt, moeten wij Noord-Nederlanders voorzichtig zijn in het laten zien onzer kerken. Oude kerken, die inderdaad door hare bouworde uitmunten, monumenten van kunst zijn, hebben wij maar zeer weinigen: en die weinigen zijn dan nog in den regel, door hare inrichting voor eene eeredienst, waarvoor zij volstrekt niet geschikt zijn, totaal bedorven: het zijn naakte, karakterlooze ruimten geworden, waarvan ge de bedoeling niet meer begrijpt en waarin ge u niet meer tehuis gevoelt.
Daarom richten wij liever onze schreden naar de markt, om onze oogen te verkwikken aan het Stadhuis, een sierlijk en smaakvol gebouw uit het begin der zestiende eeuw, uit het tijdperk van de flamboyante gothiek en de renaissance. Ge spaart mij eene uitvoerige beschrijving; zoo ge het gebouw niet uit eigen aanschouwing kent, zal de afbeelding op bladz. 16 u een duidelijker en vollediger denkbeeld geven van het voorkomen van dit stadhuis, dan mijne beschrijving zou kunnen doen. Daarom slechts enkele opmerkingen. De beelden in de nissen, vijf-en-twintig in getal, stellen de Graven van Holland en Zeeland voor, beginnende met Dirk V en eindigende met Karel V. Naar men zegt, zijn deze beelden vervaardigd door een beeldhouwer uit Mechelen, die daarvoor ƒ18,— per stuk ontving. Oorspronkelijk waren zij gekleurd volgens hun min of meer traditioneel kostuum; doch sedert is de eeuw van de witkwast aangebroken, en ook deze beelden zijn met kalk bestreken geworden. Bijzondere kunstwaarde mogen zij wel niet hebben, maar dit neemt niet weg, dat zij als dekoratie een zeer goed effect doen in hunne rijk bewerkte nissen en bij al den weelderigen tooi van dezen sierlijken gevel, die u aan de stadhuizen in sommige belgische steden denken doet. De hooge spitse gevel ter linkerhand is de Vleeschhal, waartoe een groote poort toegang geeft. De zonnewijzer in dien gevel roept u, vermanend en waarschuwend, sprekend naar oud vaderlijke wijze, toe: “Transeunt et imputantur. Zij (de uren) gaan voorbij en worden ons toegerekend.” De toren prijkt met een uurwerk en wijzerplaat: onder deze laatste ziet ge twee vergulde, geheel gewapende en geharnaste ridders te paard, die telkens als het uur slaat, elkander aanvallen, en elkaar met de lans doorsteken, om dan weer rustig af te wachten tot een volgend uur het gevecht doet hervatten. Boven de wijzerplaat bevinden zich twee vergulde voetknechten, die bij het slaan van ieder half uur, hetzelfde spel vertoonen.
Nog rijker dan Vlissingen, is Middelburg aan schilderachtige huizen en karakteristieke gevels uit de zeventiende eeuw: modellen van de eigenaardige burgerlijke architectuur onzer voorouders, die, wat ze aan klassieke schoonheid ontberen mocht, eenigermate vergoedde door oorspronkelijkheid. Als een der fraaiste monumenten van dezen bouwstijl, die zich aan de renaissance aansloot, maar deze wijzigde naar eigen behoefte en eigen smaak, herinner ik mij eene deftige woning aan eene der grachten, die vooral om de inwendige decoratie opmerkelijk is. Als ge de straatdeur open doet, ziet ge voor u een langen gang, met witte en zwarte marmersteenen bevloerd, en door drie rijk bewerkte deuren of portieken in vakken verdeeld. Vooral de eerste portiek, die het ruime voorhuis van den eigenlijken gang afscheidt, is smaakvol en prachtig, met haar gegroefde zuilen, haar kroonlijst en rijk beeldhouwwerk van vruchten, bloemen en wapenschilden. De twee volgende portieken zijn eenvoudiger en minder hoog; vrij doorloopt de blik den langen gang en dringt door tot in de keuken, waar het glanzend geschuurde koperwerk tegen den donker geverwden wand u tegenblinkt. Vooral wanneer uit de diepte van die keuken een warme zonnestraal in den gang valt, maakt deze woning op den bezoeker geheel den indruk van een oud-hollandsch binnenhuis, zoo als hij dat zoo menigmalen op de schilderijen onzer meesters uit de zeventiende eeuw bewonderd heeft. Ge zoudt u niet verbazen, indien een dezer antieke deuren zich opende, en daaruit eene deftige matrone te voorschijn trad in het kostuum uit den tijd van Frederik Hendrik of Willem III: zoo volkomen heeft deze woning haar oorspronkelijk karakter bewaard.
Tot vroeger tijdperk behoort een ander huis, de Steenrots genaamd, op de Dwarskade. Dit huis vertoont den zuiveren stijl der vlaamsche renaissance, en dagteekent uit de laatste jaren der zestiende eeuw: althans twee schilden in den gevel vertoonen het jaartal 1590. De benedenverdieping heeft vier hooge boogvensters, die gedeeltelijk gemoderniseerd zijn. Boven de deur prijken twee geniën van wit marmer, die blijkbaar door de hand eens echten kunstenaars zijn vervaardigd. Boven en beneden de kruisramen der eerste verdieping bevinden zich zeer goed bewaarde bas-reliefs, tafereelen uit de bijbelsche geschiedenis voorstellende. Ook de versiering van de bovenste verdieping en van de kroonlijst is zeer opmerkelijk. Geheel het huis, op bladz. 24 afgebeeld, maakt een zeer eigenaardigen indruk, en getuigt van den smaak des bouwmeesters.
Onder de eigenaardigheden eener oud-hollandsche stad, die nooit nalaten de aandacht van den vreemdeling te trekken, behooren natuurlijk ook de zoogenaamde pothuizen, waarin een schoenlapper, die tevens in den regel het beroep van kruier uitoefent, over dag zijn verblijf heeft gevestigd. “Wat moet die man het in dat hokje benauwd hebben”, zeide mijn vriend, toen ik hem beduid had, wat de geheimzinnige kastjes waren en waartoe ze dienden.—“Toch niet. Zie slechts: het pothuis is van voren open: de man heeft dus lucht in overvloed, veel meer dan wanneer hij in eene bedompte kamer zat te werken. Daarbij heeft hij al wat hij voor zijn handwerk behoeft, vlak bij de hand, en is hij te ieder stond gereed, wanneer iemand, in zijne dubbele betrekking van schoenlapper of kruier en boodschaplooper, zijne dienst behoeft. Ja, neem hem maar eens goed op, want weet: zijn ras sterft uit; er zijn nog wel enkele pothuizen in onze oude steden, maar hun getal vermindert voortdurend, en met hen verdwijnen de oude klassieke kruiers en schoenlappers, die ze bewoonden. De kruiers worden vervangen door de hedendaagsche bestellers of commissionnairs, die niet in pothuizen zitten en, als zij geen boodschappen te verrichten hebben, schoenen lappen, maar den ganschen dag op den hoek eener straat heen en weer drentelen en het grootste gedeelte van den dag niets uitvoeren. Zoo’n ouderwetsche kruier in zijn pothuis was de populairste man uit de geheele buurt, wien zelfs heeren en dames hun vertrouwen schonken, en wiens nederig pothuis voor de dienstboden uit den omtrek en voor de straatjeugd een soort van beurs, een vereenigingspunt was, waar de nieuwtjes van den dag werden uitgewisseld en bepraat, en allerlei zaken afgehandeld. Geloof mij: voor menige huiselijke revolutie, voor menige demonstratie in de dienstbodenkamer, werd de grond in het pothuis gelegd, het ontwerp in het pothuis gesmeed. Ook menige vrijerij ontkiemde in het pothuis. De pothuizen behooren tot de physionomie eener oud-hollandsche stad, zoo als rondslenterende policie-agenten en tegen de hoekhuizen leunende bestellers tot die eener moderne. Daarom, bezie dat pothuis goed, en bewaar de herinnering in uw geheugen”.

Een oud-hollandsch binnenhuis te Middelburg.
Mijn vriend had met aandacht naar mijn vertoog geluisterd, en beloofde, dat hij het pothuis en zijn bewoner niet vergeten zou. Ik daarentegen beloofde hem dat, zoo hij met mij naar Amsterdam wilde gaan, zich daar, ook op dit gebied, een nieuw veld van waarneming voor hem zou opdoen.
Een nog vreemder verschijning voor mijn reismakker was onze hollandsche aanspreker of bidder, hier nog geheel in zijn eigenaardig kostuum gedost, met wijden mantel, steek, lamfer en bef. Wij ontmoetten een paar zulke bidders in de straten van Middelburg; en ik moest mijn vriend nauwkeurig verslag geven van hunne roeping en den eigenlijken aard hunner werkzaamheden. De hollandsche lezer schenkt mij die uitlegging. Op de eigenaardige gebruiken, nog hier en daar op het platte land in Zeeland, bij gelegenheid van begrafenissen in gebruik, kom ik later terug.
In ons logement en ook elders hadden wij meermalen hooren spreken van een der bewoners der stad, die in het vorige jaar zijn honderdsten verjaardag had gevierd, en nog in het bezit van zijne vermogens en van een goede gezondheid was. Door tusschenkomst van een mijner bekenden werd het ons vergund, bij dien ouden heer een bezoek af te leggen, dat zeker tot mijne aangenaamste herinneringen behoort. De oude heer, die den 12den April 1772 te Oost-Kapelle geboren was, leefde nu bij eene dochter in huis, na vijf-en-vijftig jaar lang het beroep van bakker te hebben uitgeoefend. Op zijn zeventigste jaar of daaromtrent was hij begonnen te teekenen: vooral kopiëerde hij gaarne zeegezichten en vrouwenportretten; en hij deed dit, zijn leeftijd in aanmerking genomen, niet zonder talent. Hij gaf ons zijn portret ten geschenke, dat ter gelegenheid van zijn honderdsten verjaardag was gemaakt, en waaronder hij nog met vaste hand zijn naam geteekend had. Toen hij de kamer binnentrad, waar wij werden ontvangen, beefde hij over zijn geheele lichaam, maar hij liep nog tamelijk rechtop, en zijn gelaat zag er nog tamelijk frisch uit, al stonden zijne oogen ook dof. Wij onderhielden ons een poosje met hem en zijn kleinzoon, die ons zijne teekeningen liet zien, waarmede de oude man blijkbaar zeer ingenomen was. Honderd jaar! welk een leeftijd, en wat heeft die man al niet bijgewoond! Hij heeft eene wereld zien ondergaan, en eene nieuwe verrijzen: wat mag hij zelf bij al deze aangrijpende gebeurtenissen der laatste honderd jaren hebben gevoeld en gedacht! Uit den aard der zaak konden wij niet daarover uitweiden; toch deed het ons goed, toen wij de zachte weeke hand van den ouden man in de onze drukten, dezen stillen getuige der vervlogen dagen te hebben gezien.—Naar ik vernomen heb is hij in April 1874, na eene zeer kortstondige ongesteldheid, kalm overleden. Wij bieden onzen lezers zijn portret aan.

De oudste inwoner van Middelburg.
Na een paar dagen door Middelburg te hebben rondgewandeld, hadden wij zoo wat alles gezien, wat in de stille deftige hoofdstad van Zeeland de aandacht van vreemdelingen trekken kan. Ook zij is bezig gaandeweg haar eigenaardig karakter te verliezen, en te dalen tot den rang eener kopie op kleine schaal van eene groote stad. De alles nivelleerende, alles gelijk makende, alles afslijpende eenvormigheidsmanie onzer dagen is voor kleine steden, als voor kleine volken, bijzonder noodlottig; zij werpen haar eigenaardig, historisch karakter weg ten einde zoo veel mogelijk gelijk te worden aan groote metropolen:—met geen ander gevolg dan dat zij verliezen wat haar bekoorlijk en eerbiedwaardig maakt, zonder te verwerven wat haar, uit een ander oogpunt, belangwekkend zou kunnen maken. Zoo worden de steden van den tweeden en lageren rang eenvoudig kopieën, miniatuur-uitgaven der groote hoofdsteden: kopieën, waar niemand naar omziet, en die alle aantrekkelijkheid verloren hebben voor wie het origineel kent. Middelburg heeft dat stadium van averechtsche ontwikkeling nog niet ten volle bereikt, maar bevindt zich toch onmiskenbaar op den weg, die daarheen voert: en het staat te voorzien, dat de versnelde en verbeterde middelen van gemeenschap, die thans te harer beschikking zijn gesteld, en die de stad uit hare betrekkelijke afzondering zullen helpen om haar op te nemen in den kring van het algemeen verkeer, er ruimschoots toe zullen bijdragen om den voortgang op dien weg te bevorderen. Ook van haar moet de vreemdeling de herinnering medenemen, want als hij haar weerziet, zal hij ze veranderd vinden.
V.
Rondom uitgestrekte weilanden, frisch groen en weelderig van tint, maar toch wel wat eentonig: een echt hollandsch landschap, waarvan het eigenaardig schoon voor ons, die van onze eerste kindsheid dergelijke tafereelen voor oogen hebben gehad, wel iets van zijne beteekenis en bekoring verloren heeft. Echter—ook vreemdelingen hebben in den regel daar spoedig genoeg van. En, wij moeten billijk zijn—tot de voorwaarden van het schoone behoort, en wel niet in de laatste plaats, afwisseling, beweging, die den indruk des levens geeft;—en juist deze missen wij te zeer in onze hollandsche landschappen, onze eindelooze weilanden, hier en daar met boomgroepen bezet, omzoomd door een dunnen boschrand, dit evenwel niet altijd; en voorts rijkelijk doorsneden door vaarten en slooten. Onze luchten zijn fraai, en de tinten, die de speling van het licht in onze vochtige atmosfeer kan te voorschijn tooveren, ten volle de studie des schilders waard. Maar wij mogen toch dit alles niet te hoog aanslaan, en hebben ons te wachten voor de dwaze en kinderachtige overdrijving, van onze landschappen op eene lijn te willen plaatsen met wat wij in den vreemde aanschouwen. Troosten wij ons:
Grijs is uw hemel en stormig uw strand;
Grauw zijn uw duinen en effen uw velden;
U schiep natuur met een stiefmoeders hand:
Toch heb ik innig u lief, o mijn land!
Al wat gij zijt is der vaadren werk:
Uit een moeras schiep de deugd van die helden,
Beiden natuur en den dwingland te sterk,
Vrijheid een tempel en godsvrucht een kerk.
De bodem waarop wij staan, is mede getuige van die geestkracht van het voorgeslacht: ook deze grond is, om de traditioneele uitdrukking te gebruiken, aan de golven ontwoekerd. Het Nieuwland, waarheen onze weg voert, was vroeger een afzonderlijk eilandje, dat, gaandeweg aangeslibd, in 1644 werd ingedijkt en met Walcheren verbonden. Het dorp van dienzelfden naam maakt een aangenamen indruk, en is, althans naar het uiterlijk, ook van de bewoners te oordeelen, zeer welvarend. Er heerscht thans eene groote drukte. Wij hebben dat reeds bespeurd op den weg, waar ons telkens boerenkarren en wagens met vroolijke gezelschappen voorbijsnorden; op de landwegen zagen wij kozende paren en lachende en zingende troepjes voortwandelen, zich spoedende naar het Nieuwland.
Dit volk houdt nog de oud-vaderlandsche gewoonte van het dusgenaamde heulen in eere: zoo vaak men, hetzij te voet, hetzij in een rijtuig, over een brug (heul) gaat, hebben de jonkmans het recht hunne meisjes te kussen. Van waar die zonderlinge gewoonte afkomstig is, kan ik niet zeker zeggen: tenzij men de overlevering gelooven wil, die ons natuurlijk ook hier niet verlegen laat. Volgens haar dan zou eens, ’t is lang geleden, een zekere haagsche jonker zijne liefste, die onder de harde dwingelandij eener booze stiefmoeder zuchtte, op een schemeravond in alle stilte hebben geschaakt en naar een in de nabijheid gereed staand rijtuig gevoerd. De gelieven stapten in den wagen, en de voerman lei de zweep op de paarden. Voort ging het nu in snellen draf, naar den kant van Leiden. Maar, voorbij den Leidschendam, in de veenen gekomen, reed de voerman, daar het reeds duister was, het bruggetje mis en in de vaart. Hij zelf sprong haastig van den wagen, en spoedde zich naar den Dam, roepende: heul! heul! (hulp); maar onderwijl waren de beide minnenden verdronken. Die aandoenlijke historie maakte zulk een indruk, dat het sedert eene gewoonte werd, op alle bruggetjes heul! te roepen en zijn vrijster te omarmen en te kussen ten teeken van blijdschap, dat men er gelukkig over geraakt was. De houten brugjes zelven zouden ook aan dit avontuur den naam van heulen te danken hebben.
Ziedaar wat de overlevering vertelt; maar de overlevering mag niet altijd op haar woord geloofd worden; en in dit geval is er alle waarschijnlijkheid dat zij de plank mis slaat. De zaak laat zich, dunkt mij, veel eenvoudiger verklaren. Ons volk was van oudsher bijzonder op kussen gesteld: in onze erotische poëzie speelt het zoenen altijd een zeer voorname rol; en het is nu niet zoo geheel vreemd, dat zoenlustige jongelui gebruik hebben gemaakt van de gunstige gelegenheid, die de overgang van smalle bruggetjes aanbood, om hun vrijster een kus op de wangen te drukken. Wat hiervan zij: wij behoeven slechts rondom ons te zien, om overtuigd te worden, dat dit gebruik hier nog in eere wordt gehouden; en wij moeten erkennen, dat de zeeuwsche weilanden en polders, met hun overgroot aantal slooten en tochten en weteringen, die een talloos tal van bruggen noodig maken, in dit opzicht, voor de liefhebbers van kussen een land van belofte zijn.
Wij zijn de statige laan met hare prachtige boomen, die naar het dorp voert, ten einde gewandeld, en bevinden ons nu in Nieuwland. Voor gindsche aanzienlijke huizinge, waar de ambachtsheer woont, staat een groep jonge boeren te paard, omringd door eene dichte schare. De ambachtsheer is naar buiten getreden, en heeft aan een der jongelieden een pakje overhandigd, waaruit eenige geschenken zijn te voorschijn gekomen, bestemd om als prijzen te dienen bij het ringrijden, dat zoo aanstonds een aanvang nemen zal. Zoodra deze geschenken worden vertoond, neemt het dusgenoemde jouwen een aanvang. Een uit den troep roept: “Daer komt de man!”—Een ander antwoordt: “Wat heit i an?” De eerste: “Grauw!” De tweede: “Blauw!”—De eerste: “Wat zullen wij roepen?”—Allen: “Hoezee! Hoezee!”—Dit is de feestelijke vorm om “Mijnheer te bedanken.” Natuurlijk dat er ook gejouwd moet worden ter eere van Mevrouw en de kinderen, hetzij ze reeds werkelijk bestaan, hetzij ze nog maar alleen in hope leven. Ook bij andere notabele ingezetenen, zooals bij den ontvanger en den dokter, wordt die ceremonie herhaald. Vraag mij nu wederom niet naar den oorsprong en de beteekenis van deze, althans voor ons en in hun tegenwoordigen vorm, volkomen zinledige en onverstaanbare woorden; ik kan er geene verklaring van geven, maar weet alleen, dat men in Zeeland vrij algemeen van gevoelen is, dat dit grauw en blauw roepen uit den tijd der Hoekschen en Kabeljauwschen afkomstig is. ’t Is mogelijk; ofschoon ik niet kan inzien wat ter wereld de dynastieke kleuren dezer oude politieke partijen te doen hebben met ringrijden en het uitloven van prijzen voor den wedstrijd.
Dit ringrijden zelf is een echt nationale gewoonte; en het deed mij genoegen, dat mijn reismakker juist hier zulk een schouwspel mocht bijwonen, waar het met groote geestdrift on bijzonderen luister wordt gevierd en nog inderdaad een volksvermaak mag heeten. Ik vertelde hem daarom het een en ander om hem beter op de hoogte te brengen; wellicht dat ook voor mijne lezers eenige toelichting niet geheel overbodig is.
Reeds ettelijke dagen te voren wordt in de herberg van het dorp de rolle nedergelegd, waarop ieder, die aan den wedstrijd deel wil nemen, zijn naam teekent. De deelnemers, doorgaans twintig tot dertig in getal, meest allen boerenzoons of knechts, betalen een zekere som, veelal een rijksdaalder, aan den penningmeester van de club of de vereeniging die het feest organiseert, als een bijdrage voor het aankoopen van prijzen, die uit gouden en zilveren voorwerpen bestaan.
De baan, in den regel tachtig tot negentig el lang en drie el breed, wordt behoorlijk met paaltjes en touwen afgebakend; in het midden worden twee stevige palen in den grond geslagen, waartusschen een touw wordt gespannen, dat in een ijzeren beugeltje den ring zal houden. Die ring is van zilver: en dat wel om te voorkomen, dat niet de een of andere speler hem te zijnen behoeve late betooveren, wat met een ijzeren ring zeer licht geschieden kan. Op zilver daarentegen hebben tooverspreuken en bezweringen geen kracht; mitsdien moet, om alle bedrog en kwade praktijken te voorkomen, de ring van zilver zijn. De prijzen hangen aan een touw, dat tusschen een der palen en een bodem is gespannen.
Natuurlijk zijn er ook voor dit spel zekere regels vastgesteld. De paarden mogen niet van zadel of kleed zijn voorzien, en moeten bij het rijden galoppeeren; een ring, die met gaand of dravend paard gestoken wordt, telt niet. Om een prijs te winnen, moet men driemaal achtereen den ring steken; intusschen mag, in den regel, niemand meer dan twee prijzen behalen. Die een prijs wint, moet op een pint likeur trakteeren; die den geheelen dag geen ring heeft gestoken, krijgt, naar overoud gebruik, een houten potlepel.
Mengen wij ons nu onder de joelende schare, die aan wederzijde van de baan zich verdringt, om het feest te aanschouwen niet slechts, maar er ook werkelijk deel aan te nemen. Of de belangstelling gespannen is,—ge behoeft het niet te vragen, als ge die aangezichten ziet, waarop meer dan nieuwsgierigheid, waarop levendige deelneming, hoop, verwachting, vrees, te lezen staan; die oogen, onafgewend den vluggen rijder volgende, die in vollen galop de baan doorrent; als ge die luide kreten hoort, zoo vaak een der prijzen gewonnen wordt; dat eigenaardige verward gemompel, waarin de schare hare belangstelling in het edel spel uitspreekt. En ze is niet geheel onverdiend, die belangstelling: want inderdaad, voor dat spel wordt lichaamskracht en behendigheid vereischt. Ziedaar, aan den ingang der baan, dien slanken, fijngebouwden en toch krachtvollen jonkman, met sprekend gelaat en groote, levendige oogen, nu stralend van opgewektheid. Hij houdt een houten lans opgeheven in de hand; aan de twee krijtstrepen op zijn broek kunt ge zien, dat hij voor dezen prijs—een zilveren mes—reeds tweemaal een ring gestoken heeft; hij is dus “op steek”; lukt het hem, nog eenmaal den ring te steken, dan heeft hij den prijs gewonnen en mag zich tooien met dat mooie breede zijden lint, dat de ring-oppasser, als om te laten zien hoe goed het staat, zich zelven heeft omgehangen. Daar zet hij zijn fraai bruin paard, met linten en strikken versierd, in galop, onder luid geschreeuw, dat door alle omstanders wordt herhaald. In weinige seconden is de ruiter bij het touw; met een vlugge beweging heeft hij den ring gestoken, en zwaait nu zijn lans, waarop de ring rust, in de hoogte. Een daverend gejubel gaat op van allen kant, en groet den overwinnaar, die zelf als buiten zich zelven van vreugde is. Terwijl hij in vliegenden galop terugkeert, voert hij op zijn paard allerlei gymnastische kunsten uit; straks wordt hij, door vier stevige boerenknapen, in triomf, op een ladder, naar de herberg gedragen, waarbij het ook tamelijk wild toegaat. Daar, in de herberg, worden de kameraden getrakteerd, waarbij het juist niet altijd bij het bepaald pintje blijft.
Intusschen is de volgman al doorgegaan op den volgenden prijs; het wordt al woeliger en luidruchtiger; de groepen wemelen door elkander; de schare verdringt zich in de nabijheid der palen; menschen en paarden vermengen zich in bonte wanorde. Daar keert onze ruiter van zoo even terug uit de herberg; hij heeft zijn flink bruintje weer bestegen, en waagt nog eens een rit om den hoogsten prijs, door den ambachtsheer geschonken: een fraai gouden horloge. Daar gaat hij door; daar steekt hij voor de tweede maal den ring; daar lukt het hem ten derden male... Hoezee! hoezee! hij heeft den hoogsten prijs gewonnen! Aan het oorverdoovend gejubel schijnt geen einde te komen; de jonkman zelf is dol van pret. Hij laat zich van zijn paard vallen, wentelt zich op den grond, springt en schreeuwt als een razende. Om hem tot bedaren te brengen, werpen zijne kameraden hem op den grond en overdekken hem met zand en gras; hij springt op, ontkomt aan hunne handen, en zet het op een loopen. Luid schreeuwend stormen zij hem na; hij rent en zwenkt in allerlei richtingen; eindelijk grijpen zij hem, en rollen al wentelende met hem in het zand; dan springt hij weer op, is nu op zijn paard, dan weer te voet onder de joelende menigte. Hij is de held van den dag, die overal wordt bewonderd en toegejuicht, en straks in triomf naar de herberg gevoerd, waar telkens de beker lustig rond gaat.
Alle prijzen zijn eindelijk gewonnen; de vertooning is afgeloopen; slechts een enkele speler is nog achtergebleven: hij heeft geen enkele maal den ring gestoken. Was het onhandigheid? was het onachtzaamheid? Genoeg: hij moet den potlepel ontvangen, die eenzaam aan het touw hangt te slingeren. De ring-oppasser, een groote flinke boer, nadert den ongelukkige die rustig op zijn paard is gebleven, en hangt hem, met plechtig gebaar, den houten potlepel om den hals. Aan het gelach, het gejubel en het geschater schijnt geen einde te komen; de patiënt zelf schijnt er een oogenblik onder te bezwijken; maar weldra herneemt hij zijne vroolijkheid, en roept, zijn lepel zwaaiende, uit: “Een ander maal beter!”

Een aanspreker te Middelburg.
Dan stroomen allen de herberg binnen, waaruit het geluid van viool en fluit u tegenklinkt, en waar op den ruimen deel lustig gedanst wordt. De pret duurt den ganschen avond, en zelfs nog wel een deel van den nacht, en de uitgelaten dolheid openbaart zich op allerlei, ook min voegzame wijze. Het geheele tooneel in het anders zoo rustige kalme dorp krijgt weldra iets ruws, dat ook op mijn vriend een onaangenamen indruk maakte. Toch kan ik niet instemmen met hen, die tegen deze uitspanningen te velde trekken en voor de afschaffing daarvan ijveren. Afschaffen is zeker de eenvoudigste en meest afdoende manier om een einde te maken aan alle mogelijke misbruiken, waartoe eene of andere zaak aanleiding geven kan; maar het is ook een paardemiddel, dat somwijlen in de praktijk erger kan blijken dan de kwaal. De behoefte aan uitspanning, aan vermaak, is echt menschelijk en behoort op zich zelve niet tegengegaan te worden: het komt er slechts op aan, die behoefte te leiden en zoodanige bevrediging voor haar te vinden, dat de goede zeden en de goede smaak daaronder geen schade lijden. Maar die taak is verre van gemakkelijk: vooral in onzen tijd mag het eene hachelijke onderneming heeten, nieuwe, veredelde volksvermaken te willen uitvinden, die niet aan de gebreken der oude zullen lijden en dezen inderdaad kunnen vervangen. Juist omdat zulke volksvermaken worden bedacht en uitgevonden door mannen, die niet tot het eigenlijke volk, dat men vermaken wil, behooren, die door stand en opvoeding en denkwijze daar buiten staan; juist daarom vinden die kunstmatig aangelegde vermaken bij het volk geen ingang. Bovendien lijden zij meest allen aan het groote gebrek—een fout van hun oorsprong—dat het volk eenvoudig de rol van toeschouwer of toehoorder vervult, en niet zelf een werkzaam aandeel aan het feest neemt; en toch, alleen wanneer dit laatste geschiedt, kan er inderdaad van volksvermaak sprake zijn. Daarop verstond men zich vroeger veel beter: op onze kermissen, hoe verbasterd en van hare eigenlijke bestemming ontaard zij ook mogen zijn, is toch nog voor de massa eene soort van uitspanning te vinden, waarbij zij niet louter lijdelijk blijft: en voornamelijk om die reden toont het volk zich nog zoo zeer aan deze oude instelling gehecht. Wat geven wij in de plaats? Tentoonstellingen, volksconcerten, illuminaties, vuurwerk, volksvoorstellingen, zakloopen, mastklimmen: het is alles zeer fraai en uiterst belangwekkend, maar het is steeds een georganiseerde pret, eene gemaakte vertooning in den alledaagschen zin, een vermaak op kommando: en dat gaat nooit recht van harte. Daarbij: in onzen tijd is er te weinig overgebleven van het eigenlijke volksleven, is de samenleving te zeer uiteengerukt, is het volk te veel in individus, die ieder op zich zelven staan, verbrokkeld, om voor rechte en wezenlijke volksvermaken ruimte te laten; ook zijn de verschillende standen uiterlijk te zeer onderling vermengd en juist daardoor innerlijk verder dan ooit van elkaar verwijderd. De aanzienlijke en vermogende neemt niet langer deel aan de uitspanningen des volks; en het volk zelf streeft er dwaselijk naar om, zooveel mogelijk, dezelfde uitspanningen te genieten als de hooger geplaatsten, daardoor zijn eigen genot bedervende en den schijn voor het wezen nemende. Voor het volk in zijn geheel geldt, in dit opzicht, hetzelfde als voor den enkelen mensch: om zich waarlijk te kunnen vermaken, om recht vroolijk te kunnen zijn, wordt eene zekere mate van naïeveteit, van frissche gezondheid van lichaam en ziel vereischt. En is het niet juist aan dit, dat het ons geslacht hapert? Wordt ons gemoed niet te zeer vervuld en gedrukt door den ernst der tijden? Hebben wij niet, door al wat wij aanschouwden en ervoeren, die kostelijke gulle onbevangenheid der jeugd verloren, die mede een vereischte voor echte vroolijkheid is?

Ringrijden
VI.
Wie den vollen indruk wil krijgen van de buitengewone vruchtbaarheid van Walcheren, moet, zoo als wij deden, op een mooien, helderen, warmen zomermorgen, te voet uit Middelburg vertrekken, om eene wandeling in den omtrek te doen. De wegen, met wilgen en jonge olmen omzoomd, zijn allerbekoorlijkst. Dikwijls genoeg ontmoet ge op den weg een grooten wagen, met een witte of gele huif overspannen, volgeladen met vrouwen en meisjes in hare fraaiste kleederen, oude mannen met de onmisbare pijp in den mond, en jongelieden, die, den nieuweren tijd huldigende, een bruin glazen of zilveren sigarenpijpje tusschen de tanden hebben: allen vroolijk en luidruchtig. Deze lieden gaan uit rijden: van ouds eene zeer geliefkoosde uitspanning onzer burgerij en landlieden, vooral der eerste. De boeren plegen doorgaans niet dan bij feestelijke gelegenheden uit spelerijden te gaan. Onze eerzame, nijvere burgers daarentegen, het gansche jaar door in winkel of kantoor bezig, opgesloten binnen de muren der steden, die juist niet altijd op bekoorlijke omstreken konden roemen; onze eenvoudige burgers hadden er behoefte aan, zich nu en dan eens in de vrije natuur te vertreden, en daartoe boden die speelreisjes eene welkome gelegenheid. Nevens het genot van de vrije lucht had men nog dat van het rijden zelf—ook geen alledaagsch pleizier;—van het prettige gezelschap, van een maaltijd in een boerenherberg of, beter nog, op het open veld; en bovenal het zalig bewustzijn, eens een ganschen dag uit de “zaken” en geheel vrij te zijn. Le Francq van Berkhey meende dat de “gezellige en vriendschapvoedende aard onzer natie” nergens duidelijker in uitkwam dan in hare “geneigdheid tot speelevaren en rijden”; vooral in Zeeland had hij dit “op een ongemeen gezellige wijze” gezien. “Een gezelschap,” zoo verhaalt hij, “dat aldaar spelemeijen gaat, neemt in ’t rijtuig brood en kaas, of eenig gebak en gebraad en wijn mede; men rijdt door de goudgeele koornlanden, en vrugtbare akkers; men kiest eindelijk eene digte of aangenaam belommerde dreef of groene laan, in welke men van den wagen klimt. Hier zet zig het gezelschap op de groene zooden neder; de tafel word op den grond gedekt, en men eet en drinkt met zulk een genoegen, dat iemand, die eenig gevoel heeft van ’t zoet vermaak, dat een gepaste vreugde, ware vrijheid en vriendelijke gezelligheid, onbedwongen verleent, hetzelve niet bijwonen kan zonder het edelmoedig vaderlandsch karakter der Zeeuwen daarin te erkennen.” Wat stijl! en wat onzin, in het eten en drinken op het groene gras een bewijs te willen zien van edelmoedigheid en vaderlandsliefde! Maar dat daargelaten:—het spelenrijden is nog een vrij algemeen geliefde uitspanning, niet alleen in Zeeland maar ook elders, al heeft het ook tegenwoordig iets van zijn vroeger karakter verloren.
Wij zijn op weg naar Koudekerke, een zeer fraai en schilderachtig dorp. De kerk, die uit de veertiende eeuw dagteekent, verrijst te midden van een tuin—het oude kerkhof—door een bloeiende haag omringd, die door witgeverfde paaltjes en traliewerk tegen schending is beveiligd. Op het plein rondom de kerk staan de fraaiste huizen, netjes beschilderd, die zelfs in de stad een goede vertooning zouden maken. Statige linden, somwijlen ook geschoren en langs latten geleid, beschaduwen de meer eenvoudige woningen. Het geheele dorp draagt het voorkomen van welvarendheid en kalme rust, dat den stedeling doorgaans bij den eersten aanblik zoo zeer bekoort, maar toch doorgaans spoedig verveelt en naar afwisseling doet haken. Wij wandelen het dorp eens door, toeven een poos in de voornaamste herberg, en vervolgen onze voetreis.
Ge hebt er toch niet tegen dat wij een praatje aanknoopen met dien eerzamen man, die daar voor ons uitwandelt en dien wij spoedig hebben ingehaald. Hij blijkt de schoolmeester van het naburig dorp te zijn: een man van jaren, eenvoudig, eenigszins beschroomd, die, in het land geboren, zijn leven op het land gesleten heeft. Misschien zou hij, zoo hij nog zijn examen moest doen, worden afgewezen: want wij mogen veilig aannemen, dat hij nooit zijne hersenen heeft volgepropt met een massa onsamenhangende brokken van onbegrepen, fragmentarische kennis, gelijk zoo velen zijner hedendaagsche collega’s wel verplicht zijn te doen;—en dit heeft althans dit zeer groote voordeel, dat hij ook de aan zijn leiding toevertrouwde kinderen niet voor hun volgend leven bederven zal door hun allerlei halfslachtige geleerdheid, waarmede zij verder niets weten aan te vangen en die ook inderdaad volstrekt onbruikbaar is, in te pompen. Maar de brave man, die weinig met fraai klinkende theoriën opheeft, omdat hij de werkelijkheid des levens kent, is daarentegen ten volle vertrouwd met het volk, in welks midden hij leeft, met zijne denkbeelden en gebruiken, zijne zeden en eigenaardige gewoonten. Wij zijn met hem aan het praten geraakt over veel en velerlei, en willen het een en ander mededeelen van wat wij, zoo van hem als van anderen, omtrent de volksgebruiken in Zeeland vernamen. Men houde daarbij in het oog, dat hier hoofdzakelijk van het platte land sprake is: want in de steden is alle eigenaardigheid reeds verdwenen of althans der verdwijning nabij, en ook op het platte land zelf beginnen de oude gewoonten te wijken.
Laat ons eens zien hoe een zeeuwsche jonkman het aanlegt, om kennis te maken met de jonge dochter, die hij zich tot vrouw heeft uitverkoren. Dit kan natuurlijk op verschillende manieren geschieden; bijvoorbeeld op deze. De jonkman begeeft zich op het uur, als hij weet dat zijne beminde in het land is om de koeien te melken, naar het hek van de wei, en gaat daar voorover op het gras liggen, natuurlijk zijne blikken onafgewend op zijne Galathea houdende. Zijn de blinkende emmers vol, dan staat hij op en gaat naar haar toe, met de vraag of hij voor haar de zware emmers mag dragen. Vergunt zij dit, dan is het een bewijs, dat zijn aanzoek haar niet ongevallig is; weigert zij, dan kan hij gerust heengaan.
Maar niet alle vrijages beginnen op deze echt arkadische wijze. Vooral op marktdagen, om van de kermissen te zwijgen, zoeken en vinden de jongelieden gelegenheid om met elkander in aanraking te komen. Als de markt is afgeloopen en de wagens straks zullen worden ingespannen, dan worden de meisjes in de herberg op likeur onthaald. Allen drinken uit hetzelfde glas, dat van mond tot mond gaat, en telkens op nieuw wordt gevuld; natuurlijk maakt dit de tongen los en wordt menig zoet woordje gewisseld. Hoe gelukkig is de jonkman, als hij des avonds het meisje, dat hem aangetrokken heeft, naar huis mag geleiden.
Nu wordt de kennismaking voortgezet. Iederen Zondag gaat de minnaar trouw ter kerk, voornamelijk om te zien, of zijne uitverkorene met hare ouders daar tegenwoordig is, dan wel of zij alleen is te huis gebleven. Is dit laatste eens het geval, dan spoedt hij zich naar de welbekende woning en klopt aan de achterdeur, want de voordeur is onder kerktijd gesloten. Beschroomd en verlegen, meldt hij zich aan met de vraag: “Meiske, mag ik mijn pijpje aansteken?” Het meisje begrijpt volkomen de bedoeling van die schijnbaar zoo eenvoudige vraag, en naarmate zij zelve de nadere kennismaking met den jonkman al of niet wenscht, willigt zij het verzoek in of slaat het af. Vergunt zij hem binnen te komen, dan steekt hij ook inderdaad zijn pijp aan; maar hoe zal hij het nu aanleggen, om te zeggen wat hem eigenlijk op het hart ligt? Belangrijke mededeelingen, zoo als dat de koe gekalfd of de zeug gebigd heeft, kunnen wel voor een poos helpen, maar om dat te zeggen, is hij toch eigenlijk niet gekomen. Het meisje hoort hem geduldig aan en gaat haar gang: zij weet zeer goed waarom hij komt, en dat hij haar zal vragen om met hem kermis te houden; maar zij wacht op de dingen die komen zullen. Eindelijk is het groote woord er uit. En zie—het wordt niet slecht opgenomen: trouwens de toestemming was reeds meer dan half gegeven, toen vergund werd de pijp te komen aansteken.
Voorloopig blijven de ouders, althans officiëel, nog buiten spel, ook al weten zij wat er voorvalt. Die zondagsche bezoeken worden nu vrij geregeld herhaald. Het meiske verzelt hare ouders niet naar de middagkerk, maar maakt de thee gereed, en bakt een zeker soort van suikerkoekjes, suikerblokjes, spekjes of babbelaars genoemd, waarop zij haar minnaar onthaalt. Deze verschijnt trouw op het bepaalde uur, en blijft met zijn liefje zitten keuvelen, tot de kerktijd voorbij is.
Natuurlijk blijven deze bezoeken niet onopgemerkt; de buren, de buurmeisjes vooral, spreken er van, en waarschuwen de ouders; maar van eene verloving in den vorm is nog geen sprake. Bij de aanstaande kermis echter wordt de zaak ruchtbaar; de beide gelieven vertoonen zich te zamen in het openbaar, drinken en dansen te zamen, en maken verder geen geheim van hunne wederzijdsche verbintenis. Doorgaans volgt dan spoedig het huwelijk.
Het gebeurt echter ook wel, dat de vrijage wordt afgebroken. Heeft zich het meisje evenwel bij ongeluk vergeten, dan is aan geen afbreken der betrekking meer te denken. De jonkman, die zich in zulk een geval terugtrok, zou de algemeene verachting op zich laden, en stellig niet in zijn dorp of ook in den omtrek kunnen blijven. Overal zou hij als een eerlooze worden beschouwd en behandeld. Intusschen doen zich zulke gevallen hoogst zeldzaam voor.
In sommige dorpen van Walcheren en vooral op Zuid-Beveland is nog eene andere manier van vrijen in zwang. In den omtrek van Goes is het de gewoonte, dat het jonge meisje vooraf aan hare ouders verlof vraagt om zich het hof te laten maken, zonder nog den naam van haar minnaar te noemen, of althans zonder daartoe verplicht te zijn. Geven de ouders de gevraagde toestemming, dan gaat de jonkman des avonds naar de bakkeet of den bakoven: in den regel een groot vertrek, donkergroen geschilderd en van de eigenlijke woning afgescheiden. Hij heeft een zoete koek in de hand, en vraagt of het meisje daarvan met hem eten wil. Neemt zij dit aan, dan is dit een goed teeken; weigert zij, dan mag hij, na gedurende vier zaterdagen de proef herhaald te hebben, niet meer terugkomen. Dan heet het, dat hij met de koek op het hoofd te huis is gekomen.
De bruiloften worden op de gewone wijze met maaltijden en drinkgelagen, met zang en dans en rijtoertjes gevierd, hoewel de vroegere luidruchtigheid meer en meer wijkt. Bij het huwelijk was, en is het nog wel de gewoonte, dat de jonge man van zijne ouders een nieuw pak krijgt, hetzij van zwart laken, hetzij van bombazijn, naar de geldmiddelen dit veroorloven. Dit pak bestaat uit een buis, een vest, een broek en een overjas, kappe genaamd, die hem tot op de hielen hangt en in vorm en snede geheel overeenkomt met de jas van zijn grootvader. Deze kleederen bewaart hij zijn geheele leven; zij worden slechts bij buitengewoon plechtige gelegenheden gedragen: bij den doop van zijne kinderen, bij de viering van het Avondmaal, bij de begrafenis van een zijner bloedverwanten.
Op het platte land van Zeeland zijn nog, bij begrafenissen, eenige oude en eigenaardige gebruiken in zwang gebleven. Is er een doode in huis, dan verschijnen de zoogenaamde afleggers, die het lijk ontkleeden en soms ook wasschen; voorts het steeds ongebruikte doodhemd aantrekken, het lijk in het doodlaken spelden en op stroo leggen; verder de “wete” doen aan vrienden en bekenden, en eindelijk zorgen dat er ook stroo voor de deur wordt gelegd. De afleggers verrichten alzoo hetzelfde wat elders ten platten lande door de buren geschiedt; het eenige onderscheid is, dat zij voor hun werk betaald worden, en wel met een som, gelijk aan de kosten der doodkist: dat betalen is echter meer dan waarschijnlijk een moderne nieuwigheid. Het eigenaardige in deze zeeuwsche gebruiken is het leggen van stroo voor de deur: een gebruik dat, voor zoo ver ik weet, tegenwoordig nergens in ons vaderland meer voorkomt. Dit lijkstroo bestaat voor volwassenen doorgaans uit tien, somtijds ook uit zeven bossen, regelmatig opgestapeld; is er een kind gestorven, dan wordt slechts een klein bosje voor de deur nedergelegd, met een takje palm voor een jongske, en een takje thym voor een meisje. Wij hebben hier met een overoud gebruik te doen: reeds in de vroegste middeleeuwen werd het lijk op stroo gelegd, en werden bossen stroo voor de deur gestapeld of rondom het sterfhuis uitgelegd, of wel, men maakte kruisen van stroo en hing die aan deur en vensters. Werd de lijkkist op een wagen naar het kerkhof gevoerd, dan werden wederom aan wederzijde bossen stroo gelegd; en bij de terugkomst van de begrafenis, werd dit stroo aan een kruisweg op de vier hoeken nedergezet. Ook nu nog wordt de kist op bosjes stroo in den wagen gezet, en worden die bosjes, na afloop der begrafenis, als van ouds aan de vier hoeken van een kruisweg nedergelegd of in de sloot geworpen. Wat beteekent dit? Tegenwoordig is voor verreweg de meesten de eigenlijke beteekenis van deze en zoo vele andere gebruiken verloren gegaan: wij weten evenwel, dat het stroo in vroeger tijd een zeer krachtig voorbehoedmiddel werd geacht tot afwering van booze geesten: waar stroo lag, kon geen booze geest genaken, kon geen heks binnensluipen. Nu is het bekend, dat de duivelen en booze geesten er steeds op uit waren, zich van de gestorvenen meester te maken: daartegen moest dus gewaakt worden, en om dit gevaar te keeren, diende zoowel het stroo voor de deur als het luiden der klok, waardoor de booze geesten in de lucht op de vlucht werden gedreven. Het voor de deur opgestapelde stroo werd oudtijds verbrand: een voorzichtigsheidsmaatregel, want het was mogelijk dat zich daarin “duivelen, coubouten, ofte maren” verscholen hadden. Tegenwoordig wordt het aanstonds nadat het lijk uit het sterfhuis gedragen is verwijderd en weggeworpen.

Lijkdienaars.
Aan het hoofd van den lijkstoet, die uit de bloedverwanten en vrienden bestaat,—de vrouwen gaan zeer zelden mede naar het kerkhof—gaat de grafdelver of doodgraver, die geen bijzonder kostuum heeft, maar slechts een lamfer aan zijn hoed draagt. Zoodra de kist in de groeve is nedergelaten en met aarde bedekt, houdt de predikant eene toespraak; is deze niet tegenwoordig, dan worden de vrienden en buren door den grafdelver bedankt voor de eer, aan den overledene bewezen. Over het algemeen vervult hier de grafdelver bij eene begrafenis dezelfde functiën, die elders aan den aanspreker of bidder zijn opgedragen. Als de bloedverwanten en vrienden in het sterfhuis terugkomen, vinden zij daar water en handdoeken gereed, om zich de handen te wasschen, wat dan ook niemand verzuimt. Ook dit gebruik is zeer oud: de aanraking met den doode en het doodenrijk verontreinigde: van daar de behoefte aan reiniging na de terugkomst van den lijkweg. Zelfs dat water en die doeken moesten op eigenaardige wijze behandeld worden: het was volstrekt niet onverschillig waar het water werd uitgegoten; en de doeken moesten aanstonds in het water worden gezet en een poos achteraf staan. Deze gebruiken gaan echter verloren, en zijn reeds voor een deel vergeten, met uitzondering van het handenwasschen, dat, naar ik meen, nog steeds geschiedt.
Natuurlijk wordt er ook in Zeeland, na afloop der begrafenis, gegeten en gedronken. Het aloude doodbier, nog uit de germaansche tijden afkomstig, behoort sedert lang tot de geschiedenis. Ja, wat daarvoor later in de plaats gekomen is,—rijst met krenten en rozijnen—is mede reeds in onbruik geraakt. Tegenwoordig eten de vrienden en geburen koffie met brood en ham, nadat de predikant, of bij zijne afwezigheid iemand anders, een hoofdstuk uit den Bijbel gelezen en een gebed gedaan heeft. Ook dit eten en drinken na de terugkomst van het graf, is een overoud gebruik: bij de heidensche Germanen duurde dit doodsmaal drie dagen achtereen, en diende tot verheerlijking van den overledene. Het maal werd toen bij den grafheuvel gehouden: en daarbij dronk de zoon zijns vaders minne: een bewijs dat hiermede eene soort van offerande of godsdienstige handeling word bedoeld. Het germaansche doodmaal, dat elders nog duidelijker kenbare sporen heeft nagelaten, is hier ingekrompen tot een boterham met ham en een kop koffie.

Typen van West-Kapelle.
Men vindt in Zeeland geen grafheuvelen uit den germaanschen tijd. Daaruit en uit eene zeer oude legende, volgens welke de zielen der gestorvenen van de hollandsche en zeeuwsche kusten des nachts naar Engeland werden gevoerd, hebben sommigen afgeleid, dat de oude bewoners van Zeeland hunne dooden in zee begroeven. Met zekerheid is dit niet te zeggen: doch onwaarschijnlijk is het niet, daar ongetwijfeld voor de bewoners dezer eilanden, die hun leven op het water sleten, de zee een voorwerp van godsdienstige vereering, een godheid was, al weten wij niet onder welken naam zij haar vereerden.
Met deze eeredienst der zee stond zeker ook in verband een vreemdsoortig spel, dat vroeger in Holland en Zeeland zeer in zwang was, en in de laatste provincie eerst in de vorige eeuw werd afgeschaft. In de Meimaand togen de jongelieden van beiderlei kunne uit de dorpen on steden langs de hollandsche en zeeuwsche kusten naar het strand; daar gekomen, werden de meisjes onverwachts door de jonkmans aangegrepen, opgenomen, en een eind ver in zee gedragen; vervolgens weder naar de duinen gebracht en van den top naar beneden gerold. Dit ruwe spel, waarbij niet zelden ongelukken voorkwamen, was ongetwijfeld een overblijfsel van eene vroegere godsdienstige plechtigheid, waarvan natuurlijk de beteekenis sinds lang in vergetelheid is geraakt. De zeeuwsche dichter Bellamy heeft dezen zeedoop in verband gebracht met een ander spel, meer bepaald aan Walcheren eigen: het zoogenaamde smeltvangen. De smelt is een kleine smalle visch, die zich veelal in het zand aan den oever ophoudt. Bij het omwoelen van het zand, komen deze visschen te voorschijn, doch weten zich zoo behendig te onttrekken aan de hand, die hen vatten wil, dat er eene groote mate van behendigheid toe behoort om de vlugge prooi te grijpen. Dit spel, thans mede in onbruik geraakt, is voor goed aan de vergetelheid ontrukt door Bellamy’s romance, Roosje: een van de beste voortbrengselen van dit genre, waarop de nederlandsche letterkunde, overigens in dit opzicht niet zeer rijk bedeeld, roemen kan. Roosje is algemeen bekend, toch misschien meer bij naam en broksgewijze, dan in zijn geheel: daarom, nu wij door Zeeland wandelen en onze schreden richten naar Walcherens stranden, moge deze schoone, door haar eenvoud roerende vertelling hier eene plaats vinden. Ook wie dit gedicht kent, zal het niet dan met genoegen herlezen.
Er was in Zeeland eens een man,
Hij had een aardig kind,
Een meisje, dat van iedereen
Om ’t zeerste werd bemind.
De man, gelijk men denken kan,
Was grootsch op zulk een schat;
Te meer—daar hij zijn lieve vrouw
Daarbij verloren had.
Wat nam hij Roosje menigmaal,
Al zuchtende, in zijn arm,
En kuste met een tranend oog
Heur roode kaakjes warm!
Dan zei die teedre, goede man:
“Gij hebt geen moeder meer!”—
“Ja wel”, zei dan het zoete kind,
“Bij Onzen lieven Heer!
“Dat hebt gij immers zelf gezegd.
“Maar waarom ging zij heen?
“Zij had mij niet zoo lief als gij,
“Want zij liet ons alleen!”
De vader sprak geen enkel woord,
Maar kuste ’t kleine wicht;
En, onder ’t kussen, dekte een stroom
Van tranen zijn gezicht.
Dit meisje werd wel schielijk groot;
Zij was de roem der stad;
Geen vader, die haar voor zijn zoon
Niet reeds gekozen had.
Wat was dat lieve meisje schoon;
Wat had ze een nette leest!
Wat was zij aardig en beleefd:
Zoo deugdzaam, zoo vol geest!
Zoo vriendlijk als de schoone maan,
Als ze opkomt uit de zee
En op de blanke duinen schijnt—
Zoo vriendlijk was ze meê.
Heur lieflijke oogen waren bruin,
Niet vurig—kwijnend, zacht;
Heur lachje was als ’t morgenrood,
Dat aan de kimmen lacht.
Wanneer zij met de zeeuwsche jeugd
Een luchtje schepte aan ’t strand,
Dan las ze op elken tred haar naam,
Geschreven in het zand.
Geen jongeling, die niet voor haar
Met eerbied was bezield,
Haar niet voor de allerschoonste bloem
Der zeeuwsche meisjes hield.
Daar leeft in Zeeland, in het strand,
Een kleine, ronde visch,
Die voor der Zeeuwen kieschen smaak
Een lekker voedsel is.
Des zomers, als de zuidenwind
Langs kleine golfjes speelt,
En vriendlijk ’t gloeiende gelaat
Des nijvren landmans streelt;
Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,
Naar ’t breede, vlakke strand,
En ploegt dan, vol van vroolijkheid,
Het dorre, natte zand.
Dan grijpt in de opgeploegde voor
Een rappe hand den visch;
En dikwijls is de vlugste hand
Te traag voor dezen visch.
Intusschen speelt en stoeit de jeugd,
En fladdert door het nat,
Dat schuimend, met een groot gedruisch,
In mond en oogen spat.
De jongling grijpt een meisjen op
En draagt haar mede in zee;
Het meisje roept en wringt,—vergeefs:
Hij draagt haar mede in zee.
’t Was eens een schoone zomerdag;
En ’t puikje van de jeugd
Ging naar het strand met spade en ploeg,
En voelde niets dan vreugd.
Het lieve Roosje was er bij;
En ieder jongeling
Vergat den ploeg, vergat den visch,
Als ze aan zijn zijde ging.
Een jongling, die haar ’t meest beviel,
Bleef immer aan haar zij;
Hij zeide aan Roosje menigmaal
De zoetste kozerij.
Nu drukt hij eens heur zachte hand,
Daar hij een kusje steelt,
En met de lokjes om haar hals,
Heur bruine lokjes, speelt.
Het meisje wringt zich los, en zegt:
“Gij stoutert, daar gij zijt!
“Plaag nu ook de andre meisjes wat;
“Gij plaagt ook mij altijd!
“Ei, ga naar de andre meisjes heen,
“En laat mij nu met vreê!”—
“Zoo gij mij nu geen kusje geeft,
“Dan draag ik u in zee!”
Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht,
Zij vlucht al lachend heen;
Hij volgt haar na, en slaat zijn arm
Al lachende om haar heen.
Nu roept en schatert al de jeugd:
“Draag Roosje nu in zee!”
Hij tilt haar ijlings van den grond,
En loopt met haar in zee.
De sterke jongling kust den last,
Dien hij zoo gretig torscht,
En klemt het allerliefste kind
Nog vaster aan zijn borst.
Het meisje roept en bidt vergeefs;
Hij gaat al fladdrend voort!
Het water spat, en klotst, en bruist,
Dat hij haar nauwlijks hoort.
In ’t eind was hij zoo ver gegaan,
Dat iedereen aan ’t strand,
Vol vreeze en schrik, gedurig riep:
“Genoeg! keer weer naar ’t strand!”
Op eens, daar hij teruggekeert,
Staat hij vertwijfeld stil:
“Help Roosje!” roept hij, “groote God!”
En Roosje geeft een gil.
“Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink
“Hier in een draaikolk neer!”
Het meisje grijpt hem om den hals.
En zinkt met hem ter neêr.
Zij zinkt, en wendt voor ’t laatst heur hoofd
Stilzwijgend naar het strand;
Doch was in ’t eigen oogenblik
Verzwolgen in het zand!
Daar stond de jeugd gelijk versteend;
Geen mensch, die zuchtte of sprak;
Tot eindlijk uit eens ieders oog
Een stroom van tranen brak.
“Mijn God! is ’t waar? is Roosje dood?
“Ligt Roosje daar in zee?”—
Zoo gilt en klaagt een iedereen:
De duinen gillen meê.
Wel schielijk werd dit droef geval
Verkondigd in de stad;
Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,
Die niet verslagen zat.
De jeugd ging zwijgend van het strand,
En zag gedurig om,
Een ieders hart was vol gevoel—
Maar ieders tong was stom.
De maan klom stil en statig op,
En scheen op ’t aaklig graf,
Waarin het lieve jonge paar
Het laatste zuchtje gaf.
De wind stak hevig op uit zee;
De golven beukten ’t strand;
En schielijk was de droeve maar
Verspreid door ’t gansche land.
VII.
Wij wandelen door eene uiterst vruchtbare streek: frissche weilanden en golvende akkers aan alle zijden. Ginds, in de verte, vertoonen zich de zilveren toppen der hooge blinkerts, badende in den zonnegloed, terwijl hunne hellingen als in een lichten nevelsluier gehuld zijn, die de schilderachtigste lichteffecten in het leven roept. Op en tegen de duinen groeien struiken en heesters en eikenopslag; kleine boschjes schakeeren het landschap, dat allengs een ander, een pittoresker karakter aanneemt. De weg loopt langs den voet van het duin, aan de andere zijde door akkers begrensd. Aan alles is het merkbaar, dat wij de zee naderen. Daar ligt een dorp voor ons: eene lange en vrij breede straat, met boomen beplant, en ter wederzijde van die hoofdstraat nog enkele buurten en stegen: wij zijn te Westkappel.
Westkappel of West-Kapelle was, volgens de overlevering, in overoude tijden eene aanzienlijke koopstad, aan de uiterste westpunt van Walcheren gelegen. Naar Melis Stoke verhaalt, zou Willebrord hier het Evangelie verkondigd en het beeld van een afgod, door onzen kroniekschrijver Mercurius genoemd, verbroken hebben. Wat hiervan zij, zooveel is zeker, dat Westkappel in de middeleeuwen eene welvarende stad was, die een niet onbelangrijken handel dreef en vooral ook door de vischvangst bloeide. Men zegt, dat in de zestiende eeuw, voor den aanvang der troebelen, jaarlijks zes-en-dertig buizen van Westkappel op de haringvangst uitvoeren; hare zeerechten waren algemeen bekend en bleven gedeeltelijk tot 1795 van kracht. Tot de welvaart der stad droeg zeker de bepaling bij der oude keur, dat ieder, die te West-Kapelle het poorterrecht begeerde en verwierf, moest zweeren minstens drie jaar lang de poorterij te zullen houden. De onlusten der zestiende eeuw waren echter voor de onversterkte, weerlooze stad zeer noodlottig, en bewogen velen hunne woonplaats naar elders, naar Middelburg of Vlissingen, over te brengen.
Het meest had en heeft zij nog thans te lijden gehad en nog steeds te duchten van de zee, aan wier geweldigste aanvallen deze voorpost van Walcheren in dubbele mate is blootgesteld. Meermalen werden de natuurlijke of kunstmatige zeeweringen vernield, en moesten de inwoners van Westkappel voor den steeds verder doordringenden vijand terugwijken. Het tegenwoordige dorp staat dan ook niet meer op dezelfde plaats, waar de voormalige stad verrees; bereids in 1470 werd de thans afgebrande kerk, waarvan alleen de toren, tot vuurtoren ingericht, nog over is, landwaarts in herbouwd, omdat de vroegere kerk door de zee verzwolgen was.
Het eenvoudige dorp bezit eene merkwaardigheid, die zelden nalaat vooral de aandacht van vreemdelingen te trekken: de groote westkappelsche dijk, een der belangrijkste zeeweringen van ons vaderland. Langs dit uitstekend gedeelte der walcherensche kust, zijn de duinen sedert lang weggeslagen, zoodat men tot andere middelen de toevlucht moest nemen, om den aanval der zee te keeren, die, hier doorbrekende, het gansche eiland met ondergang zou bedreigen. Om die ramp te voorkomen, is een zeer zware dijk opgeworpen, die eene lengte heeft van drieduizend-driehonderd-twee-en-vijftig el, en eene hoogte van ongeveer vier el boven volzee. Behalve door dezen geweldigen dijk, wordt de kust nog verdedigd door hoofden en paalwerk: de jaarlijksche onderhoudskosten dezer zeewering bedragen gemiddeld negentigduizend gulden.

De klapbank.
Op het stadhuis te West-Kapelle zijn nog, in een oud handschrift de volgende woorden te lezen: “Opten veerthienden dach van Julius, int jaer Ons Heeren duysent-vijfhondert-veertig, was hier tot Westcapel, den hoogen, edelsten, mogensten, victorieusten, en welgebooren Heere, ons genadigste Prince ende machtigste Keizer van Roome, Koninck van Spangien, Carolus, omme alle de nieuwe dycken te visiteeren, zoo hier te Westcapelle, als oock omtrent te Gasthuise; ende alsdoen wierden hier eerst die staketten gesteld ende gemaeckt; ende schonk die werkluyden, die daer stonden en heyden, drie dobbele ducaten; ende van hier trok hy voorts na Westhove, by den prelaet, genaamt Heer Floris, Abt van Onzer Liever Vrouwenklooster binnen Middelburgh.”—Deze dijk, die aldus reeds kort na zijn aanleg de eer van een keizerlijk bezoek ontving, bleef eene groote aantrekkingskracht uitoefenen,—ook Napoleon I bezocht den westkappelschen dijk;—en oefent nog steeds een machtigen invloed uit op geheel het leven der bewoners van West-Kapelle, die van ouder tot ouder dijkwerkers zijn. De groote dijk, van wiens behoud aller leven en welvaart afhing, was steeds het voorwerp van aller zorg, van aller liefde en belangstelling. Als, in het onstuimige najaar, de noordwesten orkaan bulderend door de lucht gierde, en de geweldige golven der opgezweepte Noordzee, in dolle woede, stormliepen tegen den machtigen dijk, dan werd in West-Kapelle de alarmklok geluid, dan ging de omroeper rond door het dorp, slaande op zijn koperen bekken, en roepende met luider stem:
Nood! nood! groote nood!
Klein en groot.
Arm en rijk,
Al naar den dijk!
En op die roepstem bleef niemand achter, en betrok ieder de gevaarvolle post, waar plicht en eer hem riep.

Een zeeuwsche slede.
De dijkwerkers zijn in ploegen van ongeveer dertig man elk verdeeld. Tegenwoordig zijn er zeven ploegen timmerlieden, vijf ploegen rijswerkers, en nog eene dertiende ploeg, die vroeger eene soort van reserve vormde, en die met de werkzaamheden belast is, welke noch door de timmerlieden, noch door de rijswerkers worden uitgevoerd. Naar men zegt, zouden de timmerlieden de afstammelingen zijn van de oudste bewoners van West-Kapelle, en de rijswerkers die van later aangekomen kolonisten. De vroegere reserve-ploeg, oneigenlijk de elfde genoemd, bestaat uit de nakomelingen van lieden, die in de vorige eeuw het poorterrecht van West-Kapelle verwierven, en aan wie, bij uitzondering, werd vergund, de dijkwerkers behulpzaam te zijn. De mannelijke afstammelingen van een dijkwerker hebben het recht mede in het gilde opgenomen te worden.
Iedere ploeg heeft een eigen opperhoofd, baas genoemd, en een eigen boekhouder: beiden worden door de werklieden gekozen. Moet er een of ander werk worden uitgevoerd, dan geeft de opzichter daarvan aan de bazen kennis, die aanstonds de ploegen bijeenroepen; de jongst aangekomenen verrichten de boodschappen en doen de oproepingen. Als de knapen ongeveer dertien jaar oud zijn, worden zij bij eene ploeg ingedeeld, en moeten dan, gedurende een jaar, beurtelings de leden der vereeniging bijeenroepen.
De opneming in het gilde geschiedt met zekere plechtigheid. De kandidaat moet, alvorens toegelaten te worden, door de bres gaan: dat wil zeggen, tusschen twee rijen jongelieden, die hem van alle kanten stooten en duwen. Als deze ceremonie is afgeloopen, wordt hij voor den baas gevoerd, die hem zijne verplichtingen voorhoudt, en voor wien hij de belofte aflegt, dat hij die trouw nakomen zal. Daarna begeeft de ploeg zich naar de herberg, waar het nieuwe lid zijne kameraden op jenever moet trakteeren.
De scheiding tusschen de timmerlieden en de rijswerkers wordt zeer streng volgehouden. Elke afdeeling heeft haar eigen herberg, en in die herberg heeft weder iedere ploeg haar eigen tafel. De timmerlieden vereenigen zich in het Kasteel van Batavia, en de rijswerkers in den Oranjeboom, waar ook een achtervertrek bestemd is voor de zoogenaamde elfde ploeg. Alleen aan het zetten van stroomatten arbeiden allen te zamen. De opzichters verdeelen daartoe den dijk in zooveel vakken, als er ploegen zijn, en wijzen aan iedere ploeg het dijkvak aan, dat met stroomatten moet worden bezet.
De betaaldag, drift genoemd, is een feestdag voor het geheele dorp. Elke ploeg begeeft zich naar haar eigen herberg, waar de baas het geld op de tafel uitstort, en de boekhouder voor ieder zijn deel uittelt, zonder dat daarover ooit verschil ontstaat. Men weet dat hij dagelijks, met groote nauwgezetheid, aanteekening heeft gehouden van het door ieder verrichte werk en het hem toekomend loon. Bij die verdeeling krijgt een jongen een derde gedeelte; twee jaar later een half part; dan vijf zesde deel, en eindelijk het volle loon van een volwassene. De boekhouder zegt hoeveel ieder verdiend heeft, en de baas deelt het geld uit. De vertering in de herberg is voor algemeene rekening. Er wordt niet anders gedronken dan klare jenever. Een tinnen kan met dat vocht gevuld, staat op de tafel; daarnaast staat een glas, dat onophoudelijk geledigd en weder gevuld wordt, en voortdurend van hand tot hand rondgaat. Toch ontstaat er bij zulke gelegenheden maar zeer zelden twist. Indien een der werklieden wat lastig wordt en ruzie zoekt, leggen de anderen hem het stilzwijgen op; baat dit niet, dan wordt hij eenvoudig de deur uitgezet. De kastelein mag echter daarbij niet tusschen beiden komen, en nog veel minder de policie of de veldwachter.
De policie is over het algemeen bij het volk niet bijster bemind: maar de westkappelsche dijkwerkers onderscheiden zich bijzonder door hun onverzoenlijke vijandschap tegen alles wat, van verre of nabij, met de policie in betrekking staat. Dit gaat zoo ver, dat in de herbergen van West-Kapelle nog het oude gebruik heerscht, dat aan geen agent van policie vergunt, nevens de anderen in de gelagkamer plaats te nemen. Men houdt er in de herberg een eigenaardig glas, een glas zonder voet, diendersglaasje genaamd, op na, dat in één teug moet worden geledigd; den agent van policie, die in de herberg mocht komen, wordt zulk een glaasje gegeven, dat uitsluitend voor hem bestemd is.
Uit dit gilde der dijkwerkers van West-Kapelle zijn uitstekende mannen voortgekomen, die zich ook in ruimer werkkring een grooten naam hebben verworven en tot hoogen rang in de maatschappij zijn opgeklommen. De beroemdste dezer zonen van West-Kapelle is wel de voor eenige jaren, in hoogen ouderdom overleden hoofdingenieur van den waterstaat, Abraham Caland, die, van onvermogende ouders geboren, door eigen vlijt en volhardende inspanning zich eene schitterende toekomst bereidde, en tot de bekwaamste waterbouwkundigen van Nederland behoorde.
In 1872 telde West-Kapelle een bevolking van ruim tweeduizend inwoners, de dijkwerkers daaronder begrepen. Naar men ons verhaalde, heeft de belasting op het gedistilleerd, alleen in deze gemeente, in sommige jaren eene som van zestienduizend gulden opgebracht! Een cijfer, wel geschikt om den voorstanders der afschaffing een schrik op het lijf te jagen! De glazen, waaruit de dijkwerkers hun jenever drinken, mokjes genaamd, zijn tamelijk groot, maar niet diep. Kleine glaasjes worden niet gebruikt. Toch, hoezeer dit overmatig drankgebruik ongetwijfeld is af te keuren, hebben de dijkwerkers van West-Kapelle, schoon wij hen meer dan eens in de herberg zagen, volstrekt niet het voorkomen van lieden, die zich in den eigenlijken zin des woords aan dronkenschap schuldig maken.
In 1845 werd de dijk door geweldige stormvloeden aanmerkelijk beschadigd, en verkeerde het eiland in dreigend gevaar. Zoo als altijd, bevond zich de hoofdopziener der dijksdirectie van Walcheren op den dijk, en wees aan de verschillende werklieden de punten aan, waar hulp en versterking noodig was. Bij zulke gelegenheden wordt door een eigenaardig spel beslist, wie zich naar een of ander aangewezen punt moet begeven. De dijkwerkers werpen hunne lange messen in de hoogte, en moeten raden, welke zijde van het mes bij het vallen boven zal komen, die waarop het fabriekmerk staat of de andere. Dit spel heet neertje of oppertje; zij die goed raden, hebben de voorkeur bij de aanwijzing van het werk.
De bewoners van West-Kapelle houden zich ook bezig met landbouw en veeteelt, maar kunnen toch niet velen dat gij ze als boeren beschouwt. Zij zijn een eigenaardig slag van volk: kloek en sterk van lichaamsbouw, opgeruimd van aard, wel wat ruw, maar toch ook vriendelijk en voorkomend, met een groote mate van onafhankelijkheid in karakter en manieren. De voortdurende aanraking met het machtige element, waarmede zij sedert eeuwen rusteloos hebben te strijden, heeft aan hun aard en voorkomen zekere zelfstandigheid, zeker gevoel van eigenwaarde en kracht gegeven, dat hen ook inderdaad van de gewone type der landlieden zeer kennelijk onderscheidt. Hoe zou het ook anders kunnen? Daar grijpen, aan dezen vergeten uithoek des lands, vaak geweldige worstelingen plaats, daar wordt gekampt op leven en dood; daar worden meermalen heldendaden bedreven, daden van zelfopoffering en onverschrokken toewijding, die niet in de geschiedboeken worden opgeteekend, maar alleen voortleven in de heugenis van hen, die er getuigen van waren. Ik beschouwde ze met eerbied, die dijkwerkers van West-Kapelle: inderdaad, ze zijn een uitgelezen keurbende, aan wie een gewichtige post is toevertrouwd: zij ook, en zij niet het minst, hebben te waken voor de eer van het zeeuwsche wapenschild, voor de waarheid van het fiere devies: Luctor et emergo: ik worstel en drijf boven! Ontzonk hun de moed, bezweken zij een oogenblik in den telkens hernieuwden strijd, dan ware het gedaan met Zeelands roem, dan ware het schoone eiland onredbaar verloren. Niet waar, waar zoo zware plichten op de schouders rusten en zoo nobel worden vervuld, daar ergert ge u niet aan misschien wat al te ongekunstelde uiting van het gevoel van eigenwaarde en eigen kracht, dat in de breede borst dezer worstelaars met de baren woont?
De groote dijk ziet op sommige punten zwart van de musschen, die ijverig de graankorreltjes oppikken, nog hier en daar in het stroo achtergebleven. Boven de dammen en paalhoofden vliegen gansche zwermen kraaien, aangelokt door de mosselen, die tusschen en op de steenen en het wier der dammen en de paalhoofden talrijke koloniën hebben gevestigd. De kraaien woelen met haar snavel de mosselen los, en vliegen dan met haar prooi zoo hoog mogelijk in de lucht, tot zij een steen hebben gevonden, waarop zij dan de mossel laten nedervallen. Door den val, die zelden mist, wordt natuurlijk de schelp verbrijzeld, zoodat de kraai op haar gemak het arme weekdier ophappen kan.
Wij hadden er op gerekend, nog voor den avond van West-Kapelle te zullen vertrekken; maar de zon daalde ter kimme, en nog hadden wij den dijk niet verlaten, die voor mijn reisgenoot eene bijkans onwederstaanbare aantrekkelijkheid bleek te bezitten. Die “ring in den neus van den grooten leviathan” boeide hem zoo zeer, dat hij ter nauwernood aan eten of drinken dacht. Intusschen was het nu meer dan tijd om aan heengaan te denken.
“Zullen wij nog heden avond naar Middelburg terugkeeren?
—Neen, dat kan niet meer.
—Waar kunnen wij eten en logeeren?
—In het Kasteel van Batavia.”
Wij treden binnen. Eene groote, flink gebouwde kasteleines, met heldere blauwe oogen en sterk sprekende trekken, staat achter de toonbank in de gelagkamer. Zij draagt haar vijftig jaar met eere, en het zeeuwsche landkostuum kleedt haar goed.
“Kunt gij ons vleesch geven?
—Neen.
—Zoo. Wat hebt gij dan om ons te geven?
—Eieren.
—Goed.
—En dan een eierkoek met salade.
—Heel goed. Hebt ge ook wijn?
—Ja wel.
—Nog beter. Goed en niet duur?
—Best en goedkoop.
Wij waren vroolijk gestemd, en weldra in gesprek gewikkeld met de bezoekers der herberg, allen lieden uit West-Kapelle. Het eenvoudig maal was spoedig gereed; en na een dag in de open lucht en aan het strand doorgebracht, lieten wij ons de eieren, de omelet en de salade met aardappelen en boter zeer goed smaken. De kasteleinesse had er zelve schik in, ons te zien eten en drinken; zij praatte en lachte met ons; blijkbaar hadden wij haar hart gestolen, want de fraaiste kamer van de herberg werd ons tot nachtverblijf aangewezen.
Den volgenden morgen waren wij reeds ten zes uur op de been. Mijn vriend wilde nog een laatste bezoek aan den dijk brengen, eer wij het ontbijt gebruikten.
Wij stonden voor het dijkhuis, het huis der directie, aan het einde van het dorp, tegen den dijk gelegen. Voor dat huis strekt zich een grasperk uit, het Groentje genoemd, waar zich des zondags de jeugd van West-Kapelle verzamelt om te spelen of te praten. Dit grasperk vervangt hier de plaats van de klassieke klapbank (praatbank, klappen beduidt praten) die men in Zeeland, vooral in Zuid-Beveland, aantreft, en die meestal rondom den stam van een wilgenboom is aangebracht. In sommige dorpen is het zoogenaamde vischhuis—vischhuus, zoo als men hier zegt—of wel een of andere molenterp, de algemeene verzamelplaats.
En nu nog een laatsten blik op den dijk, zoo rustig en kalm, zoo indrukwekkend krachtig daar voor ons oprijzende, op dezen stillen liefelijken zomermorgen. Moge hij nog lang de trouwe wachter blijven van het bloeiende eiland, dat zich in zijne hoede veilig rekent.
Van West-Kapelle begaven wij ons naar Domburg: eene alleraardigste badplaats in miniatuur. Het dorp ligt aan, ik zou bijna kunnen zeggen te midden van een fraai, schilderachtig bosch, dat tot de beroemdheden van Walcheren behoort, en ook inderdaad een bezoek overwaard is. De meeste huizen zijn tot het verhuren van kamers ingericht, en liggen in de schaduw van het geboomte; het dorp zelf leunt tegen den hoogen duinzoom, van welks toppen men bijkans het gansche eiland overziet. In het Schuttershof, waar wij afstapten, vindt men eene zeer goede tafel.

Een boer van Walcheren.
In het koor der kerk worden eenige romeinsche oudheden bewaard, hier in den omtrek opgedolven, onder anderen steenen met beelden van de raadselachtige godin Nehalennia, en eenige andere beeldwerken van niet veel beteekenis.
Domburg wordt in den zomer druk bezocht, zoowel door badgasten, als door vreemden, die daarheen een uitstapje maken: want een tochtje naar Domburg behoort tot de plichten van iederen fatsoenlijken toerist op Walcheren. De streek doet denken aan den omtrek van Haarlem of aan de scheveningsche boschjes bij ’s Gravenhage; niemand, die eenig gevoel voor frisch en ongekunsteld natuurschoon heeft, zal zich een dag, in den omtrek van Domburg doorgebracht, beklagen; het aan bekoorlijke plekjes zoo rijke bosch laat bij iederen bezoeker ongetwijfeld de aangenaamste herinneringen achter.
Niet verre van Domburg ligt de buitenplaats Overduin, het eigendom van Jonkheer de Jonge van Ellemeet, wiens prachtige verzameling teekeningen en aquarellen en wiens volledige verzameling der verschillende uitgaven van Cats en van velerlei andere stukken en merkwaardigheden op Cats betrekking hebbende, algemeen bekend is. Zij, die in September 1872 het letterkundig congres te Middelburg hebben bijgewoond, zullen wel nimmer den aangenamen dag vergeten, hun door de echt-gentlemanlike gastvrijheid van den heer van Overduin bereid.

De beker van Maximiliaan te Veere.
VIII.
Als ge, op een zonnigen Junimorgen, de stad Veere uit de verte ziet, maakt zij bijkans op u den indruk eener oostersche stad. Hare donkerroode daken, de zware toren harer eerbiedwaardige groote kerk, haar stadhuis met zijn belfroot, teekenen zich scherp en donker af tegen den helderblauwen hemel, aan den horizon in een zilverachtigen nevel vervloeiende. Het is bijkans een soort van fata morgana! Meer dan eens heb ik haar zoo gezien, de oude stad, haar antieke monumenten weerspiegelende in de grijze wateren.
Maar ik heb haar ook gezien op een kouden somberen Octoberdag, in grauwe nevelen gehuld, die loodzwaar over gracht en straat hingen, waarlangs de snerpende, doordringende wind blies. Zoo zag ik haar voor het eerst: en nog herinner ik mij die eenzame grachten en straten, waar, in den letterlijken zin, het gras tusschen de steenen groeide en geen voetstap weerklonk; die akelig vervallen, ledigstaande huizen, waaruit dood en ellende u schenen tegen te grijnzen; nog, dat voorkomen van onbeschrijfelijke armoede en jammerlijke verlatenheid, zoowel der uitgestorven stad als haar weinigen inwoners eigen.
Inderdaad, zij was diep, welhaast reddeloos diep gevallen, de stad, wier heer eenmaal den markgrafelijken titel voerde, en in de vergadering van Zeelands edelen de eerste plaats innam; de stad der Borsselens en Oranjes, tot beneden den rang van een dorp afgedaald. Geheele wijken worden voor en na afgebroken; een aantal huizen stonden ledig; voor vijf-en-twintig gulden in het jaar kon men eene goede woning huren..... Er was letterlijk noch handel, noch nijverheid, noch vertier: de stad kwijnde weg en stierf een langzamen dood. Gelukkig is hierin, dank zij vooral ook de ijverige bemoeiingen van den wakkeren burgemeester Snijder, in den laatsten tijd, eenige verandering ten goede gekomen. Het nieuwe kanaal door Walcheren, dat Vlissingen met Middelburg verbindt, is, met wijziging van het oorspronkelijke plan, naar Veere geleid, en loopt daar in het Sloe of het Veersche gat uit. Daardoor is althans de geheel verzande haven der stad weder voor de scheepvaart toegankelijk geworden, en laat de toekomst voor de diep gezonken veste zich weder gunstiger aanzien. Reeds is er verbetering; er is leven en vertier; naar men mij zeide, wordt thans voor enkele huizen een huur van driehonderd gulden gevraagd. Mogen die voorteekenen niet bedriegen en het grijze Veere zich weder eenigszins verheffen tot den vroegeren voorspoed.
Want zij heeft betere dagen gekend, de oude stad, waarschijnlijk in het laatst der dertiende eeuw door den edelen Baron Wolfaert Van Borsselen, den welbekenden voogd en raadsman van Graaf Jan I, ’s Graven Floris V zoon, gesticht. In den loop der veertiende eeuw van muur en wallen voorzien, ontwikkelde zij zich gaandeweg onder de hoede harer heeren, uit het machtige geslacht van Van Borsselen, die haar tot in het begin der zestiende eeuw bezaten, toen zij overging in handen van Adolf Van Bourgondië, zoon van Anna Van Borsselen. Ter wille van zijn zoon Maximiliaan Van Bourgondië, stadhouder van Holland, verhief Keizer Karel V, ten jare 1555, de heerlijkheid van Veere, met die van Vlissingen, evenzeer het eigendom van Maximiliaan, tot een markgraafschap. Bij den dood van den Markgraaf werden zijne zeer met schulden bezwaarde goederen in het openbaar verkocht. Het markgraafschap ging toen over in handen van Koning Filips II; maar ten gevolge van de kort daarop uitgebroken troebelen werden de beide heerlijkheden van Veere en Vlissingen eenige jaren daarna, wederom ten verkoop aangeboden, en werden toen het eigendom van den Prins van Oranje, die het markgraafschap van Veere, met het oude, door de Van Borsselens gestichte slot Sandenburg, en de heerlijkheden van Sandyck, Domburg en Vrouwepolder, voor ƒ74500 kocht. Sedert bleven de Prinsen van Oranje in het bezit van het markgraafschap van Veere tot aan de omwenteling van 1795, en voerden als zoodanig den titel van eersten Edele van Zeeland.
Een voorname bron van welvaart voor Veere was weleer de handel met Schotland, waarvan nog de herinnering wordt bewaard door een fraai gothisch gebouw, het Schotsche Huis genaamd. Deze bijzondere betrekking met Schotland dagteekende uit de helft der veertiende eeuw, toen de heer van Veere, Woefaert Van Borsselen, in het huwelijk trad met Maria Stuart, Koning Jacobs dochter van Schotland. Tusschen de kooplieden van dat rijk en de stad Veere werd een contract van handel gesloten, dat telkens werd vernieuwd, het laatst op den 17 October 1780, en dat voor Veere zeer aanzienlijke voordeelen afwierp. Maar dergelijk privilegie en monopolie was natuurlijk een gruwel in de oogen der hoogwijze wetgevers, die na de omwenteling het gezag in handen hadden gekregen; en zoo werd het contract, in 1799, door het toenmalig departementaal bestuur van Zeeland vernietigd. Wat deerde het, of daarmede ook de welvaart der arme stad vernietigd werd? Mocht eene omstandigheid van zoo luttel beteekenis eenigszins in aanmerking komen, waar het de toepassing eener theorie, de afschaffing van een oud middeleeuwsch recht—immers natuurlijk een misbruik en onrecht?—gold?
Als ge uit zee de stad nadert—want de rivier en de zee vloeien hier samen—wordt uw oog getrokken door een ouden zwaren toren, nabij het zuidelijke havenhoofd, de Kampveersche toren genaamd; een naam, waarin, naar men wil, nog de herinnering voortleeft aan den alouden oorsprong van Veere, toen op de plaats waar nu de stad verrijst, een veer zou hebben bestaan op de stad Kampen, weleer aan den noord-bevelandschen oever gelegen en sedert lang door de golven verzwolgen. De toren dient thans tot herberg en logement; uit de kamers op de bovenverdieping heeft men een fraai uitzicht over de rivier en de kusten van Noord-Beveland. Aan de andere zijde der kaai stond weleer een soortgelijke toren, die in zekeren kalmen zomernacht plotseling in de wateren verdween, ten gevolge van eene afschuiving van den waarschijnlijk sedert lang ondermijnden grond.
Wandelen wij even de stad in, al duurt onze wandeling maar kort, en al mag ze juist niet opwekkend heeten, daar ons overal de sporen van verval en achteruitgang zullen tegenkomen. Niet verre van de haven staat de voormalige groote kerk, die hoewel onvoltooid—haar ontbreekt het koor—toch een merkwaardig monument van gothische bouwkunst is, en oorspronkelijk een der fraaiste kerken van geheel Zeeland was. Het eerwaardige gebouw, van grijsachtigen steen opgetrokken, werd ten jare 1348 gesticht en aan Onze-Lieve-Vrouwe toegewijd. Na de omwenteling van 1572 van hare altaren, beelden en sieraden beroofd, werd de kerk in 1686 een prooi der vlammen, die alleen de buitenmuren lieten staan. Zij werd echter weder hersteld en voor de predikdienst ingericht; maar in het begin dezer eeuw, nadat zij door het bombardement van 1809 zeer geleden had, eerst door de Engelschen en daarna door de Franschen als militair hospitaal gebruikt. Na de restauratie van 1813 werd het jammerlijk gehavende en misvormde gebouw eerst tot een bedelaarswerkhuis, later tot een bergplaats en militair magazijn ingericht. Uit handen van het departement van oorlog is het vervolgens in die van het departement van financiën overgegaan, en behoort thans nog tot de domeinen van den nederlandschen staat. Het is wel noodig, dat ge deze laatste bijzonderheid niet uit het oog verliest, als ge dit eerbiedwaardig monument van den kunstzin en de eerbiedige vroomheid der voorgeslachten aanziet; dit monument, thans welhaast tot eene ruïne geworden, en inwendig door allerlei betimmeringen volstrekt onherkenbaar. Men zeide mij, dat het domeinbestuur van voornemen was, de kerk, die tot niets meer dient, voor afbraak te verkoopen. Natuurlijk: dat is het eenvoudigste en meest praktische middel om zulke oude gebouwen op te ruimen en er nog wat van te halen op den koop toe! Aan eene restauratie der kerk, die toch niet onmogelijk zijn zou, denkt natuurlijk niemand. Zulk eene restauratie zou trouwens geld kosten, en geld mag men voor dergelijke zaken immers niet uitgeven. Voor spoorwegen, kanalen, havens; voor het droogmaken van plassen; voor het bouwen van met bespottelijk kwistige weelde ingerichte scholen:—nu ja, daarvoor moet op geen tonnen gouds gelet; maar voor het herstel en behoorlijk onderhoud van monumenten van vaderlandsche kunst en geschiedenis, die niet meer voor een of ander praktisch doel bruikbaar zijn—ziet ge, daarvoor is elke gulden te veel. En dan heeft men nog den mond vol van den kunstzin onzes volks! Van de regeering zwijg ik: zij zou zoo niet durven en niet kunnen handelen, indien zij niet de overtuiging had, althans in dit opzicht, inderdaad de vertegenwoordigster der openbare meening te zijn. Misschien zullen zich stemmen verheffen tegen den verkoop der kerk, en zal deze dan achterwege blijven: maar wat zal er dan gewonnen zijn? Men zal het gebouw eenvoudig laten staan, zooals het is; tot het eindelijk zoo bouwvallig is geworden, dat aan geene restauratie meer te denken valt, en dan—dan wordt het gesloopt.
Ik trachtte de aandacht van mijn vriend zooveel mogelijk van deze zoo gruwelijk mishandelde kerk af te leiden, om voor den vreemdeling althans deze schande te verbergen, en voerde hem naar de ruime marktplaats, waarop het stadhuis staat, mede een monument van gothische architectuur, schoon tot een later tijdperk behoorende. Het is een fraai gebouw, dat met zijn sierlijken toren een zeer goeden indruk maakt. De voorgevel prijkt met zeven beelden van Heeren en Vrouwen van Veere uit het geslacht van Borsselen. Ook inwendig is het stadhuis der bezichtiging waardig. In de voormalige vierschaar hangt boven eene antieke schouw—op zich zelve een meesterstuk van beeldhouwkunst—eene groote schilderij, voorstellende de vloot, waarmede Willem III in 1688 naar Engeland overstak. In een ander vertrek kunt ge een portret ten voeten uit zien van denzelfden Vorst, in zijn staatsiekleeding als Koning van Groot-Brittanje.—Maar vergeet niet, eer ge de vierschaar verlaat, die drie fraai bewerkte metalen vuisten te bezien, waarvan de eene een bijl omklemd houdt. Wat ze beduiden? Naar men zegt, zijn zij ten geschenke gegeven door de drie personen, wier namen nog op het metaal te lezen zijn, en die, ten jare 1546, wegens een of ander vergrijp, werden veroordeeld om hunne handen door den beul te zien afhouwen. Zij werden begenadigd; maar moesten nu, ten teeken van dankbaarheid waarschijnlijk, deze metalen handen der stede ten geschenke geven: het zijn dus een soort van ex-voto’s. Aldus luidt het verhaal, waarvan ik de waarheid niet kan bevestigen.
Wel zoo bezienswaardig als deze metalen vuisten, en zelfs als de metalen deurknoppen met het wapen en naamcijfer van Willem III, hoe fraai overigens ook van bewerking, is de inderdaad prachtige beker van verguld zilver, door Maximiliaan Van Bourgondië aan zijne stad Veere geschonken, en nog steeds op het raadhuis bewaard. De beker was oorspronkelijk het eigendom van Maximiliaan Van Egmond, Graaf van Buren; het verheven beeldwerk, waarmede hij prijkt, stelt dan ook twee episoden uit het veel bewogen leven van dien edelman voor: zijn overtocht over den Rijn, op den 15den September 1546, om zich met zijne vendelen bij het leger des Keizers te voegen; en de daarop gevolgde gevangenneming van den Keurvorst van Saksen. Op de binnenzijde van het deksel prijkt, in email, het wapen van den Graaf van Buren; dat van Maximiliaan Van Bourgondië is op den voet des bekers aangebracht; terwijl het schild, waarop het beeldje boven op het deksel leunt, het wapen der stad vertoont. Het latijnsche opschrift langs den rand vermeldt den overtocht over den Rijn door Maximiliaan van Buren. De kolossale beker, niet minder dan zeven-en-vijftig duim hoog, in uitnemenden renaissance-stijl bewerkt, is een waar kunststuk, waarop Veere trotsch mag zijn, en dat het trouw heeft te bewaren als eene herinnering aan vroegere betere dagen.
Maar nu hebben wij ook alles gezien, wat Veere bezienswaardigs heeft, en kunnen ons naar buiten begeven, om daar, in de frissche, eeuwig jonge natuur, te bekomen van den treurigen indruk, door het gezicht dezer kwijnende stad op het gemoed gemaakt. “Eene gestorven stad”, zeide mijn vriend, toen wij de vervallen veste verlieten.—“Laat ons hopen, eerlang eene weder herlevende stad”, antwoordde ik.
IX.
Vrouwepolder is geen onaardig dorp, te midden eener vruchtbare streek gelegen, en weleer beroemd wegens een Lieve-Vrouwebeeld, dat in hooge eere stond. Keizer Sigismund, vergezeld van den Graaf-Hertog Willem VI, toog zelfs, ten jare 1416, naar deze plaats ter bedevaart; en een-en-twintig jaar later verscheen in Vrouwepolder nog een andere vorstelijke pelgrim: de groote tegenstander van Willems beroemde en rampspoedige dochter, Hertog Filips van Bourgondië.
Doch deze tijden zijn sinds lang voorbij. Verdwenen is het hoog vereerde beeld Onzer-Lieve-Vrouwe, en geen pelgrim richt meer zijne schreden naar het haar gewijde heiligdom. Toch is het heden druk en levendig genoeg in het dorp. Wat wonder: het is er kermis. Ik geloof bijna, dat er in den zomer schier geen dag, stellig geen week voorbijgaat, of er is hier of daar in Zeeland kermis. De kermis te Vrouwepolder gelijkt natuurlijk op iedere andere zeeuwsche dorpskermis. ’t Zijn de gewone vermaken: koekhakken, ringrijden, dansen, zingen en drinken, vooral drinken:—want zoolang hij niet half beschonken is, schijnt er voor den nederlandschen boer geene ware vreugde denkbaar. En de vrouwen geven daarbij maar al te dikwijls den mannen niets toe.
Wij treden de herberg binnen: ter wederzijde van een nauwen bedompten gang zijn de deuren van twee kamers, de eene de gelagkamer, de andere een soort van danszaal. Aangelokt door het gekras van een schorre viool en een brommende contrebas, treden wij de danszaal binnen. Twee muzikanten zitten op stoelen, boven op eene groote tafel geplaatst; de talrijke toeschouwers vormen een dichten kring rondom de dansers, aan wie ongeveer een ruimte van vier voet in den omtrek is vrijgelaten. Onwillekeurig plooit zich een glimlach om den mond van mijn reismakker. Op iemand, die de weelderig hartstochtelijke, zoo uitdrukkingsvolle, echt plastische dansen van het Zuiden—eene wezenlijke en zeer sterk sprekende gebarentaal—kent, moet dan ook deze vertooning een zeer eigenaardigen indruk maken. Hoe onbeschrijflijk plomp, onbevallig en karakterloos zijn die bewegingen; men kan het dezen lieden aanzien, dat aan hun onbehagelijk op- en nederspringen alle bezieling ontbreekt; dat er hier in de verte geen sprake is van uitdrukking van gevoel of hartstocht, maar eenvoudig van eene physieke beweging, die de zinnen op eene of andere manier aangenaam kittelt. De nauw beperkte ruimte is dan ook volkomen voldoende voor onze dansers, wier zwaarmoedige, plompe bewegingen waarschijnlijk de meest gepaste uiting zijn voor hunne kalme vreugde.
Wij zetten ons neder in een hoek, in de schaduw, tegenover de vensters. Ons geheele voorkomen, ons reisgewaad, doet ons als vreemdelingen kennen; bovendien is het mijn vriend duidelijk genoeg aan te zien, dat zijn wieg niet stond tusschen den Dollard en de Schelde. Aller blikken zijn dan ook voor een poos op ons gevestigd, maar niemand bemoeit zich verder met ons. Eene boerin van zekeren leeftijd, naast mij op de bank gezeten, schuift alleen een weinig op, om eenige ruimte tusschen ons te laten.
Het is bijkans stampvol in de zaal, en nog voortdurend stroomen er nieuwe gasten, mannen en vrouwen, binnen. Ter wederzijde van den wijden schoorsteen, zoo wat vier voet boven den grond, bevinden zich tegen den wand een paar planken, waarop gewoonlijk het vaatwerk, borden, schotels, staat gerangschikt; nu hebben eenige mannen zich daarop nedergezet. Onder den schoorsteen zelven staat een bank, waarop verscheidene personen plaats hebben genomen; de ruimte tusschen de banken is geheel ingenomen door jongelieden van beiderlei kunne.
Een vrouw, als eene bedelaarster uit Brussel gekleed, met een paars katoenen schoudermantel met kap, en met de hairen uit haar slordige muts hangende, zingt een lied, waarbij haar man haar accompagneert. Eene andere vrouw, reeds bejaard en dronken, met een vuurrood gezicht en purperen jeneverneus, vraagt, met belachelijke en vaak onkiesche gebaren, een aalmoes.
Vlak tegenover ons zitten twee aardige paren: de eene jonkman ziet er zeer knap uit, en zijn meisje is bepaald mooi: dat is dus in den regel; de andere jonkman is leelijk en zijn meisje is verre van mooi: ook dat is dus natuurlijk. En wat niet minder natuurlijk is, is dat het leelijke meisje knipoogjes geeft aan den mooien jongen; en ook dat het mooie, maar arme meisje, steelsgewijze uitlokkende blikken werpt op den leelijken, maar rijken jongen.
Een paar bedelaars treden het vertrek binnen. Wij hebben zoo even een hunner aan den voet van een boom zien zitten, zich houdende of hij verlamd was. Hij heeft eene vrouw bij zich, die een klein kind op den arm houdt.
Die lieden zingen: dat wil zeggen de man balkt, de vrouw jankt, het kind schreeuwt en spartelt met armen en beenen; dat alles onder een oorverdoovend geraas van pratende en lachende en schreeuwende stemmen, van rinkinkende glazen, van stampende voeten en op tafel slaande vuisten. Inmiddels gaan ook de schorre viool en de brommende contrebas ongestoord haar gang.... Daar weerklinken buiten zware voetstappen, en de frissche lachende stemmen van jonge meisjes. Zij komen binnen, klauteren op de tafels, en gaan, vlak tegenover ons, met den rug naar de vensters, zitten, alzoo het toch al niet te overvloedige licht onderscheppende.
Onze zangers laten zich niet afschrikken: zij heffen een nieuw lied aan, dat algemeen bekend en zeer in den smaak schijnt te vallen: althans het halve gezelschap, vooral de jonge meisjes, zingen mede en herhalen in koor het refrein. Inmiddels wordt het rumoer al grooter, en wijkt ook de zekere beschroomdheid, die de boeren aanvankelijk van ons verwijderd hield. Mijn vriend teekent haastig eenige schetsen, portretten van boeren en boerinnen, en toont die aan de verbaasde menigte. Nu is weldra de slagboom geheel opgeheven. De boeren presenteeren ons parfait amour, een zeer geliefkoosde drank, en laten zich door ons op wijn en brandewijn trakteeren.—Altijd door dat eindelooze gezang, waarvan het mij onmogelijk is de woorden te verstaan; steeds luidruchtiger en woeliger wordt het om ons heen.... Daar dringt, half worstelend, een nieuwe groep mannen de kamer in. Het schreeuwen en joelen wordt nu zoo oorverdoovend, dat de zangers het opgeven. Een overwinnaar bij het ringrijden wordt in zegepraal door zijne makkers naar binnen gedragen: hij moet trakteeren. De jonge man is half dol: hij laat zich op den grond vallen, springt weer op, draait als een tol in het rond, gestikuleert met armen en beenen, deelt rechts en links klappen, stompen en schoppen uit; en wordt eindelijk door zijne joelende, schreeuwende makkers de kamer weer uitgeduwd, onder luid handgeklap en daverend gestamp!
Na hun vertrek begint het gezang op nieuw. Maar eensklaps bezwijkt een der planken nevens den schoorsteen, waarop eenige mannen zich hebben nedergezet. Onder luid gejubel rollen zij op en over elkander op den grond en op de tafel.... Het gezang gaat maar altijd voort; het rumoer neemt hand over hand toe.... Wij hebben er nu genoeg van, en gaan naar buiten.
Het is hier wellicht de plaats om iets te zeggen van de zeeuwsche taal, die wij daar zoo even, in de druk bezochte dorpsherberg, in al hare zuiverheid en in enkele verscheidenheden harer uitspraak, hebben gehoord.

In de herberg te Vrouwepolder.
Even als de zeeuwsche eilanden, door ligging en geaardheid van bevolking, den geleidelijken overgang vormen tusschen Holland en Vlaanderen, zoo is ook het zeeuwsch een overgang, een middenterm, tusschen het hollandsch en het vlaamsch, nu eens meer naar het eene, dan meer naar het andere zweemende, naar gelang van de meer noordelijke of zuidelijke ligging. Een Hollander, die zeeuwsche boeren met elkander hoort spreken, zal in den beginne zeer veel moeite hebben om hen te verstaan: niet zoozeer, omdat zij woorden gebruiken, die hem vreemd zijn,—want het getal der uitsluitend zeeuwsche woorden is niet zoo bijzonder groot;—maar om de eigenaardige wijze, waarop zij de woorden uitspreken. De Zeeuwen laten namelijk de woorden zooveel mogelijk in elkander vloeien, en spreken op een zeer bijzonderen, half zingenden toon, die eenigermate herinnert aan het dialekt der bewoners van de hollandsche zeedorpen, maar toch geheel anders klinkt.
Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de zeeuwsche tongvallen, die natuurlijk niet overal hetzelfde klinken, is het niet uitspreken van de letter h. De meeste echte, ouderwetsche Zeeuwen, vooral ten platten lande en in de kleinere steden, spreken de h letterlijk nooit uit, en zouden dit waarschijnlijk ook niet kunnen. Een oude eenvoudige zeeuwsche boer beschreef mij eens de letter h als de groote a, en kon het, ondanks zijne wanhopige pogingen om dien vreeselijken klank uit te spreken, niet verder brengen dan tot een ch-klank. Geregeld hoort ge dan ook de Zeeuwen, in onderling gesprek, gewagen van uus, and, ebben, oornblazer en dergelijke, met trouwe weglating, altijd en overal, van die fatale h. Het meest komische is echter, wanneer pedante, ongeletterde Zeeuwen op hunne manier mooi willende spreken, zich inspannen om de h toch uit te brengen, en die dan plaatsen voor woorden, waar zij niet behoort. Zoo zullen zij u verzekeren, dat er de heer van de eeren mee gemoeid is; of wel u spreken van de hengelen in den emel en de haren op den hakker. Ook zal het eener hollandsche huisvrouw niet zoo gemakkelijk vallen, als zij, op de vraag aan haar zeeuwsche meid, of deze het kruideniersboekje ook gezien heeft, ten antwoord krijgt: ’k et ni-j-at, zoo aanstonds te begrijpen, dat deze snel achtereen gesproken woorden beteekenen: ik heb het niet gehad.
Verder spreken de Zeeuwen, evenals de Friezen, de Vlamingen en andere nederlandsche stammen, de hollandsche ui als u en de ij als lange i uit, schoon ook met eenige afwijkingen. Huis wordt huus of eigenlijk uus; tuin wordt tuun; kuif, kuuf; lijf, liif: vijf daarentegen niet fiif, als in het friesch, maar vuuf; pijp, niet piip, maar pupe, wat niet zeer fraai klinkt. Evenmin kunnen hollandsche ooren behagen scheppen in de uitspraak van de a, die doorgaans als een zware oa, of wel, in andere streken van Zeeland, als blatende ae klinkt. Daarentegen maken de Zeeuwen zeer duidelijk onderscheid tusschen de zachtlange en de scherplange o en e, welke laatsten zij als tweeklanken uitspreken: bij voorbeeld twèë. Deze eigenaardigheid draagt veel bij tot de vloeiende zangerigheid der taal, die, hoe vreemd en ongewoon somwijlen, volstrekt niet onbehagelijk klinkt.
Boven zeide ik reeds, dat, voor zoover ik daarover oordeelen kan althans, het getal uitsluitend zeeuwsche woorden, die in andere nederlandsche dialekten niet gevonden worden, zeer beperkt is, beperkter althans dan een vreemdeling op het eerste gehoor wel meenen zou, omdat zeer bekende woorden dikwijls door de uitspraak en den eigenaardigen tongslag moeilijk te herkennen zijn. Zulke eigenaardig zeeuwsche woorden, die ge zonder verklaring niet begrijpen kunt, zijn bij voorbeeld: guus, guês, kind, kinderen; kelf, zindelijk; puutjes, kinderhandjes; daken, aanstonds. Zeeuwsch, meen ik, is ook het eigenaardig gebruik van het woord ongevoelig, in uitdrukkingen als deze: i was d’r wàt ongevoelig over, hetgeen beteekent, hij was er zeer gevoelig over, hij was er zeer door geërgerd. Op Zuid-Beveland, dat zich in menig opzicht, vooral door het sterke vlaamsche element in zijn dialekt, van de andere zeeuwsche eilanden onderscheidt, kunt ge iemand zijn spijt over iets hooren betuigen met de uitdrukking: ik ben er broaf ongevoelig over.
Woorden als puut voor kikvorsch, weeg voor houten wand, bepaaldelijk eener schuur, stute voor boterham, kuus voor zuiver, zindelijk, vele (vedel) voor viool, zijn niet alleen zeeuwsch, maar zijn ook in Vlaanderen en in sommige provinciën van ons vaderland algemeen in gebruik. Vreemder schijnt mij de uitdrukking kachel voor veulen; misschien is dit woord met guil, gaul, paard, verwant.
Om den lezer een denkbeeld te geven van de eigenaardige zeeuwsche taal, weet ik niet beter te doen dan uit het welbekende Dialecticon van den heer Winkler de gelijkenis over te nemen van den verloren zoon, en wel in den tongval van het platte land van Zuid-Beveland, waar het oud-zeeuwsche dialect zich misschien nog het best in stand heeft gehouden. Zij luidt aldus.
Dir was is ’n man, die twèë zeuns a’.
En den jongsten (op Walcheren zegt men joenksten) van ulder (hen, elders in Zeeland hulli) zei tegen z’n voader: voader, gee miin m’n possie van ’t goed, da’ m’n toekomt. En i verdèëlden ’t goed.
En ni lange naedien, a’ den jongsten zeune alles bi mekaore epakt a’, is ’n vort ereisd nir ’n land, varre van ier, en dir eit ’n al z’n goed deur ebrocht en i leefden baldadig.