← Table of contents
Schetsen uit den Kaukasus

V

Reading edition

En nu op weg naar Akhalzick: het is per diligence een rit van vijf of zes uren door eene landstreek, steeds schilderachtiger en rijker in afwisseling. Bij het poststation van Strasha-Jacob hebben wij de grenzen van het domein van Börsjom bereikt; in vroeger tijd was hier de grensscheiding tusschen Georgië en Turkije. De overlevering verhaalt van een bandieten-hoofdman, Strasha-Jacob, de verschrikkelijke Jacob, genoemd, die de reizigers op de grenzen overviel en hen als slaven te Akhalzick verkocht. Zijn naam leeft nog voort in dien van het poststation.

Ruïne van het klooster Sint-George bij Börsjom.
Ruïne van het klooster Sint-George bij Börsjom.

Ruïne van het klooster Sint-George bij Börsjom.

Voorbij dit station verandert het landschap eensklaps van karakter. De bosschen van dennen en pijnen maken plaats voor rotsen, deels geheel kaal, deels gekroond met eiken, notenboomen en berken. In de verte dwaalt de blik door valleien en over vlakten; op den achtergrond verrijzen hooge bergen, waartusschen zich nauwe passen openen, en op elken top troont een fort, een der schakels van die keten van vestingen, die het land moest verdedigen tijdens de onophoudelijke oorlogen met de Halve-Maan. De tegenwoordige bewoners van deze eigenaardige landstreek zijn de Adjaren, mohammedaansche Georgiërs, die men telkens op den weg ontmoet, kleine pakpaarden drijvende of aan den weg zelven werkende. Hunne kleeding is dezelfde als die der Lazen van Batoem: een kort buis, een fez of een turkschen tulband. [289] Reeds te Atzkhoer, halverwege tusschen Börsjom en Akhalzick, zou men kunnen meenen, in Turkije te zijn. Het vlek ligt aan de Koer, aan den ingang van een bergpas. Aan de eene zijde, op den rechter oever, liggen de woningen der Georgiërs, aan de andere wonen de armenische kooplieden, die het christelijke element vertegenwoordigen: twee werelden, geheel verschillend in type, kleederdracht en levenswijze.

Atzkhoer was voorheen de zetel van een der twaalf bisdommen van de provincie Samtzkhé, sedert door de Turken Adjar genoemd, naar de bergen welke haar begrenzen. In den laatsten tijd, gedurende den Krimoorlog, werd hier in den omtrek een gevecht geleverd tusschen de Turken en de Russen, waarbij de laatsten de overwinning behaalden. Van Atzkhoer tot Akhalzick vindt men uitsluitend muzelmansche dorpen, waarvan velen allerschilderachtigst zijn gelegen: met name Tsjenis, met zijn krans van tuinen en boomgaarden, aan den oever van de Koer. De gesluierde vrouwen, die zich voor de blikken van de voorbijgangers verbergen, doen u aanstonds begrijpen, in welke omgeving gij u bevindt. Uit de verte gezien, maken zij, in haar witte mantels gewikkeld, bijna den indruk van spoken. Ook trof mij de vreemde manier, waarop een aantal boeren, die ik onderweg ontmoette, te paard zaten, namelijk met den rug naar den kop van het dier.

Vrouwen der Doukhobortzis.
Vrouwen der Doukhobortzis.

Vrouwen der Doukhobortzis.

Hoe meer men Akhalzick nadert, hoe kaler het land en hoe naakter de bergen worden. Men verhaalt dat de oorspronkelijke bewoners van Adjar afstammelingen waren van een zoon van Japhet, Meskh genaamd, die van Mesopotamië naar den Kaukasus trok en zich in de omstreken van Akhalzick vestigde, op eene plaats, die naar hem den naam ontving van Messkhé of Moesseckh, en die nog heden bestaat. Van daar zou, bij verbastering, de naam Samtzkhé zijn afgeleid, welke aan dit deel van Georgië gegeven werd. Verschillende geschiedschrijvers der oudheid maken melding van deze afstammelingen van Japhet, als van een dapper en krijgshaftig volk. Het dorp Moesseckh maakt aanspraak op de eer, de geboorteplaats te zijn van Mithridates, den koning van Pontus; een ander dorp, Koly, op zestig wersten van Akhalzick, heeft nog ouder titels: daar zou niemand minder zijn geboren dan Nebukadnezar, den machtigen beheerscher van Babylon.

