Note 64 — IV. DE ONTDEKKING VAN HET LAND VAN JEZO.
Reading edition
Langs de oostkust van Nippon hebben wij op de lengtebepalingen van Vries niet gelet, omdat in het Journaal gedurende dezen togt de afstand van de Japansche kust telkens naauwkeurig opgegeven is. Wij hebben echter opgemerkt dat de in het Journaal opgegevene gegiste lengte van het eiland Fatsisjo met ongeveer +2° moest verbeterd worden. Die van den hoek Bosho levert reeds een verschil van +2° 22′ O. en die van Kaap Misaki en Kaap Taneitsi ruim +3° O. op. Volgens deze verbetering zoude zich Vries op den middag van den 7 Junij op 143° 39′ 36″ O.L. v. Greenw. bevonden hebben, en den „S.O.hoeck van Eso” Kaap Jerimo, 9 à 10 mijlen uit het N. peilende, op 41° 24′ N.Br. Beide waarnemingen zijn, voor zoo verre wij tot heden de aardrijkskundige ligging van den Z.O.hoek van Jezo kennen, zeer goed; de lengte verschilt bijna niets met die van de kaart van den Hof-sterrekundige en de breedte +9′ met die op Broughton’s originele kaart.
[65] Von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten, no. 11. E.
[66] Rerum a Societate Jesu in Oriente gestarum Volumen. Coloniae. 1574. in 8o. pag. 426. Nicolaes Witsen, Noord-Oost Tartarye, Deel II, pag 57. „Bericht wegens het rijk Jesso, volgens zekeren brief van den vader Hieronymus de Angelis, geschreven in ’t jare 1622.”
[67] Beschrijvinge van het Eylandt Eso soo alst eerst in ’t selvige jaer door het Schip Castricum bezeylt is. Tot Amsterdam. 1646. Vergelijk daarmede ook N. Witsen, Deel II, pag. 50.
[68] Noord- en Oost-Tartarye, Deel I. AA. pag. 66.
[69] von Krusenstern, Reise um die Welt, Atlas n. 104.
[70] von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten, n. 2. Die Insel Jezo und die Japanischen Kurilen nach einer Originalkarte von J. Sakusajemon, Bai von Atkesi nach M. Toknai.
[71] De schrijver dezes heeft daarom reeds in 1852, toen hij een ontwerp van een gezantschap naar Japan en van een tractaat met dat rijk te sluiten, aan Z. E. den toenmaligen Minister van Koloniën aanbood, in § 4 gezegd: „worden twee stations voor stoomscheepvaart, een in het Noorden van het rijk, de Baai van de Goede Hoop op Jezo enz. aangewezen.” Vergelijk hiermede het Rapport aan Z. M. den Koning over de Japansche aangelegenheden, uitgebragt door Z. E. den Minister van Koloniën, onder dagteekening van 12 Febr. 1855. Art. 4. l.
[72] „Hier in de bocht ende ree van Ackys maeckt een O.N.O. ende W.S.W. maen hoochwater.”
[73] Voor scheepsbouw zijn bijzonder geschikt de Pinus jezoensis (in de Aino-taal Fuppo genoemd), P. densiflora (Kui), Abies bifida (Sunk), Q. dentata (Gomuni) en eene andere eiksoort, Beroni. Ook leveren berken (Tatsbi), linden (Kobergen) en ahorn (Fusini en Tobeni) goed timmerhout.
[74] Rubus palmatus (Imare fureppi).
[75] Het zijn de vruchten van Rosa rugosa en Kamtschatica (Mau), die van de Aino’s en Kamtschadalen algemeen gegeten worden.
[76] Nicolaes Witsen, Deel II. A. pag. 65.
[77] Von Siebold’s Atlas von Land- und Seekarten. No. 2. A.
[78] Catalogus librorum ac manuscriptorum Japonicorum a Ph. Fr. de Siebold collectorum Lugduni-Batavorum 1845. No. 177. Jezono dsu, Mogami Toknai geographi Jap. illustrissimi mappae geographicae quinque.
[79] Catalogus librorum et manuscriptorum Japonicorum, No. 178. „Matsumaë Jezono dzu est viro tabula geogr. exhibens insulam Jezo cuius caput est Matsumaë.”
[80] N. Witsen, Deel II. pag. 65. A.
[81] Nouvelle Carte des découvertes faites par de vaisseaux Russiens etc. in Muller’s Découvertes etc.
[82] Ik had het genoegen den grooten zeevaarder, bij mijn verblijf te St. Petersburg in 1834, van dezen misslag te mogen overtuigen.
[83] N. Witsen, Deel II. pag. 65. E.
[84] Volgens Sakusajemon’s kaart noemen deze eilandjes en rotsen naar hare N.O. strekking: Sîsjo, Utsuki, Akiroro, Juru, Harukaru, Sibots, Imukusibe, Taraku, Itasibets en Kabiof.
[85] Volgens Toknai’s kaart zijn de eilandjes naar hare grootte: Sîsjô, Sibjuts, Taraku, Juru, Akiroro, Harukaru, Onekinasi, Tomari, Moimosiri, Utsuki, Masirika, Honkinasi tomari en Monrika genoemd. De rotsen en klippen willen wij overslaan en nog bemerken, dat onsiri in de Aino-taal eiland en tomari verblijf of dorp beteekent, en dat bij al deze namen mosiri (muschir, Russische uitspraak) gevoegd is. Op de oude kaart van Jezo van den bovengenoemden geneesheer Kensok zijn ook reeds negen eilandjes met namen opgegeven, en noemen naar hare grootte: Sîsjo, Sirots, Kinasitoma, Juru, Harukaru, Akiroro, Monrika, Uritsi en Mojomosiri.
[86] von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten, n. 2 en n. 2 A.
[87] Singelgrond is langs de Oostkust van Japan en het land van Jezo een kenmerk, dat men niet ver van den mond eener rivier is.
[88] Voyages et découvertes faites par les Russes, T. I. pag. 218.
[89] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Atlas, No. 1. Deszelfs Erläuterungen zu einer Charte des ganzen Erdkreises, etc. 1 Band. 4o. Leipzig, 1819. pag. 88.
[90] Записки Василія Михайловича Головнина, въ плѣну у японцевъ въ 1811, 1812 и 1813 годахъ. САНКТПЕТЕРБУРГЪ. 1851. Daar is de breedte op 43° 44′ 35″ N. en de lengte op 145° 9′ 46″ O. aangegeven.
[91] „Quaemen ten ancker, als synde 2⁄3 myl van lant op 20 vadem santgront; synde onder het N.O. eynt van Eso 2 mylen bewesten het Canael Antony.”
[92] Het schijnt toch, dat de top of krater van dien vuurberg in 1796 eene andere gedaante aangenomen had. „In the bearing of the peaked hill the coast formed a bay, with a fine sandy beach; and the mountain, which in this point of view formed a saddle hill, presented a very magnificent appearance from its great height and extensive base.” Broughton, Voyage of discovery, pag. 116.
[93] N. Witsen. pag. 65 N.
[94] De roode vos, door de Aino’s Furetsup genaamd, is de vuurvos der Kamtchadalen en de algemeen in deze gewesten verspreide verscheidenheid.
[95] Vries, „Gedaene coursen” in von Siebold, Atlas No. 11. E. Veronderstellende namelijk de Commandeur, dat de Santberch bij het vaste Lant van Eso behoorde en zoo mede de baai ook voor O. en N.O. winden beschut was.
[96] L’isle de Rounaski ne se trouve pas dans la dernière édition (de 1820) des Cartes de l’Océan Pacifique, par Arrowsmith. v. Krusenstern, Recueil de mémoires hydrographiques. p. 200.
[97] Helaas! heeft de oude Vereenigde Nederlandsche Oost-Indische Compagnie, die den edelen Commandeur uitgezonden heeft, om de Gout- ende Silverrycke Eylanden te ontdekken, de belangrijke uitkomsten van zijne ontdekking van het land van Eso en het Staten- en Compagnys lant—een eerst Californië—omdat het goud en zilver niet aan den dag lag, nimmer begrepen en gewaardeerd en helaas! heeft ook ons Bestuur van Koloniën, sedert de omwenteling en de teruggave van onze Overzeesche Bezittingen nooit verder dan tot op het eilandje Dezima zijne blikken gevestigd. Toen in het jaar 1778 de Japansche aardrijkskundige Fajasi Sivei het opperhoofd Arend Willem Feith omtrent de door Quast en Tasman ontdekte Bonin eilanden ondervraagde, antwoordde die „Dat de Compagnie daarvan maar zeer weinig voordeel zou kunnen trekken, omdat zij te ver afgelegen en te klein waren” (Vergelijk: San kok tsou ran to sets. par Fr. J. Klaproth. pag. 261).
Even weinig werdt daarna geluisterd, als toen de Schrijver dezes, van 1825 af, over de in regtmatig eigendom aan Nederland toebehoorende Staten- en Compagnie-eilanden sprak en op Witsen’s vertooning van het Compagnie-eyland heenwees, waar het wapen van Amsterdam opgerigt te zien is; ook heeft men, uit bezorgdheid van den Japanschen handel te benadeelen, gedurende twee volle eeuwen nimmer den steven naar het Noorden van Japan gewend, om het spoor van onze stoute voorvaderen op te zoeken. „Had men (zoo schreef de Schrijver dezes in zijn Verslag nopens zijn wetenschappelijk onderzoek op Japan aan het Nederl.-Ind. Gouvernement, in dato 30 November 1825) voor 50 jaren, waar de Japanners met de strekking van hun land en de ligging der eilanden in het Noorden reeds zeer goed bekend geweest zijn, pogingen gedaan deze landen nader te onderzoeken, zoo zoude men van Dezima uit eene straat van Tsugar en van Lapérouse hebben kunnen opspeuren en de eere van deze ontdekking was aan de Hollanders behouden geworden.”
[98] Op de kaart van Jansson en die van Vries „gedaene Coursen” draagt de N.O. hoek er niet, zoo als Lapérouse en volgens hem von Krusenstern en Golownin aangenomen hebben, de N.W. hoek den naam van Vries.
[99] „We were abreast of a hill which rose from the sea shore, with a steep ascent to a considerable elevation of a conical shape and evidently volcanic: we passed within two miles of it, and plainly perceived it covered with stones and cinders down to its base, as an eruption had lately happened. Round the Crater it presented ragged and misshapen points; and some small shrubs were growing on the S.W. side very low down. This abrupt hill was connected with the islands by a low isthmus, which receded from it on each side, so as to form circular bays; and the land continued low to some distance.” Broughton, Voyage, pag. 117.
[100] „Le cap Trou est placé par 45° 35′ (moet zijn 39′) sur la carte de Lapérouse et par 45° 10′ (moet zijn 7′) sur cette de Broughton, la première latitude est certainement trop boréale.” Recueil de mémoires hydrographiques, pag. 198.
[101] Noboru is een oud Japansch woord en beteekent opklimmen en nobori eene hoogte, een top. De Japanners gebruiken het niet voor vulkaan, waarvoor zij het woord Take hebben; bij de Aino’s wordt het volgens Dawidow en Toknai uitsluitend voor vulkanische gebergten gebezigd b. v. Iuwau nobori, zwavelberg.
[102] Vergelijk de inleiding, waar de woorden van Lapérouse tot motto aangehaald zijn: „La navigation du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte qui ait pu être faite, dans un temps, où les methodes d’observation étaient très grossières.”
[103] Daaronder ook „suering, gelyck in ’t patria wast.” „Alhier op de wal wassen op de grond blaeden met dicke holle steelen, dewelke in ’t geheel 9 vadem lanck syn, do. bladeren vint men aen troppen veel in see dryven, synde door malcanderen gevlochten, onder dit lanck geblaed croos onthouden haer bij duizende see-honden, ook lammeties ende duyckers.” Over 50 voet lange bladen te spreken, schijnt overdreven en ongelooflijk te zijn; en toch is het waar. Dit croos kan niet anders als de Fucus esculentus Lin. zijn, die ook aan het strand van Jezo gevonden en ruim 50 voet lang en een voet breed worden. Dezelve groeit dikwijls digt bij het strand en wordt overal in het meer van Ockots als drijf-zeegras aangespoeld, ontmoet. Men heeft daarvan ook eene verscheidenheid met holle steelen opgemerkt, die door Agardh (Species Algarum, I. p. 143) als Alaria fistulosa beschreven en onlangs door Dr. E. J. Ruprecht als eene soort van zijn Phasgonum herkend is. Deze kruidkundige heeft dan ook den Fucus esculentus zeer omstandelijk als Phasg. alatum beschreven (v. Middendorff’s Siberische Reise, Band. I, Th. 2, pag. 353 ff.) Erman heeft aan het strand bij Ockots afgescheurde stukken van dit zeegras gevonden, die meer dan 50 voet lang waren; het dient tot voedsel van de Phoca nautica en wordt in tijd van nood van de Zee-Tungusen gegeten (Deszelfs Reise, III, pag. 48.) De Fucus esculentus, Kombu genoemd, wordt op Japan algemeen gegeten en heeft een zeer aangenamen smaak, en wordt als zeer gezond en voedzaam geroemd. De 72jarige grijsaard Toknai verzekerde aan den schrijver dezes, door het genot van dat zeegras gedurende zijn veeljarig verblijf op Jezo en Krafto zijne gezondheid te hebben behouden. Mogt deze opmerking tot onderrigting van zeevaarders dienen. Ook de Chinezen weten deze Fucus-soort op waarde te stellen. De jaarlijksche uitvoer daarvan van Nagasaki naar Shanghai gedraagt 51,000 Pikol, van den inkoopsprijs van 170,000 Tail of ongeveer 340,000 Guldens (Nippon VI, Vom Japanischen Handel, p. 52). Er bestaan op Jezo en de Kurilen zeegras-visscherijen, die door de regering aangemoedigd en beschermd worden.
[104] Zoo als bekend is, was men nog in het begin van de 17de eeuw van meening, dat Amerika slechts door eene zee-engte, den Fretum Anian, van het rijk van Mongol, het noordoostelijke uiteinde van de oude wereld, was afgescheiden. Op Jansson’s kaart en op die van de van „Gedaene coursen” (Atlas No. 11 E) wordt het Compagnyslant als een groot land zonder einde vertoond. Op de kaart echter van de „Gedaene ontdeckinghe onder den Commandeur M. G. Vries” is het Companyslant als een eiland uitgeteekend en door eene straat van een uitgebreide landstreek, op welke de woorden „Americae Pars” staan, gescheiden, en in deze straat is geschreven „Hier is ’t Jacht Breskens geweest.” Men heeft dus de herkenning van het Compagnyslant als een eiland aan dat schip te danken. In het jaar 1739 werd dit eiland door den meergenoemden Russischen zee-officier Spangberg omzeild. De smalle landtong naar het W. uitstekende op het vermeende gedeelte van Amerika is hoogst waarschijnlijk Simushir, het XVIe van de Russische Kurilen. Op de kaart van Japan, behoorende tot de Verhandeling over de Nederlandsche ontdekkingen van Bennet en van Wijk, vindt men in het Z.W. van dat eiland twee eilandjes Rond eiland en Heuvel eiland, die waarschijnlijk ook door het schip Breskens ontdekt en zoo genoemd zijn. Thans noemen zij deze eilandjes Broughton’s Island en Tsirpoi.
[105] De inbezitneming van Urup is eene te belangrijke daadzaak, om die niet hier woordelijk uit het Journael van Coen over te nemen: „Ick heb van de bevinding aen den Commandeur van alles rapport gedaen, seyn doen beneffens hem naer een steyle vlacke berch gegaen ende syn daer opgeclommen, daarop synde heeft de Commandeur een houten cruys op een verheven berchie laeten oprechten, waarop dit volgende opgehouden stont: anno 1643. Heeft alsoo possessie van wegen onze E. Heeren Meesters van dit land genomen, ende het selfde den naem gegeven van het Companyslant, ende deze hoeck genaempt de Cruyshoek. Hebben op het Companyslant gegeten ende gedroncken, ende toen ter eere van onse E. Heeren Meesters 3 salvo’s met musquets gedaen.”

[106] Van Enydris marina, door de Aino’s en de Japanners Rakko en door de Kamtschadalen Rakku genoemd.
[107] Op de kaart van Japan, behoorende tot de bovengenoemde verhandeling van Bennet en van Wijk, is de naam van Blydeberg aan den Pic de Langle toegepast. Op alle originele kaarten van Vries zeetogt ligt de Blydeberg ten minste 50′ noordelijker als het eilandje Risiri, waarop zich deze piek bevindt. Ook laten zich de voormelde peilingen hoegenaamd niet daarmede overeenbrengen.
[108] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Atlas, no. LXXI en LXXII.
[109] Atlas de l’Océan Pacifique, par de Krusenstern, no. 25.
[110] Von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten l. c. no. 3. Ik wil hier opmerken, dat het eenige, in Japan bestaande Exempl. van Toknai’s „Originele M. S. Kaarten van Jezo, de Kurilen, Krafto en den Amur,” aan mij op den 16 April 1826 te Jedo door dezen reiziger is afgestaan geworden, onder de voorwaarde, dezelve niet vroeger dan na verloop van 25 jaren bekend te maken. De 72jarige grijsaard was toenmaals, ondanks zijne groote verdiensten voor de kennis van de aan Japan onderhoorige noordelijke landen, in ongenade gevallen, en in nood en ellende gedompeld, omdat hij van zijne ontdekkingen geen geheim maakte, te vrijborstig en oud was; en toch niet gebukt wilde gaan. Zoo kwamen zijne onschatbare kaarten in mijn bezit en werden eerst in 1852 in het licht gegeven.
[111] „Art. 2. De grenzen tusschen Rusland en Japan zijn voortaan tusschen Iturup en Urup. Het geheele eiland Iturup (Staatenland) behoort aan Japan, het eiland Urup (Compagnieland) met de noordelijke Kurilen, tot de Russische bezittingen, terwijl het eiland Krafto (Saghalien) tusschen de beide rijken neutraal blijft.” Journal de St. Petersbourg, 28 Avril 1857.
[112] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 68.
[113] Voyage de Lapérouse l. c. Tom. III, pag. 93.
[114] San-kok-tsu-ran-dsu-ki en Klaproths vertaling, pag. 187.
[115] Hinter dieser Spitze erhob sich ein abgerundeter Berg, an welchen nach Norden zu sich wieder hohe mit Schnee bedeckte Berge anreihten. Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II. p. 87.
[116] „Das ganze Land gewährte uns einen viel angenehmern Anblick als jene südlicheren Länder die uns seit unsern Absegelen von Japan zu Gesicht gekommen waren, die weissen, schroffen Ufern mit ihren Einschnitten, Berge hinter ihnen von mässiger Höhe in verschiedenen Gestalten und mit dem schönsten Grün bedeckt, welche mit holzreichen Thälern abwechselten, gewannen uns ein sehr gunstiges Vorurtheil für diesen Theil von Sachalin ab. Auch hat er unstreitig unendliche Vorzüge von dem, von uns später untersuchten, mittlern und nördlichen Sachalin.” Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 92.
[117] Het gebergte van Urunsiri, waarvan op Jansson’s kaart gezegd is: „Gebergte op vijftien graden gesien,” en op de kaart van „Gedaene Coursen” te lezen staat: „alhier lach ’t sneeuw in de maend Augustus nog op de bergen tot op strand toe.” Ook von Krusenstern zag hier „tief im Lande hohe Schneeberge.”
[118] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 95. Hoogst merkwaardig is het dat deze rivier, eene halve eeuw later, het eerst en door eenen Russischen reiziger Dr. L. Schrenk, in het binnenland van Krafto is gevonden en beschreven geworden. Nadat Dr. Schrenk den 30 Januarij 1856 het vaste land (het Amurland) verlaten had, kwam hij langs de westkust van Krafto tot aan de baai de la Jonquière, Lapérouse (op 50° 54′ N.Br. en 142° 16′ O.L.), waar ten Z. van kaap Dui (Itoi, Toknai) de Giljaksche bevolking woont en de noordelijke grens der Aino’s is. Op den 8 Febr. bij het dorp Arkei (Ar’koi, Toknai) begaf hij zich in eene schuinsche rigting over het eiland naar deszelfs oostkust, die van den Grooten Oceaan bespoeld wordt. Naar het zeggen der inboorlingen moest hij drie berghoogtens overtrekken totdat hij aan het gebied van de rivier Pym kwam. Deze rivier is de Boronai, aan welke von Krusenstern den naam van Newa gegeven heeft. De Pym-rivier, die van zijne bron tot de monding in zee (in het W. der Bogt Patientie) talrijke dorpen der Giljaken besproeit, noemt Schrenk de levensader van het eiland. Deze rivier heeft een snellen stroom, zoodat zij wel op een bergstroom gelijkt, het bovenste gedeelte bevriest nooit, ondanks de hevige koude, waardoor de temperatuur somtijds tot onder het vriespunt van het kwik daalt; het water is uiterst vischrijk en somtijds in den herfst aan zalm, waaronder de Salmo lagocephalus, even als in de Amur, op verre na de voornaamste is. De groote vangst der Giljaken verzekert hun een onbezorgd leven voor zich zelven en hunne honden in den langen winter, daarenboven komen daardoor vele naburige stammen telken winter naar het Pym-dal, als: Aino’s van de Golf Patientie, met Japansche waren; Oroken (Orotsko, Toknai), met pelterijen, de opbrengst van hunne jagt; de Giljaken van beide kusten, met zeehondenvleesch en vellen, benevens eenige stammen van het vasteland, zoo als Mangoenen van den Amur (Manko, Rinso), met Mandsourische en Russissche produkten, die tot de Pymi-Giljaken komen, om zich bij hen deels van visch en jukkola (vischkuit), deels ook van de toestroomende vreemde goederen te voorzien.
Toen men de rivier volgde om naar de oostkust (Bogt Patientie) te komen, daalde de temperatuur op den 18 Februarij ten 7 ure des morgens tot -42° R., en op den volgenden morgen tot -31° R. „Zulke gestrenge koude,” zegt Dr. Schrenk, „doet onderstellen, dat het binnenste van het eiland een klimaat heeft, dat meer met het vasteland overeenkomt, dan men van een eiland kan verwachten.” Dit bewees ook de plantengroei. In het bovendeel van het Pym-dal ziet men overal de denneboom (Abies jezoënsis?) terwijl de lork (Larix leptostachys) naar den zeekant alle andere boomen verdringt. Men vindt hier noch herten, noch elanden, wel het muskusdier (Likonkamui, Aino) en het rendier. Ook bestaat nog op Krafto een stam Tungoesische rendiernomaden, terwijl de Tungoesen, aan de Amur, reeds lang de rendierteelt hebben opgegeven. Op den 20 Februarij bereikte Schrenk de oostkust van het eiland en nam den terugtogt langs dezen zelfden weg aan.
(Bulletin de la Classe Physico-mathématique de l’Académie Impériale des Sciences de St. Petersbourg. Tome XIV. 1856.)
[119] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 98, 99.