HOOFDSTUK VI.
Reading edition
Ze vinden allemaal, dat ik er zooveel beter uitzie de laatste dagen, en dat vind ik zelf ook.
„Dat komt van 't melk drinken en van de dennenlucht!” roept Mevrouw, wier trots en glorie 't is haar logées met dikke wangen naar huis te kunnen zenden en ik lach maar en zal me wel wachten, haar de ware oorzaak te openbaren!
't Is of ik nu pas genieten kan van de mooie natuur. Van de bosschen met hun wisselende licht- en schaduwplekken, waar de boomen zoo geheimzinnig ruischen en de insecten zoemen, van de hei, die begint te bloeien en de prachtige vergezichten met de drijvende wolken. Och, ik vond alles wel mooi met m'n oogen, maar 't ging zoo lángs me. 't Liet me eigenlijk zoo onverschillig, zoolang 't binnen in me niet pluis was, maar nu! Nu kan ik er met hart en ziel in opgaan, ben ik vroolijk om de minste kleinigheid.
Vandaag regent 't en zitten we allen prettig bijeen in de zaal. 't Is niets naar, om eens 'n dag binnenshuis door te brengen, vooral na dien vermoeienden fietstocht van gisteren!
Meneer en Mevrouw waren er bij, zoodat ze niet over ons in onrust gezeten hebben, maar alles meemaakten, toen we midden op de heide door 'n onweersbui werden overvallen en klets en kletsnat regenden.
We hadden geen drogen draad meer aan 't lijf, maar iedereen was 't er over eens, dat 't 'n hoogst avontuurlijke tocht was. Als razenden vlogen we achter elkaar over 't smalle fietspad met den wind in den rug, door de geweldige stortbuien, éénig gewoon.
Juf en de meiden wisten niet wat ze zagen, toen die heele druipnatte karavaan weer kwam aangefietst. Nico juichte en Henk was uit z'n humeur, dat hij 't waterballet niet had meegemaakt.
„Ik zou 't toch zoo leuk gevonden hebben”, riep hij met 'n huilstem, terwijl we allemaal in de gang onze soppende schoenen uittrokken en toen op onze kousen naar boven liepen om ons te gaan verkleeden.
Vanmorgen goot 't nog steeds, zoodat er geen denken aan was 'n voet buiten de deur te zetten. Ik schreef daarom 'n langen brief naar huis en hielp toen Ada en Roosje mee noga en boterkussentjes bakken en weerde Henk en Nico uit de keuken, daar die telkens strooptochten ondernamen om iets van 't lekkers, dat we aan 't bereiden waren, machtig te worden. Henk werd 'n oogenblik woedend op me, omdat ik hem uitlachte, toen hij 'n gloeiend stuk noga in z'n mond stak en met 'n gesmoorden kreet naar den gootsteen holde om 't daar te verwijderen. Maar toen ik hem naderhand 'n boterkussen van buitengewone afmeting vereerde, kwam ik weer in de gratie.
Vanmiddag, terwijl 't maar gestadig doorregende, hebben we ping-pong gespeeld en charades gedaan, waarbij Juf en de jongens ook meededen. We waren in twee partijen verdeeld, die ieder op de beurt iets voorstelden uit de geschiedenis, dat dan door de andere partij geraden moest worden.
De gansche historie van de schepping der wereld tot de jongste kamerverkiezingen toe, werd overhoop gehaald. Socrates, die te midden van z'n geliefde leerlingen den giftbeker dronk, Salomo, rechtsprekend over de twee moeders, wier kind werd voorgesteld door 'n sluimerrol, de begrafenis van de keizerin van China, en de kroning van Napoleon als keizer, dit alles werd met de meeste levendigheid en afwisseling vertoond en geraden.
't Aardigst was „de afstand van Karel V ten behoeve van zijn zoon Philips”, die met pracht en praal op de volgende wijze werd opgevoerd:
Theo met 't zilveren deksel van den jampot als kroon op 't hoofd en 'n rood pluche tafelkleed om, was Karel V, die steunend op den schouder van Roosje, den jongen prins van Oranje, zijn zoon Philips, alias Jo, die voor hem geknield lag, met plechtig gebaar 't deksel van den jampot opzette. Mevrouw, Kees en ik maakten 't gevolg uit en bejammerden 't, dat het zoo gauw geraden werd.
Spoedig daarop raakten we verzeild in allerlei onthoofdingen: Maria Stuart, Oldenbarneveldt, Charlotte Corday, 't werd eentonig en al te bloederig op den duur, maar Hannie en Henk wisten er meer variatie in te brengen door op 'n gegeven moment Adam en Eva voor te stellen onder 'n groote paraplu, waar Henk 'n paar onrijpe appelen had aangeprikt.
Maar nu hebben we er genoeg van; de orde in de kamer is hersteld en mevrouw schenkt 'n kopje thee voor ons, terwijl juf rondgaat met de lekkernijen, die we vanmorgen gemaakt hebben.
Henk en Nico zitten met propvolle monden elkaar 't grootste stuk noga te betwisten, Théo speelt 'n walsje en Jo en Hannie en Roosje en ik dansen, terwijl Ada de rozen, die haar vader net in den tuin is gaan plukken, in 'n kristallen vaasje schikt.
We zijn allen, ondanks den regen, in de genoeglijkste stemming als een van de meiden na 'n klopje binnenkomt.
„Wat is er, Sientje, 'n telegram?”
„Ja mevrouw, maar 't is geloof ik voor juffrouw Beumer; dat staat er tenminste op!”
„'n Telegram voor mij! O, wat zou er zijn?”
De piano zwijgt, er heerscht ineens 'n doodsche stilte, terwijl ik aller blikken op me gericht voel en bevend over mijn heele lichaam 't papier losscheur en met trillende stem lees:
„Vader plotseling ernstig ongesteld spoedige overkomst gewenscht.
Max.”
„Ooh, o God!” kreun ik, en 't telegram valt uit mijn sidderende handen.
't Is of 't bloed wegzakt uit m'n hoofd.... Er komt 'n nevel voor m'n oogen.... Blindelings tast ik naar 'n stoel.
„Lizzy, Lizzy!” gilt Ada's stem vlak bij m'n oor. Dan wijkt die vreemde duizeligheid en flitst 't wreed en helder door m'n verward brein, dat ik naar vader moet, onmiddellijk! Ik heb geen minuut te verliezen.
Iedereen kijkt me verslagen aan. Ik hoor Roosje zenuwachtig snikken. Iemand houdt me 'n glas water voor, dat ik gretig aanneem en uitdrink.
„Mevrouw”, zeg ik smeekend, „ik moet weg, dadelijk”.
Ze slaat haar armen om me heen.
„Natuurlijk kindlief. We zullen alles voor je doen. Toe, probeer kalm te zijn. 't Kan toch nog wel meevallen. 't Is misschien niet zoo erg als je denkt....”
„Ik zal je brengen,” zegt meneer Witsen beslist. „Ik zal onmiddellijk laten inspannen. Daar gaat 'n trein om half zes. Die kunnen we nog makkelijk halen. Houd je nu flink, Lizzy!”
Er is iets gebiedends in z'n stem, dat me kalmeert en vertrouwen geeft. Gelukkig, ze zullen me helpen. Ik sta niet alleen.
„Juf en de meisjes zullen 't noodigste wel even voor je inpakken. Je koffer sturen we naderhand wel. Bekommer je maar om niets”, en mevrouw trekt me naast zich op de kanapee en wenkt de anderen heen te gaan.
Versuft leun ik m'n hoofd tegen haar schouder. Ik huil niet. Ik zou 't niet kùnnen. Zoo vreemd en leeg voelt m'n hoofd; ik kan niet denken. 't Is net of ik droom.... 'n Bord soep, dat me tegelijk met m'n goed gebracht wordt, schuif ik van me af, trek werktuigelijk m'n mantel aan en zet m'n hoed op. Ik ben klaar en druk zwijgend iedereen de hand; ze doen me allen uitgeleide. Ik sta al op de stoep.
„Dank jullie allemaal. U vooral, mevrouw,” is 't eenige wat ik weet te zeggen, dan helpt meneer me in 't wagentje.
In den trein kom ik pas goed tot bezinning. Er zijn geen andere reizigers. Over me zit alleen meneer Witsen, verscholen achter 'n courant, en starend uit 't raampje prevel ik voor me heen de woorden van 't telegram: Vader plotseling ernstig ongesteld. Spoedige overkomst gewenscht.
O, 't zal wel héél erg zijn. 't Kán niet dringerder. Wat zou 't toch wezen? 'n Ongeluk,.... gevallen misschien? Vader is immers nóóit ziek en nog niet oud. Achtenvijftig pas. Nog in de kracht van z'n leven. Die goeie, lieve vader! Zoo kranig en flink zag hij er uit, toen hij mij en Roosje naar den trein bracht, nu nog geen veertien dagen geleden. En hij was zoo bezorgd voor me, hoopte zoo dat ik veel plezier zou hebben en dat de buitenlucht me goed zou doen. O, als hij nog maar leeft, als hij me nog maar even herkent..
M'n lichaam schokt, 'n snik komt uit m'n keel en de tranen druipen ineens langs m'n wangen.
Meneer Witsen laat z'n courant zinken en ziet me hartelijk-meewarig aan:
„Huil maar eens uit. Dat zal je goed doen, beste kind.”
En o, 't doet goed, 't doet me onbeschrijflijk goed, dat ik eindelijk huilen kan. 't Is de eenige uiting voor dit groote, gróóte verdriet en voor den vreeselijken angst en onzekerheid, die me bezielen.
„Kom, je moet je niet dadelijk 't állerergste voorstellen. 't Zal natuurlijk erg zijn, maar de kans op beterschap is immers niet uitgesloten. Je wéét 't immers nog niet,” tracht meneer Witsens goedige stem te troosten.
„O, dat is juist zoo ontzettend”, snik ik. „Wist ik 't maar!”
Helaas zoo gauw we Max' gezicht zagen—hij kwam me alleen met 'n rijtuig van den trein halen,—begrepen we 't beiden maar al te goed: Er viel niets meer te hopen....
Vader was 's middags na de koffie, toen hij weer naar de rechtbank zou gaan, ineens in elkaar gezakt.
't Gebeurde in de eetkamer.
Moeder en Flip, die er gelukkig alle twee bij waren, stuurden onmiddellijk om den dichtst in de buurt wonenden dokter, die dadelijk kwam en 'n beroerte constateerde en hen voorbereidde op 't einde, dat hij spoedig verwachtte.
Vader is niet meer bijgekomen. Nog enkele uren heeft hij bewusteloos gelegen en is kort na mijn thuiskomst bijna onmerkbaar ingeslapen.....
Toen meneer Witsen 's avonds om tien uur nog eens hooren kwam, was 't al afgeloopen.....
De droeve drukte van de begrafenis is voorbij.
De stroom van ontelbare bezoeken en condoleancebrieven begint iets te minderen en 't gewone leven gaat zoo zoetjes aan weer z'n ouden gang. Voor de buitenwereld althans.
Want 't is net of we ons verlies nu pas goed gaan beseffen. De verpletterende slag is zoo plotseling gevallen, dat we niet in staat waren alles in z'n volle diepte te voelen en te omvatten in 't begin.
En we maakten ons zoo ongerust over moeder. Met droge, doffe oogen zat ze maar voor zich uit te staren. Ze zei niets, ze antwoordde niet eens als er iets gevraagd werd. Ze was totaal versuft. Twee dagen heeft dat zoo geduurd.
Den dag van de begrafenis kwam eindelijk de reactie. Ze is zoo ziels-bedroefd..... Maar hoe vreeselijk 't ook is, hoe radeloos 't me maakte haar zoo wanhopig te zien, toch zien we haar nog liever met haar roode, gezwollen oogen, dan met dat akelig verwezen gezicht en dien starren blik.
Ik slaap nu naast haar in vaders bed en gisterennacht voor 't eerst hebben we weer geslapen, want toen moeders verdriet eenmaal tot uiting kwam, deed ze de eerste nachten niets dan huilen en kreunen. Rampzalig was ze.
Bijna dertig jaar is ze alles voor vader geweest en vader alles voor haar en nu ineens is hij weggerukt, voor goed verdwenen uit den gezelligen kring..... Voor hem is 't maar 'n zegen, dat hij onbewust is heengegaan. 't Wreede afscheid is hém tenminste bespaard gebleven.....
Hoe vreeselijk zou hij Eef gemist hebben. Eef, de eenige, die ontbrak aan z'n sterfbed..... Eef, die z'n „lievelingsdochter” was, zooals we hem vroeger wel eens plaagden, want al hield vader van ons allen evenveel, voor háár had hij toch 'n bizonder zwak.
„Zij lijkt het meest op moeder,” zei hij altijd.
Arme Eef, hoe zal ze daarginds naar ons verlangen, hoe reikhalzend uitzien naar brieven van ons..... Niets dan 't telegram met vaders doodstijding kan haar in de eerste weken bereiken....
Floor, die 't kalmst was, heeft dadelijk zoo uitvoerig mogelijk geschreven, maar hoeveel dagen moeten er nog niet verloopen, voor die brief in haar bezit zal zijn!
Zoo akelig stil is 't in huis. We kúnnen er ons niet indenken, dat we hier in diezelfde kamers, waar we nu in onze rouwkleeren rondloopen, 'n paar maanden geleden zoo vroolijk en opgewekt Bé's bruiloft vierden. Ziekte en dood leken toen zóo ver, of ze ons niet bereiken konden.....
De eenigen, die ons werkelijk wat afleiding geven, zijn de kinderen. Floor brengt Liesje en Bobbie alle dagen en moeder zegt, dat 't haar goed doet, als die twee samen door 't tuintje ravotten en met hun onschuldige gezichtjes praten over Opa.
Gisteren, toen ik even alleen met ze was, vroeg Bobbie:
„Zeg, tante Piep, wanneer zou Opa nou weer hier komme?” waarop Liesje met 'n verschrikt gezichtje en haar vingertje voor den mond zei:
„Sst, daar mag je niet over praten van Moekie. Dan doe je Oma en tante verdriet, want Opa kómt niet meer terug, die is nou bij onze-lieve-Heer en daar is 't heel prettig,” en toen in 'n lieve behoefte om te troosten met 't verdriet, dat ze instinctmatig voelde en nog niet begrijpen kon, sloeg ze haar armpjes om m'n hals en Bobbie goedig, deed dadelijk 't zelfde en als om strijd vleiden ze: „Zoete tante Piep. We houën zoo vreeselijk erg veel van je!”
Ik trok ze bij me op schoot, op iedere knie 'n kind en begon ze hun lievelingsgeschiedenis te vertellen, 'n verhaal, dat Floor mij vroeger altijd moest voorlezen uit „de Kinderkamer” en waarvan ik den aanhef nog onthouden heb. „Tante Spinrag had twee katjes Mimi en Zoozoo,” en verder putte ik m'n eigen fantasie uit in allerlei onwaarschijnlijke avonturen, die ik Mimi en Zoozoo liet beleven, zoodat de kinderen met hooggekleurde wangen en schitterende oogen 't uitschaterden en ik zelf plezier kreeg in den geweldigen nonsens, dien ik bij elkaar flanste.
Moeder, die ondertusschen binnenkwam, glimlachte flauwtjes. Ze was voor 't eerst eens overdag met Flip uitgeweest en zag er iets minder slecht uit. Ik vind haar bepaald veel kalmer de laatste dagen.
Mevrouw van Slooten en Huib en Bernard, die 's avonds even kwamen aanloopen, vonden 't ook.
Huib is erg hartelijk en aardig. Hij heeft me 'n heelen stapel boeken gebracht en ik mag zelf andere uit z'n kast komen halen, zoo gauw ik deze uit heb, want in 't begin van September gaat hij minstens tot Kerstmis naar Hamburg voor de zaken van z'n vader. We zullen elkaar dus in geen maanden terugzien....
Zoo langzamerhand begin ik enkele brieven te beantwoorden. Roosje en alle Witsens hebben me geschreven, Henk en Nico incluis en Roosje is na haar terugkomst al verscheiden malen bij me geweest, evenals Emmy van der Marck.
Ook van Annie Westenbergh kreeg ik 'n bizonder deelnemenden brief. O, ik schaamde me zoo....
Max en Aad behandelen alle geldelijke aangelegenheden en moeder is begonnen met Flip en ons drieën vaders brieven en boeken te regelen.
Het is 'n in-droevig werk, maar we durven 't niet langer uitstellen. 't Moet tóch gebeuren en andere handen dan de onze mogen er niet aan raken.
In 'n la van vaders schrijftafel vond moeder allerlei souvenirs uit onze kinderjaren: onze eerste brieven en handwerkjes, waarmee we hem verrasten: speldenkussens, inktlappen en doosjes met zonderlinge versieringen van gekleurde zijden en wollen steekjes en van ons ieder 'n lok zij-achtig, heel lichtblond haar....
Tante Suze, goedig en onpractisch zooals meestal, kwam moeder voorstellen met haar op reis te gaan. 't Zou zoo'n goeie afleiding zijn! Maar moeder dacht er natuurlijk niet over. Ze zou geen raad weten als ze van ons afmoest.
Met Mei moeten we verhuizen. Hoe vreeselijk we 't ook vinden, dit huis waarin we allen behalve Floor geboren zijn, te verlaten, 't zou moeder op den duur te kostbaar worden.
Als Flip na de vacantie weer naar Leiden is, zijn we nog maar met ons beidjes over, moeder en ik....
De oude kloek en 't piepkuikentje, zooals ze zelf met 'n weemoedig glimlachje zei.
O, ik zal zóó m'n best doen haar zooveel mogelijk 't niet te herstellen verlies te verzachten en.... hard voor m'n acte middelbaar Fransch gaan werken, want, hoewel we samen behoorlijk kunnen leven, zal 't voor mij, vooral later, als ook moeder er eens niet meer zijn zal, noodig wezen, dat ik niet alleen 'n werkkring heb, maar in staat ben geld te verdienen, als ik me tenminste niet héél bekrompen ergens op 'n bovenhuisje, of in 'n goedkoop pension behelpen wil.
Nu, leerares op 'n H.B.S. voor meisjes, lijkt me nog 't geschiktst. Dan heb je in ieder geval lange vacanties en ik zal me niet laten ringelooren door ondeugende kinderen, zooals ik zelf was. Want als loontje om z'n boontje kwam, dan....
En onwillekeurig denk ik terug aan dien tijd—drie jaar geleden nog maar—toen ik met den pas van drie en 't vroolijkste gezicht ter wereld de klasse uitdanste, als miss Parker, die me niet luchten kon, me om 't minste of geringste wegzond en ik achter haar rug 'n kushandje tegen de proestende meisjes maakte.
Arme miss Parker, haatdragend is ze niet, want toen ik haar enkele dagen geleden op den Singel tegen kwam, groette ze me zoo meewarig, alsof ik eens haar liefste leerling was.
Gelukkig ben ik nooit iemands „liefste leerling” geweest. Daartoe was ik te baldadig; er zat geen „zit” in me, hoewel verder niet iedereen bepaald 't land aan me had, want lui of dom was ik niet. Toch, met 't uitreiken der eind-diploma's—'t mijne was erg schraaltjes—zei de directrice met 'n zuurzoet lachje: „Nu Lizzy, dat is 'n opluchting dat jij van school gaat”, waarop ik met m'n innemendsten glimlach antwoordde: „O, juffrouw, 't genoegen is geheel aan mijn kant.”
'k Zie vader nog met moeite 'n ernstig gezicht zetten als ik met briefjes vol klachten thuiskwam, die ik den volgenden morgen dan weer van zijn handteekening voorzien, mee terug nam en vertoonen moest als bewijs, dat hij van m'n slechtheid op de hoogte was. Hij vond 't wèl ondeugend.
„Toe, laat dit nou de laatste keer zijn,” zei hij dan, maar och, ik was immers 't Piepkuikentje en op de nieuwsgierige vragen van de directrice of miss Parker: „And what did your father say?” antwoordde ik geregeld met luchtig schouderophalen: „O nothing.”
Onbegrijpelijk, dat dat alles pas drie jaar geleden is! 't Lijkt zoo veel, véél langer al. Wat 'n kind was ik toen nog....
Met m'n handen onder 't hoofd zit ik te suffen, inplaats van den brief aan Annie Westenbergh af te maken, dien ik straks posten wilde.
Daar wordt gebeld. Visite zeker!
Ik vlieg op, en net als ik de schuifdeuren dicht wil doen, staat Roosje voor me.
„Dag Lizzy! Stoor ik je?”
„O, welnee, juist gezellig dat jij er bent”, en ik trek haar mee de serre in.
„Zat je te schrijven?”
„Nee, eigenlijk alleen maar wat te soezen. Toe, ga zitten; moeder en Bé zijn samen uit. Die zullen straks wel komen.”
„O”, zegt Roosje afgetrokken in 'n rieten stoeltje plaats nemend en dan aarzelend met 'n kleur: „ik.... ik heb 'n nieuwtje.... 'k Wou 't je maar even zelf komen vertellen vóór je 't van 'n ander hoort.... Ik ben geëngageerd met....”
„Théo Witsen”, vul ik lachend aan. „Roos, kind, ik féliciteer je”, en ik kus haar verbluft gezichtje.
„O, o wist je 't al? Hebben Aad en Bé 't verteld?”
„Nee, niemand heeft er me iets van gezegd, maar ik heb 't zien aankomen. Ik heb dadelijk gemerkt, dat Theo je zoo aardig vond. Jullie schoten zoo hévig op!”
„Hévig,” vraagt Roosje verbaasd. „'k Was in 't begin toch volstrekt niet doodelijk van hem. Later wel! O Lizzy, toén.... toen jij weg was, heb ik toch zoo vreeselijk in spanning gezeten!”
„Arm kind!”
„Arm kind? Welnee! Verbeeld je, dat ik er dat nog niet eens voor over gehad zou hebben! 't Is toch al zoo van 'n leien dakje gegaan. Den avond vóór ik wegging heeft hij me gevraagd en twee dagen later is hij bij papa geweest en is alles beklonken. Als ik daar Ada bij vergelijk.....”
„Die wordt nu 'n nichtje van je!”
„En George Hofmann 'n neef, of eigenlijk.... hoop ik, dat toch niet.”
„Nee, wij zouden 't zonde van Ada vinden, hè? Maar ze moet 't zelf weten.”
„Natuurlijk, wij hebben haar genoeg gewaarschuwd. O, kind, ik ben zoo gelukkig! De volgende week wordt 't publiek en de Zondag daarop houden we receptie. En thuis zijn ze zoo met Théo ingenomen! Ik had 't je allemaal al eerder willen vertellen, maar.....” en dan zwijgt Roosje en haar gezicht betrekt. Verlegen peutert ze aan 'n knoop van haar mantel.
„Nu ga door. Wat heb je?”
„Och, Lizzy, je vindt me toch niet ongevoelig, dat ik zoo over m'n eigen geluk zit te praten, terwijl jij zoo'n verdriet hebt? Ik heb 't expres tot nu toe uitgesteld om 't je te vertellen, maar Aad en Bé en zooveel andere menschen weten 't al en 'k wou toch maar liever, dat je 't niet eerst van anderen hoorde. We zijn zulke goeie vriendinnen geworden den laatsten tijd!”
Ik sla m'n beide armen om haar hals en kus haar nog eens.
„Lieve Roos, als je 's wist, hoe blij ik voor je ben! Toe, vertel er me toch alles van. Ik stel er zoo'n belang in en 't is zoo prettig weer 's iets vroolijks te hooren.”
„Heusch?” Roosje ziet me verheugd aan, drukt m'n hand en begint dan over haar roman.
„O, dien laatsten avond, toen we voor 't huis zaten! 't Was zulk zalig weer, zoo zoel en stil. Geen blad bewoog en de maan scheen zóó helder, dat we 't lichtje en de lampions uitdeden en toen ging Théo binnen de „Mondscheinsonate” spelen... Alleen 't begin, maar we waren allemaal in de stemming en ik was zoo onder den indruk, dat ik moeite had niet in tranen uit te barsten. Later zijn we nog wat door den tuin gaan loopen. 't Was zonde om naar bed te gaan en Théo en ik gingen samen nog 'n eindje den weg naar 't dorp op. Ik voelde me, of ik in 'n sprookje wandelde. 't Was zoo iets onwezenlijks! We durfden geen van tweeën 'n woord te zeggen, totdat er ineens vlak boven onze hoofden 'n vogel opvloog, waar we allebei van schrikten. Toen op den terugweg zei hij 't”....
Roosje zwijgt, en haar blauwe oogen kijken of ze weer heelemaal in 't sprookje is. Wat ziet ze er lief uit zoo....
Dan praten we nog wat over Theo en 't buitenzijn bij de Witsens, tot moeder en Bé komen.
Op moeders bedroefd gezicht komt 'n glimlach als ze ons samen ziet zitten. Ze weet 't nieuws al van Bé en verheugt er zich hartelijk in.
Met uitgestoken handen loopt ze op Roosje toe en kust haar.
„Ik zal maar niet vragen of je gelukkig bent?”
„O, mevrouw!”
En als Roos 'n oogenblik later heengaat, denk ik, dat 't leven toch niet zoo droevig zijn kan als er zóó'n geluk bestaat...
Maar voor mij zal 't wel nooit komen.... Ik ben zoo héél anders dan Roos. Ik verdien 't zoo weinig....
