← Table of contents
Reize in Taka (Opper-Nubië)

Reize in Taka (Opper-Nubië). (continued 2)

Reading edition

M’Kullu is het geliefkoosde verblijf van de kooplui van Massaoua, die den geheelen dag in den bazar der stad doorbrengen, maar iederen avond naar M’Kullu terugkeeren, om zich des morgens, een uur voor zonsopgang, weder naar Massaoua te begeven. Zoo vaak ik dien kant uit wandelde, kon ik er zeker van zijn, troepen Massaouanis tegen te komen, met hun geel en beenig gelaat, hunne lange helderwitte kaftans, hun tulbanden, om een met veelkleurig borduursel versierd kapje gewonden, en hun bonten zakdoek op den schouder. Deze vervelende dagelijksche wandeling getroosten zij zich uit zuinigheid, want het leven op het eiland is zeer duur; en de eenige uitgaaf die deze verplaatsing hun oplegt, is het veergeld, dat niet meer dan drie paras (anderhalve cent) per hoofd bedraagt.

VIII.

Vroeg in den morgen braken wij van M’Kullu op en trokken naar de vlakte van Gherar, vanwaar een kano mij in drie minuten naar het eiland Massaoua overvoerde. Op dien weg vond ik geene andere planten dan mimosa’s, dwergachtige struiken en wortelvijgeboomen (chora), die het strand bedekken. Die bosschen van chora van verre gezien maken een zeer eigenaardigen indruk: dicht begroeid, van eene zacht groene kleur, hunne fijne takken en twijgen in de zee dompelende, en hunne fraaie bladeren, aan die van den laurier niet ongelijk, in het water weerspiegelende, lokken die wonderlijke boomen den vermoeiden reiziger, om een weinig adem te scheppen van de brandende zonnehitte, en in hun lommer zijne oogen te verkwikken, die vermoeid zijn van het staren op het harde geel der verweerde en verscheurde rotsen langs de kust. Eenmaal heb ik mij laten verlokken, en ben het dichte bosch ingegaan: maar nimmer heb ik de proef herhaald. De bodem, deels door de wateren der zee overdekt, is niets anders dan eene groote poel, vol slijk en zandbanken, waaruit de boomen, dicht opeengedrongen, zich in grillige vormen verheffen; en onder dit bijkans ondoordringbaar loofdak heerscht eene zoo benauwende, verstikkende hitte, in zoo hooge mate met vochtige, ongezonde dampen bezwangerd, dat, bij deze atmospheer vergeleken, het verblijf buiten op de brandende zandvlakte u eene verkwikking schijnt.

De bodem van het eiland Massaoua bestaat uit koralen en eene verzameling van alle mogelijke soorten van versteende vegetatie, die aan de Roode-zee een zoo bijzonder karakter geven. Ik heb reeds met een enkel woord van de waterbakken gesproken: deze bakken beslaan ongeveer een derde van de oppervlakte van het eiland. Volgens de overlevering zouden zij door de Parsis (de Perzen) zijn aangelegd: waarin niets onwaarschijnlijks is, want ten tijde van Khosroës waren deze kustlanden van de Roode-zee, naar wij mogen aannemen, aan de perzische heerschappij onderworpen. Alles wat in deze streken niet ontwijfelbaar van muzelmanschen of misschien abyssinischen oorsprong is, wordt aan de Parsis toegeschreven; natuurlijk maakt zich de overlevering, ook in dit opzicht, aan hare gewone fout van overdrijving schuldig.

Maar wie dan ook de waterbakken van Massaoua moge hebben aangelegd, hij heeft eer van zijn werk: zij verdienen wel alleszins de aandacht, niet alleen om hunne afmetingen, om de moeilijkheden die bij den aanleg te overwinnen waren, maar vooral om de schoone bewerking, waarvan men zich eenig denkbeeld kan vormen, als men de drie of vier, die nog bijna ongeschonden zijn, wat meer van nabij beziet. De bakken zijn gedekt door een soort van klein gewelf, uit koraalfragmenten gemetseld; de binnenwanden zijn glad, en de randen zoo gemaakt, dat bij den minsten regen, het water in de bakken moet afloopen. Deze fraaie en nuttige werken hadden het wel verdiend, dat de turksche regeering, steeds zoo haastig bij de hand als er eene of andere nieuwe methode van knevelarij valt in te voeren, zich wat meer om hun behoud bekommerd had: maar aangezien de gouverneur en zijne lieden alle morgens hun versch water van M’Kullu ontvangen, is het hun natuurlijk volkomen onverschillig, of het arme volk van dorst vergaat. Do waterbakken in het binnenste van het eiland vallen in puin, zonder dat iemand eene hand uitsteekt om ze te herstellen; de bakken nabij het strand bezwijken voor den aandrang der zee, die de wanden doet barsten en bij iederen vloed de ledige ruimte vult.

Omtrent den oorsprong van Massaoua verkeert men in het onzekere. Sommige geleerden zijn van meening, dat het tegenwoordig Massaoua ongeveer zou overeenkomen met eene zekere stad Saba, waarvan de oude geografen melding maken: in hoever die meening gegrond is, durf ik niet beslissen. Het eiland is zeer arm aan gedenkteekenen: men vindt er slechts een twaalftal gewijde gebouwen, waaronder eene moskee, die wel de opmerkzaamheid verdient, en waarschijnlijk dezelfde is, waarin de Portugeezen, omstreeks 1520, de mis lieten bedienen, nadat zij de muzelmannen uit Massaoua verdreven hadden. Dit was trouwens slechts eene wedervergelding, want de muzelmannen hadden op hun beurt dit heiligdom aan de abyssinische christenen ontweldigd.

Waterdraagster van M’Kullu.
Waterdraagster van M’Kullu.

Waterdraagster van M’Kullu.

De bevolking van Massaoua is zeer gemengd. De merkwaardigste, en uit een commerciëel oogpunt wel de gewichtigste kolonie, is ongetwijfeld die der Banians, die welbekende indische kooplieden, in wier handen sedert eeuwen reeds de handel op de Roode-zee berust. De wijk der Banians is zeer stil; er zijn zeer weinig winkels, en te ieder uur van den dag ziet ge er weinig anders dan angarebs, rustbanken, tegen de muren geplaatst, en waarop groote, welgevormde, half-naakte mannen rustig liggen uitgestrekt. Hunne geschoren kruinen, hunne dunne knevels, hunne prachtige zwarte oogen, hunne eenigszins vrouwelijke trekken, geheel hun voorkomen doet u denken aan eene straat van Delhi of Bombay. Als de Banian uitgaat, draagt hij een prachtigen tulband van roode of gele zijde, met goud geborduurd, en een zware zilveren keten om de lendenen.

De europeesche bevolking te Massaoua is nooit zeer talrijk geweest; zij bestaat doorgaans uit een consulairen agent (zelden zijn er twee), uit een paar kooplui en eenige zendelingen. Over deze laatsten een enkel woord.

De eerste missionarissen, die zich hier vestigden, waren Kapucijner-monniken; zij woonden te M’Kullu in een nederig huis, waar men hun niet dan na veel moeite het verblijf vergunde. De turksche regeering, die hier het nauwlettend oog der europeesche diplomatie niet had te duchten, toonde zich, aan deze uiterste grens van haar gebied, in al hare brutale onbeschaamdheid. De generaal der orde, die wist met wie hij te doen had, stuurde op deze onbeschofte en steeds half beschonken turksche gouverneurs een piemonteeschen monnik af, door geheel den omtrek wel bekend, pater Giuseppe S...; iemand, die veeleer geboren scheen om voor komiek op te treden dan als apostel in Nubië werkzaam te zijn; een grappenmaker, wiens onuitputtelijke en gansch niet altijd fijne vroolijkheid echter eene zeer degelijke kennis en een onbedwingbaren moed verborg. Telkens lag hij met den turkschen gouverneur overhoop; maar eindelijk wist hij hem te temmen: op zekeren dag daagde hij den Turk uit tot een duel met den sabel; een andermaal dreigde hij den landvoogd uit het raam te gooien, en zichzelf, in zijne plaats, tot kaïmakan te doen uitroepen. Dergelijke praktijken waren zeker niet bij uitnemendheid apostolisch: maar tegenover de lieden, met wie hij te doen had, troffen ze toch doel. Ongelukkig kwam pater Giuseppe in het eind op de noodlottige gedachte om “zaken” te gaan doen: hij hing zijn pij aan den kapstok, en zette te Massaoua een handelshuis op, dat al vrij spoedig failliet ging. Pater Giuseppe begaf zich daarop naar Florence, waar hij, naar men mij zeide, tegenwoordig als redacteur van een liberaal dagblad werkzaam is.

Na de Kapucijners verschenen de Lazaristen, toen zij, in 1855 uit Abyssinië verdreven, zich te Massaoua kwamen vestigen, onder de leiding van den voortreffelijken prelaat monsgr. de Jacobis. Onder het bestuur van zijn opvolger, monsgr. Biancheri (overleden 17 September 1864), werd ten behoeve der missie aan de oostpunt van het eiland, tegenover de stad, een ruim gebouw opgericht met eene kerk en eene drukkerij voor de abyssinische boeken. Tegenwoordig wordt de missie bestuurd door pater Delmonte, een Genuees van geboorte, en een zeer bekwaam man, die waarschijnlijk als opvolger van monsignor Biancheri zal worden benoemd.

Wortelvijgboomen (chora), nabij Gherar.
Wortelvijgboomen (chora), nabij Gherar.

Wortelvijgboomen (chora), nabij Gherar.

Een anglo-indisch spreekwoord zegt: “Pondichery is een warm bad, Aden een fornuis, Massaoua een hel.” Dit is tamelijk overdreven. Massaoua is niet ongezonder dan eenig ander punt langs het beneden gedeelte der Roode-zee, en is zeker veel minder vervelend, dank zij de nabijheid van het bergland en de uitmuntende gelegenheid tot jagen. Dit neemt niet weg dat de hitte het iemand benauwd genoeg maken kan. Ik had mij daartegen zooveel mogelijk gewaarborgd. Mijne woning werd aan drie zijden door de zee omspoeld; en heerlijke uren heb ik, ook bij de grootste hitte, doorgebracht in mijn vierkant vertrek, dat met drie groote vensters aan zee uitkwam. Het uitzicht, het is waar, was tamelijk eentonig. Voor mij zag ik de gele en naakte rotsen van kaap Gherar, de reede, en nu en dan eene of andere boot van Dahlak, met hare zware matten zeilen en haar lading van steenen, langzaam voortzwoegende. Aan mijne linkerhand verhieven zich de drio verdiepingen of terrassen der bergen van Abyssinië en Samhar: namelijk, vooreerst de roodachtige lage heuvels van Arkiko en M’Kullu; dan daarachter de bergen van Waï-Negus, en eindelijk aan den horizon, hoog boven alles uitstekende, de rotsmuur van de abyssinische hoogvlakte, waarboven zich, in trotsche majesteit, de koepel van Devra-Bizan, in schemerende omtrekken, welfde.

Massaoua heeft voor den toerist al zeer weinig aantrekkelijks; maar hij kan zich daarvoor schadeloos stellen door eenige uitstapjes in de omstreken te gaan doen. Reeds meermalen was mijne aandacht getrokken door een fraai gevormden berg, die Massaona beheerscht en den schipper in zee tot baken strekt: den Ghedem, ongeveer 1200 meters hoog, een ontzagwekkende, vulkanische kegel. Met de mededeeling van mijn uitstapje derwaarts, wil ik ditmaal mijn reisverhaal besluiten.

Een Faki.
Een Faki.

Een Faki.

Op zekeren dag huurde ik eene boot met twee man, en liet mij naar een kleinen inham aan de kust roeien, vanwaar ik nog ruim een uur door de stekelige mimosa’s moest wandelen, eer ik de rotsachtige hoogten bereikte, die ik langzaam begon te bestijgen. Na drie kwartier klimmens, had ik een piek bereikt, die ongeveer tweederde van de totale hoogte des bergs mat; maar de eigenlijke top was stellig nog zes kilometers verwijderd, en ik begreep dadelijk, dat, zoo ik niet boven wilde overnachten—waar ik, met het oog op een zeer mogelijk bezoek van leeuwen, luipaarden of hyena’s, volstrekt niet op gesteld was;—het beter was, maar niet verder te gaan. Ik had geen reden om mij over dit besluit te beklagen, want een prachtig panorama breidde zich voor mij uit. Aan mijne voeten, de vlakte, die ik zooeven was doorgetrokken, met eene reeks lage heuvelen, die van den berg tot aan de zee liepen; verder, de fraaie open reede van Massaoua, rustig, blauw, in hare kalme wateren de witte huizen der stad weerspiegelende, en de dichte choras der beide eilanden van Tau-el-hud en Shekh-Saïd. Aan het uiteinde der baai lag de kleine stad Arkiko, vroeger de hoofdstad van het gansche omliggende land, de patrimoniale residentie der naïbs, die sedert naar Aïlat zijn verhuisd. Wat daartoe aanleiding gaf, verdient wel eene korte vermelding, ook omdat daardoor een eigenaardig licht valt op de toestanden in deze streken. In 1846 had de turksche gouverneur van Massaoua, eene schuldvordering van een honderd talaris ten laste van den naïb van Arkiko; en zag geen kans dat geld te krijgen. Dit ware nu nog te vergeven geweest; maar niet te lijden was de beleedigende hoogmoed, waarmede die inlandsche vorsten de gezaghebbenden te Massaoua behandelden. Op zekeren dag voegde de driftige naïb Hassan, in den vollen raad, den gouverneur toe: “Hassan heeft hier te bevelen, zoogoed als de sultan te Stamboel, of de onderkoning te Masr (Kaïro)!”—Bij de minste oneenigheid verbood de naïb zijn onderdanen, de stad van water of levensmiddelen te voorzien, waardoor de inwoners aanstonds aan het gevaar waren blootgesteld, van honger en dorst om te komen. De gouverneur, wiens geduld eindelijk uitgeput raakte, zond toen zijne Arnauten naar de stad, die Arkiko verbrandden, en de turksche kanonnen mede namen, die het voornaamste sieraad van den divan der naïbs uitmaakten.

De stad bleef eenige maanden verlaten liggen; toen werd zij langzamerhand herbouwd, en tevens van een slecht fort voorzien, waarin de turksche gouverneur bezetting legde. De naïb, die een vazal van den negus van Abyssinië was, riep nu de tusschenkomst in van Oubiëh, den onderkoning van Tigreh, die bij den kaïmakan op vergoeding en herstelling van den naïb in zijne vroegere positie aandrong. De kaïmakan schold en dreigde en weigerde iedere voldoening, tot eindelijk op zekeren dag de gansche bevolking der omliggende dorpen, door schrik bevangen, naar de stad vlood, en daar algemeene ontsteltenis verwekte door de mare: El Kostan ghia! de christenen komen!—Het was het abyssinische leger, aangevoerd door Belatta Kokobiëh, een der krijgsoversten van Oubiëh, tusschen de vijftien en twintigduizend man sterk, en overal de schrikkelijkste verwoestingen aanrichtende. M’Kullu werd geplunderd en verwoest; het garnizoen van Arkiko verslagen en onder de muren van het armzalige fort in de pan gehakt; Massaoua, dat het getal zijner inwoners eensklaps van zes tot vijftien duizend zag klimmen, die aan alles gebrek hadden, moest onfeilbaar in handen van den vijand vallen. Maar de onbesuisde vernielzucht der Abyssiniërs droeg voor hen zelf de noodlottigste vruchten: het gansche omliggende land was tot een woestijn geworden, en Kokobiëh zag zich welhaast verplicht, zijne stroopende ruiterbenden weder bijeen te roepen en naar het noorden, naar het land der Bogos, terug te trekken. Zoo bleef alles bij het oude: Arkiko hield zijne turksche bezetting, en de morrende naïbs brachten hunne residentie over naar Aïlat.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings