De Ajita’s of Aeta’s van de Philippijnen.
Reading edition
Wanneer men de Europeanen en de Chineezen uitzondert, kan men de bewoners van de Philippijnen tot twee rassen brengen, de Maleiers en de Negrito’s, de eersten, die uit Malakka en andere zuidelijker streken zijn gekomen, en de Negrito’s, wier afkomst nog niet met zekerheid bekend is. Negrito’s, dat is kleine negers, werden ze door de Spanjaarden genoemd naar hun kleine gestalte en donkere huidskleur.

Ajita-jongen.
Hun eigenlijke naam was op Luzon Ajita’s of Aëta’s. Ofschoon ze vroeger in groot aantal het eiland bewoonden, treft men ze tegenwoordig enkel aan in de bosschen van het binnenland. Ze zijn klein, gemiddeld 1.40 meter groot, zijn goed gebouwd en over het algemeen niet leelijk, alleen is de neus zeer breed en plat. Hun haar is wollig als dat der Papoea’s op Nieuw-Guinea.
De Ajita’s leven van de jacht en van wat het bosch hun aan vruchten levert. Aan landbouw doen ze nog niet, en hun wapens bestaan eenvoudig uit pijl en boog en scherpgepunte lansen. Maar de uitwerking dezer wapens weten ze te versterken door planten-vergiften. In vroeger jaren moeten de Ajita’s in voortdurenden strijd met de omwonende volken hebben geleefd, wat thans niet meer het geval is. Hooge ambtenaren in Manilla hielden vooral een twintig of dertig jaren geleden wel Ajita-bedienden, die flink en ijverig waren, maar het toch op den duur niet in de beschaafde wereld konden uithouden en naar hun bosschen terug verlangden.
Reizigers achten het noodig, voorzichtig te zijn, als ze met de Ajita’s in aanraking komen, maar wat A.B. Piehler in het tijdschrift Globus van hen vertelt, is niet afschrikwekkend. Wanneer men hun vriendelijk tegemoet komt en geschenken meebrengt, zijn ze tot toeschietelijkheid te bewegen. Piehler trok er met een vriend en een tolk op uit, om hun levenswijze te leeren kennen en werd voorkomend ontvangen.
In het bosch zich tusschen boomen en struiken een weg banend, troffen ze plotseling een groep van ongeveer dertig Ajita’s, mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd. Zooals ze daar aan den oever van een riviertje om een groot vuur lagen, zagen ze er woest uit. Op aanraden van onzen maleischen tolk traden wij moedig op hen toe, en de tolk wist hen te doen begrijpen, dat we goede bedoelingen hadden. Hij liet hun eenige pakjes sigaren zien, die wij in de hand hielden, om ze te verdeelen. Toen ze dat hadden begrepen, gingen ze op een rij staan en wij verdeelden de begeerde lekkernij op de eerlijkste wijze. Na de verdeeling was de vriendschap gesloten; ze schenen ons te vertrouwen en namen hun plaatsen om het vuur weer in.
In de nabijheid van het vuur hing een gedood hert aan den boom. Het hoofd sneed drie groote stukken er voor ons van af en wierp ze in het vuur, om ze na een oogenblik eruit te halen en ons aan te bieden. Van buiten was het vleesch zeer verbrand en met asch bedekt, terwijl het van binnen nog rauw en bloederig was. Wij vreesden door tegenzin te toonen onze gastheeren te krenken, en daar wij met hen op goeden voet wilden blijven, schikten we ons in het onvermijdelijke en aten ons wildbraad, waarvan per slot van rekening de smaak nog zoo kwaad niet was.
De kleine menschen waren ons nu zeer gunstig gezind en door den tolk vroegen de vreemden naar gebruiken en gewoonten van den stam. Ze leven in groepen van hoogstens vijftig personen onder een hoofd, hebben geen vaste woonplaatsen, maar trekken door de dichte bosschen, waar het wild hen lokt.
Hun hutten zijn uiterst primitief, en steeds brandt er een vuur, waaromheen de ouden en de kinderen zich ophouden, als de anderen op de jacht zijn. De [8] oudste van een schaar Ajita’s is het hoofd, en over het geheel worden de oude lieden vereerd. Elke man heeft slechts één vrouw, en beide echtgenooten hechten veel aan de huwelijkstrouw. Zoodra een jonge Ajita trouwen wil, vraagt hij de ouders van zijn uitverkorene om hun toestemming. Dan zenden dezen het meisje op een vooraf bepaalden dag vóór zonsopgang in het bosch, en een uur later gaat de jongeling ook daarheen, om haar te zoeken. Heeft hij het meisje gevonden en keert hij met haar vóór zonsondergang terug, dan stemmen de ouders toe. In het andere geval, als hij dus alleen terug komt, moet hij van het meisje afzien. Hieruit blijkt wel, dat hier de keus een recht van het meisje is, want zij kan zich gemakkelijk verschuilen, dat ze niet gevonden wordt, of weigeren met hem naar haar ouders terug te keeren.

Ajita-meisjes.
Bij de Ajita’s heerscht nog een eigenaardig gebruik, dat ook op Nieuw-Guinea bij eenige volksstammen voorkomt, wat zou kunnen bewijzen, dat de Negrito’s aan de Papoea’s verwant zijn. Zoodra namelijk iemand sterft, zijn zijn kameraden verplicht, hun wapens op te nemen en het land in te trekken, tot ze een levend wezen ontmoeten, dat ze dan, onverschillig of het een mensch of een dier is, moeten dooden. Als ze op zoo’n vervolgingstocht uit zijn, knakken ze de takken van de boomen op een bijzondere manier en waarschuwen aldus ieder, hen niet in den weg te komen. Zelfs een lid van hun eigen stam zou ontwijfelbaar een kind des doods zijn, als ze hem als eerste ontmoeten na een sterfgeval. Dit gebruik is voor ieder een waarschuwing, voorzichtig te wezen bij het reizen door het gebied der Ajita’s.
Tot aan de grenzen van het oerwoud vergezelden de kleine boschbewoners de duitsche reizigers, die tot afscheid nog een paar braadpannen en twee kleine revolvers cadeau gaven, zoodat de wilden overgelukkig afscheid namen. Toen de Europeanen naar Manilla terug keerden, werden ze daar door allen benijd, daar het tegenwoordig aan niet velen vergund is, met deze boschmenschen in aanraking te komen.