Andere traditiën, waarin wij ons hier niet hebben te verdiepen, beweren dat de Meskhen hun naam ontleenen aan Mtzkhétos, den zoon van Karthos, den patriarch van Georgië. Zooveel schijnt zeker, dat deze provincie door den apostel Andreas, die van Mingrelië naar herwaarts over kwam, tot het Christendom werd bekeerd: altijd volgens de traditie. Een der bergen, waarop hij de bekeerlingen doopte, draagt nog den naam van Andreasberg [290] (Andreas zweri). Te Atzkhoer zou de apostel de eerste christelijke kerk hebben gebouwd: in later tijd verrees daar eene kathedraal, welke door de Turken werd verwoest. Men kan nog de ruïnen zien dezer kerk, die eene der schoonste van het geheele land was, en die, zooals trouwens alle kathedralen, ook een wonderdoend beeld bezat, dat der Madonna van Atzkhoer, wier geschiedenis de stoffe zou kunnen leveren voor een epos. In 1468 door den khan Jacob geroofd, werd het beeld vervolgens door den Atabek Manutsjar, voor eene zeer groote som gelds weder vrijgekocht; zestig jaren later nam koning Bagrot van Imerethië het beeld weg en sloot het op in den toren van Tzishé Alsjwari, waar het eerst in 1562 uit te voorschijn kwam, bij het sluiten van den vrede tusschen den Atabek Knaknare en koning George van Imerethië. Wat sedert van de kostbare relikwie geworden is, weet men niet.

Zoodra men uit de verte een blik werpt op Akhalzick, met zijne moderne kerktorens en zijn oude vervallen minarets, krijgt men den indruk van eene stad, waar het Kruis en de Halve Maan elkander eeuwenlang de heerschappij hebben betwist. Akhalzick (Akhal-tzishé, in het georgisch de nieuwe vesting) ligt drieduizend-honderdtachtig voet boven de zee, aan den oever van de Potskowtsjaï. Het district behoorde vroeger aan de Djagheli, die den titel voerden van Akhal-Tzikhéli (heeren van Akhalzick). In de twaalfde eeuw ontvingen deze Djagheli bovendien den titel van Atabek, ten gevolge waarvan de landstreek den naam verkreeg van Sa-Atabago, in het georgisch, eigendom van de Atabek. In 1579, toen de Turken zich van het land meester maakten, lieten zij het bestuur in handen van de inlandsche vorsten, die natuurlijk de opperhoogheid van den Sultan moesten erkennen; nadat Amoerad IV het pâsjalick van Akhalzick had gevormd, bracht de nieuwe pâsja zijne residentie van Olthis naar Akhalzick over, dat versterkt werd en van toen af, zoowel uit een militair als uit een commercieel oogpunt, de hoofdstad bleef van het oude Samtzkhé. De levensmiddelen en andere produkten van Kars en Erzeroem werden voornamelijk daarheen gevoerd; ook werd er een slavenmarkt gevestigd. In 1810 door den russischen generaal Tarmasof belegerd, en achttien jaren later door den veldmaarschalk Paskiéwitch ingenomen, werd de stad het volgende jaar, bij den vrede van Adrianopel, aan Rusland afgestaan. Later, kort voor den Krimoorlog, sloeg de generaal prins Andronikoff de Turken in eene vlakte nabij de stad, waar een monument is opgericht ter herinnering aan dit wapenfeit, waardoor de inlijving van de landstreek bij het rijk der Tsaren voor goed verzekerd werd.

Vroeger door Christenen bewoond, werd deze voormalige provincie van het koninkrijk Georgië, door een harer vorsten, den Atabek Rostom, gedwongen den Islam te omhelzen; hij was zelf Muzelman, geworden om tot pâsja te kunnen worden benoemd. Echter is de georgische taal hier altijd in gebruik gebleven; in den laatsten tijd echter schijnt het turksch vorderingen te maken.

Akhalzick bestaat uit twee steden: de oude stad, hoofdzakelijk bewoond door Georgiërs, Tartaren en Turken; en de nieuwe stad, die omstreeks twintigduizend zielen telt, voor drie vierden Armeniërs, voorts een aantal Joden, maar weinig Georgiërs en nog minder Russen. De afstammelingen van Rostom Atabek bestaan nog altijd; de familie heeft zich nu ook den naam van Kobliansky toegevoegd, ontleend aan hare bezittingen in het naburig district Koblian. Al de leden van dit geslacht zijn Muzelmannen; een hunner voorvaderen, Achmed-pâsja, heeft in de oude citadel de moskee gebouwd, die sedert in eene orthodoxe kerk herschapen werd. Voor hij Mohammedaan werd, had diezelfde Achmed met twee zijner broeders het klooster Safara gesticht, dat nog bestaat, en waarvan de kerk, die het geheele jaar gesloten is, alleen op den dag van Maria-Hemelvaart voor de pelgrims van Akhalzick geopend wordt.

Deze geheele landstreek is buitengewoon rijk aan boomgaarden, die uitmuntende vruchten, met name appelen, opleveren. Een riviertje, dat zich in de Koer uitstort, de Potsghow of Potskhowtsjaï, kronkelt zich schilderachtig door de velden; een dubbele wal van bergen, aan de eene zijde zich naar Goerië, aan de andere tot aan Erzeroem uitstrekkende, omgordt het oude domein der Djagheli. De pest, die vroeger bij herhaling het land teisterde, heeft zich sedert 1830 niet meer vertoond; de herinnering aan dien geesel leeft nog altijd voort in de verplichte quarantaine en in het afzonderlijk voor pestlijders bestemde kerkhof buiten de vesting.

In 1844 evenwel brak op verschillende plaatsen in Kaukasië, met name te Alexandropol, eene epidemie uit, die veel overeenkomst had met de pest; en eenige jaren geleden zond de russische regeering den dokter, die aan de quarantaine-inrichting te Akhalzick verbonden was, naar Koerdistan, waar eene pestaardige ziekte was uitgebroken, om de oorzaken en de verschijnselen van de moorddadige epidemie te bestudeeren. Na vele nasporingen gelukte het hem, tot de ontdekking te komen dat de ziekte ontstaan was in zekere bergkloven en spelonken, die tot schuilplaats dienden voor schapen. Om versche lucht in die holen te krijgen, had men eene opening gemaakt, die op den top van den berg uitkwam; en op dien top bevond zich juist eene oude begraafplaats van pestlijders. Bij het boren der luchtgaten waren de beenderen van de voor veertig jaar bezweken slachtoffers naar beneden in de grotten gevallen: een herder, die zich in een dezer spelonken ophield, was het eerst aan de pest bezweken. Deze ontdekking was in zoo verre belangrijk, dat daaruit de blijvende kracht der smetstof bleek, zelfs nog na verloop van eene halve eeuw. Naar het schijnt, is dit alleen te verklaren, wanneer men aanneemt dat zekere organische kiemen, geheel van de buitenlucht afgesloten, zijn in stand gebleven, die, weder in aanraking met de lucht gebracht, als het ware zouden zijn herleefd: ongeveer op dezelfde wijze als het koren, dat men in de pyramiden van [291] Egypte gevonden heeft, en dat, weder in de aarde gezaaid, op nieuw uitbot.

Een houten brug over de Potsghow verbindt het oude met het nieuwe Akhalzick. Op den linkeroever bevinden zich de oude buurten, bewoond door Georgiërs, die voor verreweg het meerendeel katholiek zijn, door Tartaren en Joden; op den anderen oever ligt de nieuwe stad, in de jaren 1830 tot 1833 door de Armeniërs gebouwd. De gewezen citadel, aan den oever der rivier, is tegenwoordig een militair hospitaal; de oude moskee is voor de orthodoxe eeredienst ingericht; in de minaret hangt een metalen klok, waarvan het gelui de roepstem der moëzzin vervangen heeft.

Men weet niet juist, uit welken tijd de citadel van Akhalzick dagteekent. Volgens de overlevering zou er vroeger op de plek, waar zij zich nu verheft, eene kerk hebben gestaan, die door den apostel Andreas zou zijn gebouwd; eenige brokken muurs, sommige oude steenen, in het tegenwoordige metselwerk opgenomen, zouden nog overblijfselen zijn van die kerk. Bij het laatste beleg hebben de uit deze citadel geschoten kogels een gedeelte van de oude wijken der stad vernield. Tegenwoordig zijn de woningen terrasgewijze boven elkander gebouwd, en wel zoo dat de platte daken der lagere rij de straat vormen waarop de huizen der hoogere uitkomen; de vreemdeling, die door deze onderaardsche stad ronddoolt, vraagt zich verwonderd af, waar de bevolking woont. Huizen ziet hij niet: nu en dan ontmoet hij een kegelvormigen heuvel van leem, twee tot zes ellen hoog, van boven voorzien van een soort van uitstekend venster met geolied papier beplakt. Dit zeer primitieve venster moet het noodige licht verspreiden in het voornaamste vertrek van het hol, dat men hier met den naam van woning betitelt. Als de nieuwsgierige wandelaar het vensterluik opligt, ziet hij in de diepte, onder den grond, een geheel gezin vereenigd in de darbazi, zooals men in het georgisch zulk een salon noemt.

Laat ons de woning binnentreden: eene ruw bewerkte deur, bij wijze van tegenwicht van een groot blok hout voorzien,—van sloten is natuurlijk geen spraak,—geeft toegang tot een nauwe donkere gang, waarin zich eene tweede deur, die der kamer, bevindt. Op een vochtigen steenen vloer liggen tapijten uitgespreid. In de wanden van het ronde vertrek zijn nissen aangebracht, die met houten deuren gesloten worden en tot kasten dienen. Andere, diepere nissen, waarvoor gordijnen hangen, zijn de bedsteden der familie. Houten banken met tapijten bekleed en een ijzeren kachel, ziedaar het gansche ameublement. De zoldering is niet het minst eigenaardige in deze woningen. De achthoekige koepel neemt naar boven steeds in omvang af; elk der acht paneelen bestaat uit twintig houten trappen, die gaandeweg kleiner worden.

Kleinere kamers, gelijkvloers met dit voornaamste vertrek, en nog anderen, die eenige treden lager liggen, zijn voorzien van vierkante openingen, waarvan het houten traliewerk insgelijks met geolied papier is beplakt. Deze katakomben, aan welker wanden men in de schemering heiligenbeelden bespeurt, worden hoofdzakelijk door katholieke Georgiërs en Armeniërs bewoond, die meermalen eene zekere mate van welvaart en zelfs meer dan dat genieten. Nu is het waar, dat deze lieden, wier huis nauwelijks op den naam van hol aanspraak kan maken, een groot gedeelte van den dag in de open lucht, voor de deur hunner woning, doorbrengen. Daar keuvelt men uren lang met de buren; daar danst men ’s avonds onder begeleiding van de daira; daar nuttigt men te zamen, bij zekere gelegenheden, de zoete honigkoeken en andere inlandsche lekkernijen. Deze salon in de open lucht is echter niet ruim en heel veel kromme sprongen kan men er niet maken, want behalve door de uitstekende vensters van de darbazi, wordt de ruimte nog beperkt door de talrijke vierkante schoorsteenen van de lager liggende woningen. Deze schoorsteenen, van grauwachtige klei, zijn van boven voorzien van een houten luik, dat met behulp van een in eene schapenhuid genaaiden steen kan geopend en gesloten worden. Als in de onderaardsche vertrekken vuur wordt aangemaakt, gaan de luiken open; zij die boven op de straat zijn gezeten, ontvangen dus den rook uit de eerste hand.

Het eenige monument in de oude stad, dat van dezen eenvormigen type afwijkt, is de synagoge, een nieuwerwetsch gebouw, geheel van steen, en waarvan het schuine dak met zink is belegd. Even als de russische kerken, is ook de synagoge lichtgroen geverfd. De Joden zelven wonen, even als de anderen, in onderaardsche huizen. Het trok mijne aandacht, dat deze Joden van Akhalzick, in voorkomen en gelaatstrekken, meer overeenkomst hebben met de Georgiërs dan met hunne stamgenooten in Polen, Rusland, Jeruzalem en zelfs op andere plaatsen in Kaukasië. Even als bij de Muzelmannen en de Armeniërs, vertoonen ook hunne vrouwen zich niet aan vreemden.

De nieuwe stad draagt wel een ander karakter, maar behoeft in leelijkheid voor de oude niet onder te doen. De huizen der Armeniërs, die ten gevolge van den vrede van Adrianopel uit Turkije naar Akhalzick verhuisd zijn, zijn ook niet meer dan ellendige hutten, uit leem en ruwe steenen opgetrokken; ook hier geene andere vensters dan gaten, waarvan de latjes met geolied papier zijn beplakt. Men kan zich niets akeligers denken dan deze krotten, in vuile, niet geplaveide en niet verlichte straten. Zelfs de bazar ziet er even ellendig uit.

Even als Tiflis, wemelde ook Akhalzick, in de nabijheid der turksche grens gelegen, van officieren en soldaten, verlangend uitziende naar den aanvang der vijandelijkheden tusschen den Tsaar en den Sultan. De militaire societeit in de nieuwe stad was van den morgen tot den avond vol bezoekers. De leden van die societeit zijn voor het meerendeel Russen; de burgersocieteit wordt voornamelijk door Georgiërs bezocht; want hier, even als te Tiflis en in de andere steden van Kaukasië, [292] vormen de verschillende rassen, hoewel voor het uiterlijk in eendracht en vrede met elkander levende, toch afgesloten kringen. De Rus ziet met minachting op den Georgiër neder, die op zijn beurt zich verheven rekent boven den Armeniër; de Joden worden door allen, en niet zonder grond, gelijkelijk veracht. De vrouwen verschijnen nimmer op publieke plaatsen; naar aloud oostersch gebruik leven zij in huis en hebben onder elkander hare eigene gezelschappen en bijeenkomsten. In de armenische woningen, die er van buiten even armoedig uitzien, vindt men toch somwijlen zekere weelde en comfort in het ameublement, zich vooral openbarende in het bezit van europeesche stoelen. De kinderen nemen aan die gezelschappen en bijeenkomsten der dames deel. Daar heerscht de meeste ongedwongenheid en bijna onbeperkte vrijheid; na genot van thee en confituren wordt er gedanst. Evenals genoegzaam alle oostersche vrouwen, hebben ook deze Armenischen prachtige oogen, haren en tanden: deze schoonheden kan niemand haar betwisten. Maar haar tint is reeds vroegtijdig verwelkt en haar rug gekromd: een en ander het onvermijdelijk gevolg van haar levenswijze, haar eeuwig neerhurken binnenskamers. Haar kleeding is zeer elegant en smaakvol; zij bestaat uit een zijden kaftan, op de borst vierkant uitgesneden, met nauwsluitende mouwen, waaruit andere mouwen te voorschijn komen, die van het vest of keurs, dat ook op de borst onder den kaftan zichtbaar is; voorts uit een breed schort van rood laken met goud geborduurd, dat tot op de voeten hangt; uit een rood laken fez met gouden kwast en van voren versierd met een breeden band van geborduurde bloemen van gekleurde zijde; ter wederzijde dalen langs de wangen parelsnoeren af, waaraan een aantal gouden muntstukjes bevestigd zijn, wier waarde voornamelijk in hunne oudheid bestaat; het voorhoofd verdwijnt voor een groot deel onder verschillende rijen van dergelijke muntstukjes, die ook den hals en de borst bedekken. De hairen hangen in vlechten langs den rug. De jonge meisjes dragen geen sluier; maar de gehuwde vrouwen hechten aan haar fez een met gouden loovertjes geborduurden gazen sluier, meestal rood van kleur. De voeten steken in rood marokijnen muiltjes met omgebogen punten. De armenische vrouw vertoont zich hier nooit met ongesluierd gelaat in het openbaar. Als zij uitgaat, wikkelt zij zich, even als de turksche vrouwen, in een wijden mantel, die haar van het hoofd tot de voeten omhult. Die mantel is vervaardigd van zeer fijne, doorschijnende witte stof, omzoomd met donkerblauwe franje; de rijke onderkleeding blijft onder die eigenaardige omhulling zeer goed zichtbaar.

De Nieuwjaarsdag is hier de feestdag bij uitnemendheid, die door de aanhangers van alle belijdenissen, met inbegrip zelfs van de Tartaren, om strijd wordt gevierd. Russische soldaten, mohammedaansche Georgiërs, armenische kooplui, allen drinken op elkanders gezondheid, waarbij, in broederlijke eendracht, de noodige glazen wodka (brandewijn) naar binnen worden geslagen. Doorgaans wacht men in de verschillende societeiten het aanbreken van den eersten Januari af; ieder lid betaalt voor dien avond eene zekere som, waarvoor hij het recht heeft het souper bij te wonen en zijn deel te ontvangen van den champagne en van het suikergoed, die met klokslag van twaalven worden gepresenteerd. Daarna begint de dans, gevolgd door een souper, dat tot den morgen duurt. Zoo zag ik, op den eersten dag van het jaar 1877, de sneeuwtoppen der bergen door de eerste zonnestralen rood gekleurd. Maar dit ligt buiten mijn bestek; ik hervat het verhaal van mijn uitstapje.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings