Front matter (continued 2)
Reading edition
Bij ’t hooren van dit verhaal kon ik niet nalaten aan Mr. Pak-ki-ho te vragen of ’t nooit voorkwam dat een vrouw zich tegen deze slavernij verzette en zelve een keuze wilde doen. Hij schudde heel beslist met zijn hoofd van neen en verwees mij naar de uitspraak van Confucius, die verklaart dat een vrouw geen ziel heeft en niet competent is om te denken.
O strijders voor de rechten der vrouw, welk een maagdelijk arbeidsveld is Korea voor u!
Thans maakt Korea aanspraak op den naam van onafhankelijk Keizerrijk. In 1897 kende de vorst zichzelf den keizerlijken titel toe; de naam Chosen werd veranderd in dien van Tä-Han (Groot Han). De „morgenkalmte” heeft moeten wijken voor „grootheid”. Vertegenwoordigers werden naar de Europeesche hoven gezonden en die van de Westersche mogendheden vriendschappelijk ingehaald binnen Seoul’s muren; in één woord, ’t jongste der keizerrijken proclameerde officieel zijn onafhankelijkheid.
Een van de eerste teekenen daarvan was de oprichting van de zoogenaamde „Onafhankelijkheidspoort”, honderd meter voorbij de oude poort waar de jaarlijksche schatting betaald werd.
Telegraaflijnen doorkruisen ’t land. Reeds is de hoofdstad met de kust verbonden door een spoorlijn, terwijl meerdere in aanleg zijn; stoomvaartverbindingen zijn tot stand gekomen, op elk gebied worden verbeteringen en hervormingen voorgenomen.
(De Keizer drijft de vereuropeesching zelfs zoover, dat hij een morganatisch huwelijk met een Amerikaansche dame sloot).
De keizerlijke huishouding staat onder toezicht van een Duitsche dame, Fräulein S., die eenige europeesche koks onder zich heeft, want tegenwoordig prijken fransche menu’s op de feestmaaltijden ten hove.
Over den harem heerschen een engelsche en een amerikaansche doktores.
Maar zoo voor ’t uiterlijk alles couleur de rose lijkt in Korea, inwendig doorloopt ’t land een beroering, waarvan de crisis niet meer ver kan zijn.
Door de invloeden van buiten is de zucht tot afschudden van ’t slaafsche juk wakker geworden bij ’t volk.
Onder den naam van Independenten hebben zij zich vereenigd, die vooruitstrevenden! Geduldig hebben zij soms dagen lang zitten wachten aan de poorten van het paleis, ten einde hun smeekschrift om heropening der Independenten-club en afzetting van eenige invloedrijke beambten, die naar hartelust hun macht misbruikten voor oneerlijke handelingen, persoonlijk den Keizer te overhandigen.
Tegenover deze partij staan de Tong-haks, de ultra-conservatieven, wier wachtwoord is: „Korea voor de Koreanen”. Zij noemen zich „de Vereeniging van Oostersche Wijsheid”, hun doel is allen buitenlandschen invloed te weren.
Tijdens het schrikbewind van den Tai-Wen-Kun bloeide deze vereeniging (o. a. de moorden op zendelingen moet men haar wijten). Thans is haar macht gebroken, al hoort men nu en dan nog flauwtjes van kleine oproertjes door de leden veroorzaakt. De Mapu’s scharen zich aan de zijde der Tong-haks, zonder hun fanatisme te deelen.
Reeds is het tot botsingen gekomen tusschen de Independenten en de Mapu’s. Velen vonden den weg naar de gevangenis, maar ’t zaad is gestrooid en de vrijheidsgeest opgewekt. Tijdens een bezoek dat wij aan de gevangenis te Seoul brachten, konden wij ons hiervan overtuigen.
Die inrichting overtrof verre de verwachtingen; alles was er zindelijk en netjes, ruime binnenplaatsen gaven voldoenden toevoer van versche lucht, en al waren de hokken van de gevangenen naar onze begrippen veel te klein, laag van dak en donker, vergeleken bij een Koreaansche woning konden zij de vergelijking zeker goed doorstaan. Maar ik haast mij er bij te vertellen, dat deze inrichting onder europeesch toezicht is gebouwd en eerst een maand geleden in gebruik werd gesteld.
De galg, ook geheel volgens ’t nieuwste systeem ingericht, had slechts eenmaal dienst gedaan; thans zaten vier ongelukkigen in afwachting van hun straf, achter ijzeren tralies hun onmisbare pijp te rooken.
Maar ik dwaal af. Ik wilde vertellen van een jong politiek gevangene, een lid van de club der Independenten, die zijn leven daar moest slijten omdat hij zich niet vereenigen kon met ’t Confuciaansche voorschrift uit ’t kinderschoolboekje: „Maar wee hem die zegt, dat de vorst onrechtvaardig handelt, hij zal als een vijand behandeld worden”.
Hij was een jonge man, een aristocraat en sprak vlot Engelsch, en daar zijn bewaarders hem niet verstonden, evenwel teveel ontzag voor zijn stand hadden om hem te beletten met ons te spreken, kon hij vrij uit zijn meening zeggen.
Zijn verstandige oogen schitterden van heilig vuur, toen hij vertelde van ’t streven naar vrijmaking van ’t Koreaansche volk.
Die jonge man en zijn geestverwanten vertegenwoordigen het Korea der toekomst, in hen schuilt de macht het volk op te heffen tot een ontwikkeling van kracht, een herleving van energie, die het een plaats doet innemen onder de volken met een zelfstandig bestaan, een natie die niet ten onder gaat, die streeft naar algemeene ontwikkeling.
Rondom Korea woelt en bruist ’t niet minder, politieke typhoons dreigen ’t evenwicht te verstoren. Zoo zwaar pakken de wolken zich te zamen, dat diplomatieke zonnestralen er haast niet vermogen door te dringen.
Het middenpunt van deze stormen is het jonge keizerrijk, de prinses uit het sprookje, die zoo lang sliep in haar paleis.
Zie eens hoe alle mogendheden haar ’t hof maken, hoe ze om strijd hun diensten aanbieden, terwijl ze in zichzelven tot prijs daarvoor wenschen...... de jonge prinses zelve.
Maar zij kan niet anders doen dan beleefd glimlachend haar gunsten gelijkelijk onder hen verdeelen en hun diensten aannemen.
Aan Frankrijk werd de zorg voor de posterijen opgedragen, aan Amerika die voor het leger, aan Rusland de scheepvaart langs de kusten. Japan en Amerika leggen spoorwegen aan, Engeland en Duitschland beheerschen den handel.
Nu in de laatste jaren de onderlinge dienstvaardigheid in afgunst is ontaard, wordt het de prinses wel een beetje benauwd om ’t hart. Toch bestaat haar groote kracht in haar zwakte; zij drijft op ’t politiek evenwicht, als zij partij kiest is zij verloren.
En ’t gevaar voor een onderlinge overeenkomst tusschen de europeesche mogendheden is vooral door de dreigende houding van Rusland tegenover Japan zeer verminderd.
Rusland gaat doodkalm voort, evenals ’t in Manschoerije deed, gewichtige punten in Korea te bezetten, leger en vloot in ’t Oosten te concentreeren.
Reeds hebben duizenden Koreanen zich in ’t Amoer-gebied als kolonisten gevestigd; daarentegen trekken russische kolonisten over de koreaansche grenzen en vestigen er zich als landbouwers.
Door de bezetting van Masampo (gelegen aan de zuidkust, eenige uren van Fusan), Tschinampo in ’t westen, en Wiyu (aan de Yalu-rivier) heeft Rusland een verbinding gekregen van Wladiwostock en Port-Arthur en is ’t in staat Korea’s kusten te beheerschen. Tevens belet het de Japanners den vrijen toegang tot Korea, want de Russische Beer ducht de onmiddellijke nabijheid van de kleine mannetjes uit ’t land van de Rijzende Zon. Voor Japan daarentegen is het bezit van Korea een levenskwestie.

Onafhankelijkheidspoort te Seoul.
Japan’s bevolking neemt dusdanig toe dat expansie dringend noodig is. Reeds is er gebrek aan grond voor landbouw in Japan, reeds trekt het een der hoofdbestanddeelen van de volksvoeding, nl. boonen, uit Korea, terwijl dit land ook voor den Japanschen handel een geschikt terrein blijkt te zijn.
Maar Korea’s sympathie is niet voor Japan. De geschiedenis van Japan leert ons, dat sinds eeuwen de eenige aanraking met Korea plaats had door ’t zenden van legermachten.
Reeds in de derde eeuw na Chr. rustte de Keizerin van Japan, Jingo, een expeditie naar Korea uit en onderwierp het land aan haar gezag. Tot aan ’t eind der veertiende eeuw bleven de verhoudingen die van onderdanigheid van Korea’s kant: jaarlijks trokken afgezanten naar Japan om schatting te betalen.

Paviljoen van een Mutang.
Maar daarna werd de chineesche invloed overheerschend, totdat in 1592 Hideyoshi Japans invloed trachtte te herwinnen door zes jaar lang Korea moordend en roovend te doorkruisen met zijn legermacht. Niet alleen dat hij hierdoor zijn doel niet bereikte, maar hij liet een gevoel van nationale haat en beleediging achter, die sedert zijn blijven voortleven.
Ziedaar in enkele woorden een overzicht van den toestand waarin het land zich bevindt. Laten wij van harte hopen dat de donkere wolken zullen optrekken en het land niet gebruikt zal worden tot terrein waarop internationale vijandelijke gevoelens worden uitgevochten. Moge eenmaal Korea weer den naam aannemen van Chosen „Kalmte van den morgen” en de dageraad van onafhankelijkheid in den waren zin des woords voor haar aanbreken.
De dagen van ons verblijf in Korea zijn omgevlogen en ’t is met weemoed dat wij het uur van vertrek hooren slaan. Ik neem een gevoel van medelijden mee voor de patriarchale figuren in hun witte kleedij, die nu huns ondanks deel zullen moeten nemen in den vurigen strijd om zelfbehoud in ’t woelige werelddrama.
Wij hebben afscheid genomen van de twee duitsche officieren, die van Seoul direct doorreizen naar hun garnizoen te Tientsin, waar wij hen hopen terug te zien.
Het afscheid van Mr. Pak-ki-ho zal van langeren duur zijn. We wenschen hem toe dat zijn land meer en meer bereisd mag worden door vreemdelingen, en dat hij in de gelegenheid gesteld blijve hen met evenveel ijver en nauwgezetheid in te lichten omtrent de bezienswaardigheden van dit interessante land.
Dan voert de trein ons weder naar Chemulpo en begeven wij ons (’t gezelschap is nu tot vier Europeanen gedaald) met Chang en den japanschen boy van onze duitsche reisgenooten, aan boord van een russischen stoomer de Argun die ons langs de noordelijke oevers van den golf van Petschili naar Manschoerije en China zal voeren.
