← Table of contents
Reis in Nepal

IV

Reading edition

De derde plaats, die ik na Khatmandoe en Samboenath bezocht, was Patan, eene der voormalige hoofdsteden van Nepal, en zeker eene der merkwaardigste steden van Azië. Hoewel ik gansch Europa, van Londen tot Moskou, en geheel het klassieke Oosten, van Marokko tot Egypte en Palestina, heb doorreisd, had ik nog nooit iets gezien, dat kon vergeleken worden met de hoofdstraat van Patan. Ongetwijfeld zijn de details van deze fantastische architectuur somwijlen barbaarsch, maar het geheel is schitterend, overweldigend. Onze afbeeldingen kunnen daarvan slechts een zeer onvolledig denkbeeld geven, want zij missen de kleur, die zoo ontzaglijk veel bijdraagt tot het tooverachtig effect van deze monumenten. Die vuurroode paleizen, waarvan de steenen en koperen daken worden gedragen door duizenden beelden van goden en godinnen, stralende in de bontste kleurenpracht, en waarvan de bronzen deuren, door steenen monsters bewaakt, schitteren in het verblindende zonnelicht, zijn niet te beschrijven, haast niet af te beelden.

Patan is eene stad met veertigduizend inwoners, ten zuidoosten van Khatmandoe gelegen; naar het schijnt, werd zij omstreeks het jaar 300 na Chr. gesticht. Het is eene der voormalige hoofdsteden van de koninkrijken of vorstendommen, waaruit Nepal vroeger bestond. Hare huizen zijn in den regel van baksteen en hout opgetrokken; de kolommen en de lijsten van deuren en vensters zijn met bewonderenswaardige kunst gebeeldhouwd. Het groote plein, waarop het koninklijk paleis en eenige tempels staan, levert zeer zeker een aanblik op, die in schilderachtigheid niet licht overtroffen wordt. Het paleis is een zeer merkwaardig monument; de groote bronzen deur, die den hoofdingang vormt, verdient vooral de aandacht. Sedert de inneming en de plundering van Patan door de Gorkhas, heeft de stad veel van haar vroegere beteekenis verloren; onderscheidene monumenten verkeeren in jammerlijk vervallen staat. De tempels zijn hier nog talrijker dan te Bhatgaon. Aan die tempels waren onderscheidene kloosters verbonden, die echter sinds lang hunne oorspronkelijke bestemming verloren hebben en in winkels zijn herschapen.

Bronzen poort van het koninklijk paleis te Patan.
Bronzen poort van het koninklijk paleis te Patan.

Bronzen poort van het koninklijk paleis te Patan.

In de nabijheid van Patan ziet men verschillende groote, half bolvormige tôpen, geheel overeenkomende met die van Boeddnath en Samboenath, en waarschijnlijk even oud. Volgens de overlevering zouden deze tempels gesticht zijn door Açoka, bij zijn onderstelden pelgrimstocht naar Nepâl, ongeveer tweehonderd-vijftig jaren [46] voor onze jaartelling. De opschriften dier tôpen zijn onleesbaar geworden.

Even als te Bhatgaon, vindt men ook te Patan verscheidene steenen tempels; een van de voornaamste en tevens een van de merkwaardigste van geheel Indië, uithoofde van zijn eigenaardigen en smaakvollen bouwtrant, verrijst tegenover het koninklijk paleis. De tempel rust op een massieven onderbouw en bestaat uit twee inspringende verdiepingen of terrassen, gekroond met eene soort van pyramide. De zuilenportiek en de smaakvolle met kolommen versierde paviljoenen op de beide verdiepingen geven aan dit monument eene sierlijkheid en bevalligheid, die aan weinig indische monumenten eigen is. Ik kan niet met zekerheid zeggen, hoe oud deze tempel is, want het is mij niet mogelijk geweest, het inwendige te bezichtigen: ieder Europeaan, die het wagen zou in dit heiligdom te willen doordringen, zou onfeilbaar door het volk worden vermoord. Niettemin houd ik het er voor, dat hij niet veel hooger opklimt dan het begin der zestiende eeuw.

Te Patan ziet men, even als te Bhatgaon en te Khatmandoe, dikwijls voor de tempels hooge zuilen, versierd met beelden, meestal de rajahs voorstellende, die de heiligdommen hebben gesticht. Bij den zoo even genoemden tempel te Patan staat eene vierkante zuil, die eene knielende figuur draagt, boven wier hoofd zich eene bronzen slang verheft; op den kop der slang zit een vogeltje.

Van Patan begaf ik mij naar Pashpatti. Deze stad ligt op den linkeroever van de rivier Baghmati, ten noordwesten van Khatmandoe, en is rijk aan tempels van steen en hout. Een van de beroemdste en eerwaardigste dezer tempels is die van Pashpatinath, dien geen vreemdeling zelfs mag naderen; de poorten van dit in geheel Nepâl hoog vereerde heiligdom zijn van geciseleerd zilver. In de nabijheid van dien tempel is eene bijzondere plaats aangewezen, waar de weduwen, die haar echtgenoot niet willen overleven, den vuurdood ondergaan.

De tempels van Pashpatti zijn modern en niet ouder dan het einde der zeventiende eeuw. De meest kenmerkende trek van deze steenen monumenten is de koepel in de gedaante van een klok. De steenen tempels zijn, in geheel Nepâl, verre in de minderheid: maar naar het schijnt, hebben hunne bouwmeesters er zich op toegelegd, om telkens iets nieuws te leveren; met uitzondering van de tempels te Pashpatti, wijken alle steenen tempels zeer belangrijk van elkander af. Met de baksteenen en houten tempels is het juist omgekeerd: die schijnen allen naar hetzelfde model gebouwd.

Ik noemde zoo even den naam van Boeddnath. Boeddnath is slechts een dorp, maar het bevat den grootsten tempel van Nepal, die niet alleen door de Nepaleezen, maar ook door hunne buren uit Thibet wordt bezocht. Even als de tempel van Samboenath, bestaat ook die te Boeddnath uit een grooten half bolvormigen koepel, waarboven zich een vierkante toren verheft, die met eene pyramide is gekroond. De tempel verschilt hierin van dien te Samboenath, dat hij op een terras van drie verdiepingen is gebouwd. De totale hoogte van dat terras komt bijna overeen met die van den koepel; op elk der vier zijden staat een kleiner heiligdom. De afmetingen van dezen tempel zijn grooter dan die van eenigen anderen in Nepal: hij heeft bijna negentig el in doorsnede en is ongeveer twee-en-veertig el hoog.

De tempel verrijst te midden van een soort van plein, dat door huizen is omringd, welke vroeger tot kloosters dienden, maar nu bewoond worden door handelaars in koperen afgodsbeelden, juwelen, amuletten, bidrollen en andere voorwerpen van dien aard. Even als te Samboenath, is in een dezer huizen eene familie van thibetaansche lamas gevestigd, met de bewaking van het heilige vuur belast. De kapellen en andere kleine gebouwen rondom den tempel hebben niets bijzonders.

De laatste stad van Nepâl, die ik bezocht, was Bhatgaon, op vijftien mijlen afstands van Khatmandoe, op een heuvel gelegen. De stad werd in de negende eeuw gesticht; zij was vroeger de hoofdstad van een der drie koninkrijken van Nepâl; haar tempels en paleizen behooren, met die van Patan, tot de merkwaardigste des lands. Slechts een derde gedeelte der bevolking van Bhatgaon is Boeddhistisch. Daar de meerderheid de hindoesche godsdienst belijdt, zijn ook de meeste tempels aan brahmaansche godheden gewijd.

Voor de verovering van Nepâl door de Gorkhas, was de koning van Bhatgaon een gewichtiger personage dan de rajahs van Khatmandoe en Patan. Daar de stad zich aanstonds overgaf, toen de Gorkhas zich gereed maakten haar te belegeren, bleven hare monumenten beter gespaard dan die van de beide andere steden. Bhatgaon is ook nu nog eene zeer bloeiende stad, die geenerlei sporen van verval vertoont. Oude monumenten heb ik er evenwel niet gevonden. De materialen waaruit de tempels zijn opgetrokken, baksteen en hout, maken van zelf een langen duur mogelijk. Ik geloof niet dat de oudste monumenten meer dan twee à drie eeuwen tellen.

De voornaamste tempels van Bhatgaon staan bij elkander op een plein, waarvan de eene zijde geheel wordt ingenomen door het koninklijk paleis. De plaat op bladz. 53 geeft eene getrouwe voorstelling van dit plein.

In het midden ziet men een tempel van eene verdieping, waarvan het houten, met ivoor ingelegde snijwerk uitmuntend is uitgevoerd.—Links, half verborgen door een modern gebouw, staat een steenen tempel van uiterst bevalligen vorm. Even als de tempels van hout en baksteen, staat hij op een vrij hoog, trapvormig terras, waartoe trappen toegang geven, welke ter wederzijde met steenen monsters zijn bezet. Maar de tempel zelf heeft verder geene overeenkomst met de pagoden van baksteen en hout; hij heeft dezelfde gebogen pyramidale gedaante als de tempels van noordelijk Indië.

In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat tijdens [47] het gezantschap van Megasthenes, dat is dus drie eeuwen voor onze jaartelling, de paleizen der indische vorsten van baksteen en hout waren gebouwd. Steenen monumenten waren toen eene hooge uitzondering. Nepâl nu bevindt zich nog heden in het tijdperk van overgang, waarin noordelijk Indië kort voor Christus geboorte verkeerde. De nauwkeurige zorg, waarmede de steenen zuilen der tempels worden gekopieerd naar de houten kolommen, schijnt wel de algemeen aangenomen meening te bevestigen, dat de eerste steenen monumenten in Indië de zuivere navolging waren van vroegere houten gebouwen.

Tot de belangrijkste monumenten van Bhatgaon behoort ook een groote tempel van hout en baksteen, vijf verdiepingen hoog, die wel de grootste van alle tempels der stad mag worden genoemd. Deze tempel werd gesticht door een koning, die omstreeks het einde der zeventiende eeuw leefde. Even als alle tempels van de derde groep, waarvan wij tot dusver gesproken hebben, rust hij op een rechthoekigen, terrasvormigen onderbouw. Aan een der zijden bevindt zich een steenen trap, versierd met steenen beelden van goden, helden en fabelachtige dieren.

Op onze plaat ziet men links een gedeelte van het koninklijk paleis, dat geheel van rooden baksteen is gebouwd. De lijsten van deuren en vensters zijn met uitmuntend snijwerk versierd. De hoofdingang van dit paleis, dat insgelijks in het laatst der zeventiende eeuw werd gebouwd, is eene prachtige bronzen deur, die den naam draagt van de Gouden-poort, en waarvan de plaat op bladz. 49 eene getrouwe afbeelding geeft.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings