← Table of contents
Romeo en Julia

Vierde Bedrijf.

L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation

Eerste Tooneel.

De cel van broeder Lorenzo.

Broeder Lorenzo en Paris komen op.

Lorenzo.

Op Donderdag? voorwaar, dat is kort dag.

Paris.

Zoo wil ’t mijn vader Capulet, en ik

Ben niet zoo koel, dat ik zijn spoed vertraag.

Lorenzo.

Gij weet niet, zegt ge, hoe de jonkvrouw denkt;

De weg is ongebaand, ’t bevalt mij niet.

Paris.

Ze weent onmatig over Tybalts dood,

En daarom sprak ik weinig nog van liefde;

Want Venus glimlacht niet in ’t huis der tranen.

Maar wijl haar vader er gevaar in ziet,

Dat zij aldus haar droefheid heerschen laat,

Verhaast hij in zijn wijsheid onzen echt,

Om zoo dien tranenvloed te stuiten, die,

Door ’t eenzaam leven al te zeer gevoed,

Gekeerd zal worden door gezelligheid;—

Nu weet gij de oorzaak van deez’ haast.

Lorenzo

Nu weet gij de oorzaak van deez’ haast.

(ter zijde).

Wist ik

Den grond maar niet, die hier vertraging eischt!

(Luid).

Zie, graaf, daar treedt de jonkvrouw in mijn cel.

(Julia treedt binnen.)

Paris.

Wat schoone ontmoeting, mijn geliefde bruid!

Julia.

Schoon zal ’t eerst zijn, begroet ik u als bruid!

Paris.

Zoo groeten wij toch Donderdag elkaâr.

Julia.

Wat moet zijn, zal zijn.

Lorenzo.

Wat moet zijn, zal zijn. Dat is altijd waar.

Paris.

Komt gij ter biecht bij deez’ eerwaarden man?

Julia.

Zeide ik U dit, ik kwam bij u ter biecht.

Paris.

Verzwijg het hem niet, dat gij mij bemint.

Julia.

Aan u belijde ik, dat ik hem bemin.

Paris.

En zeker hem ook, dat ge mij bemint.

Julia.

Als ik dit doe, stel ’t zeer op prijs; ik spreek

Dan achter uwen rug, niet in ’t gezicht. 28

Paris.

Ach! uw gezicht heeft van geween geleden.

Julia.

Een kleine zege voor mijn tranen; ’t was,

Aleer zij zoo het schonden, niet veel waard.

Paris.

Die smaad is erger schennis, dan die tranen.

Julia.

De waarheid, graaf, kan nimmer schennis zijn;

En ’k smaalde daar mijzelf in ’t aangezicht.

Paris.

’t Gezicht, dat gij zoo smaadt, is mijn gezicht.

Julia.

’t Zou kunnen zijn, ’t is van mijzelve niet.—

Kom ik u, heil’ge vader, thans gelegen,

Of zal ik keeren tegen vespertijd?

Lorenzo.

’k Heb thans wel tijd voor u, bezwaarde dochter.—

Ik bid u, eedle graaf, laat ons alleen.

Paris.

Verhoede God, dat ik uw vroomheid stoor!

Ik wek u, Julia, Donderdag reeds vroeg;

Zoolang vaarwel; en neem deez’ heil’gen kus!

(Paris kust haar de hand en gaat heen.)

Julia.

O, sluit de deur, en dan, o ween dan met mij!

’t Is alles uit, geen hulp, geen heil, geen hoop!

Lorenzo.

Ach Julia, ’k weet uw leed alreeds; het maakt

Mijzelf verward, verbijsterd, radeloos;

Ik hoor, gij moet,—en niets vertraagt dit meer,—

Op Donderdag gehuwd zijn met den graaf.

Julia.

Zeg, vader, niet, dat gij dit hebt gehoord.

Of zeg mij ook, hoe ik ’t verhoeden kan.

En als uw wijsheid mij geen redding weet,

Erken dan slechts, wat ik besloot, als wijs,

En ’k help terstond mijzelve met dit staal.

God voegde Romeo’s hart en ’t mijne saam,

Gij onze handen; en eer deze hand,

Die gij gezegeld hebt aan Romeo,

Zich aan een ander echtverbond laat zeeg’len,

Of mijn trouw hart verraad pleegt, van hem afvalt,

Zich naar een ander keert, doodt dit die beide.

Dus geef, uit uw veeljarige ondervinding,

Mij snellen raad; of anders zij dit staal

Scheidsrechter tusschen ’t dreigend lot en mij;

’t Beslechte, wat uw wijsheid en ervaring

Niet tot een eervolle uitkomst brengen kan.

Spreek bondig, snel; gewenscht is mij de dood,

Brengt, wat gij spreekt, geen redding in mijn nood.

Lorenzo.

Hoû op, mijn dochter, ’k speur een zweem van hoop; 68

Maar ze eischt een hand’ling zoo wanhopig, als

De wanhoop is, die gij te ontkomen wenscht.

Hebt gij de kracht van wil, dat ge eer uzelf

Den doodsteek geeft, dan dat gij Paris huwt,

Dan biedt ge ook wel den schijn des doods de hand,

Keert gij daardoor deez’ smaadheid van u af,

Gij, die in de’ arm des doods haar wilt ontgaan.

Hebt gij dien moed, dan bied ik ’t middel aan.

Julia.

O, zeg mij, liever dan den graaf te huwen,

Een sprong te doen van gindschen torentrans;

Zend mij, waar roovers loeren, slangen sissen,

Of keten mij aan woeste beren vast;

Of sluit mij op, ’s nachts, in een knekelhuis,

Rondom door ramm’lend doodsgebeent’ bedolven,

Door bruine schenkels, kakelooze schedels;

Of doe mij in een pas gedolven graf,

Mij hullen met een lijk in ’tzelfde kleed,—

Ja, al waarvan ’t verhaal mij siddren deed,

Ik zal het zonder vrees of weifling doen,

Om de onbevlekte gâ mijns liefs te blijven.

Lorenzo.

Welaan, ga welgemoed naar huis, en stem

In de’ echt met Paris toe. ’t Is morgen Woensdag;

Draag zorg, de nacht, die volgt, alleen te zijn;

Uw voedster slaap’ dan niet in uw vertrek.

Neem dan dit fleschje, als gij te bedde ligt,

En drink dit vocht, van kruidensap bereid.

Onmidd’lijk zal een kille slaap’righeid

Door al uw aad’ren stroomen; iedre pols

Verflauwt, staat stil; geen warmte of adem tuigt,

Dat gij nog leeft; het rood van wang en lip

Wordt grauw als asch; het luik der oogen valt,

Als sloot de dood den dag des levens af.

Elk lid, van buigingskracht beroofd, wordt stijf

En strak en koud, als door de hand des doods.

En zulk een schijnbeeld van den killen dood

Verblijft gij twee en veertig uren lang;

Dan zult ge ontwaken als uit zoeten slaap.

Verschijnt des morgens dus uw bruidegom,

En wekt hij u tot de’ echt, dan zijt ge dood;

En, naar ’s lands wijze, wordt gij op de baar

In uwe schoonste kleedren, onbedekt,

Gedragen naar datzelfde aloud gewelf,

Dat heel ’t geslacht der Capulets omsluit.

Omstreeks den tijd, dat gij ontwaken zult,

Zal Romeo, wien ’k alles schrift’lijk meld,

Hierheen zich spoeden; samen wachten wij

’t Ontwaken af, en nog die eigen nacht

Geleidt hij u van hier naar Mantua.

Dit redt u van den smaad, die u bedreigt,

Als niet door wankelheid of vrouwlijke angst

Uw kloeke moed in ’t handlen zelf bezwijkt.

Julia.

O, geef toch, geef; spreek niet tot mij van angst.

Lorenzo.

Neem ’t dan, en ga. Volhard in uw besluit;

Dan wacht u heil. Een kloosterbroeder brengt

Terstond mijn brief naar uwen gade heen.

Julia.

Dat liefde kracht, en kracht mij hulp verleen!

Vaarwel, eerwaarde vader!

(Beiden af.)

Tweede Tooneel.

Een kamer in Capulet’s huis.

Capulet, Gravin Capulet, de Voedster en twee Bedienden komen op.

Capulet.

Ga, neem deez’ lijst en noodig al die gasten.

(Bediende af.)

Gij, huur me een twintigtal bekwame koks.

Tweede Bediende.

Ik zal zorgen, heer, dat er geen enkele slechte onder loopt, want ik zal zien, of ze hun vingers wel goed kunnen aflikken.

Capulet.

Waartoe moet die proef dienen?

Tweede Bediende.

Wel, heer, het zeggen is, dat het een slechte kok is, die zijn eigen vingers niet kan aflikken; daarom, die dit niet kan, daar wil ik niets van weten.

Capulet.

Ga, maak voort.

(Bediende af.)

De tijd is kort, wij komen nauw’lijks klaar.—

Zeg, is mijn dochter naar Lorenzo toe?

Voedster.

Ja zeker, heer.

Capulet.

Nu, ’k hoop dan maar, dat zijn vermaan wat helpt;

Zij is een eigenzinnig, luimig ding.

(Julia komt op.)

Voedster.

Daar komt zij van de biecht en welgemoed.

Capulet.

Hoe is ’t, mijn stijfkop? Waar hebt gij gezworven?

Julia.

Waar ’k leerde door berouw de schuld te boeten,

Dat ik halsstarrig weerstand bood aan u

En uw gebod; en waar de heil’ge man

Mij heeft gelast, geknield, heer, u vergiff’nis

Te vragen.—Schenk vergeving, smeek ik u;

Voortaan vindt gij mij steeds een volgzaam kind.

Capulet.

Een boodschap naar den graaf! bericht hem dit;

En morgen vroeg zij nu de knoop gelegd.

Julia.

Den jongen graaf ontmoette ik bij Lorenzo,

En heb hem zooveel minzaamheid getoond,

Als met de zedigheid bestaanbaar is. 27

Capulet.

Dat hoor ik gaarne; nu ’t is goed; sta op;

Zoo moet het zijn!—Ik wil den graaf nu spreken;

Kom, ga dan, zeg ik, ga toch, haal hem hier.—

Bij God, die eerbiedwaarde, heil’ge vader

Heeft heel de stad ten zeerste aan zich verplicht.

Julia.

Kom, voedster, ga nu mede, naar mijn kamer,

En help mij bij de keuze van den tooi,

Dien gij op morgen ’t beste voor mij acht.

Gravin Capulet.

Neen, Donderdag is ’t eerst, er is geen haast.

Capulet.

Ga, voedster, mee; ’t is morgen; dan ter kerk.

(Julia en de Voedster af.)

Gravin Capulet.

’t Is veel te kort om alles te beschikken,

Zie, de avond valt!

Capulet.

Zie, de avond valt! Stil, laat mij maar begaan;

’t Zal alles klaar zijn, vrouw, ik sta u borg.

Ga gij naar Julia, help haar aan haar kleeding.

’k Ga niet naar bed van nacht; laat mij begaan,

’k Wil nu ook eens voor huisvrouw spelen.—Hé!—

Wat! allen weg!—Dan zal ikzelf graaf Paris

Gaan zeggen, dat hij zorg’ gereed te zijn

Op morgen vroeg.—Het is me een steen van ’t hart,

Nu zoo dat koppig ding tot inkeer kwam.

(Beiden af.)

Derde Tooneel.

Julia’s kamer.

Julia en de Voedster komen op.

Julia.

Ja, dit kleed is het best; maar, lieve min,

Laat, bid ik u, mij deze nacht alleen;

Want ik behoef wel meen’ge bede, opdat

De hemel vriendlijk op mijn toestand blikk’,

Die, als ge weet, verkeerd is en vol zonde.

(Gravin Capulet komt op.)

Gravin Capulet.

Hoe, zoo bedrijvig nog? kan ik u helpen?

Julia.

Neen, moeder, alles is gereed gelegd,

Wat voor mijn kerkgang morgen wordt vereischt;

Wees slechts zoo goed en laat mij nu alleen,

En laat deez’ nacht de voedster met u waken,

Want gij hebt zeker wel uw handen vol

Bij zulk een haastig huw’lijk.

Gravin Capulet.

Bij zulk een haastig huw’lijk. Goede nacht!

Ga gij te bed, neem rust; dat hebt ge noodig.

(Gravin Capulet en de Voedster af.)

Julia.

Vaarwel!—God weet, wanneer we elkander weêrzien.—

Door de aad’ren rilt me een matte, killende angst,

Die ’s levens warmte schier bevriezen doet;

Ik roep haar weer tot stilling van mijn vrees.

Hé, voedster!—Maar waartoe? 18

Mijn schrikb’re taak moet ik alleen voleinden.—

Kom, fleschje!—

Maar hoe, als deze drank geen werking had?

Moet ik volstrekt dan morgenochtend huwen?

Neen; gij belet dit, gij; lig daar gereed.

(Zij legt een dolk bij zich neêr.)

Doch, als het eens vergift was, dat de monnik

Arglistig had bereid, opdat ik sterve,

En hij door dezen echt niet worde onteerd,

Wijl hij mij eerst met Romeo verbond?

Ik vrees het; en toch, dunkt mij, ’t kan niet zijn;

Hij is beproefd, bleek steeds een heilig man.—

Maar hoe, wanneer ik, in het graf gelegd,

Ontwake vóór den tijd, dat Romeo

Mij komt bevrijden? welk ontzettend lot!

Zal ik dan niet versmoren in ’t gewelf,

Welks giftmond nimmer zuivre lucht doorstroomt,

Den stikdood sterven, eer mijn Romeo komt?

Of, leef ik al, is ’t niet waarschijnlijk, dat

Het huivringwekkend beeld van dood en nacht,

Vereend met al de afgrijslijkheid der plaats,—

Dat grafgewelf, dat oud verblijf des doods,

Waar, al zoo menig honderd jaar, ’t gebeent’

Van heel mijn voorgeslacht is opgehoopt;

Waar Tybalt, bloedig, pas aan de aard vertrouwd,

In zijne wâ vergaat; waar, zoo men zegt,

Des nachts op sommige uren geesten waren;—

Wee, wee mij, is het niet waarschijnlijk, dat

Ik, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bij

Gekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd,

Dat levenden, die ’t hooren, zinloos maakt,—

O, zal ’k, ontwakend, niet verbijsterd zijn,

Omringd van al die aak’ligheid en schrik,

En zinloos spelen met eens grootvaârs rif,

En Tybalts lichaam plukken uit zijn wâ;

En mij, zoo razend, met eens voorzaats knook,

Als met een knots, ’t arm brein te pletter slaan?

O, zie! daar is ’t me, als zie ik Tybalts geest!

Hij zoekt mijn Romeo, die met een zwaard

Hem heeft gespietst!—Sta, Tybalt! weg! ik gruw!—

Romeo, ik kom! Deez’ dronk wijd ik aan u.

(Zij werpt zich op haar bed.)

Vierde Tooneel.

Een zaal in Capulet’s huis.

Gravin Capulet en de Voedster komen op.

Gravin Capulet.

Hier, neem de sleutels, haal nog specerijen.

Voedster.

Voor de pasteien zijn nog dadels noodig,

En kweeën ook.

(Capulet komt op.)

Capulet.

En kweeën ook. Kom, vlug, vlug! vlug! daar is

Het tweede haangekraai al. Hoor, daar luidt

Het morgenklokje reeds. Het is drie uur.

Angelica, kijk gij naar de pasteien;

Geen geld gespaard!

Voedster.

Geen geld gespaard! Kom, keukenklauwer, ga!

Ga liever slapen; morgen zijt gij ziek

Van ’t waken van deez’ nacht.

Capulet.

Van ’t waken van deez’ nacht. Neen, neen, geen nood;

’k Heb vroeger vaak een heele nacht gewaakt,

Als ’t minder noodig was; en ’t deed mij niets.

Gravin Capulet.

Ja, ja, ge hieldt wel van een maanschijnjacht;

Maar ’k waak wel, dat ge thans zoo niet meer waakt.

(Gravin Capulet en de Voedster af.)

Capulet.

Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?

(Bedienden met braadspitten, houtblokken en manden komen op.)

Jaloersch, waarachtig nog jaloersch? Hé knaap!

Wat hebt ge daar?

Eerste Bediende.

’t Is voor den kok, heer, maar ik weet niet wat.

Capulet.

Maak voort, maak voort!

(Eerste Bediende af.)

Maak voort, maak voort! Gij knaap, haal droger blokken;

Laat Peter u maar wijzen, waar ze zijn.

Tweede Bediende.

’k Ben, heer, wel slim genoeg om zelf de blokken

Te vinden, en ’k laat Peter maar met rust.

(Bediende af.)

Capulet.

Nu, bij mijn ziel, wilt gij zoo’n slimmerd zijn,

Dan maak ik u tot blokkersbaas!—’t Is dag;

Zoo daadlijk komt de graaf hier met muziek;

Zoo, zei hij, was zijn plan.—

(Muziek buiten.)

Zoo, zei hij, was zijn plan.— Ik hoor hem al.—

Hé, minne! vrouw! kom hier! hé, minne, kom!

(De Voedster komt op.)

Ga Julia roepen, tooi haar op als bruid.

Ik ga wat keuvlen met graaf Paris.—Vlug!

Maak spoed, maak spoed! De bruîgom is er al;

Maak spoed, zeg ik.

(Beiden af.)

Vijfde Tooneel.

Julia’s kamer. Julia op haar bed.

De Voedster komt op.

Voedster.

Hé jonkvrouw!—jonkvrouw!—Julia!—Nu, die slaapt!

Mijn duif je!—kom toch, jonkvrouw!—Foei, gij slaapster!—

Mijn hartje!—Hoor toch, jonkvrouw!—Kom toch, bruidje!—

Hoe is ’t? Geen woord?—Wel, wel, ge slaapt vooruit

Wel voor een week;—nu, nu, de nacht, die komt,

Zet wis graaf Paris wel zijn rust op ’t spel,

Dat gij uw rust niet hebt.—Wel, God vergeev’ me!

Waarachtig; zie eens! nu, die slaapt gezond!

Maar wakker moet ze.—Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!

Zoo straks verrast de graaf u nog in bed;

Dan springt gij op met schrik.—Hoe is ’t, nog niet?—

(Zij slaat de gordijnen open.)

Wat! aangekleed! en zoo gekleed gaan liggen!

Ik moet u wekken. Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw!

O God! wat is dat? help, help, help! ze is dood!

O dag van ramp! o ware ik nooit geboren!—

Een hartversterking, ach!—O graaf! gravin!

(Gravin Capulet komt op.)

Gravin Capulet.

Wat is dat hier?

Voedster.

Wat is dat hier? O jammervolle dag!

Gravin Capulet.

Wat is er dan?

Voedster.

Wat is er dan? Zie, zie! O, dag van ramp!

Gravin Capulet.

Wee mij! wee mij! Mijn kind, mijn eenig leven!

Herleef! zie op, of ik, ik sterf met u!

Hulp, hulp! Roep hulp!

(Capulet komt op.)

Capulet.

Wel foei! Breng Julia toch! haar man is daar.

Voedster.

Ze is dood, gestorven, dood; o dag van wee!

Gravin Capulet.

O dag van wee, ze is dood, ze is dood, ze is dood!

Capulet.

Wat! Laat mij zien! Helaas, ’t is uit! ze is koud!

Haar bloed staat stil, haar leden zijn verstijfd,

Dien lippen is het leven lang ontvloden!

De dood ligt op haar, als een booze nachtvorst

Op ’t schoonste, geurigst bloempje van het veld.

Voedster.

O jammervolle dag!

Gravin Capulet.

O jammervolle dag! O tijd van wee!

Capulet.

De dood, die haar geroofd heeft tot mijn jammer,

Verstijft mijn tong en laat geen klacht mij toe.

(Broeder Lorenzo en Paris komen op, door muzikanten vergezeld.)

Lorenzo.

Komt, is de bruid gereed ter kerk te gaan? 33

Capulet.

Gereed tot gaan, om nimmer weer te keeren.—

O zoon, de nacht voor uwen huwlijksdag

Nam haar de dood tot gade. Zie, daar ligt zij;

Een schoone bloem, ontbladerd door den dood.

Mijn schoonzoon is de dood; de dood beërft mij,

Als man van mijne dochter. Sterven wil ik;

Mijn lijf, mijn have en goedren erv’ de dood.

Paris.

Hoopte ik zoo lang dit morgenrood te zien,

En geeft het zulk een jammer mij te aanschouwen?

Gravin Capulet.

O vloekdag, rampvol, aak’lig, zwart, verfoeilijk!

Onzaligst, bitterst uur, dat ooit de tijd

Aanschouwd heeft op zijn langen pelgrimstocht!

Slechts één, één arm, één arm, beminnend kind,

Één enkel wezen voor mijn vreugde en troost,

En dat heeft mij de wreede dood ontrukt!

Voedster.

O jammer-, jammer-, jammervolle dag!

O dag van jammer, dag van ’t diepste wee,

Zooals ik nimmer, nimmer heb gezien!

O dag, o dag, o dag, o vloekb’re dag!

Nooit werd een dag, zoo zwart als deze, aanschouwd;

O dag van wee, o dag van wee!

Paris.

Misleid, beroofd, gehoond, gekrenkt, vernietigd!

Vloekwaarde, booze dood, door u misleid;

Door u zoo wreed, zoo wreed ter neer geveld!

O liefde, o leven!—Neen, geen leven meer,

Slechts liefde nog, den dood gewijd!

Capulet.

Slechts liefde nog, den dood gewijd! Veracht,

Gehaat, tot smaad gedoemd, gemarteld, dood!

Onzaal’ge dag, waarom verreest ge alleen

Om ’t plechtig feest te niet, te niet te doen?—

O kind, o kind!—Mijn ziel, en niet mijn kind!—

Dood zijt ge, dood!—Helaas, mijn kind is dood!

Mijn vreugd zinkt mèt haar in der aarde schoot!

Lorenzo.

Stil, schaamt u! stil! Dit heilloos jamm’ren schenkt

Geen troost in ’t leed. Gij deeldet met den hemel

Deze engel; nam de hemel haar geheel,

Het heerlijkst lot viel aan uw kind ten deel.

Gij kondt ùw deel niet veil’gen voor den dood,

De hemel schenkt zijn deel onsterflijkheid.

Haar te verheffen was uw hoogste doel;

Uw hemel was ’t, verheven haar te zien,

En weent gij, nu gij haar verheven ziet,

Hoog boven wolken, ja ten hemel zelf?

Verkeerde liefde wijdt ge uw kind; uw leed

Is redeloos, nu gij haar zalig weet!

Een lange trouw is niet de beste trouw;

Die vroeg den hemel trouwt, heeft nooit berouw.

Wischt dan uw tranen! siert dit schoone lijk

Met rosmarijn, en brengt haar naar ’s lands wijs

In ’t schoonste feestgewaad ter kerke heen;

Want dwing’ natuur in ’t leed ons tranen af,

De rede noemt die plenging dwaas, ja, laf. 83

Capulet.

Ach, al wat tot het feest was voorbereid,

Wordt thans de tolk van onze treurigheid;

’t Blij snarenspel wordt romm’lend klokgebrom,

De bruiloftsdisch een droevig doodmaal nu,

De jubellied’ren sombre grafgezangen,

De bruidskrans dient tot tooiing van een lijk,

En alles is in ’t tegendeel verkeerd.

Lorenzo.

Heer, thans van hier;—en volg gij, eedle vrouw!—

Ook gij, graaf Paris;—maak’ zich elk gereed,

Deez’ schoone doode naar het graf te volgen.

De hemel straft hier wis een booze daad;

Tergt hem niet meer en eert zijn hoogen raad.

(Capulet, Gravin Capulet, Paris en Lorenzo af.)

Eerste Muzikant.

Op mijn woord, wij kunnen onze instrumenten wel inpakken, en aftrekken.

Voedster.

Ja, goede lieden, pakt maar in, pakt in;

Gij ziet het zelf, ’t is treurig met dit huis.

(De Voedster af.)

Eerste Muzikant

(op het foedraal van zijn instrument wijzende). ’t Wordt tijd voorwaar, dit huis weer op te lappen.

(Peter komt op.)

Peter.

Muzikanten, o muzikanten; speelt toch eens: „Schep vreugde in ’t leven!” O! als ge wilt, dat ik ’t leven heb, speelt dan: „schep vreugde in ’t leven!”

Eerste Muzikant.

Waarom „Schep vreugde in ’t leven?”

Peter.

Ach muzikanten, omdat mijn hart zelf speelt: „Breek, breek mijn hart, van ’t wee!” O speelt mij eens een vroolijke weeklacht om mij wat op te beuren.

Eerste Muzikant.

Niets van weeklacht, ’t is nu geen tijd van spelen.

Peter.

Ge wilt dus niet?

Muzikanten.

Neen.

Peter.

Daar zult ge voor hebben!

Eerste Muzikant.

Wat wilt ge geven?

Peter.

Geen geld voorwaar, maar een naam: ik noem je stomme muzikanten.

Eerste Muzikant.

En wij jou een stomme’ knecht. 118

Peter

(zijn koksmes trekkend). En dan bespeel ik je met dezen strijkstok, tot je geluid geeft; je zult wel merken, ik heb wel noten op mijn zang, ik zal je mifasollen, heele maat!

Eerste Muzikant.

Als je met ons sollen wilt, dan staat hier je maat!

Tweede Muzikant.

Kom, pak dat scherp stuk ijzer maar weer in, en wat geest uit.

Peter.

Past dan maar op voor mijn geest. Ik zal je steken met mijn scherpen geest en mijn stuk ijzer weer opsteken. Geeft mij nu antwoord als mannen:

„Is ’t hart van zware zorgen krank,

En droef en dof ’t gemoed,

Muziek maakt met haar zilverklank”—

Waarom „muziek met haar zilverklank?”—

Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?

Eerste Muzikant.

Wel, man, omdat zilver een liefelijken klank heeft.

Peter.

Lorrepraat!—Wat zeg jij, Hans Strijkstok?

Tweede Muzikant.

Ik zeg „zilverklank”, omdat muzikanten voor zilver spelen.

Peter.

Al even mooi.—Wat zeg jij, Kobus Windkast?

Derde Muzikant.

Och, ik weet waarachtig niet, wat ik zeggen zal.

Peter.

’t Is waar ook, jij bent de zanger van ’t gezelschap, en daarom zal ik voor je spreken. Het is „muziek met haar zilverklank,” omdat muzikanten geen goud kunnen laten klinken;

„Muziek maakt met haar zilverklank

Met spoed weer alles goed.”

(Peter af.)

Eerste Muzikant.

Wat een giftige schavuit is dat!

Tweede Muzikant.

De nikker haal’ hem!— Kom, laat ons hier binnengaan, en op de rouwklagers wachten, en zien, of er niets te smullen valt.

(Allen af.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings