NOOTEN
Reading edition
[1] Na den dood van den zee—braassem verwelkt dit blaauw, en word donker. (Aant. v. d. Franschen Vert.)
[2] Ik weet niet, dat men van deeze noodzakelykheid immer eene voldoende reden gegeven heeft: die slymige stof, die de vinnen of wieken bedekt, verhardt misschien zoodanig door de hette der zon en de werking van de lucht, dat alle beweeging voor hun onmogelyk word; of misschien kan deeze visch niet lang leven buiten het element, dat hem natuurlyk eigen is. De eene of andere van deeze vooronderstellingen wyst aan, waarom hy zoo dikwils, en als tegen zynen wil, op de Schepen, en in den bek van zyne vyanden, den Dolphyn, de Zeebraassem, enz. nedervalt.
(Aant. v. d. Schryver.)
[3] Guiana heeft ten minsten twee honderd mylen van het noorden tot het zuiden, en meer dan drie honderd van het oosten naar het westen. (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)
[4] Derzelver Kusten strekken zig uit van de Noord-Kaap, gelegen op omtrent twee graaden noorder-breedte, tot de groote uitloop van de Orenoco, die op agt graaden breedte ligt; maar in de lengte bevatten zy meer dan tien graaden, liggende de Noord-Kaap op twee-en-vyftig graaden dertig minuuten ten westen van den Parysschen middaglyn, en deeze mond van de Orenoco op twee-en-zestig graden; bevattende in dit vak meer dan twee honderd vyftig mylen aan zee-kusten. (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)
[5] CHRISTOPHORUS COLUMBUS, in den jaare 1498, zig zuidwaarts van de Antillische Eilanden begeven hebbende, ontdekte den 10 Augustus het Eiland la Trinidad, en des anderen daags kreeg hy kennis aan het naby gelegen vaste Land, het welk hy Terre de Paria noemde, naar den naam, door de Indiaanen van de Kust daar aan gegeven.
Het was op deeze reize, dat hem een der monden van de Orenoco bekend wierd, welke hy Bocca del Drago noemde, uit hoofde van 't gevaar, dat zyn Schip daar liep; maar zig westwaarts begeven hebbende, had hy geen kennis aan de Orenoco, nog aan Guiana.
In 't jaar 1499, landde ALPHONSUS OJEDA, een Spaansch Edelman, vergezelt door AMERICUS VESPUTIUS, een Florentyn, en JUAN DE LA COSA, de bekwaamste Stuurman die toen in Spanjen was, in het vaste Land van America aan, op tweehonderd mylen oostwaarts van de Orenoco, en doorreisde de geheele kust, het westen naderende. Maar deeze reize verschafte nog geene groote kennis van Guiana.
In 't jaar 1535, ondernam DIEGO D'ORDAZ, een Spanjaard, om in de monden van de Orenoco binnen te loopen; zyne pogingen waaren vrugteloos: hy verloor zelfs aldaar een gedeelte zyner Schepen en van zyn volk. Deeze dappere Spanjaard was op eene andere keer gelukkiger; hy kwam in de Orenoco binnen, en zeilde dezelve zeer hoog op, tot dat hy in den mond van de Meta, eene aanzienlyke Rivier, die zig, meer dan vierhonderd mylen van derzelver inkomen, in de Orenoco ontlast, ten anker kwam. Maar dit geschiedde niet zonder het uitstaan van veele zwarigheden en vermoeienissen; want hy verloor zyne Schepen, en byna al zyn volk, in de onderscheidene gevechten, die hy genoodzaakt wierd aan de Indianen te leveren: zoo dat hy in wanorde te rug keerde, zonder eenige bezitting te hebben kunnen vestigen.
In weerwil van deezen nadeeligen uitslag van der Spanjaarden onderneming, had zig een gerucht verspreid, dat, in het binnenste gedeelte van dit uitgestrekt Land, eene landstreek was, die men el Dorado noemde, en onmeetelyke rykdommen in goud en kostbaare gesteenten bevatte: men zeide dat 'er een Meir was, zoo groot als een zee, genaamt het Meir van Parimo, waar van het zand vol goud-poeder en goud-korrels was. Drie Spaansche Capitains, GONZALO PIZARRA, broeder van den geen die Peru veroverde, PEDRO DE ORDAZ, en GONZALO XIMENES DE QUESEDA ondernamen deeze ryke ontdekking: het was, zoo men weet, eene ingebeelde hoop.
Terwyl zy dit poogden tot stand te brengen, kwam DIEGO DE ORDAZ, die het eerst de Orenoco was opgevaaren, uit Spanjen te rug, met brieven van Keizer KAREL V, waar by deeze Vorst aan hem alleen het recht en de vryheid vergunde om de Dorado te gaan opzoeken, en de ontdekkingen van de Orenoco nader op te spooren. De geheele uitslag zyner onderneeming bepaalde zig tot het bouwen van eene Stad aan den oostelyken oever van deeze Rivier, meer dan zestig mylen van derzelver mond af, welke hy St. Thomas van Guiana noemde.
De Engelschen, over de ontdekkingen der Spanjaarden in Guiana jaloers zynde, en benydende den koophandel, welken de Franschen aldaar van toen af aan dreeven, waar van men wonderen vertelde, wilden daar in deel nemen. Een van hunne bekwaame zeelieden, de heer WALTER RALEIGH, was de eerste Engelschman, die den 6den February van 't jaar 1595 [*] vertrok, om in deeze ryke landen eenige onderneeming te beproeven: dus maakte men in Europa de Orenoco en Guiana bekend.
RALEIGH hield zig van het wezentlyk aanzyn deezer rykdommen zoo vast overtuigt, dat hy niet schroomt in het verhaal van zyne reize te zeggen: Dat hy, die Guiana veroveren zal, meer goud bezitten, en over meer volken heerschen zal, dan de Koning van Spanje en de Turksche Keizer, (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)
[*] Men zal opmerken dat onze Reiziger hier het volgende jaar 1596 noemt.
[6] SOMMELSDYK had het caracter van een dwingeland. Onder een godsdienstig uiterlyk, was hy oploopend, onbeschoft, een geweldenaar en wreedaart. Op zekeren tyd liet hy aan een hoofd der Indianen den kop afslaan, alleenlyk om dat dezelve aan eenig huislyk wangedrag schuldig stond.
Aant. v. d. Schryver.
[7] In den jaare 1667, zoo als ik hier boven gezegd heb, gaf Capitain ABRAHAM CRUISSEN aan deeze Stad den naam van Nieuw-Middelburg; maar zy behield altoos dien van Paramaribo, welken men voorgeeft een Indischen naam te zyn, en te beteekenen Bloem-veld. Dit is het algemeen gevoelen; maar ik vermeene, dat de punt Parham, de Para-Kreek, de Stad Paramaribo, en zelfs die groote uitgestrektheid van water, welke Golden-Parima genoemt word, hunnen naam ontleenen van Lord FRANCIS WILLOUGBY DE PARHAM, die een der eerste bezitters van deeze schoone landstreek was. De Hollanders geeven aan het grondgebied van Surinamen ook den naam van Provintie; maar men bedient zig in 't algemeen meer van den naam van Volkplanting of Bezitting.
Aant. v. d. Schryver.
[8] Men heeft naderhand by dit krygsvolk eenige jagers gevoegd.
Aant. v. d. Scryver.
[9] Men had ook een ontwerp gemaakt om jagthonden te leeren, de oproerige Negers in de bosschen op te zoeken en aan te vallen, maar zulks is nimmer aangenomen, uit hoofde van de moeielykheid om deeze dieren te geleiden.
Aant. v. d. Schryver.
[10] De kinderen volgen, in Surinamen, den staat van hunne moeder. Indien zy in slavernye is, behooren zy aan haaren meester, al was hun vader een Prins.
Aant. v. d. Schryver.
[11] Het is een plat vaartuig met vier of zes riemen, welks gedaante veel overeenkomst heeft met die van een schoen. Dan eens is het met een tent overdekt, dan eens niet.
Aant. v. d. Schryver
[12] De Kill-devill (een woord, zaamgestelt uit de woorden dooden en duivel, en het geen waarschynlyk zeggen wil: wie zou de duivel dooden,) is een zoort van rhum, die men maakt van schuim en droessem van suiker. Deeze drank is in de Volkplanting zeer gemeen, en de eenige, die men aan de Negers toestaat. De zuinigheid beweegt verscheiden Europeaanen, om daar van mede gebruik te maken; maar het is ten naasten by een langzaam vergift voor hun.
Aant. v. d. Schryver.
[13] Het schynt dat de vogel, waar van STEDMAN hier spreekt, is de Toucan van Caijenne met een witten hals, of het vrouwtje van den Toucan met een geelen hals.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[14] Verscheiden beminnaars der Natuurlyke Geschiedenis, hebben aan deeze laatste herschepping getwyffeld. Het staat aan hunne beoordeeling, of het bewys, door onzen Reiziger bygebragt, gegrond genoeg is, om hun gevoelen te bepaalen. Mejuffrouw DE MERIAN, van wien hier gesproken word, was eene jonge Duitscheresse van Frankfort aan den Main, die, in 't jaar 1699, de reize naar Hollandsch Guiana deed, om aldaar insecten en kapellen af te teekenen.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[15] De heer GREENWOOD, uit den omtrek van. Leicester, heeft my verzekerd 'er een gedood te hebben van twaalf voeten lengte.
Aant. v. d. Schryver.
[16] Het schynt, dat het woord harwar is een bedorven spelling van het Engelsch en Hollandsch woord Haven. Dus zoude Devil's-Harwar beteekenen Duivels-haven.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[17] "Het Kabinet van Natuurlyke Geschiedenis bezit het beruchte hoofd, te Maastricht gevonden, en zelfs eenige wervelbeenderen van zommige deelen van het geraamte, waar toe die kop behoord heeft…. Ik had dit beruchte hoofd, het welk myne nieuwsgierigheid had gaande gemaakt, doen afteekenen: het zelve is thans in het Magazin in 't koper gesneden.
"Het is gemakkelyk te zien in deeze versteening, dat 'er verscheiden koppen van beesten van een en het zelfde zoort zyn; maar welk is het zoort, waar toe deeze behoord? dit staat nog te beslissen; men heeft derzelver classe nog met geene zekerheid kunnen bepaalen….
"Dit stuk, eenig in zyn zoort, heeft de aandacht van veele waarneemers tot zig getrokken…. Het heerschend gevoelen tegenwoordig is, dat deeze kop tot een nieuw zoort van Krokodillen behoord". (Getrokken uit een brief van L. A. MILLIN aan Dr. HERMAN, ingelascht in 't Magazin Encyclopedique, 't 1ste jaar, 6de Deel, bladz. 34., alwaar men ook eene in 't koper gesnedene afbeelding van deezen zelfden kop vind, waar van de Burger FAUJAS-SAINT-FOND, Hoogleeraar in 't Museum der Natuurlyke Geschiedenis, eene beschryving belooft.)
Aant. v.d. Franschen Vert.
[18] Het is de Passiebloem. Mejuffrouw DE MERIAN noemt dezelve Marquias.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[19] Dr. LABORDE zegt drie zoorten van Otters in Guiana te hebben waargenomen.
1º. De grootste, die van veertig tot vyftig ponden weegt, en wiens hair zwart, en byna kaal is; hy houd zig op in de Rivieren.
2º. Die geene, waar van de huid geel-achtig is, van de kleur der Gummi-gutta, en wegende twintig tot vyf-en-twintig ponden; hy bewoond insgelyks de Rivieren.
3º. De gryze, niet meer dan drie of vier ponden wegende; hy houd zig op in de gaten by de Rivieren, en is zeer gevaarlyk voor de honden.
Allen ontwyken zy het water, alwaar ebbe en vloed is, en houden zig alleenlyk op in zoete wateren, in de meiren, of boven in de Rivieren; zy gaan troepsgewyze naar de verdronken Savanen. Men maakt 'er jagt op, om hunnen buit te hebben, tot dit einde gaat men in eene hinderlaag aan den waterkant leggen. Zy zyn wild; en zoo men op hen schiet, terwyl zy zwemmen, zinken zy naar den grond, en zyn voor den jager verlooren.
De wyfjes werpen maar een jong, zelden twee; zy zyn minder vruchtbaar dan in Europa. Zy werpen haare jongen in de holen, die zy aan den waterkant graven. Op de landhuizen voed men deeze dieren op.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[20] Dusdanige kruik houd vier pinten, Parysche maat.
Aant. v. d. Franschen Vert.