III.
Reading edition
Vóór de woning, waarin de ballingen zoo bitter lijden hadden doorworsteld, werd verlaten, had Barentsz “te voren een cleyn cedelken geschreven en in eene musketmate gedaen, ende ’t selfde in den schoorsteen opgehangen, daerinne verhaelt stont hoe wij uyt Hollant daer gecomen waren, om te zeylen nae ’t Coninckrijcke van China, ende wat ons aldaer op ’t lant bejegent was, ende alle ons wedervaren, op avontuer offer yemant nae ons quame, dat die weten mocht wat ons bejegent was ende hoe ’t ons gegaen hadde, hoe wij ter noot het huys gemaect ende daer thien maehden huys gehouden.”
Op avontuur of er iemand na hen kwam! Maar er kwam niemand. Jaar aan jaar spreidde de sombere poolnacht zijn sluier uit over de onherbergzame wildernissen van Nowaja-Semlja—om het eiland bij zijn waren naam te noemen; jaren en jaren achtereen zond de onverbiddelijke winter zijne sneeuwstormen uit, en dekte de verlaten woning met eene akelige doodswade: er kwam niemand, om het droef verhaal hunner rampen, door Barentsz zelf te boek gesteld, te lezen. De tocht der Hollanders en hunne overwintering op Nova-Zembla, in het vaderland niet vergeten, was ook in de gewesten van het hooge noorden in de herinnering blijven voortleven, en daar bijkans tot eene legende geworden, eene dier vele wondervolle verhalen, die de eenzame zwervers op deze schaars bezochte zeeën elkander mededeelen, als zij, in de eindelooze nachtwake, samenscholen rond het knappende vuur. Dat er ook nog andere, tastbare herinneringen van dit feit waren overgebleven, wie vermoedde het?
En toch—het avontuur, door Barentsz voorzien, zou inderdaad plaats grijpen. In het najaar van 1871 zwierf de noorweegsche gezagvoerder Elling Carlsen, met zijn sloepschip Solid, van Hammerfest, ter walrusvangst uitgevaren, langs de kusten van Nowaja-Semlja. Den 19den September bevond hij zich nabij de plaats, waar de Hollanders den winter van 1596 op 1597 hadden doorgebracht. De booten werden uitgezet; kapitein Carlsen ging aan land, waar een half ingestort huis zijne aandacht getrokken had, en stond nu weldra op de plek, waar, na het vertrek van Barentsz en zijne lotgenooten, alzoo sedert ruim tweehonderd-vier-en-zeventig jaren, voor zoover wij weten, geen menschelijk wezen den voet had gezet. Wat de noorweegsche gezagvoerder daar vond, wordt uitvoerig medegedeeld in een artikel van het te Hammerfest verschijnende dagblad Finmarksposten, dat, in zijn nommer van 12 November 1871, een verslag geeft van de reis van kapitein Carlsen, en omtrent zijne ontdekking van het winterverblijf der Hollanders het volgende meldt.
“Het was op dezelfde plaats, waar Barentsz en zijne ongelukkige lotgenooten in 1596 aan wal waren gekomen, en bij de ruïnen van de door deze zeventien Hollanders tot eene eenvoudige winterwoning opgetrokken hut, dat kapitein Carlsen, op den 9den September 1871, stond. Hij onderzocht zoogoed mogelijk de plaats; maar hij verkeerde in omstandigheden, die het voor hem noodzakelijk maakten, van ieder geschikt oogenblik gebruik te maken om zijne reis te vervolgen, waarvan het einddoel, namelijk den terugweg door de Kara-zee langs de oostkust van Nowaja-Semlja te nemen, moeilijk te bereiken was, te meer daar het reeds laat in het najaar begon te worden. Om die reden moest hij reeds den 10den September, vóór het onderzoek nog was afgeloopen, weder onder zeil gaan. Den 10den en 11den hield hij het kruisende; maar des avonds moest hij naar de IJshaven terugkeeren, waardoor hij den 12den September zijn onderzoek kon hervatten. Den 13den ging hij weder onder zeil; maar ’s avonds moest hij wederkeeren en ankeren, zoodat op den 14den het onderzoek kon worden voltooid. Het huis, dat zoogoed als geheel was ingestort, was, om zoo te zeggen, bedekt en bijna hermetisch verborgen onder eene dikke laag ijs. Ook de voorwerpen, die in de woning gevonden werden, waren bijna geheel met eene ijskorst bedekt; en waarschijnlijk moet het juist aan deze bedekking met nimmer wegdooiend ijs worden toegeschreven, dat velen der gevonden voorwerpen nog zoo verbazend goed bewaard zijn gebleven, zoodat men geneigd zou zijn te onderstellen dat zij eerst kort geleden daar waren achtergelaten, veeleer dan dat zij gedurende bijna drie eeuwen daar onverzorgd hadden gelegen. Voor zoover kapitein Carlsen kon waarnemen, was het huis zestien ellen lang en tien ellen breed geweest, en in elkander gespijkerd van 1 a 1½ duims dikke en 14 a 16 duims breede vuren of greenen planken. Gedeeltelijk waren voor het huis gebezigd overblijfselen van het verongelukte schip, waarvan nog aan het strand eenige inhouten van eikenhout werden gevonden. Het huis scheen vijf kooien of britsen te hebben bevat, die aan de bewoners tot slaapplaatsen hadden versterkt. Er werden vijf scheepskisten gevonden, die echter te veel vermolmd waren om te kunnen worden medegenomen. In twee kisten werden eenige werktuigen gevonden, zoo als eenige vijlen, een boorhandvat met boorijzer, twee passers, eenige kalfaatijzers, eenige prenten, eene fluit, stukken van instrumenten, waarschijnlijk voor de scheepvaart gebruikt; alsmede eenige boeken in de hollandsche taal: welke laatsten het wel ontwijfelbaar maken, dat de gevonden voorwerpen inderdaad overblijfselen zijn van Barentsz en zijne kameraden van het jaar 1597. Ongeveer in het midden van het huis, daar [35] waar de stookplaats is geweest, stond een groote scheepsbrandvoet van ijzer, waarop nog twee koperen ketels stonden; een paar eetbakjes waren zoo vergaan, dat men alleen het koperen beslag daarvan kon medenemen. Verder werden er eenige kandelaars en drinkkannen van tin of compositie, een breekbijtel, een paar geweerloopen, een geweerslot, een slaguurwerk met bijbehoorende metalen klok en lood, eene groote ijzeren kist, een slijpsteen, een paar speren en een hellebaard, alsmede eenige kleine voorwerpen gevonden. Carlsen zegt dat er om en beneden het huis overblijfselen van eenige groote fusten werden gevonden, die van ijzeren hoepels waren voorzien geweest; maar de duigen, zoowel als de hoepels, waren zoo verteerd, dat niets daarvan kon worden medegenomen. Voor dat kapitein Carlsen de plek verliet, liet hij in de nabijheid van het huis een baak oprichten, waarop hij een balk plaatste van tien ellen lengte. In de baak werd eene flesch van dubbel blik nedergelegd, waarin een verslag van zijn verblijf aldaar op 13 September 1871, en dat hij nalatenschap van menschen had gevonden: die aldaar hadden overwinterd, waarschijnlijk van den hollandschen kapitein Barentsz. en zijne manschappen, in den winter van 1596–1597.”
In het begin van het jaar 1872 werd ook hier te lande door de dagbladen de tijding verspreid, dat men op Nova-Zembla, ter plaatse waar Barentsz overwinterd had, verschillende voorwerpen, en daaronder ook boekwerken in de hollandsche taal, had gevonden.
Dit bericht had ook de aandacht getrokken der regeering, die weldra andere inlichtingen deed inwinnen, en straks met den nieuwen eigenaar der gevonden voorwerpen onderhandelingen aanknoopen, welke tot de meest gewenschte uitkomst leidden. De geheele verzameling werd, met de daarbij behoorende, de echtheid stavende documenten, door den heer Lister Kay, met groote edelmoedigheid, aan de nederlandsche regeering afgestaan, voor denzelfden prijs, waarvoor hij die van kapitein Carlsen had gekocht.
Door de welwillende tusschenkomst van den heer de Jonge, waarvoor hem openlijk de dank worde gebracht, is ons de gelegenheid verschaft geworden, van de gevonden voorwerpen teekeningen te laten vervaardigen, welke wij den lezers der Aarde hiernevens aanbieden. Eene korte toelichting bij deze platen zal hun, vertrouwen wij, niet onwelkom zijn. Wij ontleenen die aan de beschrijving, door den heer de Jonge van deze voorwerpen gegeven.
Het instrument, op bladz. 28 afgebeeld, is een koperen plaatje, waarop een schroefje is bevestigd, dat vroeger met de hand kon worden bewogen, maar nu is vastgeroest. Waarvoor dit instrument eigenlijk werd gebruikt, is moeilijk te bepalen; waarschijnlijk moest het dienen bij het onderzoek naar, of de bepaling van de miswijzing van het kompas. De heer de Jonge vermoedt dat dit het door Plancius, den leermeester van Barentsz, uitgedachte instrument is, om daarmede op het Astrolabium de lengte op zee af te meten en te berekenen.
De groep voorwerpen, op bladz. 29 afgebeeld, behoeft ter nauwernood beschrijving. Wij zien hier een fraai bewerkten degengreep, de punt van een hellebaard, een paar kandelaars en drinkkannen, waarvan vooral een door sierlijken vorm uitmunt; voorts een fluit, eenige koperen musketmaten, die aan een bandelier over den schouder werden gedragen; een hang- of kogelslot; een medaillon met beeldwerk, vermoedelijk als koopmansgoed medegenomen.
Op de plaat, bladz. 33, trekt het eerst onze aandacht, het overschot van eene zeer geschonden ijzeren kist; met daarbij behoorend hengsel of handvat; en eenige andere losse ijzeren stukken. In de kist bevindt zich eene ijzeren doos, tot berging van geldswaarde. Voorts een ijzeren kooktoestel, zoogenaamde brandvoet, in het midden der woning gevonden; benevens een paar ketels, die op dat kooktoestel stonden. Eindelijk nog een slot en een paar schoenen.
Bladz. 36 geeft ons te aanschouwen wat er van het uurwerk is overgebleven. Bij dit rader-uurwerk of “orlogie”, zoo als de Veer het noemt, behoorden eenige gewichten, en ook een metalen klok, die mede bewaard [36] is gebleven, en vermoedelijk op het uurwerk, dat tegen den wand hing, heeft gestaan.
Onder de verdere voorwerpen verdienen vooral ook de aandacht drie boeken, een in folio, in lederen band met koperen sloten; een in kwarto, en een in klein octaaf, in perkamenten omslag. De foliant, die veel geleden heeft, bestaat uit twee deelen; het eerste, waarvan de titel is verloren gegaan, is “Die Cronycke van Hollant, Zeelant ende Vrieslant, tot den jare 1517 etc., tot Delft by Aelbert Hendricxz, woonende op ’t Merctvelt, anno 1585”.—De bewaard gebleven titel van het tweede deel luidt aldus: “Kort waerachtig verhael van de regeringhe ende de gedenckweerdichste geschiedenissen, welcke, in de Gravelijckheyt van Hollant, Zeelant ende Vrieslant ende daaromtrent geschiet zijn, sedert den tijd dat die Hoochgeboren Carel van Bourgondiën, Philippi sone, vijfde Keyzer des Roomschen Rycx van dien name, door opdracht van den Welgheboren Hertoghe Georgii van Sassen gedaen, ende hoe hy in de voornoemde Gravelyckheden gheregeert heeft, ende voorts totten jare duysend vijfhondert vier en tachentich, met vlijt ende neerstichheit te samen gebracht by my Albert Hendricxz, woonende op ’t Merctvelt, anno 1585.”

Het uurwerk in de hut gevonden.
De kwartijn heet: “Die zeevaart ofte conste van ter zee te varen, van den excellenten pilote Mr. Peetor de Medina, Spaignaert, enz; met noch een ander nieuwe onderwijsinghe op de principaelste puncten der navigatie, van Michel Coignet.” Dit boek is in het jaar 1580, bij Hendrick Hendricksen te Antwerpen gedrukt.
Het kleinste boekje eindelijk, in vorm aan een zakboekje gelijk, is getiteld: “D’Historie ofte beschrijvinghe van het Groote Rijck van China, eerst in Spaensch beschreven door Mr. Jan Gonzales van Mendoza, monnik van d’oorde van St. Augustijn, ende nu uyt het Italiaensch nieuws in Nederlandsche tale overgebracht (door Cornelis Taemsz), ghedruckt by Jacob de M.... boekdrucker der stad Alcmaer, voor Cornelis Claesz, boekverkooper woonende op ’t Noord...... vergulden bijbel tot Hoorn, aº.....”—De heer de Jonge vermoedt, dat dit boekje in of omstreeks 1595 in het licht is verschenen.
Even opmerkelijk is eene gansche collectie van prenten, afdrukken van kopergravuren. Blijkbaar zijn deze [37] platen stijf op elkander bevroren geweest, en waarschijnlijk in dien toestand, door den val van een of ander hard voorwerp, gebroken, zoodat zij, bij daarop volgende ontdooiing, tot eene onafscheidbare massa zijn saamgeperst. Vermoedelijk zijn deze prenten als koopmansgoederen medegenomen.
Een eigenaardigen indruk maken zij op u, deze onaanzienlijke, zeer alledaagsche voorwerpen, eenvormig grijs van kleur, en voor het meerendeel, wat althans de grooteren betreft, meer of minder geschonden. Relikwieën zijn het inderdaad: op zich zelf zonder waarde, maar al hunne waarde en al hunne beteekenis ontleenende aan hunne geschiedenis, aan de machtige, groote, aandoenlijke herinneringen, die zij opwekken. Voorwaar, wel moogt gij ze met eerbied aanstaren: met niet minder eerbied dan zoo menig wapen, in den strijd met vaste heldenhand gevoerd, zoo menige vlag, op het slagveld met kogels doorhageld of op den vijand veroverd. Ook deze voorwerpen zijn trofeeën, tropeeën van een ernstigen, geduchten, tot uitputtens en bezwijkens toe volgehouden, en toch, naar der menschen schatting, haast roemloozen strijd. Ook zij getuigen van de groote daden, van het lijden en strijden, het werken en worstelen en streven onzer vaderen, in den schoonsten tijd onzer historie. En daarom, ze met eerbiedige belangstelling begroet, die relikwieën uit onzen heldentijd, deze in hunne nederigheid zoo kostbare overblijfselen uit de krachtvolle, heerlijke jeugd onzes volks, waarvan het verhaal ons schier als nauw geloofbare mythe in de ooren klinkt, Och, of ze vermochten iets op te wekken van dien geest, die de vaderen tot deze dingen in staat stelde, maar van de kinderen welhaast geweken schijnt.......

De hut op Nova-Zembla. Facsimile van eene oude prent van 1598.
Nog eene bede. Der regeering dank voor haar zorgzamen ijver in het verwerven van dezen schat, die voor immer verloren scheen. Maar nu dan ook dien schat niet weggestopt in een of ander onbekend en ongeschikt lokaal; nu gezorgd voor eene behoorlijke bewaarplaats. Men heeft toch niet afgezien van het zoozeer aanbevelenswaardige denkbeeld, om deze voorwerpen, die zeker wel het belangrijkste deel hebben uitgemaakt van het schamele ameublement der woning onzer kloeke ballingen, weder zooveel mogelijk in hunne natuurlijke omgeving te plaatsen, in de welbekende, zoo licht na te bootsen hut? Dan eerst zouden zij tot hun volle recht komen, en niet, als in een winkel, ordeloos op een hoop behoeven te staan. De vraag naar de kosten mag en kan toch hier geene vraag zijn. Worde dan het goed begonnen werk niet ten halve gedaan: maar toone Nederland—maar al te zeer het [38] verwijt verdienend, dat het de schatten van zijn verleden veronachtzaamt en verloren laat gaan—althans ditmaal, dat het de gedenkteekenen zijner historie weet te waardeeren, door hun de plaats te bereiden, waarop zij aanspraak hebben.