← Table of contents
Reis naar Yucatan

IX

Reading edition

Ténosiqué is het laatste dorp in de vlakte; de eerste heuvelen van de Cordillera verheffen zich op twee mijlen afstands; de Usumacinta komt daar, van de steilte nederdalend, met zeer sterk verval, tusschen twee bergen te voorschijn. Een weinig verder begint de sierra met haar doolhof van onbekende valleien, waarin de Lacandons hun verblijf hebben gevestigd. Dat is de plaats onzer bestemming; maar om er te komen, hebben wij vele moeilijkheden te overwinnen.

Ténosiqué ligt op eene hoogte, waardoor het tegen periodieke overstroomingen beveiligd is; maar even als alle van de hoofdplaatsen verwijderde dorpen, bestaat het uit armzalige hutten, en leidt men er een vrij ellendig leven. Men bezorgt ons een hut, waarvan het rieten dak rust op vier wanden van biezen met aarde besmeerd; ondanks wij dit lokaal herhaalde malen laten aanvegen, worden wij toch opgegeten door het ongedierte en gemarteld door de muskieten. Natuurlijk is er geen enkel meubel: gelukkig hebben wij onze hangmatten en veldbedden bij ons. Dit ellendige nest dagteekent niettemin uit de eerste tijden na de verovering, en bestond zeer waarschijnlijk reeds voor dien tijd als indiaansch dorp. In den laatsten tijd heeft dit vergeten dorp eene zekere bekendheid verworven. Ten gevolge van de toenemende zeldzaamheid van het mahoniehout in de bosschen van Tabasco, zijn de handelaars in deze kostbare houtsoort gedwongen geworden, hunne agenten tot naar de onbekende valleien van den staat Chiapas, naar de oevers van de Usumacinta, en zelfs naar Guatemala te zenden. Ténosiqué is daardoor de stapelplaats geworden voor alle produkten van dien aard, die uit Guatemala komen, en de woonplaats van de geëmploieerden der beide huizen, die tot dusver dezen handel gemonopoliseerd hebben.

De geschiedenis van een blok mahoniehout is merkwaardig genoeg: ik zal mij de vrijheid veroorloven, ze aan mijn lezer te vertellen.

Niet iedereen kan zulk eene exploitatie op touw zetten; daartoe behoort een aanzienlijk kapitaal en eene volledige kennis van de plaatselijke gesteldheid, benevens de geschiktheid om met de menschen, met wie men in aanraking komt, om te gaan. Meer dan een, verlokt door het vooruitzicht der buitensporige winst, heeft zich, door gebrek aan kennis en ondervinding, geruïneerd.

Het mahoniehout zelf kost niets; de boomen staan daar in dichte gelederen, recht als dennen, hoog en prachtig; de staat legt u slechts eene zeer geringe belasting op van vijf francs per stuk. Gij hebt ze voor het nemen: maar juist daar ligt de moeilijkheid. Vooreerst moet een plek opgespoord worden, waar mahonieboomen in menigte te vinden zijn. De handelaar heeft daarvoor speciale agenten, monteros genoemd. De montero is een ondernemend, moedig, energiek man, gewend aan het wilde leven in de bosschen en bestand tegen alle vermoeienissen; hij begeeft zich op weg, gevolgd door twee Indianen en een muilezel, die de mondbehoeften draagt; hij neemt zijn revolver en zijn geweer mede, niet zoo zeer als veiligheidsmaatregel, maar om te kunnen jagen, want als de levensmiddelen zijn opgeteerd, moet hij op die wijze in het onderhoud van drie menschen voorzien. Hij verlaat de bekende paden, en trekt het oerwoud in, waar hij zich met behulp van zijn sabel, een smallen doortocht moet banen, die zich achter hem aanstonds weer sluit; somwijlen blijft hij twee of drie maanden lang in deze onbekende wildernis, telken avond een hut van takken en bladeren bouwende, als schuilplaats tegen de tropische stortregens, vechtende tegen de wilde dieren, dagen achtereen rondzwervende door moerassige streken, waar de vochtige grond verpestende dampen uitwasemt, bezwangerd met koortsmiasmen. Steeds zoekt hij overal naar het kostbare hout; hij telt de boomen, hij merkt ze, en geeft, als hij terug keert, aan zijn chef het juiste getal op. Bladzijde 151

Hij heeft nu de lokaliteit bestudeerd, heeft zich rekenschap gegeven van de bezwaren, aan de exploitatie verbonden, en de kosten van transport berekend; er moet eene keus gedaan worden, want hij kan niet alles medenemen. Hoe vele prachtige boomen heeft hij niet op zijn zwerftochten ontmoet; welke schatten heeft zijn oog niet aanschouwd, die toch voor hem onbereikbaar zijn! Volslagen gemis van wegen, een zeer ongelijk, bergachtig terrein, een allesoverweldigende plantengroei, ziedaar de bezwaren, die men moet overwinnen, om den schat meester te worden. Hoe zal men dat aanleggen? De weg is te maken; maar er moet noodzakelijk eene rivier in de onmiddellijke nabijheid zijn, want zoodra de afstand meer dan twee mijlen bedraagt, wordt de exploitatie, met het oog op de kosten, onmogelijk. De rivier is de steeds bereidvaardige helpster, die zich kosteloos met het vervoer belast: zij voert de kostbare blokken mede en brengt ze, ondanks alle hinderpalen, rotsen, watervallen en stroomversnellingen, ongedeerd voor uwe deur.

Het vellen der mahonieboomen. (Blz. 151.)
Het vellen der mahonieboomen. (Blz. 151.)

Het vellen der mahonieboomen. (Blz. 151.)

Het terrein is nu verkend; een beëedigd landmeter gaat er heen om de grenzen te bepalen: en de houthakkers kunnen nu aan het werk gaan. Neen, zoover zijn wij nog niet: er is gebrek aan handen; de arbeiders zijn schaarsch, en allen zijn gehuurd—dat wil zeggen, moeten werken om hunne schuld af te doen bij de ondernemers, die zonder dit van ouds in zwang zijnde stelsel, niemamd zouden kunnen vinden om voor hen te werken. Zij leggen het dus zoo aan, dat de Indianen bij hen in schuld komen; en is het eenmaal zoo ver, dan zijn zij de slaven van hunne schuldeischers. Daar de Indiaan zwak van karakter is, zorgeloos en op drank verzot, raakt hij telkens meer in de schuld, en zoo is hij feitelijk veroordeeld tot levenslangen dwangarbeid. Komt hij te sterven, dan is de zoon verantwoordelijk voor de schuld van den vader en treedt in diens plaats; dat is nog de aloude wet der Mayas, die nog steeds van kracht is. Zonder deze wet zouden wij, ondanks hooge werkloonen, geen mahoniehout hebben; want evenmin als de bewoners van welk ander tropisch gewest ook, werkt de Indiaan vrijwillig, en het geld heeft voor hem weinig bekoring. Daar de Indiaan zijn meester niet verlaten kan, zoolang zijn schuld niet aangezuiverd is, betaalt de nieuwe ondernemer die ten einde zich werklieden te verschaffen; zoo kost iedere arbeider twee-, drie- tot vijfduizend francs; en somwijlen heeft men twee- tot driehonderd man noodig. Ge ziet dus, dat de ondernemer over kapitaal moet kunnen beschikken.

De arbeiders begeven zich op weg, en worden door den montero naar de bepaalde plaats geleid. Daar, midden in het woud, op dertig, veertig, zestig mijlen van iedere menschelijke woning, worden de ranchos opgeslagen, en rusteloos heen en weer trekkende konvooien voorzien de nieuwe kolonie van de noodige werktuigen en levensmiddelen. Dat is nog niet alles; de boomen worden geveld; men ontdoet ze van het spint—het zachte hout onder de schors—; men zaagt ze in blokken, en de kostbare waar groeit tot stapels: maar de rivier is verre, en de stammen staan op vrij grooten afstand van elkander: bijna voor iederen stam moet een pad gebaand worden! En wie zal ze vervoeren? Ossen; maar ossen zijn in de provincie nog zeldzamer dan mannen; men moet ze dus gaan halen aan gene zijde van de Cordillera, in de vlakten van Chiapas, op honderd-vijftig mijlen afstands. Zij zijn daar niet duur: voor twintig piasters (honderd francs), kan men zeer goede beesten hebben; maar de afstand, de bezwaren van de reis, het onvoldoende voedsel doen de kudde dikwijls tot op een vierde slinken; het woud ligt bezaaid met lijken, en de weinige ossen, die eindelijk behouden ter bestemder plaatse aankomen, verkeeren in een zeer ellendigen toestand en kosten ieder meer dan vierhonderd francs.

Maar ook nu houdt de sterfte nog aan: vele dieren bezwijken ten gevolge van vermoeienis en het ongewone, ontoereikende voedsel, dat hoofdzakelijk uit bladeren en ramon bestaat. Bovendien maken de arbeiders, die hun honger naar versch vleesch moeilijk kunnen bedwingen, dikwijls met opzet dat er een ongeluk gebeurt, zoodat een os moet worden gedood. Telkens moeten nieuwe dieren worden aangevoerd, en het blok mahoniehout wordt aardig duur.

Lacandons. (Blz. 159 vg.)
Lacandons. (Blz. 159 vg.)

Lacandons. (Blz. 159 vg.)

Eindelijk is de oever der rivier bereikt. Daar wordt elk blok aan de zes kanten met een cijfer gemerkt, en van den hoogen oever in de bedding geworpen. Bij den eerstvolgenden was zal het water al die blokken medevoeren; blijft er bij ongeluk een hier en daar, op een rots of in een bocht van den oever vastzitten, dan wordt het toch in het volgende jaar medegevoerd.

In den tijd als de wateren der rivier zwellen, begeven de Indianen van Ténosiqué zich met lichte kanos naar de plaats, waar de Usumacinta uit de bergen te voorschijn treedt, naar de zoogenaamde Boca del rio, om daar de mahonie blokken op te wachten, die de rivier bij honderden medevoert; zij krijgen twee-en-een halve franc per blok, en het is onder hen een hartstochtelijke wedstrijd, wie de moeste blokken machtig zal worden. Daar elk blok gemerkt is, rangschikken zij ze naar de eigenaars, binden ze tot vlotten en voeren ze zoo naar het dorp. Al die arbeid, al die moeiten en gevaren, al die uitgaven zijn noodig, waarde lezers, om u van mahoniehout te voorzien; en nu heb ik nog niet gesproken van de epidemieën, die het vee doen sterven, van de koortsen, waaraan de arbeiders bezwijken, van monteros, die met het geld op den loop gaan of het verspillen, en van andere kwade kansen meer.

Intusschen heb ik zelf met allerlei moeielijkheden te worstelen, die mijn vertrek vertragen. Ik ontvang zulke tegenstrijdige berichten omtrent de ruïnen, wier ontdekking ik mij ten doel heb gesteld, dat ik soms geneigd ben aan eene algemeene samenspanning, eene onverklaarbare mystificatie te gelooven. De ruïnen bestaan; de persoon zelf, die ze voor het eerst zag, geeft mij daarvan de uitdrukkelijke verzekering. Zij zijn ver verwijderd, vijftig mijlen ver, aan de andere zijde van de sierra, op den linker oever van de Usumacinta; een weg Bladzijde 154is er niet, maar de richting, die ik volgen moet, is bekend. Ik houd mij dan ook onledig met de toebereidselen voor den tocht, maar mijne handen zijn gebonden.

Daar ik aanbevelingsbrieven bij mij had voor de beide handelshuizen in het dorp, had men mij, bij mijne komst, alle mogelijke beloften gedaan, maar geene enkele daarvan gehouden. Ik had op zijn minst vijftien manschappen noodig, benevens veertien muildieren en drie paarden; er waren noch paarden, noch muilezels, noch manschappen. Om de laatsten te verkrijgen, liet ik twintig mijlen in het rond nasporingen doen, onder aanbieding van dubbel loon; wat de muildieren betreft, gaf men mij te kennen, dat er eerlang een konvooi uit Peten verwacht werd: na eenige dagen rust, zouden de muildieren wel weer voor den tocht geschikt zijn. Ik had levensmiddelen: rijst, bonen en beschuit, maar geen vleesch. Met moeite kon ik twee stieren machtig worden, die geslacht werden en wier vleesch in lange reepen werd gesneden, gezouten en gedurende drie dagen in de zon gedroogd. Dit vleesch, tasajo genoemd, kan zoo lang bewaard worden als men wil.

Inmiddels had men eenige manschappen bij elkander gebracht, en men verzekerde mij, dat de anderen zouden volgen; maar de zoo vurig verlangde muildieren kwamen niet opdagen. Eindelijk, op een avond, den achtsten dag van onze gedwongen gevangenschap, hooren wij kreten en het getrappel van hoeven. Wij ijlen naar buiten: dat waren de muildieren! Ik tel ze haastig: daar zijn er twaalf; wij zijn gered! Neen, nog niet; want den volgenden morgen ontwaarde ik, tot mijn schrik, in welken rampzaligen toestand de arme dieren verkeerden. Zij waren bijkans levende geraamten, overdekt met afzichtelijke, stinkende wonden, half dood, en ten eenemale buiten staat om eene zoo langdurige en bezwaarlijke reis te ondernemen.

De eigenaar verzekerde mij evenwel, dat zij na acht dagen rust weder zouden kunnen vertrekken, mits zij slechts de helft van de gewone vracht hadden te dragen. De schurk kon met des te meer gerustheid die verzekering geven, daar hij er vast op rekende dat de meeste muilezels onderweg zouden bezwijken, in welk geval ik ze hem, tegen den prijs van nieuwe dieren, zou moeten vergoeden: hetgeen later ook inderdaad gebeurde. Maar ik vermoedde niets van deze sluwe berekening, en wij hielden ons onledig met onze laatste toebereidselen.

De manschappen verschenen; voor de muildieren werden nieuwe pakzadels en tuigen gemaakt, omdat de oude geheel versleten waren; men verdeelde de vrachten onder het opzicht van den chef der muilezeldrijvers, die het bestuur der karavaan op zich zou nemen, en ik moest een gedeelte van mijn materieel achterlaten. Dit was niet alles; de montero, die ons als gids zou dienen, verzekerde mij dat wij niet rechtstreeks naar de ruïnen konden gaan: op een zeker punt aan den rechteroever van de rivier gekomen, moesten wij de Usumacinta ongeveer vijf mijlen ver afzakken, om dan aan den linkeroever, vlak tegenover de monumenten, aan land te gaan. Het was dus noodig, eenige manschappen vooruit te zenden, om een weg door het woud te banen en ook eene groote kano te timmeren, die ons naar de puinhoopen der oude stad brengen zou.

Den volgenden dag gingen dan ook zes man op weg, met het beste muildier, dat de noodige levensmiddelen droeg en de gereedschappen voor het maken der boot; wij zelven zouden later volgen. Na velerlei getob en oponthoud konden wij dan toch eindelijk den vijftienden Maart 1882 vertrekken. De muildieren zijn niet genezen: men heeft hunne wonden gewasschen, dat is alles; en onder den druk der nieuwe vrachten zullen deze wonden op schrikbarende wijze verergeren: ik ben overtuigd, dat enkele dieren bezwijken zullen. Maar wat te doen? Ons rest geen keus: reeds bij het vertrek, en hoe wel slechts eene halve vracht te dragen hebbende, schijnen de arme dieren onder den last te bezwijken.

Wij zijn midden in het woud; de weg is afschuwelijk, of liever, er is in het geheel geen weg: doornstruiken, lianen, kreupelhout, omgevallen boomen houden ons elk oogenblik tegen; het pad is zoo smal, dat de muilezels telkens tegen de takken stooten, waardoor hunne vracht wordt verschoven, en zoo weinig gebaand, dat men zeer oplettend moet zijn om het spoor niet geheel bijster te raken. Wij komen slechts zeer langzaam vooruit: de eerste dag der reis is altijd de moeilijkste; men moet de muildieren, die zeer onwillig zijn, voortsleepen en daarbij zeer streng in het oog houden, want zij peinzen voortdurend op een middel om te ontsnappen. Omstreeks het midden van den dag zijn er twee muildieren verdwenen; na een uur zoeken worden zij terug gevonden.

Wij hebben nu de vlakte verlaten en trekken in zuidoostelijke richting voort, naar den voet van de Cordillera. Het woud wordt prachtig: reusachtige stammen, door lianen als kabeltouwen omstrengeld, palmen van meer dan honderd voeten hoogte, pandanussen met kolossale bladeren, vermengd met slanke ceders en mahonieboomen, wier ruwe schors aan onze eiken herinnert, vormen een schilderachtig, grootsch en indrukwekkend geheel. Men wordt des bewonderens niet moede, en men zou wenschen, in deze bosschen zijn leven te slijten, indien men niet zoo schrikkelijk te lijden had van allerlei ongedierte, met name van muskieten en van onze oude vijanden, de garrapaten.

De chef der karavaan regelt de dagreizen en bepaalt telkens de plaats, waar men voor den nacht kampeeren zal; hij moet volkomen met het woud bekend zijn, want men kan alleen daar ophouden, waar water voor onze muildieren te vinden is en ook dien boom, ramon genaamd, waarvan de bladeren gedurende de reis hun eenig voedsel zijn. Doorgaans kampeert men op eene kleine hoogte, te midden van eene ruime open plek, waar reeds anderen hun kamp hebben opgeslagen, en waar de grond van boomen en kreupelhout gezuiverd is. De hooge boomen blijven alleen staan, en hunne machtige takken beveiligen ons tegen den killen nachtelijken dauw. Deze kampementen dragen op de kaart een naam, Bladzijde 155hoewel er noch eene hut, noch eene levende ziel te vinden is; maar zij dienen den muilezeldrijvers als rust- en verkenningspunten op hunne tochten van Peten naar Ténosiqué. Bij onze aankomst aan de bepaalde halt, worden de beesten ontladen; de bagage wordt met de pakzadels op rijen geplaatst; daarna begint men de arme dieren te verbinden. Deze eerste dag heeft hunne wonden op schromelijke wijze verergerd. De mannen gaan het bosch in om ramon te zoeken; men hoort hunne bijlslagen tegen den stam, vervolgens, het gekraak van den neervallenden boom, overstemd door hunne vreugdekreten. Kort daarna keeren zij terug, gebogen onder eene geweldige vracht van groenende takken, die onder de hongerige muildieren worden verdeeld. Inmiddels maakt Julien onze veldbedden gereed, en de kok van den troep legt zijn vuur aan om ons souper te bereiden. Het menu is steeds hetzelfde: een groote ketel met tasajo, rijst of bonen met eene portie beschuit, en tot toegift een kop koffie. Toch is er soms eenige afwisseling, naarmate wij op de jacht gelukkig zijn geweest: apen, wilde kalkoenen, pécaris, alles is ons welkom.

De avond valt; de manschappen, rondom de vuren gezeten, rooken en praten; dan wordt het nacht, en ieder vlijt zich neer op een bed van groene bladeren, beveiligd door een muskietenscherm. Onze slaap is niet vast, en wordt telkens gestoord door zonderlinge geluiden: het brullen of knorren van wilde dieren, het schreeuwen van nachtvogels en het verschrikkelijk gehuil der brulapen.—Voor het aanbreken van den dag zijn wij weer op de been; met het ontbijt, het optuigen der muildieren en het verdeelen der bagage zijn ruim twee uren gemoeid, en de zon staat reeds hoog aan den hemel, als de karavaan zich op weg begeeft.

De eene dag gelijkt volkomen op den anderen, behoudens de uiterst zeldzame ontmoeting van een uit Peten terugkeerenden reiziger. Deze geheele streek is rijk aan ruïnen, en alles bewijst dat zij vroeger, voor de komst der Spanjaarden, bebouwd en bevolkt was; te midden van deze uitgestrekte eenzame wouden vindt men nog de sporen van groote steden, waarvan de geschiedschrijvers der verovering nog melding maken. Die steden, die dorpen en tempels zijn van de aarde verdwenen, en de eens zoo talrijke bevolking is geslonken tot enkele familiën, in de wouden verloren: de verbasterde en diep gezonken afstammelingen van het ongelukkige ras.

Onze tocht wordt met den dag moeilijker, want wij hebben reeds twee muildieren verloren, die waarschijnlijk wel de prooi der jaguars zullen zijn geworden. Hunne vrachten zijn tusschen de anderen verdeeld moeten worden; en om onze dieren zoo veel mogelijk te verlichten, gaan wij beurtelings te voet.

Op den zevenden dag van onze reis, des morgens vroeg, begonnen wij te voet de berghellingen te beklimmen. Hoewel deze bergen niet hooger waren dan omstreeks vierhonderd-vijftig el, was de bestijging toch een zeer zwaar en moeilijk werk, dat groote inspanning vorderde. Kort daarna bereikten wij de vlakte en sloegen ons kamp op aan de oevers van de rio Chotal, die zich in de Usumacinta uitstort. Het woud is hier verwonderlijk schoon, en rijk aan allerlei wild; papegaaien en aras doen de lucht weergalmen van hunne snijdende kreten; geelgekuifde hoccos bewegen zich zwijgend in de hoogste takken, van waar groote brulapen ons met nieuwsgierige blikken gadeslaan; een troep wilde zwijnen rent in dolle vaart langs ons heen.

Wij bevinden ons in het land der Lacandons: hier en daar ontdekken wij sporen van vroegere bebouwing, vruchtboomen en overblijfselen van verlaten hutten. De Lacandons hebben zich uit deze streek teruggetrokken bij de komst der houthakkers. Des avonds komen wij eindelijk ter plaatse onzer bestemming, aan den paso Yalchilan, en slaan wij ons kamp op aan den rechteroever van de Usumacinta.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings