Wilhelm Ruland (continued 3)
W. B. Meyen-Barends translation · Edition 2
II.
Middelerwijl was het nacht geworden. De schitterende maan lichtte hen door den donkeren boschweg. Zeer vriendelijk heette graaf Heribert, een statig ridder op gevorderden leeftijd, den ridderlijken neef van zijn keizerlijken heer welkom op zijn burcht. Totdat het twaalf uur sloeg, voerden ze in het gezellige vertrek van den slotheer een onderhoudend gesprek.
Den volgenden morgen stelde graaf Heribert zijn dochtertje Hildegonda aan den ridder voor. Vol bewondering hing Rolands oog aan de lieftallige jonkvrouw. Tot nu toe had vrouwelijke lieftalligheid geen diepen indruk op hem gemaakt. Naar wapenroem en heldenwaagstukken, naar spel en strijd had zijn ziel steeds gedorst, nu echter had de tooverstaf der liefde den vermetelen strijder opeens aangeraakt. Hij, die gevreesde tegenstanders onversaagd in de oogen gezien had, boog het onvervaarde hoofd in meisjesachtige schuchterheid voor de betoovering van Hildegonda. Maar ook zij stond, het gelaat met een purperen blos overtogen, voor den gevierden held, wiens naam een goeden klank aan den Boven- en Benedenrijn had.
De oude ridder verbrak onmerkbaar de gedrukte stemming. Met een schertsend woord sneed hij het gesprek der verlegen jongelieden af en geleidde den gast door de hooge vertrekken van het slot.
Roland bleef langer op de gastvrije Drachenburg, dan hij ooit op eenig ander slot vertoefd had. Met sterke banden werd hij op den verrukkelijken burcht gehouden. De liefde ontvlamde in zijn hart en ook in Hildegonda's reine ziel wierp zij haar verterend vuur, en op een dag — de schemering spon reeds zilveren draden over de met linden beschaduwde bank — liet zij hand in hand, oog in oog en mond op mond rusten en omzweefde juichend, als een zegevierende koningin, hen, die ze verbonden had.
Gaarne vertrouwde graaf Heribert zijn allerliefst dochtertje aan den gevierden paladijn toe. In het vooruitzicht van een vroolijke toekomst maakte hij den verlovingstijd van zijn eenig kind zoo aangenaam mogelijk. Een burcht zou op de rots tegenover de Drachenburg verrijzen. Als een trotsche wachttoren zou de toekomstige Rolandsburg van de steile rots in het prachtige Zevengebergte neerzien. Reeds stegen haar muren omhoog en dagelijks stonden de verloofden op de platform van de Drachenburg en keken naar den overkant, waar vlijtige werklieden timmerden en metselaars hamerden, en de mooie Hildegonda smeedde schoone plannen voor de toekomstige woning, waar ze den aan avonturen gewenden ridder en held door trouwe liefde boeien wilde.
Op een dag echter verscheen er een bode op de Drachenburg, gezeten op een met schuim overdekt paard. De afgevaardigde kwam van het keizerlijke Worms en berichtte, dat de oom van den ridder, de keizer, tot de kruistochten tegen de ongeloovigen achter de Pyreneeën besloten was. Karel wenschte den beproefden paladijn onder zijn legeraanvoerders te zien optreden. Zwijgend ontving Roland de boodschap van den hoogen gebieder. Hij keek naar Hildegonda, die met doodsbleek gelaat naast hem stond, en een hevige smart kwam over hem. Maar hij moest zijn plicht nakomen. Hij zegt den koningsbode in het keizerlijke leger aan te kondigen, dat hij over drie dagen verschijnen zal. Met somber gelaat wendt hij zich af. Hildegonda werpt zich snikkend aan zijn borst.
III.
Verwoed streden in Iberië het kruis en de halve maan om de heerschappij. Hevige gevechten werden geleverd, veel bloed werd door de christenen en de ongeloovigen vergoten. Bloedige overwinningen behaalden de moedige paladijnen van den koning der Franken, het dapperste echter streed Roland. Zijn zwaard baande den keizer den zegetocht, het dekte het leger van den keizer, toen het zegevierend in het onbekende vijandelijke land trok. Het was in Ronceval, in dat dal, dat naderhand zoovele dichters in het Duitsche en Waalsche land bezongen hebben. Gescheiden van het hoofdleger, trekt Rolands dappere achterhoede, tegen het vallen van den avond, langs den boschweg. Daar klinkt plotseling woest geschreeuw van de hoogten, verwoed vallen de laffe Mooren het troepje Franken aan. Met heldenmoed vechten zij. Gelijk een koningsarend vliegt Rolands strijdros Brilliador nu hier, dan daar heen, en menige schedel der Saracenen wordt door zijn machtig zwaard Durando gespleten. Maar de overmacht overwon de dapperheid. Steeds kleiner wordt de schaar der Franken, en nu wordt ook Roland door een lanssteek van een reusachtigen Moor getroffen. Over hem heen woedt de woeste strijd. Toen de nacht treurig zijn donkeren mantel over het slagveld uitspreidde, hadden de ongeloovigen hun afschuwelijk werk volbracht. De Franken waren verslagen. Slechts eenigen waren aan den dood ontkomen.
Waar is Roland klonk de angstige vraag. Hij was niet onder de geredden. Waar is Roland? vroeg Karel de Groote ontsteld aan de vermoeide boden. Door het geheele rijk weerklonk het antwoord: Roland de held viel in den strijd tegen de Saracenen. Overal verwekte deze treurige tijding oprechte droefheid.
Ook aan den Rijn werd zij vernomen. Op een dag verschenen er koningsboden op de Drachenburg, die de treurige boodschap overbrachten en tevens de deelneming van den keizer betuigden. Smartelijk zuchtte de oude Heribert, terwijl hij de oogen met de hand bedekte. Hildegonda stiet een vreeselijken gil uit. Hartverscheurend was haar verdriet. Voor het beeld van de Moeder Gods lag ze snikkend op de knieën en smeekte om bijstand in haar groote smart. Dagenlang sloot ze zich in haar kamertje op, en zelfs de woorden van troost, die de vader haar bood, vermochten het ontzettende leed niet te verzachten.
Nadat er weken verstreken waren, trad het bleeke meisje, op een dag het vertrek van den ridder binnen, kalmer dan voorheen. Een bovenaardsche glans lag over haar ernstige trekken. En toen de vader de knielende naar zich toe trok, deelde zij hem het besluit mede, dat in haar zwaarbeproefde ziel gerijpt was. Smartelijk hebben de oogen van graaf Heribert haar aangezien. Vervolgens heeft hij een kus op haar rein voorhoofd gedrukt.
Toen is de dag aangebroken, waarop de klokken beneden op het eiland Nonnenwerth plechtig luidden. Voor het altaar knielde gesluierd een nieuwe novice, de lieftallige dochter van graaf Heribert. In de heilige stilte van het klooster zocht zij den vrede, dien zij in den vaderlijken burcht niet vond. Met een laatsten snik had ze den naam van den geliefde uit het hart verbannen, de vlammen van de treurende liefde uitgedoofd, en nu moest haar ziel vervuld zijn van het heilige vuur van reine godsvereering. Te vergeefs hoopte de geknakte vader, dat de ongewone eenzaamheid van het klooster het besluit van de geliefde dochter aan het wankelen zou brengen en zij aan het einde van het proefjaar in zijn armen terug zou keeren. Integendeel; de godsvruchtige jonkvrouw smeekte den bisschop, die aan het geslacht van den vader verwant was, de goedheid te hebben haar geen proefjaar op te leggen en haar reeds na korten tijd toe te staan, de onherroepelijke belofte voor Hem af te leggen, aan wien ze haar leven gewijd had. Haar vurige wensch werd vervuld. Toen er een maand verstreken was, vielen de gouden lokken van Hildegonda's hoofd en door een heilige belofte verbond de lieftallige dochter van den heer van de Drachenburg zich voor eeuwig aan den almachtigen God.
IV.
Maanden waren er sedert dien tijd verstreken. De lente was voorbij en de schooven stonden reeds op de velden. Op de plaats, waar de vloed, aan het einde van het Rijndal gekomen, door zeven trachietreuzen met door burchten gekroonde hoofden omringd wordt, houdt de ridder met zijn gevolg stil. Het is nog niet lang geleden, dat hij ver in het Zuiden, waar de Iberische zon het dal van Ronceval bestraalt, in een armoedige herdershut ziek gelegen heeft. Daarheen had de trouwe schildknaap zijn meester, die door een lans van een Moor in de borst getroffen was, gesleept. Hier had de dappere held en legeraanvoerder weken- en maandenlang op het ziekbed gelegen en met den dood geworsteld, totdat zijn krachtige natuur de overwinning behaalde. Roland herstelde door de liefdevolle verpleging, terwijl hij in het Frankenland als een doode betreurd werd. Nu was hij teruggesneld naar de plaats, waarheen hij met geweld getrokken werd. Een boschrijk eiland verheft zich groetend uit den lichtblauwen vloed. De gouden avondzon schittert over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, links de liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend, rechts de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de sagenrijke rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd had, de muren van een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden sterrengewaad.
Zwijgend staat de ridder stil. Zijn blik rust bewonderend op het prachtige landschap, evenals maanden geleden, wordt hij week gestemd.
"Hildegonda" fluistert Roland en ziet op naar den met sterren bezaaiden hemel.
Evenals destijds vaart wederom een schip door de donkere water. Op den boschweg, die naar de Drachenburg leidt, schrijdt Roland, door zijn schildknaap vergezeld.
Met doodsbleek gelaat staart de oude slotbewaker naar de late gasten. Hij maakt een kruis en ijlt in het vertrek van zijn heer. Daar wankelt een manlijke gestalte, door ouderdom en verdriet gebogen. De ridder snelt hem tegemoet. "Roland" klinkt het als een steunen van de verbleekte lippen van den burchtheer. Zwijgend houdt de late bezoeker den snikkenden ouden heer in de armen gesloten. Toen Roland maanden geleden wegging, vond zijn verdriet geen tranen, nu vloeiden zij rijkelijk over zijn door smart ingezonken wangen.
Roland maakt zich uit de omarming van den ridder los.
"Waar is zij? (Gillend uit hij deze vraag.) Dood?"
Vreeselijk treurig ziet graaf Heribert hem aan.
"Hildegonda, de bruid van den voor dood gehouden Roland, werd de bruid des hemels."
Bij het hooren van deze woorden steunde de held luid en verborg vol smart het hoofd in de handen.
Tegen het aanbreken van den dag heeft hij den burcht verlaten, gelijk een koningseik, die door den bliksem getroffen is. In den tegenover gelegen burcht op den rotswand, die door de hoopvolle liefde in de lente opgebouwd werd, heeft hij zijn intrek genomen, en daar heeft hij de wapenrusting voor altijd afgelegd. Uitgedoofd waren de sterren in zijn borst, gestorven de begeerte naar roem. Dag aan dag heeft hij daar boven gezeten en zwijgend naar het groene eiland in den Rijn gestaard, waar de non Hildegonda elken morgen in den kloostertuin tusschen de bloemen wandelde. Soms scheen het hem, alsof ze zich groetend boog en dan werd het bleeke gelaat van den ridder door het avondrood van het vroeger stralende geluk opgeklaard.
Daarna werd hem ook dit geluk ontnomen. Op een dag bleef de geliefde uit, en toen klonk het doodsklokje klagend op het stille eiland. Hij ziet daar beneden een lijkkist naar het kerkhof dragen en hoort de treurzangen en gebeden der nonnen. Hij ziet ze allen, slechts eene ontbreekt. En de held bedekt het gelaat met de handen. Hij weet nu, wie ze daar grafwaarts dragen.
De herfst kwam en verdorde bladeren woeien over het graf van de non Hildegonda. Nog altijd zat Roland daar boven en tuurde elken morgen naar het kerkhof op het eiland. En zoo werd hij op een dag door zijn schildknaap levenloos gevonden, het gebroken oog op de plaats gericht, waar de verlorene geliefde sliep.
Nog vele eeuwen versierde de trotsche Rolandsvesting den berg, die nog steeds Rolandseck heet. Dan viel ook zij in puin evenals de grootsche Drachenburg, waarvan de toren nog steeds omhoog steekt. Een halve eeuw geleden viel op een stormachtigen winternacht de laatste boog van de Rolandsvesting in puin, maar door prijzenswaardige piëteit is zij weer opgebouwd, en evenals voorheen prijkt de Rolandsboog op de steile rots, op het schoonste punt van het heerlijke Rijndal, ten einde de tegenwoordige geslachten aan de trouwe liefde uit den riddertijd te herinneren.
Zevengebergte
Het Nachtegaalboschje bij Honnef
Een verrukkelijk plekje aarde is het liefelijke Honnef, dat zich als een mooi, schuw kind aan de voeten van den ouden, beschuttenden Drachenfels aan den Rijnstroom uitstrekt. Alsof het in een schelp ligt, wordt het door den reusachtigen rug van den berg voor den ijzigen adem van den Boreas beschut. Daardoor is de wind in dat dal minder scherp, zoodat het plaatsje den naam van "het Duitsche Nizza" gekregen heeft. Als de bezoeker van den Drachenfels, door de ondergaande zon tot terugkeer gedrongen, door het dal van Honnef afdaalt, teneinde de wachtende boot te bereiken, dan klinkt hem van alle kanten het schoone gezang der nachtegalen tegen. Talrijker, dan ergens in de omgeving zijn deze minnezangers hier bijeen; reeds sedert vele jaren is dit zoo, en de sage deelt ons de oorzaak hiervan mede.
Zeer lang geleden zongen ze op een andere plaats. Het was in de Eifel, in het bosch van de abdij Himmerode. Daar klonk, evenals thans in het dal bij Honnef in den stillen zomernacht hun verrukkelijk gezang. Ook tot de ernstige monniken, die in de kruisgangen en kloostertuin in vrome overdenking rondliepen, drong het door. Zelfs de vrome boetelingen, die zich in hun kerkers kastijdden vernamen het. En in hun prevelende gebeden vermengde zich verlokkend het verleidelijke gezang der nachtegalen. Toen zijn in menig monnikshart, dat reeds lang afstand van het wereldsche genot gedaan had, schuw en beschaamd herinneringen opgewekt en in menig oor der vrome broeders hebben zij 'over heerlijke, zondige dingen gefluisterd.
Daarop is de heilige Bernhard op een dag in de abdij Himmerode gekomen en heeft in de harten der broeders gelezen. Groote droefheid overviel hem, toen hij bemerkte, dat uit menige heilige ziel de goddelijke vrede verdwenen was. De oorzaak hiervan bleef hem niet verborgen. Vervuld van heilige geestdrift trad de godsdienaar in het bosch, dat het klooster omringde en hief met toornig gebaar de hand op tegen de gevederde zangers van het woud. "Verwijder u van hier! Gij zijt ons tot ergernis!"
Dreigend had de heilige man dit uitgeroepen en ziet, in de twijgen ontstond een hevig rumoer, een groote zwerm nachtegalen vloog uit de struiken. Nog eenmaal weerklonk het verleidelijke gezang door het woud, daarna stoven zij schuw klappend met de vleugels weg.
In het dal bij Honnef hebben ze zich neergelaten en geen banvloek heeft ze sedert dien tijd daar vandaan verdreven. Zij, die daar in gepeins verzonken alleen wandelen of met hun beiden babbelend door het dal van Honnef gaan, zijn niet, evenals St. Bernhard, afkeerig van de wereldsche vreugde; evenmin als zij, die met glinsterende oogen en een teringachtigen blos op de wangen door den tuin van het sanatorium Hohenhonnef wandelen. Deze en gene hoort den verlokkenden klank van de nachtegalen, nu eens klagend, dan overmoedig. En iedereen legt hem op zijn manier uit.

De Drachenfels
I.
Als de reiziger de schoon gelegen Muzenstad Bonn verlaten heeft en per stoomboot den Rijn opvaart, aanschouwt hij spoedig aan zijn linkerhand de schilderachtige toppen van het Zevengebergte. De steile kruin van den voorsten berg wordt thans nog versierd door den toren en de muren van een oud ridderslot. Van dezen toren met den griezeligen naam, waar men in den zomer voortdurend vroolijk gezang en klinken van bokalen hoort, vertelt het volk een aandoenlijke sage.
In de eerste eeuwen na de geboorte van den Verlosser namen de Germanen op den linker Rijnoever gewillig de leer van het kruis aan, zooals de heilige Maternus, een discipel van den Volksapostel, uit Gallië hun die mededeelde. Reeds sedert langen tijd hadden de vrome christelijke zendelingen getracht, de christenleer bij de heidensche stammen van Midden-Germanië te doen doordringen, doch zonder gevolg.
[Illustratie: Am Sarge Kaiser Heinrich IV. Nach dem Gemälde von L. Rosenfelder Zur Sage von der Burg Hammerstein]

Zij hielden aan hun heidendom vast en wilden de christelijke priesters uit het vreemde rijk niet in hun landstreken toelaten. Reeds vroeger had dit rijk gepantserde legioenen, onder aanvoering van listige bevelhebbers in de vrije landen gezonden.
Destijds moet er een vreeselijke draak in een hol (nog thans "Drachenloch" genaamd) gehuisd hebben, een draak met een afschuwelijke gestalte, die dagelijks zijn rotshol verliet en in de bosschen van het dal verschrikkelijk te keer ging, terwijl hij menschen en dieren op vreeselijke wijze bedreigde. Menschelijke krachten waren onmachtig tegen dat monster en daar men meende, dat zich een vertoornde godheid in den slangachtigen salamander verborg, bewees men hem goddelijke eer en offerde hem bereidwillig misdadigers en gevangenen.
Een ruwe heidensche stam woonde aan den voet van den berg. Dikwijls ondernamen de strijdlustige mannen verwoestende rooftochten aan den linker Rijnoever. Zij staken alles in brand en vermoordden de christelijke broeders. Op een nacht waren ze wederom naar de andere zijde getrokken en maakten in een verwoeden strijd met de overvallenen vele goederen en gevangenen buit. Onder de laatsten bevond zich een jonkvrouw van buitengewone schoonheid. Twee legeraanvoerders, door haar bevalligheid bekoord, verlangden haar te bezitten. De oudste heette Horsrik, hij was een beroemd hoofdman en gevreesd strijder, krachtig als een beer en woest als een tijger, de jongste, Rinbold was minder ruw, doch even dapper.
Huiverend wendde de lieftallige jonkvrouw zich af, toen ze de beide vorsten met vlammende oogen om haar bezit vechten zag. Mannen, overmoedig geworden door de behaalde overwinning, omringen hen. Toch stellen zij nog meer belang in den strijd der aanvoerders, om de gevangen christin, dan in hun eigen verworven buit. De toornige woorden der beide tegenstanders vinden een echo in de harten der omstanders. Als Horsrik, de gevreesde strijder de jonkvrouw voor zich eischt, wordt hij door de omringende mannen aangemoedigd, maar als Rinbold, de jeugdige trotsche legeraanvoerder haar begeert, wordt hij veel meer door de omstanders toegejuicht. Somber staart de andere voor zich uit, terwijl zijn vuist dreigend de strijdkolf omklemd houdt. Daar gaat de kring der omringende mannen uiteen. Tusschen de strijders treedt, met een ernstige uitdrukking op het gelaat, de opperpriester, een grijsaard met zilveren haren en harde trekken. Luid weerklinkt de toornige stem van den grijsaard:
"Vervloekt zij deze twist om het bezit van een andersgeloovige. De christin zal geen tweedracht zaaien tusschen de edelsten van onzen stam. De dochter van hen, die wij haten zal u geen van beiden toebehooren. De stichteres van dezen onzaligen twist zal den draak geofferd worden. Ter eere van Wodan, dien zij en de haren miskennen, zal zij bij zonsopgang gewijd worden." De mannen juichten dit plan toe, vooral Horsrik. Met opgeheven hoofd staat de jonkvrouw daar. Smartelijk en vol bewondering rust het oog van Rinbold, de trotsche jeugdige legeraanvoerder op het engelachtige gelaat der jonkvrouw.
II.
Den volgenden dag in alle vroegte, nog voordat de godin van den dag haar stralend hoofd van het purperen kussen in het Oosten ophief, werd het levendig in het dal. Door het woud, dat nog in schemering gehuld was, besteeg een opgewonden stoet de hoogte. Vooraan schreed de priester, in het midden, bleek, maar kalm, de gevangene. Zwijgend had zij het ter wille van den Heer toegelaten, dat de beenige hand van den opperpriester den offerband om haar voorhoofd wond en gewijde bloemen in haar loshangend haar vlocht. Menige medelijdende blik uit het volk trof heimelijk het standvastige meisje, ook de blauwe oogen van den jeugdigen, trotschen legeraanvoerder hadden zich smartelijk vertrokken bij den aanblik van de aan den dood gewijde jonkvrouw.
Het vooruitspringende gedeelte der rots was bereikt, dat reeds dikwijls door onschuldig menschenbloed bezoedeld was. Zwijgend wonden de dweepzieke priesters touwen om haar teeder lichaam en bonden haar aan den heiligen, aan Wodan gewijden boom, die den rand van den afgrond beschaduwde. Geen klacht kwam over de bleeke lippen der christin, geen traan blonk er in haar oogen, die verrukt naar het morgenrood aan den hemel opzagen. De volksmenigte ging uit elkaar en verspreidde zich; zwijgend en angstig bleven de heidenen in de verte wachten op hetgeen komen zou.
De eerste zonnestralen wierpen hun schijnsel over den berg. Zij schitterden in de bloemenkroon, die de jonkvrouw in het haar droeg en speelden op haar verheerlijkt gelaat, dat ze met een stralenkrans van licht en glans omgaven. De jonge christin verwachtte den dood evenals een verloofde haar bruigom. Haar lippen bewogen zich zacht als in een gebed.
Daar hoorde men in de diepte dof rumoer; de draak kwam snuivend uit zijn hol en stoof over den landweg. Hij ontdekt het offer op de plaats, die zijn bloeddorst kent. Hoogop kromt zich zijn met schubben bedekt lichaam, dat op ver uitgestrekte van scherpe nagels voorziene pooten rust; gruwelijk slaat hij met zijn slangachtigen staart en laat in zijn afschuwelijk gapenden muil zijn doodend gebit zien. Blazend komt het ondier aangekropen, terwijl het begeerig de tong heen en weer beweegt. Uit de bloederige oogen stralen helsche vlammen.
Doodsangst overvalt de jonkvrouw bij den aanblik van dezen afschuwelijken salamander. Sidderend trekt zij een schitterend gouden kruis, dat zij op de borst draagt, te voorschijn en strekt dit afwerend naar den draak uit, terwijl een angstige hulpkreet tot God haar lippen ontsnapt. En, o wonder! Terwijl hij zich hoog, als door den bliksem getroffen, opricht, treedt de draak terug en stort achterwaarts over puntige rotssteenen in de diepte. Onder brullend gehuil en het donderend rumoer van vallende rotsblokken verdween het ondier in de woeste golven van den vloed. Een algemeene gil klonk van de lippen der ter zijde wachtende heidenen. Verbazing en schrik stond op alle gezichten te lezen. Vol berusting, met droomerig gesloten oogleden stond de jonkvrouw daar en bad zacht tot Hem, die haar gered had. Daar werd zij van de touwen, die haar vastgebonden hielden, bevrijd, en twee krachtige armen omvatten haar en droegen haar in den kring der verbaasde toeschouwers. Zij hief de oogen op en zag den jongsten der beide legeraanvoerders; zijn ruwe krijgsmanshand vatte de hare. Als voor een hemelsche verschijning boog de jongeling zijn knie en raakte met de lippen de witte vingeren aan. Luide zegenkreten klonken den ridder tegen.
De bejaarde priester trad naar voren en vol verwachting zweeg het volk. Hij vroeg de christin plechtig, wie haar van den wissen dood gered had, en wie de God was, die de zijnen zoo zichtbaar hielp. En zegevierend glinsterden de van gelukstralende oogen der jonkvrouw.
"Dit beeld van Christus heeft den draak verpletterd en mij gered," riep zij zegevierend uit. "In hem rust het heil der wereld en de welvaart der volkeren!"
Met schuwen eerbied beschouwde de bejaarde priester het kruis van Christus.
"Dat het spoedig uw geest moge verlichten evenals van al deze lieden," sprak de jonkvrouw ernstig. "Het zal u grootere wonderen openbaren dan dit, want onze God is groot."
Men geleidde de jonkvrouw met de overige gevangenen weer naar haar vaderland. Zij keerde spoedig terug, vergezeld van een christelijken priester. De stem van het geloof en der onschuld richtte wonderen uit in de harten der heidenen. Bij duizenden tegelijk begeerden zij den doop. De oude priester en Rinbold waren de eersten, die hun hoofd voor de nieuwe leer bogen. Vreugde heerschte er onder den stam, toen de jonkvrouw den jeugdigen legeraanvoerder de hand voor het leven reikte. Een christelijke tempel werd in het dal opgericht en bovenop de rots verrees een trotsche burcht voor de jonggehuwden. Wel tien eeuwen bloeiden het machtige geslacht der Drachenburgers in de omstreken van den Rijn.

De monnik van Heisterbach
In den ouden tijd stond in een liefelijk dal van het Zevengebergte het klooster Heisterbach. Thans staan nog eenige overblijfselen op het met boomen omgeven grasveld. Niet door den tand des tijds, maar door de barbaarschheid van het oorlogzuchtig tijdperk zijn de kloosterhallen verwoest. Men heeft de monniken verjaagd, de muren afgebroken en de steenen voor het bouwen van vestingen gebruikt. Sedert dien tijd, zoo deelen de landlieden van het Zevengebergte mede, wandelen 's nachts de geesten van de verjaagde monniken tusschen de ruïnes van het koor en de puinhoopen der zuilen. Zwijgend klagen zij hun vervolgers en de verwoesters hunner cellen aan. Onder hen bevindt zich ook Gebhard, de laatste prior van Heisterbach. Hij dwaalt tusschen de monniksgraven, telt ze en bezoekt ook de graven van de heeren van Löwenburg en Drachenburg. Een graf ontbreekt; bij de laatste verwoesting hebben de kloosterschenders dit geopend.
Zeer beroemd waren de geleerde monniken in de middeleeuwen. Menig kunstig afschrift van den Bijbel, menig zeer geleerd geschrift, dat in de wereld verscheen, was afkomstig uit de stille kluis van het klooster aan den Rijn en gaf blijk van de vlijt en kennis der vrome monniken. Een was er onder hen, die boven allen in geleerdheid uitblonk. Hoog stond hij bij allen in aanzien, en zelfs het bejaarde hoofd van den vader prior boog zich deemoedig voor de door God begenadigde geleerdheid van den jeugdigen monnik.
Maar de giftige worm van den twijfel knaagde aan zijn veelomvattende kennis, en de spiegel van zijn geloof werd beneveld door schadelijk gepeins. Dikwijls dwaalde zijn oog onrustig over het geel geworden perkament, waarop het levende woord Gods geschreven stond, en ofschoon zijn kinderlijk deemoedig hart zich onderwierp en smartelijk uitriep: "Ik geloof, Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!" zoo toch omzweefden hem dikwijls hoonend de scheppingen van zijn onrustigen geest en de pijnigende gestalten van den verderfelijken twijfel, die zijn ziel tot het tooneel van een smartelijke worsteling maakten.
Eens zat hij bij het aanbreken van den dag weder met gloeiend hoofd over de perkamentrollen gebogen. Uren verstreken, en de morgenzon verguldde de hooge zuilengangen met haar gouden glans. Verleidelijk dansten de stralen op de beschreven rol, die de monnik in de handen had. Hij echter zag het niet en staarde voortdurend op de regels, die hem reeds sedert maanden met kwellenden twijfel vervulden: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!"
Reeds maandenlang martelde hij zijn hersenen met dit raadselachtig woord van den apostel. Met geweld had hij de onbegrijpelijke plaats uit zijn gedachten verbannen, en nu dansten haar letters wederom voor zijn moede oogen. Zij werden grooter, de gekrulde teekens, rekten en verlengden zich bovennatuurlijk en werden spottende gestalten, die hem hoonend omzweefden: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!"
Het liet hem geen rust in de muffe cel en trok hem naar de eenzaamheid van den frisschen kloostertuin. Met onrustigen tred ging hij, in kwellend gepeins verzonken, de paden op en neer. Zijn blik vestigde zich op den grond, zijn geest vertoefde zeer ver van de rustige omgeving. Zonder het te weten had hij den kloostertuin verlaten en wandelde op de boschwegen. Vertrouwelijk groetten de vogels in de groene twijgen hem, met groote oogen zagen de bloemen in het zachte mos hem aan. Hij echter, de peinzende denker, hoorde en zag niets. Want de twijfel in zijn ziel zag slechts een plaats, hoorde slechts een klank "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!"
Vermoeid was zijn dolende voet, afgemat zijn overspannen hersenen. Op een steen zonk de monnik neder en steunde het geplaagde hoofd tegen een boom. Een verzoenende droom voerde zijn geest weg. In door licht omgeven sferen vond hij zich zelf terug; aan den troon van den Allerhoogste. Het water van de eeuwigheid ruischte om hem heen. Alle voortbrengselen der schepping verschenen en prezen het werk zijner handen, welks heerlijkheid de hemelen roemen: vanaf den worm in het stof, dien nog geen sterfelijk wezen heeft kunnen scheppen, tot aan den adelaar, dien Hij vleugels gegeven heeft en het vermogen om van de hoogte op de diepte neer te zien; van de zandkorrel in de zee tot aan den reuzenkegel, die op bevel van den Heer uit den sedert duizenden jaren gesloten vuurmond spuwt. Zij allen spreken slechts een taal, die voor den hoogmoedige onverstaanbaar is en den nederige geopenbaard en duidelijk gemaakt wordt. De taal van Hem, die hen uit het stof te voorschijn riep, zij het in zes dagen, zij het in zesduizend jaren: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!" Met een lichte rilling opent de monnik de oogen.
"Ik geloof Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!" mompelt hij, zich opheffend. Luisterend staat hij stil. Van verre luidt de kloosterklok. Vesperluiden is het. Het avondrood straalt reeds door de takken. Snel wendt hij zijn schreden naar het klooster. De kerk is reeds verlicht. Door de half geopende deur ziet hij de monniken in hun stoelen. Stil snelt hij naar zijn plaats. Met verbazing bemerkt hij, dat er een andere monnik voor zijn stoel staat. Hij raakt hem met den vinger aan, maar tot zijn verbazing ziet hij een vreemde, dien hij tevoren nooit gezien heeft. Nu heft ook deze en gene zijn hoofd van het boek op en kijkt vragend naar den binnengekomene.
Dan komt er een zonderling gevoel over hem. Slechts vreemde gezichten ontdekt hij. Terwijl hij verbleekt, kijkt hij om zich heen en wacht het einde van den ernstigen psalm af. Verstomd zijn gezang en gebed. Door de rijen gaat een fluisterende vraag. De prior, een eerwaardig grijsaard nadert den binnengetredene. Op zijn hoofd rust de tachtigjarige sneeuw.
"Hoe is uw naam, vreemde broeder?" vraagt hij op vriendelijken, welwillenden toon.
Afgrijzen maakt zich van den monnik meester.
"Maurus," mompelt hij toonloos, terwijl zijn stem beeft. "Bernard, de Heilige, was de abt, die mijn gelofte afnam in het zesde regeeringsjaar van koning Koenraad, dien men den Frank noemde."
Ongeloof en verbazing teekenen zich op de ernstige gezichten der monniken af. En de monnik heft zijn doodsbleek gelaat tot den prior op en deelt hem met doffe stem mede, hoe hij in het bosch ingeslapen, en niet ontwaakt is, voordat de vesperklok luidde. De prior wenkt een broeder.
"Het is bijna driehonderd jaar geleden, dat St. Bernhard stierf, evenals Koenraad, dien men den Frank noemde."
De broeder brengt de oorkonden van het klooster. Zij bladeren ver terug: driehonderd jaren tot den tijd, toen Bernhard, de Heilige, leefde. En zoo las de bejaarde prior, wat het perkament verkondigde: "Maurus, een twijfelaar, verdween op een dag uit het klooster en niemand heeft sedert dien tijd vernomen, wat er van hem geworden is."
Een rilling gaat door de leden der monniken. Dat was hij, deze broeder Maurus, die na driehonderd jaar in het klooster terugkeerde! In zijn ooren weerklonk het laatste woord, dat de prior gelezen had, als bazuingeschal van het laatste oordeel: driehonderd jaren! Met opengesperde oogen ziet hij omhoog, hulpeloos tast hij met de handen voor zich uit. De broeders ondersteunen hem en beschouwen hem met heimelijk afgrijzen, want zijn gelaat wordt aschgrauw, als van een stervende, de smalle haarkrans op zijn hoofd wordt eensklaps sneeuwwit.
"Mijne broeders," prevelt hij met brekende stem, "eert steeds het onvergankelijke woord des Heeren en zoekt niet door te dringen in wat Hij opzettelijk voor ons verborgen hield. Voor Hem bestaat er geen tijd. Dat mijn voorbeeld nooit uit uwe gedachten moge verdwijnen. Eerst heden drongen deze woorden van den apostel tot mij door: Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag. Hij, de Heer, zij mij armen zondaar genadig!"
Levenloos zonk hij ter aarde en geroerd baden de broeders bij zijn lijk.

Godesberg
Het "Hochkreuz"
Aan den grooten weg tusschen Bonn en het naburige Godesberg verheft zich aan den linker kant uit een donker boschje een hooge steenen zuil; in die streek bekend onder den naam van "Hochkreuz". Vriendelijk komt de steen uit het schaduwrijke groen te voorschijn, als de toerist daar op den dag voorbij komt. 's Avonds daarentegen maakt het vervallen, verweerde gedenkteeken, wanneer dit plotseling op den eenzamen weg voor de blikken van den voorbijganger opdoemt, een ernstigen, bijna griezeligen indruk. Deze wordt nog versterkt wanneer men de sage kent, die sedert oudsher — het "Hochkreuz" staat daar reeds vele eeuwen — het grijze gedenkteeken omzweeft.
De sage voert ons terug in den tijd, toen in plaats van de tegenwoordige ruïne nog een trotsch ridderslot vanaf den Godesberg op de heerlijke omgeving van Bonn neerzag. Destijds leefde op den Godesberg een oud strijder, die in het Rijnland zeer geroemd werd. Zijn vrouw was gestorven; maar haar beeld leefde in twee flinke zonen voort. De oudste was geheel het evenbeeld zijner moeder; hij bezat een zachtzinnigen aard en het gemoed van een kind. Hierdoor kwam het, dat de oogen van den vader met meer welgevallen op hem, dan op den jongeren zoon rustten, die niettegenstaande zijn jeugd reeds menig dol waagstuk en menig onridderlijk avontuur uitgehaald had.
Maar toch was de grijsaard hem daardoor niet minder goed gezind. Hij hoopte, dat hoe onstuimiger de jongeling den genotvollen beker ledigde, hoe eerder hij op den drabbigen bodem zou komen, hetgeen het gevolg van elk bovenmatig genot is. Dan zou hij niet meer afkeerig van ernstigere dingen zijn, en wellicht zou de wensch van de overleden gemalin vervuld worden, die steeds gehoopt had, dat de Keulsche bisschopsring van den heiligen Maternus eens haar jongsten lieveling mocht sieren, terwijl Erich, de oudste, heer van Godesberg zou zijn.
Dikwijls kwam deze wensch bij den grijsaard op, en menig vroom gebed voor de verhooring daarvan zond hij ten hemel, wel wetende; dat zijn overleden vrouw zich daar boven met zijn smeekbeden vereenigde. Dikwijls ook sprak hij den jongeling toe en slaakte in stilte een zucht als deze zich aan het onaangename gesprek poogde te onttrekken.
[Illustratie: Roland in der Schlacht von Roncevalles Nach dem Gemälde von A. Guesnet]

Toen verscheen de dood als een droevige gast op den Godesburcht. Hij nam den bejaarden burchtheer mede en voerde hem in het land der droomen tot zijn vrouw. In zijn laatste uur had de ridder nog tijd, datgene te herhalen, wat hij jarenlang als een vurige wensch in zijn binnenste bewaard had. Hij zegende de zonen en smeekte God den eenen op den burcht zijner voorvaderen, den anderen voor het altaar van den Heer Zijn rijken zegen te schenken. Daarop stierf hij, diep betreurd door de armen en verdrukten.
II.
In de hooge zaal van den Godesburcht, keken de portretten der voorvaderen op de beide broeders neer, die zwijgend den maaltijd gebruikten. Treurig gestemd zaten de tegenwoordige burchtheer en zijn jongere broeder tegenover elkaar. Er werd weinig gesproken, maar de enkele woorden, die de jongste uitte, klonken verbitterd en ontstemd. Tevergeefs trachtte de oudste het vertoornde gesprek van den jongeren broeder af te weren. "Ik nam slechts, wat mij als overoud vaderrecht toekomt," antwoordde hij zacht op de aanklacht van den anderen. "Ik ben niet heer, maar beheerder van mijn bezitting en zij, wier beeltenissen op ons neerzien, zouden mij in de andere wereld vervloeken, als ik mijn erfdeel niet goed beheerde. Voor jou echter is een hooger erfdeel voor het altaar van den Heer weggelegd, zelfs een hooge rang zal je bekleeden, zooals je reeds schriftelijk is toegezegd, wanneer jij, de afstammeling van een doorluchtig geslacht, een waardig dienaar van den Heer wordt."
Maar toornig valt de broeder hem in de rede: "Nooit buk ik mij voor den harden dwang, die den oudsten de wapenrusting, den jongsten de monnikspij oplegt. En al werd mij de bisschopsring en de kardinaalshoed aangeboden, dan nog wil ik geen priesterkleed dragen, maar het ijzeren kleed, dat ik tot nu toe gedragen heb."
Treurig hoorde de andere hem aan.
"Dat God uw donker hart moge verlichten. Gaarne zou ik met je deelen, maar het gebod onzer voorvaderen laat dit niet toe. Daarom onderwerp je en bedenk, wat hem dreigt, die de heilige gebruiken zijner voorouders veracht."
Toen werd het stil in de ridderzaal.
III.
Jachtfanfares klonken door het woud, dat zich destijds van den voet van den Godesberg tot aan de poort van Bonn uitstrekte en zeer veel edel wild bevatte. Evenals vroeger met hun vader, zoo gingen de beide broeders ook thans gezamenlijk ter jacht. Gaarne had graaf Erich de uitnoodiging van zijn broer aangenomen. Hartelijk verheugde hij er zich over, dat de slechte stemming, die hij sedert verscheidene dagen bij den broeder waargenomen had, verdwenen was. Het scheen, alsof deze tot inkeer gekomen was en het besluit genomen had, den vromen wensch zijner ouders te vervullen. Hij deelde zelfs mede, dat hij plan had, den aartsbisschop in de heilige stad Keulen te bezoeken en hem den brief te overhandigen, dien zijn vader hem als een gewichtig geschrift nagelaten had.
Dat verheugde graaf Erich zeer. Welgemoed doorkruiste hij het dichte struikgewas. Hij was zeer gelukkig op de jacht en had reeds verscheidene groote evers gespietst, ook een groot hert viel hetzelfde lot ten deel. Daarentegen trof de broeder slecht. Zijn hand was onvast, zijn bewegingen verrieden onrust, een zeldzaam vuur schitterde in zijn oogen. Hij was een prachtigen ever op het spoor, en bereidwillig gaf de broer aan den wensch om het dier gezamenlijk te vervolgen, gehoor.
Door heg en struik gingen de jagers, vergezeld van de blaffende honden. Daar ritselt het loover, hijgend baant de ever zich een weg door het bosch. Suizend snort de jachtspies uit de hand van den jongsten broer en blijft in de schors van een eik zitten.
"Je hand is meer geschikt om vrome christenen te zegenen," zegt de oudste schertsend.
"En om mij van lastige broeders te ontdoen," bromt de andere en trekt bliksemsnel den degen van zijn zijde. Sissend dringt het staal in de borst van den broeder. Een gil klinkt door het woud, in welks duisternis de broedermoordenaar verdwijnt. Ontzet snellen de beide schildknapen toe. Een smartkreet klinkt uit beider mond. De graaf ligt badende in zijn bloed, met de sluier des doods over de oogen.
De schildknapen buigen zich tot den stervende over.
"Mijn broeder!" In een zucht sterven deze woorden weg. Ontsteld worden ze door de schildknapen herhaald, en met leedwezen wordt het bericht, dat de ongelukkige Godesberger door de broederhand gevallen is, in het Rijnland vernomen. Innig verdriet heerschte er in den Godesburcht, waar de jonge slotheer in het graf zijner vaderen bijgezet werd. De burcht bleef verlaten, de naaste verwanten van het adellijke geslacht wilden hun woning in de gezegende "Rheingau" dicht bij de Palts niet voor de onzalige vesting verruilen, en zoo woonde daar slechts de poortwachter.
Maar ook hij werd verdreven, want op een nacht sloeg de bliksem in den toren, en voor dat men van beneden hulp kon bieden, had de flikkerende straal alles vernield, alleen de zwart gerookte muren zijn overgebleven. Zoo werd de trotsche Godesburcht een treurige ruïne.
IV.
Jaren zijn intusschen verstreken. Uit het woud te Godesberg is destijds een man geijld, radeloos en angstig, bleek en ontsteld. Gisteren nog koesterde hij het misdadige verlangen naar de erfenis van zijn broeder, en heden droeg hij het Kaïnsteeken van zijn broedermoord op het voorhoofd. Bleek en angstig is hij uit het bosch gevlucht. Het helsche plan om zijn broeder in enkele minuten uit den weg te ruimen, dat hij in koelen bloede gesmeed had, is te niet gegaan, toen het slachtoffer met een smartkreet neerzonk. De moordenaar, wiens hand gesidderd had, werd door booze geesten verdreven.
Jaren zijn intusschen verstreken.
Daar klopte op een dag een vreemde pelgrim aan het klooster Heisterbach, dat de vrome monniken van Bernhard in het dal van het Zevengebergte hadden laten bouwen, Half pelgrim, half bedelaar. Het gewaad versleten, het gelaat vaal en vervallen, het lichaam gebroken, zooals wellicht de ziel.
Fluisterend smeekte hij den broeder portier medelijden met hem te hebben. Hij kwam van de heilige plaatsen en zijn voeten wilden hem niet verder dragen.
De broeder deelt dit den prior mede, tot wien hij den vreemden pelgrim geleidt. Zwijgend ziet de prior den man aan, die aan zijn voeten neerzinkt. Dan komt er plotseling een andere uitdrukking op zijn oud gelaat.
"Bij God, zijt gij het, ridder —"
Verder komt hij niet. Kermend houdt de ridder zijn knieën omklemd en smeekt hem, zich zijner te erbarmen.
"Ik ben het, die twintig jaar geleden den broeder in het Godesberger woud versloeg," klaagt de ongelukkige. "Reeds tweemaal tien jaar boet ik mijn vervloekte schuld en smeekte als pelgrim aan het heilige graf, als slaaf in de ketenen der ongeloovigen, Godserbarming over mij af. Sedert drie maanden vielen de ringen van mijn handen, en met moeite en zorg ben ik naar mijn vaderland getrokken. Hierheen werd ik gedreven en u, dienaren Gods, die mij als knaap en als jongeling gekend hebt, smeek ik om een plaatsje tusschen deze muren, waar ik de ruïne van Godesberg aan den overkant kan zien, en waar ik boete kan doen en bidden, totdat de dood mijn arme ziel wegdraagt."
Toen legde de prior de handen zegenend op het hoofd van den armen zondaar.
* * *
Hij heeft boete gedaan en zeer veel gebeden in de eenzame kloostercel. Vele jaren heeft hij het zondige lichaam gegeeseld en vol berouw de vloekwaardige daad beweend. Toen is ook tot hem de dood gekomen, en hebben de monniken van Heisterbach hem onder het zingen van treurliederen grafwaarts gedragen.
Daar, waar de broedermoord gepleegd is, heeft de aartsbisschop van Keulen een kruispyramide doen oprichten, en hoewel er eeuwen overheen zijn gegaan, zoo staat het sombere "Hochkreuz" nog steeds op deze plaats.

Bonn
De Jonker van Klochterhof
Op den Klochterhof te Friesdorf bij Bonn moet eens een edel jonker gewoond hebben, die in de omstreken van Bonn algemeen als een groot drinker bekend stond. Eens was jonker Erich vol ijver in het bosch, dat den Godesberg omringt, gaan jagen. Het was een warme dag, hij maakte weinig buit, was zeer vermoeid en had een ontzettenden dorst. De avondzon weerkaatste in den Rijn, toen de heer Erich mismoedig het geweer omgespte en met zijn buit, een vet haasje, naar huis draafde.
Destijds stond er aan den zoom van het Godesberger bosch een herberg (thans staan er zeer vele), daar trad de jonker van Klochterhof binnen, gaf de waardin den haas en laafde de dorstige keel met parelenden landwijn. Toenmaals moet het druivensap, dat de zon op de Friesdorfer en Godesberger hoogte deed rijpen, veel beter geweest zijn, dan tegenwoordig. Het sappige wild, door de bekwame hand der waardin klaar gemaakt, behaagde den jonker zeer, maar nog meer het edele nat, dat de bedrijvige hand van den waard hem inschonk.
[Illustratie: Jan und Griet Steinbild am Jan von Werth = Denkmal in Köln]

Menige bokaal goot de dorstige jonker door de verdroogde keel en menige krijtstreep maakte de waard aan den post van de deur.
De nacht drong den heer Erich tot vertrekken. Aangenaam was het zitten, en moeilijk viel het opstaan; de waard, die als een ruwe klant bekend stond, trok een ernstig gezicht: "Twaalf bokalen: Denk ook aan het betalen, mijnheer de drinker!"
Toen zong de jonker met dubbelslaande tong een oud lied, dat in den ouden tijd reeds de groote Pumpus van Perusia gezongen moet hebben.
"Betalen gaat heden niet, omdat ik het geweer niet met penningen laad."
De ruwe waard griefde het vroolijke antwoord van den drinkebroer. Hij trok een boos gezicht. "Als gij geen geld meer hebt, dan houd ik uw broek tot pand. Kom morgen terug, mijnheer de drinker, en los uw broek en uw schande weer in."
Naar den Klochterhof bij Friesdorf wankelde met onvaste schreden een man, die te veel gedronken had. Hij had het warm en tegelijkertijd koud. Hij schreed als in den nevel voort, en de dennen van het woud fluisterden elkaar een vreemde geschiedenis toe. Er waren er, die zeer lustig suizelden, maar de bejaarde dennen schudden bedenkelijk hun kruinen, evenals de maagdelijke berken, die blozend den nacht dankten, dat hij de oogen van de kuische bloempjes in het woud gesloten....
Of de jonker van Klochterhof ingelost heeft, wat hij verpandde? De sage zwijgt daarover. Bekwame kroniekschrijvers ontkennen het.
Aan den zoom van het Godesberger woud stond langen tijd een herberg "Zum Junkerhof" genaamd, maar de ondeugende nakomelingen van de vrome voorvaderen verdoopten haar "zur Junkerhose" en vertellen elkaar bij den parelenden wijn, dien de zon op de Friesdorfer en Godesberger hoogte laat rijpen, de geschiedenis van de broek van den heer Erich.

Keulen
Richmodis von Aducht
Het was in het midden der vijftiende eeuw. De schaduwen des doods spreidden zich over Keulen uit. Een vrouw in een donker gewaad ging schoorvoetend door de straten: de zwarte pest. Haar giftige adem drong in stulpen en paleizen en vernietigde het leven van duizenden.
Op ontelbare huizen schilderden de doodgravers het zwarte kruis, een teeken, dat het vreeselijke spook daar binnengetreden was. Het aantal dooden steeg zoo zeer, dat velen geen rechtsstreeksche begravenis ten deel viel. Men wierp de lichamen der ongelukkigen in een gemeenschappelijk graf, bedekte het dunnetjes met aarde en plaatste er een kruis op. Het jammeren en klagen in de oude stad Keulen was niet om aan te hooren.
Op de Neumarkt, dicht bij de kerk der Apostelen, woonde in een prachtig patriciërshuis de rijke raadsheer Mengis von Aducht. Ook hem trof het verschrikkelijke noodlot; zijn jeugdige gemalin werd door de pest aangetast en stierf.
Het verdriet van den heer von Aducht was grenzenloos. Hij bracht den ganschen nacht bij het omhulsel van de ontslapene, innig geliefde vrouw door, kleedde haar in haar wit bruidskleed, dat zij eenige jaren geleden gedragen had, versierde de kist met welriekende bloemen en liet de doode de schitterende kettingen en kostbare ringen, waarvan ze zooveel gehouden had, mede in de groeve nemen.
De nacht lag treurig over het kerkhof naast de Apostelenkerk, waar Richmodis in haar versch gedolven graf rustte.
Stilte heerschte op den doodenakker. Daar beweegt zich de grendel der kerkhofsdeur. Twee schaduwen sluipen op de teenen langs de donkere rij der graven en richten hun schreden naar een versch gedolven graf, dat hun welbekend is. Zij hebben het zelf gegraven. De beide doodgravers van het kerkhof der Heilige Apostelen zijn het, die de bloeiende vrouw van den raadsheer in den namiddag begraven hebben. Zij sloten het deksel, en terwijl de ridder zich jammerend over de innig geliefde gade heenboog, hingen de begeerige blikken der beide mannen aan de schitterende kettingen en kostbare ringen, die de doode versierden.
De grafkransen ritselen in de duisternis en hard klinkt het spitten met de spaden. Geleidelijk wordt het graf leeger, en de aardkluiten daarnaast hoopen zich steeds meer op. Nu hoort men een dof geluid, ze zijn tot aan het deksel der doodkist gekomen. Treurig flikkert het schijnsel eener lantaarn uit het vochtige graf. Zij hebben het deksel opengebroken, terzijde geschoven en buigen zich nu vol hebzucht over de gestalte in het witte gewaad. Schel valt het licht der lantaarn, die de eene man in de hand houdt, op het levenlooze gelaat der vrouw in de doodkist, terwijl de andere man snel de ringen van haar gevouwen handen trekt.
Daar beweegt zich plotseling de gestalte in de lijkkist, de smalle witte vingeren bewegen zich. Bleek van schrik snellen de roovers weg, ze laten de kist open en vergeten de gereedschappen.
Een klagende zucht steeg uit het graf op. Eenige minuten later richtte de levendbegravene zich met moeite op. Met opengesperde oogen beschouwde zij haar omgeving en ontzetting maakte zich van haar meester. Rillend kijkt zij naar de ruimte, die zij verlaten heeft, en naar de plaats, waar ze zich bevindt. Was het een droom, die haar kwelde?
Zij roept met zwakke stem. Niemand antwoordt, slechts het ritselende herfstloof en de toppen der kerkhofsboomen, die door den wind bewogen werden. Verder rondom doodsche stilte.
Plotseling begreep ze haar vreeselijken toestand: terwijl ze schijndood was, had men haar als ontslapene begraven. Haar hart dreigde stil te staan van gruwelijke ontzetting. Zij greep de achtergelaten lantaarn en wankelde tusschen de graven door naar den uitgang, dien de roovers vergeten hadden te sluiten.
Verlaten waren de straten. Slechts de sterren zagen de wankelende gestalte in het sneeuwwitte gewaad, die zich gelijk een schim, dikwijls minutenlang tegen de huizen der straten leunend, naar de Neumarkt voortbewoog.
Zwijgend groette het grijze patriciërshuis de weeropgestane meesteres. Een venster was nog verlicht. De arme vrouw beneden kromp ineen. Dat was het vertrek, dat getuige van haar jonge liefde geweest was, waarin zij tijdens de vreeselijke ziekte geleden had, en waaruit men haar als doode gedragen had, om in den vochtigen grafkelder te ontwaken. Wellicht vertoefde haar bedroefde gemaal op het oogenblik in deze kamer, doorliep haar met rustelooze schreden, om dan eindelijk, door verdriet overstelpt, zijn hoofd in de onaangeroerde kussens te begraven, met den naam zijner geliefde Richmodis op de lippen.
De vrouw in het doodskleed zuchtte. Zij klopte zoo hard aan de deur als haar zwakke krachten het toelieten. Een oude dienaar stak na een poosje zijn hoofd achter het luik in de eikenhouten deur en in de schemering bemerkte hij met ontzetting het spookachtige wezen.
Richmodis noemde hem bij den naam en beval hem haar te openen. Bij den klank dezer stem kromp de oude ineen. Bleek van schrik snelde hij de treden op en het vertrek van zijn heer binnen, terwijl hij stamelde:
"Heer de dooden staan op! Buiten voor het huis staat onze goede vrouw en wil binnenkomen."
Maar de raadsheer schudde verdrietig zijn hoofd.
"Richmodis, mijn geliefde gade is dood en keert nooit weder. Nooit komt ze terug," herhaalde hij vol onuitsprekelijk leed, "eer zou ik denken, dat de schimmels uit de stal naar de torenkamer zouden opstijgen."
Daar dreunde plotseling donderende hoefslagen op den Innenhof en spoedig daarna op de steenen trappen. Toen de heer van Aducht de deur uitsnelde, zag hij zijn beide schimmels de trappen oprennen.
Een oogenblik later keken twee hinnikende paarden over de raamkozijnen in den sterrennacht, beneden echter hield een man lachend en huilend tegelijk zijn geliefde vrouw in de armen gesloten, die het graf hem weergegeven had.
* * *
Nog vele jaren leefde mevrouw Richmodis aan de zijde van haar echtgenoot, terwijl een schaar allerliefste kinderen hun gelukkige echtvereeniging volmaakte. Innige vroomheid verhelderde het leven der stille huisvrouw, die sedert dien tijd nooit meer gelachen heeft. Een kunstig misgewaad heeft zij voor de kerk der Heilige Apostelen geborduurd, en de heer von Aducht heeft de gebeurtenis op het kerkhof in de Apostelenkerk in een koornis laten schilderen ter blijvende gedachtenis. Het schilderij is thans verbleekt.
Als gij nu, lezer, in Keulen komt en zijn Dom en kerken bewondert, ga dan ook naar de Neumarkt, waar ge twee uit hout gesneden paardenkoppen uit het dakvenster van een ouderwetsch huis zult zien kijken, als herinneringsteeken aan deze gedenkwaardige geschiedenis van Richmodis von Aducht.

[Illustratie: Karl der Grosse Nach dem Gemälde von Albrecht Dürer]

De bouwmeester van den Keulschen Dom
I.
Te Keulen vervoegde zich op den avond voor het feest van Jezus Hemelvaart, een eenvoudig bouwmeester bij den machtigen aartsbisschop Koenraad von Hochstaden en bood hem het ontwerp voor een kerk aan. Op trotschen toon beweerde hij, dat zij een der schoonste kerken van de wereld zou worden. Daar de kerkvorst over de grootschheid van het ontwerp hoogst verbaasd was, droeg hij den vermetelen bouwmeester de uitvoering daarvan op.
Spoedig verhieven zich op de ruime plaats waar reeds eenmaal tijdens de regeering van den eersten Frankenkoning een Dom gestaan had (Hildebold, de aartsbisschop, had dezen laten bouwen, en de woeste Noormannen hadden hem verwoest), statige hooge muren. Reusachtige zuilen met prachtige welvingen vereenigden zich tot een trotsch godshuis.
Iedereen bewonderde den bouwmeester, wiens scheppende geest binnenkort duizenden handen in beweging zette, en meester Gerhards naam werd spoedig in de Duitsche en Waalsche landen met lof genoemd. Het koor was reeds voltooid. Uit alle omliggende plaatsen, zelfs uit verre landen kwamen bedevaartgangers naar den Dom te Keulen om het stoffelijk overschot der drie koningen, die in het koor rustten, te aanbidden. De lofliederen der vrome christenen weergalmden door de trotsche gewelven.
Hij, die echter het meeste reden had, om zich te verheugen, deed zulks niet. In zijn borst, die eerst van vreugde gezwollen had, nestelden zich nu treurige gedachten. Onophoudelijk fluisterde de grauwe zorg, de dochter van het voortdurende getob den schepper van het geheel in het oor, of zijn dagen wel toereikend zouden zijn, om het geheel te voltooien. Of de dood hem niet eens verhinderen zou, den grootsten triomf zijns levens te vieren.
Zijn vrouw sloeg met smart deze verandering gade. Tevergeefs beproefde zij de rimpels van zijn voorhoofd te doen verdwijnen.
Hoe meer deze vermoedens in zijn binnenste wortel schoten, des te meer spoed zette meester Gerhard achter den bouw van den Dom. Men schreef 1252 in den kalender. Reeds verhief zich de noordelijke toren statig omhoog. Met meer ijver, dan voorheen begaf de bouwmeester zich van den eenen steiger naar den anderen.
Juist stond hij op de Domkraan. Reusachtige trachietblokken uit het inwendige van den Drachenfels gehaald, heschen de metselaars omhoog. Hoogst vergenoegd ziet de meester toe, de vreugde schittert in zijn oogen. Daar staat plotseling een vreemdeling aan zijn zijde, dien hij niet heeft zien aankomen. Een scharlaken mantel omgeeft zijn rechtopgaande gestalte, een gouden ketting glinstert op zijn borst en lustig fladdert de hanenveer op zijn fluweelen baret. Hij begon zijn aanspraak met den groet der metselaars. Zelf was hij een meester in de bouwkunst, vele jaren geleden had hij een huis gebouwd — terwijl hij dit zeide fonkelden zijn schitterende oogen vreemdsoortig onder de dunne wenkbrauwen — waaraan de tand des tijds tevergeefs knaagde, koningen en keizers, aanzienlijke heeren en prelaten hadden het reeds bezichtigd.
Zwijgend nam de meester den hoovaardigen spreker op. Maar deze begon het reusachtige werk van den bouwmeester van den Dom bovenmate te prijzen.
"Doch lijkt het u van een arm sterfelijk wezen geen vermetele handelwijze, om zulk een werk te beginnen?" vroeg hij plotseling op bijna ruwen toon. "De eerste steen had u moeten zeggen, dat een ander oogsten zal, wat gij gezaaid hebt."
"Wie zou mij beletten te voltooien, wat ik begon?" vroeg de bouwmeester eenigszins angstig het antwoord afwachtend.
"Het leven — of noem het de dood!" antwoordde de andere op scherpen toon. Daarop vervolgt hij spottend: "Zelfs een wurm, kunt gij, arme menschen, niet aan uw wil onderwerpen en reeds vanaf uw eersten ademtocht bedreigt u uw hevigste vijand en zekerste overwinnaar, de dood."
"Ik zal echter volbrengen, wat ik begon!" roept de bouwmeester eigenzinnig uit. "Ik wil er om wedden, zelfs met den duivel."
"Hola!" lacht de vreemdeling strijdlustig. "Met iemand, die zoo vermetel is, ga ik gaarne een weddenschap aan. Eer verstout ik mij een beekje van Trier naar Keulen te leiden, wel vijftig uur gaans, waarin eenden zullen zwemmen, dan dat gij uw Dom voltooit."
"Het zij zoo!" zegt meester Gerhard op somberen toon en slaat verblind toe, als de vreemdeling zijn rechterhand aanbiedt. Deze was ijskoud en een huivering overviel hem.
Toen begon de andere te lachen, spottend en zegevierend.
"Prijs der weddenschap je ziel!"
Ontzet krimpt de ontstelde meester ineen. Reeds heeft de andere den vuurrooden mantel geopend.
"Tot weerziens, vermetele!" Een stormwind steekt op en voert hem huilend weg.
II.
Sedert dezen dag worden de wolken op het voorhoofd van den bouwmeester steeds donkerder. Rusteloos doolt hij op de steigers, rusteloos verricht hij zijn arbeid. Hoe meer hij haar uitbreiding nagaat, des te meer overvalt hem de angst, dat hij haar nooit volbrengen zal. Bij het aanbreken van den dag was hij reeds bij zijn werklieden, en zelfs 's avonds liep hij rond, de vlijtigen prijzende, de luien berispende. Dikwijls ook staarde hij in de richting van Trier, of daar niets ongewoons te zien was. Met hoopvolle verbazing bemerkte hij, dat zijn tegenpartij volstrekt geen moeite scheen te doen, om de weddenschap te winnen. Niets deed vermoeden, dat er groote werken in het Trierer land ondernomen werden.
Reeds begon zijn hoop te herleven. Al won hij niet, dan zou hij toch in geen geval verliezen, aldus troostte meester Gerhard zich.
Op een dag stond hij op den top van den voltooiden toren. Daar werd een hand op zijn schouder gelegd. Hij wendde zich verschrikt om. Achter hem stond de afschuwelijke bouwmeester. Was hij de duivel zelf of slechts een duivelsche magister van de zwarte kunst?
"Welnu, meester Gerhard, hoe staat het met uw werk? Ik zie, dat gij rustig voortgaat. Gelukkigerwijs heb ik mijn arbeid spoedig volbracht, anders liep ik gevaar mijn weddenschap te verliezen."
"Ik heb bij me zelf gedacht," zegt de meester op spottenden toon, "dat gij niet al te veel aarde beweegt, om uw kanaal te graven."
"Zoo weet dan, waarde neef, dat ik alleen meer volbreng, dan honderd arbeiders te zamen, en zooals ik u reeds gezegd heb, mijn werk is bijna klaar." Op lichtgeraakten toon zeide de man in den scharlaken mantel dit.
"Werkelijk?" Meester Gerhards oogen dwaalden onrustig rond. "Ik zou wel eens willen weten, met welke helsche kunsten gij dit klaargespeeld hebt."
"Zooals ge wilt, Neef! Gij behoeft mij slecht te volgen." Hij vat den meester bij de hand, beneemt hem de zinnen en voert hem door de lucht. Na eenige minuten betreden zij de aarde. Huiverend herkent de meester het Land van Trier. Aan zijn voeten ontspringt een bron en stroomt in een opening der rotsen.
"Kom, oude," zegt de Satan lachend en terwijl hij zich buigt, verdwijnt hij onder een rots. Ontsteld volgt meester Gerhard hem. Hij bevindt zich in een grot der rotsen. Het water van de bron stroomt kabbelend in een kanaal, welks begin hij aanschouwt.
"Ziet gij, dat ik niet loog en mijn tijd wel besteed heb," zegt de duivel zegevierend. "Indien gij wilt, volgen de beekjes mij, en kunt gij zelf oordeelen over datgene, wat ik volbracht heb."
Nauwelijks had hij dit gezegd, toen een geheimzinnige kracht den bouwmeester aangreep en hem met huiveringwekkende snelheid voorwaarts duwde. De Satan voorop. Bleek als de dood aanschouwde de meester het werk. Geen twijfel was meer mogelijk, hij had de weddenschap verloren. Doffe wanhoop maakte zich van hem meester. Maar zeldzaam! Reeds na korten tijd nam zijn vertrokken gelaat weer een rustige uitdrukking aan, het scheen zelfs of er een onderdrukte glimlach op zijn gelaat speelde.
De uitgang was bereikt; door dezelfde magische kracht, die hem weggedragen had, voelde meester Gerhard zich weer op de aarde teruggevoerd.
"Dit is de helft van mijn werk, zeide de Booze, terwijl een grijnzende lach om zijn lippen speelde. Nu zullen wij de beloofde eenden zien, lieve Neef!"
Driemaal klapte hij in de handen en beval Gerhard op te letten. Thans, bijna vroolijk gestemd, luisterde deze oplettend. Minuten verstreken. Leeg bleef de uitgang van het beekje. Geen eendengesnater werd hoorbaar.
Nogmaals klapte de Satan in de handen, harder dan den eersten keer. Weder wachtte hij te vergeefs. Spottend glimlachte de Domarchitect. Een gillenden kreet stiet de andere uit en verdween, terwijl meester Gerhard mompelde:
"Nooit zal hij zijn weddenschap winnen. Ik, Gerhard von Ryle ken alleen de oorzaak."
III.
Maar een hevige zwaarmoedigheid was sedert het laatste avontuur over den Dombouwmeester gekomen. Nog meer dan vroeger zag men hem op de steigers en ladders. Geheele uren bracht hij in somber gepeins door. Nu hij zijn tegenpartij, waarmede hij zich vermeten had te strijden, kende — wie zou het anders kunnen zijn, dan de duivel in persoon — was hij zich van het gevaar, waarin hij en zijn onsterfelijke ziel zich bevond, bewust.
[Illustratie: Des Schwanenritters Abschied Nach dem Gemälde von W. von Kaulbach Lohengrins Departure Le départ du chevalier au cygne]

Dikwijls, nadat er eenige minuten van angstig nadenken voorbij gegaan waren, vloog er een gimlach over zijn trekken. Hij haalde diep adem, terwijl hij vol moed bij zich zelf zeide:
"Hij zal zijn weddenschap niet winnen, ik weet waarom."
De jeugdige gade was zeer neergedrukt door het vreemdsoortige gedrag van den meester. Zijn geslotenheid behaagde haar geenszins. Tevergeefs beproefden haar koozende lippen den zwijgenden mond van haar peinzenden echtgenoot het geheim te ontrukken, dat zijn tong bewaarde. Niet ongaarne ontvingen de lippen des meesters den rijken schat der vrouwelijke teederheid, maar op alle smeekbeden en verzekeringen van de door nieuwsgierigheid geprikkelde vrouw, glimlachten zij slechts bitter en spraken evenveel over het geheim als de oesters over hun schalen. Op een dag trad een rondtrekkend magister het huis van den bouwmeester binnen, toen deze juist bij den Dombouw vertoefde.
Een scharlaken mantel omhulde de rechtopgaande gestalte en lustig woei de hanenveer van de zwart fluweelen baret. Zeer minzaam gedroeg de vreemdeling zich, zijn voorkomen was zeer aangenaam en vriendelijk waren zijn woorden. Hij wilde den meester bezoeken en daar hij hem niet thuis trof, voerde hij een onderhoudend gesprek met zijn jonge vrouw. Spoedig klonken de woorden minder terughoudend van de lippen der bedeesde vrouw. Veel medegevoel en een warm hart vond zij bij den vreemdeling. Innige deelneming betoonde hij de veronachtzaamde gade, en tot dank deelde zij hem onder zuchten en klachten mede, hoe de achterdocht zich tusschen haar en haar echtgenoot geplaatst had, sedert hij een geheim verborg, dat hem veel verdriet veroorzaakte.
Merkbaar trokken de wenkbrauwen zich samen, onmerkbaar spitsten zich de ooren van den troostbrengenden vreemdeling.
"Evenals elk bestaan kennis van de elementaire grondstoffen vereischt, zoo is uw gemaal slechts dan te helpen, wanneer gij zijn geheim kent," deelde de rondtrekkende man op gewichtigen toon mede. "Beproef, schoone vrouw, door de spraakzaamheid uwer lippen en de macht uwer bekoorlijkheden in een aangenaam minneuurtje het hart en het vertrouwen van den meester te winnen, opdat zijn mond verrade, wat zijn hart verbergt. Dan kan ik u helpen en zult gij de gelukkigste vrouw in het heilige Keulen worden."
De vrouw deed wat haar bevolen was, maar onmachtig kaatsten de pijlen der verleidster op de halsstarrige stilzwijgendheid van den man af. Drie dagen na zijn eerste bezoek verscheen de magister opnieuw.
"Daar gij geen succes gehad hebt, onwaardige Eva's dochter, heb ik nog een ander middel, doch ik vrees, dat gij het versmaden zult."
Door hevige nieuwsgierigheid gekweld, verzocht de vrouw den geleerden magister dringend zich te verklaren.
"Welnu, dan zal ik spreken," roept deze plechtig uit. "Medelijden vereischt de vrouw en dubbel medelijden zij haar geschonken. Ik ken een vreemdsoortig kruidje. Daaruit zal ik uw heer gemaal een drankje brouwen. Hij zal dan 's nachts droomen; zijn droom zal hem verraden, en gij kent zijn geheim."
Vol dank nam zij de gave uit de hand van den vreemden magister aan. 's Avonds schonk zij het drankje in en reikte het haar gemaal. Meester Gerhard zonk uit de omarmingen zijner teedere gade in een vasten slaap. Spoedig werd de slaper onrustig. Zijn mond deed onverstaanbare woorden hooren. Angstig luisterde zijn wakende vrouw. Met de scherpzinnigheid, die haar geslacht eigen is, kwam ze weldra achter de beteekenis der onsamenhangende woorden van den droomer en wist spoedig van de onzalige weddenschap, die meester Gerhard met den Satan in eigen persoon gesloten had.
"Hij zal zijn weddenschap nooit winnen," fluisterde de slaper, "ik ken zijn geheim."
"En wat mag dat zijn?" vroeg met kloppend hart iemand van het geslacht, aan wie de slang destijds den appel bood.
"Hij kan doen, wat hij wil," ging de meester voort. "Nooit zal een eend uit het onderaardsche kanaal zwemmen, indien hij daarin niet op elk kwartier afstands luchtgaten aanbrengt. Maar de duivel zal nooit op deze gedachte komen."
Den volgenden morgen verscheen bij het aanbreken van den dag — nauwelijks had de meester zijn huis verlaten — de rondtrekkende magister. Getrouw deelde de vrouw hem mede, wat zij gehoord had. Toen liet de man in den vuurrooden mantel een zegevierenden lach hooren en verdween. Bleek en angstig bleef de praatzieke vrouw van den meester achter.
IV.
Meester Gerhard stond bovenop de Domkerk. Donkere onweerswolken kwamen aan den kant van den Rijn opzetten. De bouwmeester spoorde de werklieden tot spoed aan. De lucht was zwoel. Daar werd een hand loodzwaar op zijn schouder gelegd. Opgeschrikt uit aangename droomen over de toekomst wendde hij zich om, en zijn gelaat werd plotseling doodsbleek. Achter hem stond de duivel in scharlaken gewaad, de zwarte baret met de wapperende hanenveer versierd. Hij had een zegevierende uitdrukking op het gelaat. Zwijgend wees hij naar beneden; aan den voet van den Dom was een beekje zichtbaar, snaterend zwom een eend in dit water en werd door meerdere gevolgd.
Toen greep woede en vertwijfeling meester Gerhard aan. Verloren was de weddenschap en de ziel. Grijnzend keek de duivel toe en opende de klauwachtige handen.
"Nooit zult ge mij levend hebben!" roept meester Gerhard gillend uit en stort zich in de diepte.
Ratelende donderslagen maken zijn doodskreet onhoorbaar. Vreeselijk woedt het weer. De verlichte hemel gelijkt een vuurzee. De brandklok luidt in den toren — de bliksem was in het huis van den bouwmeester van den Dom geslagen.
De vlammen vernietigden de ontwerpen van den bekwamen meester, en eeuwenlang bleef de reusachtige Dom onvoltooid. Het werk treurde over zijn oprichter, verlaten waren de gewelven, onvoltooid de grootsche torens. De inwoners van Keulen beweerden, dat de geest van meester Gerhard 's nachts klagend om den Dom zweefde. Toornig verweet hij den volgenden geslachten, dat hun laksheid het reuzenwerk, dat de scheppende kracht van vroegere tijden met steenen mond verkondigde, onvoltooid liet. Ongehoord sterft de vertwijfelde klacht van de schim weg. Andere geslachten komen en verdwijnen weder. En eindelijk werd werkelijkheid, wat niemand ooit had durven hopen. Voltooid stond de Dom in zijn vorstelijke pracht daar, als het meest grootsche godshuis van Duitschland.
Sedert dien tijd verscheen meester Gerhard nooit weer. Op de plaats, waar hij onder de verwenschingen van den vorst der hel in de diepte stortte, is zijn beeltenis in steen ter eeuwige gedachtenis opgericht.

Aken
De bouw der Munsterkerk
I.
Eens toen Karel de Groote, keizer der Franken zijn paleis te Aken verliet en een rijtoer maakte, moet zijn paard luid hinnekend zijn poot snel teruggetrokken hebben uit een bron in het bosch, waarin het getrapt had. Toen de ruiter nieuwsgierig afsteeg en de hand in het water stak, moet hij de warme bron ontdekt hebben, die naderhand duizenden zegen aanbracht. Dankbaar erkende de vrome keizer in deze heilbron een welwillend geschenk van de Voorzienigheid, en hij nam het besluit hier ter eere van den Heer een huis te bouwen. Aan den hoef van het paard zou de rondbouw der kerk herinneren. Met frisschen moed werd spoedig aan het bouwen van den trotschen tempel begonnen, en verheugd zag de bejaarde keizer de muren van de Munsterkerk verrijzen. Haar voltooiing zag hij niet meer.
Treurig werkte dit op de bouwlieden. Karel de Groote had het machtigste rijk van het Westen aan een zwakken zoon nagelaten, die tegen zijn eigen kinderen het zwaard moest trekken, teneinde het recht op den troon te behouden.
Toen bleef veel onvoltooid, wat de reuzenhand van Karel den Grooten begonnen was. Ook de bouw der Munsterkerk werd gestaakt. Eenzaam lag het bouwterrein daar, onvoltooid staken de muren en torens omhoog. Tevergeefs beriep de eerzame overheid zich op de liefdadigheid van de christelijke medemenschen, karig kwamen de gaven in, en nooit waren zij toereikend om de Munsterkerk te voltooien.
Zeer dikwijls zaten de raadsleden bij elkaar, en beraadslaagden hoe den drukkenden geldnood te verhelpen en de voltooiing der Munsterkerk te volbrengen. Goede raad was even duur als het materiaal waarvan men kerken bouwt. Toen zij weder eens in het raadhuis bij elkaar zaten, liet een vreemde heer zich aandienen. Hij had den edelachtbaren raad gewichtige zaken mee te deelen. Hij werd binnen gebracht en deelde niets minder mee, dan dat hij den waarden raad van de stad Aken het geld ter voltooiing van den Dom voor zou schieten. Wantrouwend zagen de waardige heeren naar den vreemd gekleeden spreker met het bijzondere gezicht met den puntbaard; deze echter liet zich door de schuwe blikken niet in de war brengen maar herhaalde vrijmoedig, doch beleefd zijn aanbod.
[Illustratie: Stavoren Nach einem Stich von Holbein]

"Ik zou u gaarne uit uw tijdelijke geldverlegenheid helpen, hoogedele Heeren en begeer niet eens terugbetaling van de duizenden, die ik U aanbied. (Hier trokken de edelachtbare raadsleden de wenkbrauwen op en spitsten de ooren.) En, opdat uw trots mijn leening niet af zou slaan, stel ik slechts een kleinigheid tot voorwaarde: n. l. dat, wanneer de bouw volbracht is, de eerste, die op den dag der inwijding de kerk betreedt, mij met lijf en ziel zal toebehooren."
Toen sprongen de wijze heeren ontsteld van hun zetels op en velen maakten eerbiedig een kruis; want wie anders, dan de duivel kon zulk een helschen eisch stellen.
De edelachtbare burgemeester keek reeds zeer vertoornd "Ga van ons," mompelde hij, "gij, die slechts ergernis te weeg brengt."
Rustig en kalm stond de satan daar.
"Laat mij een vroom woord uit den Bijbel op dezelfde wijze beantwoorden. Waarom zijt gij zoo vreesachtig, gij kleingeloovigen? Overweegt of ik vermetel ben, omdat ik één ziel voor mij bedongen heb, terwijl het krijgszwaard vlamt tusschen vader en zoons, tusschen broeders en duizenden voor de nuttelooze eerzucht opgeofferd worden. Daar worden door een mensch duizenden geofferd, terwijl zich hier voor aller welzijn slechts een enkele behoeft op te offeren." Zegevierend flikkerde het oog van den vreemd gekleeden spreker; want op de trekken van de wijze raadsheeren las hij een goedgunstig antwoord. Het aantal der besluiteloozen werd met de minuut kleiner, tot eindelijk ook de laatste geen gewetensbezwaar meer koesterde. De overeenkomst kwam tot stand en de vreemde nam met een triomfantelijk lachje afscheid, terwijl de waardige heeren met een beklemd hart op de beloofde som wachtten. Zij kwam nog denzelfden dag, onvervalscht en goed van gehalte en er heerschte groote vreugde in den hoogen Raad van de stad Aken.
II.
Wederom werkten de metselaars en timmerlieden aan den Dom te Aken. Vlijtig werd er voortgegaan om het verzuimde in te halen, en de voltooiing van de Munsterkerk naderde steeds meer en meer. Drie jaren waren intusschen verstreken en de dag brak aan, waarop de nieuwe godstempel ingewijd zou worden. Die inwijdingsdag zou een feestdag worden voor de stad Aken. Tallooze wereldlijke en geestelijke heeren waren verschenen en menigeen prees het prachtige godshuis, de milddadigheid van de burgers en de wijsheid van den prijzenswaardigen raad. Deze echter bevond zich in groote verlegenheid. Zeer wijselijk had geen der waardige vaders iets van het verdrag met den Satan verteld; slechts een van hen had het in een zwak uur aan zijn vrouw opgebiecht. En sedert dat uur werd het geheim wel aan honderd ooren ingefluisterd.
Zoo kwam het, dat op den dag der inwijding zeer vele eerwaarde abten en prelaten, alsook talrijke ridders en heeren met begrijpelijken angst het uur tegemoet zagen, waarop de feestelijke stoet zich naar de Munsterkerk zou begeven.
Een vreemde optocht was het, de vaandels wapperden, de fanfares schetterden, maar de menschen in de schitterende wapenrustingen en veelkleurige prachtige ornaten zagen er zeer onrustig uit. En menig bezorgd gelaat keek angstig naar den hemel of daar wellicht plotseling een magere gestalte met een duivelachtig gezicht, paardenvoeten en vleermuisachtige vleugels zou komen toeschieten.
Daar kwam op eens beweging onder de menigte. Door de open ruimte in de processie kwamen, van hun overwicht bewust, de waardige vaders der stad. Voor hen uit schreden vier reusachtige landsknechten en hielden met krachtige hand een bedekte kooi omvat.
De abt van St. Florian had een listig plan verzonnen om den Booze te verschalken.
De stoet had de Munsterkerk bereikt en de eersten, die voor het Godshuis stonden, waren de vier mannen met de kooi. Nu trekt een van hen het omhulsel er af en voor het traliewerk laat een huilende wolf de tanden zien. Terwijl de beide anderen door een fermen stoot met de hellebaard de vleugeldeuren naar binnen openwerpen, jaagt de vierde met zijn spies het gevangen dier in de geopende kerk. Daarbinnen weerklinkt een helsch lawaai; achter den ingang verscholen, had de Booze loerend zijn prooi afgewacht en was begeerig het dier nageijld. Op hetzelfde oogenblik stiet hij woedende kreten uit, daar hij zich verschalkt zag. Snuivend ging hij achter den armen wolf aan, brak hem den nek en stoof onder het slaken van vele verwenschingen weg. De lucht was door zwavelachtige dampen verduisterd.
Beneden echter, in de hallen der kerk, verdrong zich de volksmenigte, die bij klokkenspel en trompetgeschal de goedheid des Heeren prees.
III.
Ondertusschen trok de gefopte duivel, terwijl hij gruwelijke verwenschingen slaakte, door het land van Aken. Dat men hem met een ellendige ziel van een wolf beetgenomen had, zou de inwoners van Aken berouwen. Hij was intusschen aan de zee gekomen en toen hij zoo spijtig en boos van het gele duinstrand naar den grijzen vloed keek, kwam hij op een helsche gedachte. Hij wilde hen allen begraven, de prelaten, ridders, mannetjes en vrouwtjes van Aken.
Met een forschen ruk trok hij een zandberg van den oever los, laadde hem op zijn schouders en aanvaardde den terugtocht naar Aken. Maar de weg was zeer lang, zoodat de duivel het vreeselijk warm kreeg en den wind vervloekte, die hem voortdurend een stofregen van zand in de oogen joeg. Hij was reeds aan het Soerserdal gekomen en hield daar buiten adem stil. Zelfs den duivel kan menige last te zwaar worden.
Een oud, verschrompeld vrouwtje, dat op den weg voorbij strompelde, keek wantrouwend naar den lastdrager met zijn vreemden last. Zij wilde onbemerkt voorbij gaan, maar de andere hield haar aan en vroeg hoe ver de weg naar Aken nog was. Toen eerst heeft het vrouwtje hem aandachtiger aangekeken en haar gerimpeld gelaat nam een ernstige uitdrukking aan, alsof haar opeens een hooger licht opging. Zij had geen twee en zeventig jaar moeten tellen om in den knorrigen man niet den werkelijken Satan te kerkennen, en te raden, dat hij tegen de waardige stad Aken wat slechts in den zin had. Terstond heeft de oude dan ook een verdrietig gezicht getrokken, en op klagenden toon geantwoord:
"Dan zijt gij er slecht aan toe, waarde heer. De weg naar Aken is zeer lang. Ziet gij hoe mijn schoenen, die ik vanmorgen juist van den schoenmaker ontvangen heb, door de lange wandeling versleten zijn?"
De duivel stiet een nijdigen vloek uit, schudde den zandberg van zich af en trok, onder het slaken van een gruwelijke verwensching tegen de stad Aken, af. Het oude vrouwtje maakte een kruis en was zeer verheugd de eerwaarde stad Aken dicht voor de poorten — het was volstrekt niet ver meer naar Aken — van een groot gevaar bevrijd te hebben.
Nog altijd ligt deze zandberg daar, waar een oude vrouw den duivel te listig, volgens de taal van die streek "los" af was, zoodat de berg tot op heden "Losberg" heet. Ook het aandenken aan het arme wolfje, dat in de klauwen van den duivel viel, hebben de inwoners van Aken in de ijzeren deur van hun Dom vereeuwigd. Ook in de vleugeldeuren ziet men nog de spleet, die daarin ontstaan zou zijn, toen de vertoornde vorst der hel in machtelooze woede de kerkdeur achter zich dichtsloeg.

Transcriber's Notes:
De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:
[Die blinde schutter]
—> [De blinde schutter]
(in de inhoudsopgave)
[gaf ik niet oongaarne]
—> [gaf ik niet ongaarne]
[Ruine Fürstenberg]
—> [Ruïne Fürstenberg]
(dit komt tweemaal zo voor in de tekst)
[Marienburg]
—> [Mariënburg]
(dit komt viermaal zo voor in de tekst)
[den op en ondergang]
—> [den op- en ondergang]
[zons en maansverduisteringen]
—>
[zons- en maansverduisteringen]
[met zijn bevijding]
—> [met zijn bevrijding]
[erkentelijkkeid]
—> [erkentelijkheid]
[halve honderd glaren]
—> [halve honderd glazen]
[in Voorromeinschen lijd]
—> [in Voorromeinschen tijd]
[het op "komende zijk weder te gronde gericht hebben"]
—>
[het opkomende rijk weder te gronde gericht hebben.]
[waarin die heldenfiguur]
—> [waarin de heldenfiguur]
[aan den Rijn verstigden.]
—> [aan den Rijn vestigden.]
[en daaronden]
—> [en daaronder]
[den verstandigen ab]
—> [den verstandigen abt]
[Gelijdelijk verdwijnen]
—> [Geleidelijk verdwijnen]
[opnieuw een belofde]
—> [opnieuw een belofte]
[man dapper afscheid]
—> [nam dapper afscheid]
[mijn knechten hedden]
—> [mijn knechten hadden]
[in de eenzaanheid]
—> [in de eenzaamheid]
[zeven schoonheiden]
—> [zeven schoonheden]
[De treurige krijstocht]
—> [De treurige krijgstocht]
[I. Ronald was een fier]
—> [II. Ronald was een fier]
(de nummering klopte niet)
[en lekten liefkoozend]
—> [en likten liefkoozend]
[dien zij verkelijk lief kreeg]
—>
[dien zij werkelijk lief kreeg]
[haar zijk, gevoelvol]
—> [haar rijk, gevoelvol]
[van te tinnen]
—> [van de tinnen]
[het lezen daarwan]
—> [het lezen daarvan]
[oonferenties hield]
—> [conferenties hield]
[op grond van gefungeerde]
—> [op grond van gefingeerde]
[belegeraars do overwinning]
—>
[belegeraars de overwinning]
[zijn tooverformulier]
—> [zijn tooverformule]
[totaan het uur]
—> [tot aan het uur]
[in zijn puntbaart]
—> [in zijn puntbaard]
[det hoogste geluk]
—> [het hoogste geluk]
["de hameraar", go oemd hebben.]
—>
["de hameraar", genoemd hebben.]
[Wolf vån Hammerstein,]
—> [Wolf van Hammerstein,]
[groeten en boodsschappen]
—> [groeten en boodschappen]
[Een bovenaarsche glans]
—> [Een bovenaardsche glans]
[on zoekt niet door]
—> [en zoekt niet door]
[twee linke zonen]
—> [twee flinke zonen]
[minder goet gezind.]
—> [minder goed gezind.]
[midden der vijtiende eeuw]
—> [midden der vijftiende eeuw]
[herhaarde hij vol onuitsprekelijk leed]
—>
[herhaalde hij vol onuitsprekelijk leed]
[De schilderij is]
—> [Het schilderij is]
[ter eenwige gedachtenis]
—> [ter eeuwige gedachtenis]
[hij nam het beschuit]
—> [hij nam het besluit]
[wat slechs in den zin]
—> [wat slechts in den zin]
Een lijst met illustraties is toegevoegd, vlak na de inhoudsopgave.
Aan het eind van verschillende hoofdstukken staat een symbool. Dit symbool is alleen zichtbaar in de HTML-versie. Zo zijn ook de paginanummers alleen zichtbaar in de HTML-versie.
De plaatsing van de illustraties in de verhalen is exact zo gehandhaafd als in het papieren origineel. Vaak blijken de bijbehorende verhalen ergens anders in het boek te staan.
Er zijn een aantal interpunctie fouten gecorrigeerd die hier niet specifiek genoemd worden.