SCHETSEN UIT PERU. (continued 2)
Reading edition
De vrouw, die aan de afpersingen en ruwe behandelingen van de afstammelingen der Spanjaarden gewoon was, scheen zeer verbaasd, dat men nu haar aanbood te betalen, wat men tot dusver eenvoudig weggenomen had. Hare tranen droogden plotseling: en toen ik haar een stuk van vier realen in de hand stopte, was zij al spoedig zoo geheel met de zaak verzoend, dat zij zelfs Medina hielp bij het plukken en bereiden van den haan. Terwijl mijn souper over het vuur hing, hoorden wij van buiten een geluid van stemmen. “Dat is Juan, die met zijne vrienden van de mijn terugkomt,” zeide de vrouw. Nauwelijks had zij dit gezegd, of vier Indianen, geheel in hunne gestreepte ponchos gewikkeld, traden de hut binnen. De tegenwoordigheid van vreemdelingen ontstemde hen blijkbaar; maar de vriendelijke begroeting van Nor Medina, en vooral het gezicht van den halven piaster, dien de vrouw aan haar man toonde, verdreef spoedig de booze bui. Terwijl de nieuw aangekomenen zich van hunne mantels ontdeden, stak de vrouw een dier harsachtige toortsen aan, die veel meer walm dan licht verspreiden; de Quechuas zetten zich op den grond neder, en haalden uit hunne knapzakken een houten nap, dien zij aan de vrouw reikten, en dien deze tot den rand met heete elagua vulde. Zij plaatsten daarop de volle schaal op de toppen hunner vijf vingers, lieten ze vrij snel in de rondte draaien, en slurpten zoo de soep langs den rand op, waarbij zij allerlei wonderlijke gezichten trokken.
Eindelijk was ook mijn souper gereed. Nor Medina spreidde het dekkleed van mijn zadel op den grond uit, zette de terrine met den gekookten haan daarop, legde een puntig gesneden stukje hout, dat de plaats van een vork vervullen moest, daarnaast, en noodigde mij uit tot den avondmaaltijd. Ik liet mij niet onbetuigd, ook al was de vogel wat taai, en verzuimde ook niet, onze gastvrouw een deel van den maaltijd aan te bieden, dat haar uitnemend scheen te smaken. Kort daarop verlieten ons de Quechuas; met de vrouw begaven zij zich naar de naburige hut, ons de woning voor den nacht overlatende. Het duurde niet lang, of wij lagen voor het vuur uitgestrekt, en waren weldra in een diepen slaap gedompeld.
Den volgenden morgen, reeds ten zes ure, begaven wij ons weder op weg, overnachtten dien avond bij den eerwaardigen pastoor van het dorp Cabana, en bereikten den dag daarna, tegen het vallen van den avond, de stad Lampa. Het was reeds donker, toen wij onzen intocht hielden in dit zeer onaanzienlijke stedeke, dat mij bijna uitgestorven toescheen. Op het marktplein gekomen, vroeg ik aan een koopman in aardewerk, die juist bezig was zijne uitgestalde borden, potten en schotels naar binnen te brengen, waar don Firmin de Vara y Pancorbo, koopman in manufacturen, woonde, voor wien ik een aanbevelingsbrief bij mij had. Hij wees mij een huis op het plein, waarvan de vensters straalden van licht. Daar viel ik, zooals men zegt, met mijn neus in de boter. De koopman vierde het feest van zijn heiligen patroon, en had eenige heeren en dames van zijne kennis bij zich genoodigd, in wier kring hij mij nu introduceerde. Het ging daar bijzonder lustig toe; en het spijt mij, te moeten erkennen, dat het feest al vrij spoedig zulk een karakter aannam, dat ik het raadzaam oordeelde mij ongemerkt te verwijderen. Een der bedienden wees mij de slaapkamer van zijn heer, waar ik, ondanks het helsch rumoer in de feestzaal, den ganschen nacht rustig sliep. Toen ik den volgenden morgen afscheid wilde nemen van mijn gastheer, bracht de bediende mij naar de zaal, waar den vorigen avond feest gehouden was. Hij opende even de deur, en ik zag een schouwspel, waarvan men mij de beschrijving sparen zal. Eenige oogenblikken later zat ik in den zadel.
Lampa verlatende, vervolgden wij onzen tocht door een eentonig landschap: een heuvelachtige hei, met heidekruid en kort gras begroeid. Nauwelijks waren wij voorbij het eerste station, of wij vernamen achter ons, steeds naderbij, de tonen eener pansfluit. Ik keerde mij om, om te ontdekken van waar deze melodie kwam, en zag een man, die met haastigen tred naar ons toekwam; hij hield een mager paard bij den teugel, dat achter hem aan draafde, beladen met een lederen brievenzak.

De dokter en zijn patiënt.
“Dat is de correo real (koninklijke koerier) die van Puno naar Cuzco gaat,” zeide mijn gids.
“Zeg correo nacional,” hernam ik: “het woord koninklijk is, als oproerleuze, geschrapt in het woordenboek van elke fatsoenlijke republiek.”
De arriero keek mij met verbazing aan, en stond waarschijnlijk op het punt mij uitlegging van die woorden te vragen, toen de postbode ons inhaalde. Hij groette ons beleefd, en knoopte een praatje aan met onzen gids, wien hij vroeg van waar wij kwamen en waarheen wij gingen. Na vervolgens nog een weinig over het weer, de slechte wegen in de Sierra en het gebrek aan levensmiddelen gesproken te hebben, nam hij afscheid en dribbelde weer voort.
Tegen den avond kwamen wij te Pucara, een akelig dorp, uit hoogstens een honderdtal, deels leemen hutten bestaande. Het heeft volstrekt niets merkwaardigs, dan zijn kerk, die betrekkelijk groot mag worden genoemd en met twee half houten torens prijkt; verder is het vooral bekend om de kermis of jaarmarkt, die daar telken jare in December gehouden wordt, en die, met de jaarmarkt van Vilque, tot de belangrijkste van Peru behoort. Dan staat de vlakte voor het dorp vol tenten en kramen, waar allerlei dingen, voornamelijk producten van europeesche nijverheid. zij het dan ook niet veel bijzonders, worden verkocht. Dan beweegt zich daartusschen eene dichte menschenmassa, deels om te koopen en te verkoopen; deels om getuige te zijn van de vertooningen van goochelaars, koorddansers, kunstenaars van allerlei soort, die in den regel bij dergelijke gelegenheden niet ontbreken. Dan heeft Pucara een gansch ander aanzien dan thans, nu wij er niets vinden dan den zieken postmeester, die met een gezwollen koon in zijn bed lag, en voor wien men mijn raad inriep. Ik schreef een eenvoudige pap van brood en melk voor; maar de Indiaan, die mij had geraadpleegd, achtte dat dit goed was voor kleine kinderen. Hij maakte daarop zelf een ander middel klaar: een mengsel van chicha met vet, fijn gestampte coca-bladeren en asch; dit mengsel liet hij koken, gaf daarvan den patiënt de helft te drinken, en wiesch hem met de andere het gelaat. Tot mijne groote verbazing was de postmeester den volgenden morgen, bij ons vertrek, waarschijnlijk ondanks de kuur, veel beter.

Het maïskauwen.
V.
Ik heb mijne lezers slechts schetsen uit mijn reisboek beloofd; ik mag dan ook niet van hen vergen, dat zij mij, van station tot station, zullen volgen op mijn tocht naar de aloude hoofdstad van Peru. Ik noodig hen liever uit, mij nu te willen vergezellen bij mijn bezoek aan Cuzco, de voormalige Zonnestad, de residentie der Incas.
Wij hadden het dorp San-Sebastian verlaten, en volgden den grooten weg, die ons naar Cuzco brengen moest. De hooge heuvelen, die den horizon begrenzen, naderen al meer en meer, en schijnen een geweldigen cirkelvormigen muur te vormen, aan welks voet Cuzco ligt, dat van hier nog onzichtbaar is. Ter linkerzijde van den weg wordt weldra mijne aandacht getrokken door een machtigen boom, waarvan de knoestige gebarsten stam, de sterke blootgewoelde wortels, en het schrale gebladerte zoovele teekenen zijn van hoogen ouderdom. Volgens de overlevering zou deze boom geplant zijn door den Inca Capac Yupanqui, omstreeks het midden der dertiende eeuw; de inboorlingen noemen hem chachacumayoc—den boom des afscheids. De reiziger, die van Cuzco vertrekt, behoort zich met zijne bloedverwanten, vrienden of kennissen onder dezen boom neder te zetten; tot hier doen zij hem uitgeleide; hier worden de wederkeerige afscheidsgroeten gewisseld, hetgeen in den regel ontaardt in eene ergerlijke slemppartij.
Een klein kwartier verder verrijst, op den top der heuvelen, het groote klooster la Recoleta, in 1599 gebouwd, dat de geheele omliggende vlakte beheerscht, en waar ik vroeger, op mijne botanische uitstapjes, menigmaal gastvrij ontvangen was. Al voortgaande, komen wij aan den zoogenoemden Duivels-preekstoel: een hoop geweldige rotsblokken aan den voet van twee heuvelen, wier gladde en bijna loodrechte wanden hier en daar van vierkante openingen zijn voorzien, waaruit de Indianen, ten tijde der Incas, steenen gehouwen hebben. Die duistere gaten, tien el boven den grond verheven, en waarheen weg noch pad voert, gelijken wel op spookachtige oogen, waarmede de berg de voorbijgangers aanstaart.
Op korten afstand van daar verdienen twee merkwaardigheden de aandacht. Ter rechterzijde eene groeve van porfierachtigen zandsteen, waaruit de inboorlingen de ontzaglijke steenblokken haalden, die wij nog heden met verbazing beschouwen. Maar, na de uitgehouwen steenen van de groeve te hebben verwijderd, lieten de Quechuas niet een gapenden kuil achter: zij beitelden in de rots een kamer uit, tien el in het vierkant, met een uitnemend en reliëf bewerkt plafond en drie steenen banken, waarop de vermoeide of door een regenbui overvallen reiziger zich te rusten kan leggen. Deze banken zijn, evenals de wanden en het plafond, zoo voortreffelijk bewerkt, zoo glanzend glad gepolijst, dat geen meubelmaker het in onze dagen zou kunnen verbeteren, niettegenstaande de grondstof hier metaalharde rots is.
Tegenover deze inderdaad bewonderenswaardige kamer, een werk uit den zoogenaamd barbaarschen tijd vóór de verovering, staat, te midden van hoog opschietende struiken en planten, een armzalige leemen hut, met een rieten dak, waarop een kruis prijkt: dit is de beaterio of begijnhof van la Recoleta, thans bewoond door drie oude inlandsche vrouwen, aan wie de zorg is opgedragen, het heiligdom in behoorlijken staat te onderhouden, en den lof des Heeren te verkondigen: eene dubbele taak, waarvan zij zich zoo slecht mogelijk kwijten. De hut ziet er vuil en vervallen uit.
Voorbij dezen beaterio is de weg ter wederzijde omzoomd door eene onafgebroken reeks van hoeven, tuinen, boomgaarden, die te zamen eene nauwe, bochtige straat vormen, de zoogenaamde voorstad la Recoleta. Eene bijna altijd uitgedroogde beek, waarvan de bedding met steenen is bezaaid, doorsnijdt dit vuile, armoedige kwartier, dat weinig wordt bezocht, maar niettemin een twintigtal herbergen bezit, waar chicha wordt verkocht.
Onze muildieren schenen te bemerken, dat wij de aloude heilige stad naderden; het leek wel of zij, even als weleer Mercurius, vleugels aan de voeten hadden. Gaten, kuilen, steenblokken, steilten noch hellingen—niets hield hen tegen in hunne driftige vaart. Met opgestoken ooren, de neusgaten in den wind, de pooten gestrekt, draafden zij lustig voort; niemand zou het hun hebben aangezien, dat zij een tocht van acht-en-negentig mijlen dwars door de Andes hadden afgelegd. De muilezel is in waarheid een onbetaalbaar dier!
Binnen weinige minuten hadden wij de zoogenaamde Cueva-honda (diepe grot) bereikt, een steenachtig ravijn, waardoor de bronnen van Sapi haar water naar de vlakte voeren. Van dit betrekkelijk hooge punt overschouwt de blik de gebouwen en monumenten van Cuzco. Het panorama is verre van indrukwekkend: eene plompe, saamgepakte, eentonige massa van steenen en pannen, een doffe roodachtige grond, waarop bijna geen enkel detail krachtig uitkomt, en dit alles onder een flauw en mat licht, dat over het geheel een grauwen tint wierp;—ziedaar de eerste aanblik van de aloude hoofdstad van Manco-Ccapac, sedert verbeterd en vermeerderd, maar niet verfraaid, door Francisco Pizarro.
Intusschen, naderbij komende, begint die eenvormige massa zich wat te scheiden en duidelijker af te teekenen, komt er eenig leven in. Boven de tallooze daken verheffen zich enkele torens en koepels; tegen den roodachtig bruinen grond der heuvelen en oude monumenten teekenen zich hier en daar wit gepleisterde muren af; dan wordt de voorstad la Recoleta, of liever de zoogenoemde straat, eensklaps afgebroken, rechts door de steilte, waarop San-Blas, mede een der voorsteden, ligt; en ter linkerhand door een smal pad, ter wederzijde door ruwe, cyclopische muren omzoomd: dit pad draagt den weidschen naam van de straat der Overwinning. De muildieren draven onvermoeid deze steeg in; en na een paar minuten staan wij eensklaps, zonder door iets op deze verandering te zijn voorbereid, op de Plaza Mayor van Cuzco, tegenover de kathedraal.
Ik liet mij aan mijne woning op de Plaza Mayor, onder de zoogenaamde Oud-linnengalerij, afzetten.—De beide andere galerijen, die, met de zooeven genoemde, drie zijden van het plein innemen, heeten de Broodgalerij en de Confiturengalerij.—Ik betaalde Nor Medina de verschuldigde huur voor zijne muilezels, gaf hem nog een fooi bovendien, en liet hem vertrekken. Vervolgens ging ik, na mijn honger gestild te hebben, in mijn gemakkelijk oud-spaansch bed liggen, en sliep ongestoord tot den volgenden morgen.
Het was mijn voornemen, slechts een paar dagen in Cuzco, dat ik van vroeger kende, te blijven, om vervolgens naar het binnenland te reizen, ten einde de indiaansche stammen te bezoeken. Maar ik mag niet vergeten, dat mijne lezers, althans zeker verreweg het meerendeel hunner, Cuzco niet door eigen aanschouwing kennen; en dat het niet aangaat, hen naar deze beroemde stad te voeren, alleen om enkele benoodigdheden voor den tocht naar het binnenland te koopen, en dan weer heen te gaan. Ik ben hun eene beschrijving van Cuzco, van de oude zoowel als van de nieuwe stad, schuldig, en wil mij ook, voor zooveel in mijn vermogen is, gaarne van dien plicht kwijten.
VI.
Cuzco werd, omstreeks het midden der elfde eeuw van onze jaartelling, gesticht door Manco-Ccapac, den stamvader van de dynastie der Incas. De verschijning van dezen vorst en wetgever in de vlakten van Collao heeft de stoffe geleverd voor eene wondervolle, geheimzinnige legende, die door de Spaansche geschiedschrijvers op verschillende wijzen wordt verhaald. Volgens sommigen zouden Manco-Ccapac en zijne vrouw Mama-Ocllo, op zekeren dag, uit de wateren van het meer Titicaca zijn opgestegen; anderen zeggen, dat zij te voorschijn zijn gekomen uit een spleet in een der heuvelen van Paucartampu. Wij zullen deze wonderverhalen laten voor hetgeen zij zijn; meer dan waarschijnlijk waren de beide vreemdelingen niet anders dan de laatste vertegenwoordigers van eene dier tallooze volkplantingen, die, in vóórhistorische tijden, van de hoogvlakten van centraal-Azië uitgegaan, zich in alle richtingen door de oude wereld verspreidden.
Bij den tegenwoordigen stand der wetenschap is het niet mogelijk, met eenige juistheid, het tijdstip dezer oudste verhuizing te bepalen, of te berekenen hoeveel tijd de zwervende kolonie noodig had, eer zij, voorzeker na menig oponthoud, het vasteland van Amerika bereikte. Maar de nauwkeurige studie van de amerikaansche rassen, van hunne zeden, hun taal, hunne wetten, hunne godsdienstige instellingen, hunne mythologische en kosmogenische traditiën, van den stijl hunner bouwgewrochten, kan ons althans een leiddraad in de hand geven, om de zwervelingen op hun verren tocht eenigermate te volgen.
De eerste gemeenschap tusschen Azië en Amerika had waarschijnlijk door de Behringstraat plaats, waar de beide werelddeelen elkander het dichtst naderen.
Al de verschillende typen der amerikaansche bevolkingen kunnen tot twee groote, vaste hoofdtypen worden herleid: de inlandsche, of zoo men wil amerikaansch-mongoolsche type, en de iranisch-ârische type. Wij zullen hier niet de uiterst ingewikkelde vraag behandelen, of het amerikaansche ras moet beschouwd worden als inderdaad autochthoon (oorspronkelijk, ingeboren), dan wel als een ras van aziatische uitgewekenen. Morton, Pricharu, Robertson, Blumenbach beweren het eerste; andere geleerden zijn van het tegenovergestelde gevoelen. In ieder geval vertoont het eigenlijk amerikaansche ras eene niet te loochenen, treffende overeenkomst met het mongoolsche: een feit, waarvan de verklaring niet moeielijk valt, indien men mag aannemen, dat de bevolking van Amerika uit Azië oorspronkelijk is.
Van de beide genoemde typen, is de inlandsche of amerikaansch-mongoolsche, zooals men wil, in de beide Amerika’s de overheerschende: tot dezen behoort de groote meerderheid der bevolking. Echter vertegenwoordigt dit ras, hetzij dan autochthoon of aziatisch, niet meer dan het koloniseerende element, om mij zoo uit te drukken. Het beschavende element wordt uitsluitend vertegenwoordigd door het iranisch-ârische ras, waarvan de type zich, de eeuwen door, tot op onze dagen bewaard heeft, indien al niet in zijne oorspronkelijke zuiverheid, dan toch duidelijk genoeg om alle verwarring te voorkomen. Dit is de type der eerste volksstammen, die zich in Nieuw-Spanje vestigden, van waar zij naar Canada, Louisiana, Florida en Yucatan trokken, en door de vlakten van Popayan en Guyana in het zuidelijk halfrond doordrongen. De beeldwerken der Tlascalteken, der Chichimeken, der Tolteken, de hiëroglyphische teekeningen der astekische handschriften, hebben ons dezen type getrouw bewaard, dien men nog heden wedervindt bij sommige zwervende stammen van Noord-Amerika, en in Zuid-Amerika bij de Aymaras en de Quechuas, en bij sommige wilde stammen aan den linkeroever van de Quillabamba Santa-Ana, ten oosten van de bergketen der Andes.
Op het eerste gezicht mag het onverklaarbaar schijnen, dat men in het hart van Amerika, den gelaatstype, de instellingen en monumenten der aloude volken van Azië terugvindt; maar dit verschijnsel zal minder raadselachtig voorkomen, wanneer men acht geeft op de streken, waar deze volken oorspronkelijk gevestigd waren: uitgebreide landstreken aan den voet van ontzaglijke bergketen en, naar alle zijden uitloopende in onmetelijke vlakten en onderling verbonden, zoodat zij te zamen een groot geheel vormden. De hoogvlakten van Iran, van Zend, van Arya, waren als het ware het groote brandpunt, van waar de stroom der volksverhuizing in alle richtingen uitging, al is het ons nu niet meer mogelijk, de oorzaken der verhuizingen on hare geschiedenissen in bijzonderheden na te gaan.
Uit verschillende historische getuigenissen blijkt, dat de Indiërs, reeds in de alleroudste tijden, buiten hun land, zoo ten oosten als ten westen, volkplantingen hebben gesticht. Met den noordoostelijken moesson steken zij de golf van Omar over, en vestigen zich in het zuidelijk gedeelte van Arabië, in het eiland Sokotera, om met de Egyptenaars ruilhandel in goud te drijven. Daarentegen wordt nergens melding gemaakt van eene indische nederzetting in de noordelijke landen van Azië. Het is waar, dat er niets was om daarheen hunne aandacht te trekken, niets dat voor hun handel van eenige beteekenis kon zijn. Sedert de overoude verhuizing, wellicht in de allereerste eeuwen der historie, die de Mitsraïeten (zonen der zon) uit het hart van Azië naar de vallei van den Nijl had gevoerd, was Egypte in het bezit gebleven der antieke traditiën en overleveringen, en tevens het middelpunt geworden van eene hooge intellektuëele beschaving en van een uitgebreiden handel. Haar meerderheid boven de omringende landen was onbetwistbaar; de glans van haar macht en voorspoed, haar wetenschap en kunst, trok de bewonderende blikken der volkeren tot zich. Geen handelsbelang, geen begeerte naar meerdere beschaving, geene behoefte zelfs aan uitgestrekter grondgebied, kan de verhuizing der arische stammen naar de noordelijke streken van Azië verklaren. Evenmin kan de reden daarvoor worden gezocht in godsdiensttwisten of vervolgingen: althans voor zoo verre ons bekend. Immers, de opkomst van het Boeddhisme valt in veel later tijd, in de zesde eeuw voor onze jaartelling op zijn vroegst. Bij gebreke van historische gegevens, ter verklaring van zulk eene verhuizing, is het misschien niet ongeoorloofd te denken aan de uitwerking van de eerste veroveringen der thebaansche Farao’s, negen eeuwen ouder dan die van Rhamses-Meiamoun; veroveringen, aanvankelijk tot de boorden van den Indus beperkt, maar vervolgens tot voorbij den Ganges uitgestrekt. Zou het niet mogelijk zijn, dat deze geweldige krijgstochten en veroveringen op de arische volksstammen een machtigen indruk maakten, en den eersten stoot gaven tot die verre tochten en verhuizingen, waarover wij ons zoozeer verbazen, en die wij niet kunnen verklaren?
Wat hiervan zij, en welke gebeurtenis tot die verhuizingen aanleiding mag gegeven hebben, zeker is het dat deze volksstammen, bij het verlaten der aziatische hoogvlakten, hun oorspronkelijk vaderland, hunne godsdienstige denkbeelden, hunne kosmogonische traditiën, hunne zeden, hunne kunst, hunne taal, medenamen naar den vreemde. Maar op hunne tochten door de nieuwe onbekende landen, waar zij soms eeuwen vertoefden, bij de aanraking met andere volken en de onvermijdelijke vermenging der rassen, konden deze overleveringen en herinneringen van het verleden niet zuiver bewaard blijven; terwijl ook de verandering van omstandigheden, ten gevolge der wijziging van klimaat en grondgesteldheid, niet nalaten kon op hunne denkbeelden en voorstellingen van grooten invloed te zijn. Zijzelven namen nieuwe denkbeelden, nieuwe vormen van taal en gedachte in zich op, en lieten die wederom achter aan de volken, met wie zij in aanraking waren geweest. Zoo verklaren zich zoowel de vele punten van overeenkomst als die van verschil in de taal en zeden der volken van arische afkomst, die wij nog heden aantreffen.

De studeerkamer van een professor in de physika.
Meenen wij alzoo, op goede gronden, dat in Azië de bakermat ook der amerikaansche beschaving moet worden gezocht, daarmede willen wij natuurlijk niet zeggen, dat de aziatische kolonisten, die de eerste kiemen dezer beschaving met zich brachten, allen te gelijkertijd naar Amerika zijn gekomen, en evenmin dat hun invloed steeds met gelijke kracht heeft gewerkt. Er is veelmeer alle reden om aan te nemen, dat de amerikaansche beschaving lange tijdperken van stilstand en verdooving heeft gekend, waarin zij, aan zich zelve overgelaten, op dezelfde hoogte is gebleven, tot zij een nieuwen stoot ontving door nieuwe volksverhuizers, nieuwe kolonisten uit het moederland, door fenicische, arabische, wellicht etrurische zeevaarders en emigranten. Ware dit niet het geval, dan zou men bij al de afstammelingen der eerste aziatische kolonisten dezelfde godsdienstige leerstellingen en begrippen, dezelfde zeden, denzelfden bouwstijl moeten aantreffen. Nu bestaat er evenwel tusschen de natiën van Nieuw-Spanje en die van het zuidelijk halfrond—ondanks onmiskenbare overeenstemming in het hoofddenkbeeld van de eeredienst, en in de grondtrekken zoo van het physiek als van het moreel karakter, die duidelijk naar den gemeenschappelijken oorsprong en eenzelfde uitgangspunt heenwijst,—een zoo in het oog vallend verschil, dat de meerderheid der eersten boven de laatsten niet valt te loochenen. Deze meerderheid laat zich niet anders verklaren dan door de scheiding, die al spoedig deze volken van elkander verwijderde, en die de laatsten al verder en verder naar het zuiden voerde, waar zij den voortdurenden invloed der aziatische beschaving misten, of althans in veel minder mate moesten gevoelen. Na de scheiding der beide groepen op het hoogland van Mexiko, zien wij inderdaad, dat de traditiën van het verleden, de godsdienstige mythen, de kosmogonische bespiegelingen van Indië en Egypte, juist bij de noordelijke groep vrij getrouw bewaard blijven. Hun gelaatsvorm, hun kleur, hun lang zacht kunstig gevlochten hair, hunne witte of veelverwige kleederen:—dit alles herinnert sterk aan hunne deels semitische, deels japhetische afstamming. De opperpriesters, die over deze volken regeeren en hunne eeredienst regelen, de koningen, die hun wetten geven en in den krijg aanvoeren, zijn mannen met lange baarden, in wijde, golvende kleeding, echte vertegenwoordigers der aloude theokratische en militaire kasten van het Oosten. Eeuwen zijn verloopen sedert het vertrek dezer stammen uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen. In eene nieuwe wereld gevestigd, blijven zij toch voortdurend van Azië, de alma parens, de kiemen ontvangen eener steeds voortschrijdende beschaving. Het hieroglyphenschrift wordt bij hen inheemsch, evenzeer als het gebruik van den papyrus (maguey). Hunne architectuur, aanvankelijk eene bloote navolging van de plompe oudste monumenten van Indië en Opper-Egypte, gaat straks zelfstandig haar eigen weg; voor de tempels en paleizen handhaaft zij de traditioneele, onveranderlijke regelen der oude hiëratische kunst; maar de wanden dier gebouwen tooit en versiert zij op hare eigene wijze, wier smaakvolle ornamentatie vaak herinnert aan den griekschen stijl uit het macedonische tijdperk. De monumenten van Teotihuacan in den staat Mexiko, die van Culhuacan, van Guatusco en van Papantla en den staat Chiapa, de tempel van Chichen-Itza in Yucatan, zijn nog daar als de getuigen van de ontwikkeling der amerikaansche kunst in hare verschillende tijdperken.

De zonnetempel.

De straat der Overwinning te Cuzco.
Onder de dynastie der astekische keizers bereikte deze beschaving haar toppunt. De plechtigheden van de eeredienst, de luister der feesten, de weelderige levenswijze,—het was hier alles tot de hoogste mate van pracht en overdaad opgevoerd. Het zijn toestanden als die in het oude perzische rijk—totdat Hernand Cortes op eenmaal aan al die heerlijkheid een einde maakt, zooals negentien eeuwen voor hem Alexander de Groote een einde had gemaakt aan de heerlijkheid van Babylon en Persepolis.
Een ander schouwspel bieden ons de volken van de tweede groep. Na hunne afscheiding en hun vertrek naar het zuidelijke vasteland, zien wij hen dwalen door de boschrijke streken van Venezuela en Guyana, terwijl zij op de rotsen langs den Orinoquo en de Cassiquiare, aan de boorden van de rivier de Cauca, de onuitwischbare teekenen van hun doorgang achterlaten. Onder deze zwervende stammen zijn er enkelen, die eeuwen lang gevestigd blijven op de hoogvlakten van Bogota; anderen vertoeven onder den Equator, en stichten in het land Lican de dynastie der Conchocandos; nog anderen strekken hunne zwerftochten uit tot aan het meer van Chucuytu, en bedekken de omstreken van Tiahuanacu met tempels en monumenten. Naarmate zij zich verder verwijderen van het groote brandpunt van beschaving en ontwikkeling, dat in Nieuw-Spanje bleef, verflauwt en ontaardt meer en meer de herinnering aan het gemeenschappelijk verleden met zijne traditiën en inzettingen. Aan zichzelven overgelaten, afgesneden van alle gemeenschap met de wereld daar buiten, zich steeds meer onttrekkende aan elken beschavenden invloed, vervallen zij trapsgewijze in een toestand van betrekkelijke barbaarschheid.
De haast uitgedoofde fakkel der beschaving werd het eerst weder ontstoken in Peru, en wel door de dynastie der Incas, die daar de bijna vergeten eeredienst en traditiën van het oude Oosten op nieuw in het leven riep en in eere herstelde.
Volgens de plaatselijke overlevering kwamen Manco-Ccapac en zijne zuster Mama-Ocllo uit de warme valleien aan gene zijde der Cordilleras, ten oosten van het meer Titicaca. Deze valleien, tusschen Apolobamba en de bronnen van de rio Beni gelegen, behooren tegenwoordig tot Bolivia, en worden gewoonlijk aangeduid met den naam van Yungas de la Paz.
Met een gouden roede, het zinnebeeld des gezags, in de hand, trok deze nieuwe Horus, een herder van nog ongeboren volken, met zijne gezellinne, door de punas van Collao, en bereikte, na een tocht van tachtig mijlen in noordwestelijke richting, de hoogten van Huanacoti (tegenwoordig Huanacauri), van waar hij een ruime, cirkelvormige quebrada (kom, kloof) ontdekte, door bergen omringd: daar koos hij zijn verblijf. De stad, die hij later in het midden van deze quebrada bouwen zal, zal den naam dragen van Ccozçco, dat wil zeggen: aanknoopingspunt of navel.
Weldra verzamelt de Inca de omwonende stammen om zich: zij luisteren naar zijn woord, en getroffen door zijne onderwijzing, die misschien in hun gemoed de herinnering aan een beter verleden wakker roept, onderwerpen zij zich aan zijne wet, en zeggen hun zwervend jagersleven vaarwel, om zich aan den landbouw te wijden. Terwijl Manco de mannen onderricht in het ontginnen van den grond, in het bezaaien van den akker, en het graven van besproeiingskanalen, leert Mama Ocllo de vrouwen, hoe zij de wol der vigognas en alpacas moeten spinnen, de stoffen weven voor de kleeding der leden van het gezin, en hare plichten als huismoeders vervullen. Het plan van eene stad wordt ontworpen: het is een onregelmatig parallelogram, van weinig uitgestrektheid, en nog door geen muur of omwalling omgeven. Een beek, van de Cordilleras gedaald, vloeit langs de zuidelijke grens der stad, die zij later doorsnijden zal, wanneer de metropolis, onder de regeering van dertien opeenvolgende keizers, hare grenzen noordwaarts en zuidwaarts zal hebben uitgezet.
Door de ongelijkheid van den grond moet men de stad in twee wijken verdeelen: Hurin (de bovenstad), tegenwoordig de wijk San-Cristoval, en Hanan (de benedenstad), tegenwoordig de wijk der kathedraal. In Hurin wordt een paleis voor Manco gebouwd; de eerste gebouwen, die in Hanan verrijzen, zijn een tempel voor den Zonnegod en de Accllhuaci of het paleis der aan zijne dienst gewijde maagden. Deze beide gebouwen, door Manco begonnen, werden echter eerst vijftig jaar na de stichting van Ccozçco, door de ijverige bemoeiingen van zijn oudsten zoon Sinchi Roca voltooid. Gedurende eene halve eeuw was de Zonnetempel niet meer dan een door ruwe steenen omsloten ruimte, in wier midden een vierkante, nauwelijks behouwen pilaar verrees, die tevens altaar en beeld der godheid was, en aan de hyrmensul of zonnesteen der druïden herinnert.

Fruitverkoper
Na gedurende eenige jaren aan de ontwikkeling der jonge gemeente te hebben gearbeid, begaf Manco zich naar de verstrooide stammen in de omstreken van Ccozçco. Deze tocht, ondernomen in naam van den Zonnegod, als wiens zoon en profeet hij zich uitgaf, had zoowel een godsdienstig als een staatkundig doel: hij wilde deze onbeschaafde wilden bekeeren tot de dienst van Helios-Churi, en hen tevens aan zijn gezag onderwerpen. De expeditie, die verscheidene jaren duurde, leidde tot de onderwerping van een twintigtal stammen, verstrooid over eene oppervlakte van tien mijlen in omtrek, en tot de inlijving van hun gebied bij het rijk van den Inca. Onder Manco was dit rijk ten zuiden begrensd door Quiquijana, ten noorden door Ollantay-Tampu, ten oosten door Paucartampu, ten westen door Limatampu: een zeer bescheiden gebied van ettelijke mijlen.
Na eene voorspoedige regeering van vijftig jaren, overleed Manco, en werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Sinchi Roca. Het rijk is reeds georganiseerd; de eeredienst van de zon is voor goed gevestigd; de verder te volgen weg nauwkeurig afgebakend: de wijze wetgever had ook voor de toekomst gearbeid, en zijne opvolgers hadden slechts zijn werk voort te zetten. En aan deze zending bleven zij gedurende twaalf geslachten van koningen onveranderlijk getrouw, tot op de verschijning der europeesche avonturiers, die aan het rijk der Incas een einde maakten.
Wij kunnen hier ons niet begeven in de geschiedenis van de Incas en hun rijk; trouwens, daar moet nog zeer veel onderzocht en op onderscheiden gebied voorgearbeid worden, eer op zoo menige vraag betreffende het oude Peru een bevredigend antwoord kan worden gegeven. Daarom laten wij nu het oude Cuzco en de Incas rusten, en gaan over tot de beschouwing van het moderne Cuzco, dat wij heden ten dage nog ongeveer in denzelfden toestand zullen vinden, zooals Pizarro, na de verovering, het herbouwde, en, zooals La Serna, de laatste onderkoning van Peru, het in 1824 verliet.
VII.
Te oordeelen naar de brokken muur, die van San-Juan de Dios tot op de hoogten van San-Blas de grenzen der oude stad aanwijzen, beslaat het moderne Cuzco ongeveer dezelfde oppervlakte als het oude. Een beek of bergstroom, de Huatanay, doorstroomt de stad van het noordoosten naar het zuidwesten, en deelt haar in twee ongelijke helften. Deze diepliggende beek, die in den winter bijna droog is, maar in den zomer, ten gevolge van het smelten der sneeuw op de Cordilleras, een snelvlietende stroom wordt, dient tot algemeen afvoerriool van Cuzco, en neemt, zoo goed en zoo kwaad als het kan, al de onreinheden en al het vuile water mede of ook niet mede.
Het Ccozçco der Incas was slechts in twee wijken, de boven- en de benedenstad, verdeeld. Het Cuzco der Spanjaarden is in zeven districten of kwartieren verdeeld, met name: de Kathedraal, Belen, Santiago, het Hospitaal, Santa-Ana, San-Cristoval en San-Blas. Deze districten zijn wederom zoo wat gesplitst in cuadras, buurten, eigenlijk vierkanten; te zamen tellen zij drieduizend huizen met eene bevolking van ruim twintigduizend zielen. Van die drieduizend huizen zijn er omstreeks duizend niets meer dan afschuwelijke krotten, waaronder minstens vijfhonderd chicha-kroegen. Eene geheele straat, de straat los Heladerias, is ingenomen door handelaars in ijs en sorbets. In deze straat werd omstreeks het midden der zestiende eeuw, uit een aanzienlijk, maar tamelijk donker gekleurd geslacht, de geschiedschrijver Garcilaso de la Vega geboren.
Cuzco, weleer de hoofdstad van een machtig rijk, tegenwoordig slechts de hoofdplaats van een departement en de zetel van een bisschop, bevat, nevens zijne kathedraal en vijftien andere kerken, waaronder zeven aan godsdienstige broederschappen behooren, vier mannenkloosters—San-Francisco, la Merced, Santo-Domingo en la Recoleta; drie vrouwenkloosters—Santa-Teresa, Santa-Catalina en Santa-Clara; zes begijnhuizen—los Nazarenas, Santa-Rosa, Santo-Domingo, las Carmelitas de San-Blas, las Franciscanas van Belen, en San-Francisco; gezwegen van ettelijke huizen van geestelijke oefeningen, waar gedurende de heilige week, des avonds, de geloovigen zich vereenigen, mannen en vrouwen afzonderlijk, om te bidden.
De kerken en kloosters van Cuzco zijn over het algemeen van steen opgetrokken, en niet van hout, leem en pleister, zooals in de steden langs de kust. Dit onderscheid in de keuze der bouwmaterialen is een natuurlijk gevolg van de ligging der laatstgenoemde steden aan den voet van de keten der Andes, in de nabijheid van een of anderen vulkaan, en van de menigvuldige aardbevingen, waaraan zij onderhevig zijn. Vandaar ook de erbarmelijke gewoonte om de gebouwen te overpleisteren, en hun een rooskleurigen, parelgrijzen of paarschen tint te geven, ten einde zoo mogelijk het zeer gemeene bouwmateriaal te verbergen. Te Cuzco behoeft men tot deze armzalige kunstgrepen zijn toevlucht niet te nemen. De steen vertoont zich hier in zijne natuurlijke kleur, met de eigenaardige donkere tinten, die zon en regen, weer en wind daaraan geven. De gebouwen verkrijgen daardoor een karakter van ernstige majesteit, van sombere grootheid, dat volkomen past bij den grauwen hemel, het strenge klimaat en de ruwe vormen der omringende bergen.

Vrouw uit de volksklasse te Cuzco.
De vorm der kerken is bijna altijd die van een latijnsch kruis. Sommigen hebben slechts een enkel schip zonder zijbeuken, zooals de Jezuïetenkerk; anderen hebben een middenschip en twee zijschepen, zooals de kerk de la Merced; of soms ook wel drie hoofdschepen en twee zijbeuken, zooals de kathedraal. De bouwkunstige ornamentatie dezer kerken is inwendig doorgaans zeer eenvoudig. Somwijlen is het uitwendige even sober; maar bij enkele kerken vertoont zich al de wansmaak der Spaansche architectuur van de zeventiende en achttiende eeuw, met haar wildernis van ongemotiveerde zuiltjes, pyramidetjes, krullen, ballen, naalden, bloemen en kransen.—Inwendig zijn de kerken van Cuzco vooral niet minder rijk uitgedost dan die van Arequipa: ook hier is het een verblindende, overstelpende overvloed van goud en zilver, van verguldsel en edelgesteenten en kostbare stoffen: een rijkdom, die meer getuigt voor den vromen zin dan voor het kunstgevoel en den goeden smaak der bewoners van de oude zonnestad.

Begijnhof van la Recoleta.
De kathedraal van Cuzco heeft een massief zilveren hoogaltaar, en bezit in hare sakristie onnoemelijke schatten: relikwiënkistjes, wierookvaten, ciboriën, bekers, kelken, bezaaid met diamanten, robijnen, topazen en smaragden. Het is waar, dat de bouwstijl van het monument, zoo uit- als inwendig, niet in overeenstemming is met deze rijkdommen. De kerk verrijst op de plek, waar in de veertiende eeuw het paleis van den Inca Viracocha stond; zij heeft den vorm van een langwerpig vierkant, met twee lage torens aan weerszijde van den voorgevel. Gekoppelde zuilen scheiden de drie ingangen aan den voorgevel, die met een soort van fronton prijkt. Vierkante vensters, met kolommetjes geflankeerd, kronen de architraaf, en geven aan de kerk het voorkomen van een hotel met eene eerste verdieping. Voeg daarbij, dat de zandsteen, waarvan zij gebouwd is, met den tijd roetkleurig is geworden, en daardoor zeer scherp afsteekt bij het kalkwit van de koepels der vijf schepen en van de beide klokketorens.
Het inwendige bestaat uit een pronaos of voorportaal, dat toegang geeft tot de drie hoofdschepen en twee zijschepen met kapellen. De beroemdste van deze kapellen, bij het binnenkomen de tweede aan de rechterhand, is die van Nuestro Señor de los Temblores, Onze Heer der Aardbevingen. Door de zeer weinige vensters dringt een schemerachtig licht binnen, dat nog aanmerkelijk getemperd wordt door de lage bogen der gewelven en de vele pilaren; er heerscht dan ook in het heiligdom eene zeer onaangename duisternis. De eenige wezenlijke schat, die deze sombere, aan kostbaarheden zoo overrijke kathedraal bezit, is een prachtige schilderij van Murillo, Christus aan het kruis, in de sakristie opgehangen.

Een vastenavondmaskerade te Cuzco.
Eene oude overlevering, die door de Indianen trouw wordt bewaard, zegt, dat zich onder de kerk een meer bevindt, waarvan de anders kalme wateren op den verjaardag van den intocht der Spaansche veroveraars in Cuzco (13 November 1532) opbruisen en met dof geruisch tegen de zerken van het koor slaan. Op dien dag, voor de inboorlingen een dag van rouw en droefenis, is het niet zeldzaam in en bij de kerk enkele goedgeloovige zielen neergeknield te zien, met het oor tegen den grond, luisterende of de onderaardsche wateren niet bruisen. Met den bouw dezer kerk werd in 1572, op last van den onderkoning Francisco Toledo, aangevangen; eerst in 1654, alzoo na verloop van twee-en-tachtig jaren, was zij voltooid. Zij had vijf-en-zestig millioen francs gekost! Het schijnt bijna ongeloofelijk, als men het smakelooze gebouw aanziet.

Een stierengevecht te Cuzco.
Ter rechterzijde van de Plaza-Mayor, op de plek, waar vroeger het paleis stond van den Inca Capac Yupanqui, verrijst de kerk der Jezuïeten, van zandsteen gebouwd, en een vrij goeden indruk makende, ondanks de overladen versiering in den bekenden spaanschen rococo-stijl. Na het verdrijven der Jezuïeten bleef deze kerk voor de eeredienst gesloten; totdat in 1824 de patriotten, na hun terugkeer van Ayacucho, natuurlijk in naam der heilige vrijheid, de deuren openbraken en haar in een militair wachthuis herschiepen. Na de onafhankelijkheidsverklaring werd zij op nieuw gesloten, en bleef dit waarschijnlijk tot het ons op zekeren dag in de gedachte kwam, de sleutels te laten vragen aan den onder-prefect van Cuzco en haar te laten openen, tot groote verbazing van enkele voorbijgangers, die haastig kwamen aanloopen om mede naar binnen te gaan, maar die zich de deur voor den neus zagen toewerpen.
De kerk bestaat uit een enkel schip, waarvan het gewelf rust op een entablement, dat door gegroefde pilasters gedragen wordt. Aan den ingang vormt eene ruime tribune, op vierkante pilaren rustende, een soort van voorportaal. Geen enkele kapel breekt de grootsche evenredigheid der strenge lijnen van het majestueuse schip, dat door een steenen balustrade van het halfronde koor gescheiden wordt. De kerk was overigens geheel ontbloot van alles wat tot de eeredienst betrekking heeft; het eenige altaar was verdwenen; noch beelden, noch schilderijen, noch kruisen tooiden de naakte, rooskleurige wanden. Voor de balustrade van het koor gaapte eene opening van vier voet in het vierkant, die toegang gaf tot een trap, waarvan alleen de bovenste treden zichtbaar waren; de anderen verdwenen in de duisternis. Met den Indiaan, die de kerk had opengesloten, daalde ik in deze onderaardsche ruimte af. Het was de krypt, afgedeeld in vierkante cellen, die blijkbaar vroeger tot begraafplaats hadden gediend. Hier en daar was nog een enkele ledige, geopende doodkist te zien. Mijn geleider was in dit voormalige doodenverblijf gansch niet op zijn gemak, en haastte zich, toen wij weder op straat waren, een paar glazen brandewijn te gaan drinken om weer op zijn dreef te komen.
Na de kerken voegt een enkel woord over de kloosters. Het uitwendig voorkomen dezer gebouwen is hoogst eenvoudig: het zijn meest altijd plompe, langwerpig vierkante gevaarten, met blinde muren, met pannendaken of wel met koepels gekroond, en doorgaans met een enkele gewelfde poort, waarboven het kruis is geplaatst. Deze poort voert naar eene kleine binnenplaats, aan alle zijden door hooge muren omgeven, en waarop een bochtige en sombere gang uitkomt, die toegang geeft tot het eigenlijke kloostergebouw. De onaangename indruk, dien ge bij het betreden van den duisteren gang mocht ontvangen hebben, wordt hier spoedig uitgewischt. De blik dwaalt door ruime hoven, door sierlijke galerijen omringd; te midden dier hoven, in bloeiende tuinen herschapen, prijken fraaie fonteinen, waaruit ruischende waterstralen omhoog springen, terwijl de geuren der bloemen, in smaakvol aangelegde perken gerangschikt, u tegenstroomen. Eene diepe, vredige stilte en kalme rust heerschen hier; geen enkel onharmonisch geluid treft het oor van den mijmerenden, eenzamen wandelaar; het gemurmel der wateren, het suizen van den wind, het gekweel van een vogel in de takken,—ziedaar de eenige geluiden, die de stilte verbreken. De voornaamste kloosters zijn die van la Merced, van Santa-Clara, van San-Domingo en van San-Francisco.
De kloostertucht is te Cuzco, althans voor de monniken, niet overmatig streng. Zij mogen ongehinderd gaan werwaarts zij willen, en zijn dan ook zelden in hun cel te vinden; doorgaans verlaten zij het klooster na de ochtenddienst en keeren niet vóór des avonds negen uur terug. Wat zij in dien tusschentijd uitvoeren, weet ik niet; maar wel weet ik, dat men op alle publieke plaatsen, in bijna alle gezelschappen, monniken aantreft, waar zij meestal niet weinig bijdragen tot de algemeene gezelligheid en vroolijkheid. De nonnen daarentegen mogen haar klooster nooit verlaten, zelfs niet, als te Arequipa, hare bloedverwanten en vrienden bij zich ten bezoeke ontvangen.
De bouwtrant der huizen van Cuzco heeft dit eigenaardige, dat de meeste huizen rusten op oude muren uit de dagen der Incas, die aanstonds kenbaar zijn aan het gemis van verf of kalk, terwijl het overige van de woning altijd met een laag witkalk is bestreken of licht geverfd. Deze eigenaardigheid dagteekent uit den tijd van Pizarro den veroveraar, die, om tijd en handenarbeid uit te winnen, de oude gebouwen slechts halverwege liet afbreken en op het overblijvende nieuwe verdiepingen optrekken. Zoo is de stad, door een gelukkig toeval, maar ten halven lijve gemetamorphoseerd: van boven modern en katholiek, is zij van onderen antiek en heidensch gebleven.
De stijl dezer huizen is, behoudens enkele wijzigingen, dezelfde als van alle amerikaansche steden, door spaansche architecten of hunne leerlingen gebouwd: eentonig, plomp en koud. De woning, een zware vierkante steenklomp, heeft slechts eene enkele monumentale poort, waarvan de massieve deuren geheel met spijkers beslagen zijn. Deze poort komt uit op eene geplaveide binnenplaats. Een ruime trap voert naar de eerste verdieping, aan de binnenzijde met een houten of steenen galerij voorzien, op welke galerij de receptiekamers en de slaapvertrekken uitkomen. In sommige woningen zijn de binnenplaatsen met bloeiende heesters versierd, die in allerlei wonderlijke vormen zijn gesnoeid.
Het ameublement dezer huizen is tweevoudig. De familiën, die aan de oude traditiën zijn getrouw gebleven, hebben ook hare spaansche meubelen behouden, zwaar gebeeldhouwd, met levendige kleuren beschilderd, met gouden lijsten en randen versierd, en bezaaid met rozen of tulpen. In de nieuwerwetsche huizen is het ameublement in den smakeloozen parijs-griekschen stijl van 1804. In beiden vindt ge ijzeren traliën voor de vensters, geen of bijna geen gordijnen, maar daarentegen een overvloed van tapijten tot afwering van de koude van den grond, die, bij gebrek aan een houten vloer, met een laag argamaza, een soort van cement, is bedekt.
De wanden der aristokratische salons zijn bekleed met een grijs papieren behangsel of beschilderd. Op tafels of consoles met achthoekige spiegels in stalen lijsten, zijn allerlei snuisterijen en antiquiteiten uitgestald: min of meer geschonden beeldjes van Incas en Coyas (Keizerinnen), beschilderde aarden vazen uit den tijd vóór de verovering en min of meer gebarsten. Eertijds prijkten de salons der oude aristokratie met schilderijen in olieverf, door kunstenaars van Cuzco of Quito vervaardigd. Maar tengevolge der herhaalde politieke omwentelingen en beroeringen, zijn die schilderijen voor het meerendeel vernield, verloren geraakt of verkocht. Om het verlies dezer schilderijengalerij te vergoeden, zijn sommige adellijke familiën op een vernuftigen inval gekomen. Zij hebben den muur van de trap in hare woning laten beschilderen, hetzij met de kleuren van haar wapen, hetzij met haar stamboom, onder de gedaante van een wijngaard met uitgespreide ranken. Die adellijke wijnstok, op welks top meestal Francisco Pizarro is gezeten, reikt tot de eerste verdieping, en bedekt den muur met zijne groene trossen, waaraan, bij wijze van rijpe druiven, de hoofden van baardige Spanjaarden en indiaansche vrouwen met breede kragen hangen.
De familiën van twijfelachtigen adel, of die, bij gebrek aan een genoegzaam getal voorouders, zich de weelde van zulk een stamboom moeten ontzeggen, troosten zich met het bezit van een piano van engelsch of chilisch fabrikaat. Die piano, waarop altijd twee nieuwe bougies prijken, en die altijd open staat, neemt de voornaamste plaats in de receptiekamer in. Intusschen—en dit is een groot voorrecht, dat de inwoners van Cuzco boven die van menige europeesche stad genieten;—slaat niemand ooit een hand aan die piano: zij dient alleen om de eigenliefde te streelen, maar is overigens niemand tot last. Dit meubelstuk is een soort van certificaat van beschaving, van goeden smaak en fatsoenlijke manieren; wie zulk een instrument in zijn huis heeft, al is het nog zoo ouderwetsch en al heeft het des noods geen snaren, rekent zich op gelijken voet te staan met den adel.
Ondanks de koude temperatuur van Cuzco, en de hagel-, sneeuw- en regenbuien, die zoo dikwijls voorkomen, dat het van deze stad heet: Llueve 13 meses en un ano—het regent 13 maanden in een jaar—, vindt men toch in geen enkel huis schoorsteenen, kachels of verwarmingstoestellen, zelfs geen braseros of vuurpotten. De dames wikkelen zich zoo goed mogelijk in haar shawl of haar retos; de heeren in groote mantels. De Indianen van beiderlei kunne dragen wollen hemden en kleederen, waarbij zij nog, in geval van nood, wollen schoudermantels voegen. Om zich inwendig te verwarmen, maken ouden en jongen, rijken en armen, overvloedig gebruik van europeesche wijnen en likeuren, benevens van de inheemsche chicha en de tafia der warme streken.—Het is te begrijpen, dat, in dit ruwe klimaat en bij dien schier altijd nevelachtigen hemel, de lichamelijke zindelijkheid bij de inboorlingen soms wat te wenschen overlaat, en dat hun afkeer voor het vloeibaar element, om in dagbladstijl te spreken, soms wel iets weg heeft van watervrees. De fatsoenlijke lieden, het is waar, wasschen zich eens in de week een weinig; maar de indiaansche bevolking wordt geboren, leeft en sterft, zonder ooit behoefte gevoeld te hebben, zich de handen en het gelaat te reinigen. In den regel slapen de beide seksen geheel gekleed, en veranderen niet van kleeding, vóór dat die, welke zij aanhebben, tot flarden versleten is. Over haar gescheurden rok trekt de indiaansche vrouw eenvoudig een nieuwen rok aan; en daar zij doorgaans drie of vier rokken dragen, mag men veilig aannemen, dat de onderste acht of tien jaar oud is. Vandaar die overvloed van zekere gedierten en die eigenaardige lucht, aan deze inboorlingen eigen, en die, in de schatting van den kunstenaar, een minder aangenaam tegenwicht vormen van het schilderachtige in hun manier van doen.
Van October tot Januari wordt het klimaat wat zachter; de grauwe hemel wordt blauw, en de zon laat haar stralen op het verheugde aardrijk schijnen. Met uitgelaten blijdschap groet de bevolking de verschijning van het groote hemellicht, dat zij weleer aanbad. Dit warme jaargetijde, de korte zomer van Cuzco, wordt door de hoogere klassen ijverig gebruikt voor reisjes, rijtoertjes en uitstapjes in de omstreken. Anderen, wier middelen zulke uitspanningen niet veroorloven, gaan dagelijks naar Huancaro, een gehucht in de onmiddellijke nabijheid der stad, waar zich een groote steenen badkuip bevindt, in twee kompartimenten verdeeld, die tot den rand gevuld zijn met helder en ijskoud water. Tegen een geringen prijs kunnen daar, van twaalf tot vier uur, mannen en vrouwen, door een beschot gescheiden, zich al de weelde van een bad veroorloven, waarbij zij huiveren en klappertanden van de kou.
De vrouwen van Cuzco zijn over het algemeen bruin van kleur, van middelbare gestalte en een weinig gezet. De indiaansche type heeft bij haar nog zeer duidelijk de overhand boven de spaansche, zoo als ook de deugden en gebreken van het inlandsche ras onmiskenbaar te voorschijn komen onder het kunstmatig vernis eener aangeleerde beschaving. Echter zoudt ge eene dame van Cuzco doodelijk beleedigen, indien ge u eene toespeling op hare ontwijfelbare afkomst veroorloofdet. Allen willen u doen gelooven, dat zij van zuiver spaansche afstamming zijn; alleen de oude vrouwen, die zich geen illusiën meer maken, komen er rond voor uit, tot welk ras zij eigenlijk behooren. “Somos Indias, para que negarlo? Wij zijn Indianen, waarom dat te ontkennen?” zeggen zij lachende. Maar deze kleine dwaasheden, die zij trouwens met alle vrouwen gemeen hebben, worden bij de Cusqueñas van elken leeftijd meer dan opgewogen door haar zachtaardig en beminnelijk karakter, vooral ook door haar groote vriendelijkheid en voorkomendheid jegens vreemdelingen. Haar eentonig teruggetrokken leven, eene zekere moeilijkheid in het vloeiend spreken der spaansche taal, het beperkte verkeer in eene afgelegene provinciestad—dit alles geeft aan haar omgang en manieren eene zekere beschroomdheid en linkschheid, die haar verre van kwalijk staat.

Bezoek aan den Sacsahuaman.
Met uitzondering van de wekelijksche bezoeken, die zeer intieme vriendinnen in het schemeruur bij elkander afleggen, verlaten de vrouwen van Cuzco haar woning bijna niet. Zij houden zich bezig, hetzij met naai- of borduurwerk, hetzij met het bereiden van sorbets en confituren, en met het keuvelen over de nieuwtjes van den dag, die haar getrouw door hare chinas of kamermeisjes worden overgebracht. Om een aantal dames bijeen te brengen, is er eene zeer bijzondere gelegenheid noodig, zoo als een officieel bal op vastenavond, de intrede van een bisschop, de installatie van een nieuwen prefect of de benoeming van een president. Overigens blijven de vrouwen liefst te huis en ontvangen ook geen bezoek, met uitzondering van vreemdelingen, die altijd welkom zijn, waarschijnlijk omdat hunne verschijning eene zeldzaamheid is.
Ik kan niet zeggen, dat de Cusqueños bevallig en beschroomd zijn, als hunne vrouwen, maar ik weet wel, dat zij prikkelbaar en wantrouwend zijn, en tegenover vreemden zeer terughoudend. Dit laatste is deels een gevolg van hunne linkschheid, deels van hun pedanterie. De physieke en zedelijke meerderheid van den Europeaan kwetst hunne ijdelheid, en het kost hun veel moeite, die meerderheid te erkennen. Zij zijn dan ook bij uitstek geleerd. Allen hebben gestudeerd in de theologie, de philosophie, het natuur- en volkenrecht, het burgerlijk en het kanonieke recht. De natuurkundige wetenschappen, de doode en levende talen en de schoone kunsten achten zij beneden de waardigheid van eene mannelijke opvoeding, en met deze ijdelheden houden zij zich niet op. In den regel wijden zij zich aan de balie, en maar zelden aan het onderwijs: een advokaat toch is voor alles geschikt. In Peru is het geen zeldzaamheid, dat collegas van Cicero eensklaps brigade-generaal worden, vervolgens veldmaarschalk, en eindelijk plaats nemen in den presidialen zetel. Zulke voorbeelden werken aanstekelijk, en verklaren het buitengewoon groot aantal advokaten, dat men in Cuzco vindt.

Eene dramatische soiree te Cuzco.
Cuzco heeft ook eene universiteit, in 1692 gesticht. Bij deze universiteit behooren een kanselier, een rector, een conrector, een directeur, een secretaris, drie hoogleeraren, een penningmeester, twee deurwaarders of pedellen en een portier. Er wordt onderwijs gegeven in de theologie en het kanonieke recht, en ook een weinig in de logika. Voorts roemt de stad nog op het bezit van een college voor wetenschap en kunst, in 1825 gereorganiseerd door generaal Simon Bolivar; de leerlingen van dit college ontvangen onderricht in de godsdienst, het spaansch en latijn, de wijsbegeerte, en ook in de wellevendheid en goede manieren. Eindelijk is er nog een school voor meisjes, en eene enkele drukkerij, die de laatste onderkoning, bij zijn vertrek in 1824, heeft achtergelaten.
VIII.
Openbare vermakelijkheden moet men te Cuzco niet zoeken: schouwburgen en andere gelegenheden van dien aard zijn er niet te vinden. Onder de volksvermaken verdienen evenwel vermeld te worden: de tocht, dien de vrouwen uit de volksklasse telken jare, op Allerzielendag, naar de begraafplaats doen; en de wandelingen naar den Sacsahuaman, waaraan de kleine burgerij deelneemt.
De bedevaart naar het kerkhof begint al des morgens vroeg. Ten acht uur zijn reeds al de toegangen bezet met indiaansche vrouwen, die kruiken met chicha dragen. Op het kerkhof toegelaten, beginnen zij in het algemeene graf, uit de doodshoofden en andere beenderen, welke daar verstrooid liggen, die bijeen te zoeken, waarvan zij onderstellen dat ze eenmaal aan haar bloedverwanten hebben behoord. Zij zoeken die beenderen zorgvuldig bij elkander, leggen ze op kleine hoopjes, en vertellen ze, al weeklagende, de nieuwtjes van den laatsten tijd: dat de vrouw van Juan haar man heeft verlaten en met een soldaat is doorgegaan; dat de zeug van Pedro acht biggen heeft geworpen, waaronder een met vijf pooten, en dergelijke belangrijke mededeelingen meer. Dat alles wordt afgewisseld door huilen en snikken en door het drinken van chicha, waarbij zij niet vergeten, ook de geliefkoosde beenderen rijkelijk met den dierbaren drank te besproeien. Daar deze bezigheid den ganschen dag wordt voortgezet, spreekt het van zelf, dat de weeklagende vrouwen tegen den avond stomdronken zijn, en luid schreeuwende en waggelende naar hare woning terugkeeren.
De wandeling naar den Sacsahuaman, die op Pinksterzondag plaats heeft, is eigenlijk eene landelijke orgie, in de schaduw van de muren der aloude citadel van de Incas. Mannen en vrouwen, behoorlijk van eet- en drinkwaren voorzien, beklimmen te voet of te paard de steile helling, die naar den top des heuvels voert. Boven gekomen, kiest elk gezelschap zich naar welgevallen eene eigene plaats uit, zet de mondbehoeften en de medegebrachte flesschen op het gras, eet en drinkt, zingt en danst, en gaat de bloemen plukken, die hier in elken herfst ontluiken. Als de zon achter de drie kruisen op den top des heuvels gedaald is, keert de vroolijke schare, zingende, joelende, schreeuwende, waggelende en strompelende en elkander vasthoudende, naar de stad terug. Op het plein der hoofdkerk gaat de menigte uiteen, waarna de feestviering in de bijzondere woningen wordt voortgezet.
De jaarlijksche processiën, waarbij de dames, in groot toilet op de getraliede balkons harer huizen gezeten, toezien, moeten mede tot de openbare vermakelijkheden van Cuzco gerekend worden. De meest beroemde dezer processiën is die van Onzen Heer der aardbevingen, van wiens kapel in de hoofdkerk ik reeds gesproken heb. Deze processie heeft op Paaschmaandag plaats. Reeds twee dagen vooraf gaan de kinderen der stad bloemen plukken, die in korfjes worden gerangschikt en hier en daar tentoongesteld. De huizen, waar de processie langs moet komen, worden met fraaie tapijten en kostbare fluweelen draperieën behangen; overal heerscht drukte en beweging. Eindelijk is de groote dag aangebroken. Reeds vroeg in den morgen wordt ge gewekt door het schieten met camaretos, kleine kanonnen; zwermen, vuurpijlen sissen en knetteren aan alle kanten, en teekenen in de lucht een vurig spoor. De gansche bevolking, in haar beste kleeren gedost, vult de straten of verdringt zich op de balkons. Sedert Zaterdagavond heeft het allerwege chicha, wijn en brandewijn gestroomd, ter eere van het Paaschfeest.
Met klokslag van vieren doet een driedubbel salvo van camaretos het plein der kathedraal dreunen, en aanstonds beginnen de klokken van alle kerken en kloosters te luiden. Tienduizend havelooze, schreeuwende Indianen staan op het plein geschaard, en de vensters zijn overal bezet met nieuwsgierigen, zoo mannen als vrouwen, die met hunne zakdoeken zwaaien. De drie deuren der kathedraal worden wijd geopend, en gunnen een blik te slaan in de donkere diepte van het schip, nu door duizende waskaarsen verlicht. Eene huivering van eerbied vaart door de schare. Aller halzen zijn gestrekt, aller oogen gekeerd naar den hoofdingang, waaruit de processie te voorschijn komt, voorafgegaan door de gouden kruisen, en groote zilveren kandelaars, welke laatsten door bruine koorknapen, in witte kleeding, gedragen worden.
Dan volgt op een draagbaar, door acht mannen getorscht, het levensgroote beeld van San-Blas, dat door de menigte met luid handgeklap wordt begroet. Het kostuum van den heiligen bisschop bestaat uit eene zwart fluweelen tuniek met goud geborduurd, die hem tot aan de knieën reikt; een nauwsluitenden, vleeschkleurigen broek; eene breede, geplooide halskraag, en een opengewerkte zwart fluweelen baret met witte veeren; zijne voeten zijn gevat in roode laarsjes, en in de met een leeren handschoen bekleede rechterhand, houdt hij zijn gebedenboek in quarto, sierlijk verguld op snede. Een engel met uitgespreide vleugelen, op een spiraalvormig ijzerdraad geplaatst, houdt een rood zijden parasol boven het hoofd van den heilige.
San-Blas wordt onmiddellijk gevolgd door San-Benito, die tamelijk koel ontvangen wordt, omdat de eerwaardige abt tot de zonen van Cham behoort. Het gelaat van het beeld is dan ook inderdaad pikzwart, en de groote witte oogen en de vooruitstekende dikke lippen, violetrood van kleur, geven den eerwaardigen vader inderdaad een afschuwelijk voorkomen.
Op hem volgt San-Cristoval. De kluizenaar houdt een ontwortelden palmboom in de hand, die als een riet onder zijne reusachtige gestalte buigt. Hij is gehuld in een wit kleed, met gouden sterren geborduurd, en met paars agrement afgezet; hij draagt een purperen hairband, evenals een assyrische koning, groote opstaande knevels en een spitsen kinbaard.
San-José, de echtgenoot van Maria, volgt op San-Cristoval. De nederige timmerman draagt een bruinen pelgrimsrok. Een schaaf hangt hem over den schouder; in de eene hand houdt hij een zaag, en met de andere omklemt hij een knoestigen stok. Zijn eenige sieraad is een pauwenveer, op zijn vilten hoed gestoken.
Achter San-José vertoont zich het beeld van Onze-Lieve-Vrouwe van Belen of Bethlehem, gedragen door zestien mannen, die schier onder hun last bezwijken. Geen wonder: de draagbaar waarop het beeld staat, is van massief huarangohout, met zilveren platen bedekt, en bovendien voorzien met zware zilveren kandelaars, waarop welriekende kaarsen branden. De Heilige Maagd is allerprachtigst gekleed. Haar japon, van wit en blauw brokaat met goud doorweven, heeft een omvang van zes el; de borst is met zilverborduursel versierd; uit de korte wijde mouwen, rijkelijk met kant omzoomd, komen een paar fraai gevormde, blanke armen te voorschijn, stralende van rijke armbanden, zooals de fijne vingers van kostbare ringen. In de eene hand houdt zij een skapulier, met goud en edelgesteenten geborduurd; in de andere een kostbaren waaier. Haar lichtblonde hairen zijn een weinig gegolfd; op haar smaakvol kapsel draagt zij een diadeem van onnoemelijke waarde; twee prachtige parelen hangen in haar ooren; een ketting van robijnen schittert om haar hals, die in een reusachtigen opstaanden kanten kraag, met gouddraad doorwerkt, is gevat. De merkwaardigste bijzonderheid aan dat beeld zijn wel de glazen oogballen, die, door middel van een verborgen veer, met duizelingwekkende snelheid rusteloos heen en weer rollen, hetgeen een allerzonderlingsten, zeer onaangenamen indruk maakt.
Bij het verlaten der kerk, plaatsen zich de dragers met de beelden van San-Blas, San-Benito en San-Cristoval ter linkerzijde van den hoofdingang; de Madonna en de heilige Joseph plaatsen zich ter rechterzijde. Er verloopen eenige oogenblikken, eer dat het Christusbeeld verschijnt. Eindelijk wordt eene groote figuur in de schemering zichtbaar; de mannen nemen hunne hoeden af, de vrouwen maken het teeken des kruises. Dit beeld van den Zaligmaker is een geschenk van Karel V, en sedert niet meer schoongemaakt of geschilderd. Uit het oogpunt der kunst heeft het niet de minste waarde: het is niet veel meer dan een ruw behouwen stuk hout, waarvan de afzichtelijkheid nog aanmerkelijk verhoogd wordt door de kleur, die mettertijd donker rossig is geworden. Het bloed, waarmede het beeld letterlijk van het hoofd tot de voeten besprenkeld is, heeft mede met de jaren een vuilzwarte kleur aangenomen, hetgeen den aanblik des te afschuwelijker maakt. De Gekruisigde draagt een wijden kanten rok, die om de heupen is gebonden en tot over de knieën reikt; de dorens der doornenkroon zijn edelgesteenten van fabelachtigen prijs; de nagels aan handen en voeten zijn smaragden van drie duim lengte, en de randen der wond in de zijde zijn met groote robijnen bezet. Dit Christusbeeld rust op een zilveren draagbaar, die door dertig ongeschoeide, ongekamde, havelooze cholos gedragen wordt; in het rond branden een aantal groote waskaarsen, en het gansche beeld wordt, door verborgen veeren, voortdurend in een soort van zenuwachtige trilling gehouden.
De verschijning van dit beeld is het teeken voor het hervatten van den optocht. De processie zet zich in beweging; achter het Christusbeeld volgt de bisschop met het heilige sakrament, omstuwd en gevolgd door alle geestelijke en wereldlijke notabiliteiten. Ter wederzijde van den stoet gaan de monniken der verschillende orden, die ook den trein sluiten en gevolgd worden door de bagijnen. Eene dichte, luidruchtige, rumoerige menigte golft, dringend, hortend, schreeuwend, achter de processie, en perst en duwt om zoo mogelijk nabij het Christusbeeld te komen en dat mede te helpen dragen, hetgeen in den regel aanleiding geeft tot vechtpartijen. Zoo vervolgt de processie, onder eene onbeschrijfelijke en steeds toenemende verwarring, telkens opgehouden en telkens voortworstelende, haar weg, en keert eindelijk, na in twee uren een afstand te hebben afgelegd, dien een gewoon wandelaar binnen tien minuten zou afleggen, in de kerk terug. Ik behoef bijna niet te zeggen, dat de dag in drinkgelagen en ongebondenheid eindigt.
Gedurende mijn verblijf te Cuzco, ben ik ook getuige geweest van den plechtigen intocht van een bisschop en de benoeming van een president, bij welke gelegenheid Cuzco groote feesten aanrichtte, die drie dagen duurden. De eerste dag werd er een plechtige mis gevierd, en daarna, op den vollen middag, op het plein voor de hoofdkerk, een groot vuurwerk afgestoken; op den tweeden dag voerden de kweekelingen van het college van San-Bernardo een treurspel op, Antonius en Cleopatra getiteld. De voornaamste dames van de stad, vooraf uitgenoodigd door brieven op wit en rose satijn gedrukt, vereerden de opvoering met hare tegenwoordigheid. Een student in de theologie, met eene vrij donkere gelaatskleur, maar gekapt met een pruik met lange krullen en een toque met vederen, met hooge borsten, en gekleed in een witte japon met zes rijen volants, vervulde de rol der schoone koningin van Egypte. Een zijner kameraden, met een sapeursbaard aan zijn kin, een driekanten hoed met veêren, een zwarten rok en broek en hooge kaplaarzen, speelde voor Antonius.
De derde dag kenmerkte zich door een zoogenaamd stierengevecht. Het plein Cabildo, waar de waterdragers gewoon zijn hunne kruiken te komen vullen en een praatje te maken, was in een circus met zes rijen oploopende banken herschapen. Van twaalf tot vier uren werden achtervolgens twaalf stieren in het perk gelaten. Daar echter deze kunst te Cuzco nog in de kindsheid verkeert, had men, om een ongeluk te voorkomen, de horens der stieren afgezaagd en van proppen of ballen voorzien; er werden dan ook slechts enkele chulos, in wit en groen satijn gedost, tegen den grond geworpen, waarmede de zaak afliep. Met klokslag van vieren marcheerde een afdeeling soldaten, omstreeks dertig man sterk, in grijze uniformen, en met wit katoenen policiemutsen op het hoofd, den circus binnen, op de maat eener luidruchtige en krijgshaftige muziek, en schaarde zich in het midden. Daarop voerden zij eenige handgrepen uit, en begonnen toen op eene onbegrijpelijke wijze te draaien, te wenden en door elkander te marcheeren, waarbij zij telkens in hun ransel tastten en bloembladeren daaruit haalden, die zij op den grond lieten vallen. Toen deze manoeuvre afgeloopen was, groetten deze verdedigers van het vaderland zeer beleefd het publiek en trokken, achteruit gaande, af. Toen zag men op het gele zand, in kolossale bloemenletters van twee el, deze drie woorden: Viva el Peru! Een storm van toejuichingen en handgeklap was het loon voor dezen onschadelijken goochelaarstoer.

“Viva el Peru!”
Tot de eigenaardige vermakelijkheden van Cuzco behooren ook de gemaskerde optochten, die vooral bij gelegenheid van het carnaval worden gehouden. Bij die optochten behooren zekere typen, die nooit ontbreken en steeds met welgevallen door het volk worden begroet. Een der zonderlingste dezer maskers is de chucchu (derdendaagsche koorts), voorgesteld door een Indiaan van middelbaren leeftijd, met een gedeukten strooien hoed op het hoofd, een beddelaken bij wijze van mantel om de leden, en met een vlierboom in de hand. Twee wonderlijk uitgedoste jongens vergezellen hem, waarvan de een een stoel, en de andere een reusachtige lavementspuit draagt. Om de honderd passen houdt de man, dien de koorts als een blad doet beven, even op, groet de voorbijgangers, gaat op zijn stoel op de knieën liggen, ligt zijn beddelaken op, en zet den jongen met het zoo even genoemde instrument aan het werk, natuurlijk tot groot genoegen van het publiek.
En hiermede nemen wij afscheid van Cuzco. Wellicht dat ik mijn lezers later uitnoodig, mij op mijn tocht door het binnenland te vergezellen.