← Table of contents
Oude Egyptische Legenden

Front matter (continued 2)

Reading edition

Toen nam Isis aarde en vermengde die met het speeksel en zij kneedde de klei en vormde ze en maakte er de gedaante van van een slang, de gedaante van de groote gekamde slang, die het zinnebeeld is van al de godinnen, de koninklijke slang, die op het voorhoofd van de Egyptische Koningen prijkt. Geen toovermiddelen, noch bezweringen gebruikte zij, want in de slang bevond zich de goddelijke stof van Ra zelf. Zij nam de slang en verborg haar op het pad van Ra, den weg waarlangs hij reisde, als hij trok van den oostelijken naar den westelijken horizon van den hemel.

's Morgens verscheen Ra met zijn gevolg in al zijn glorie, trekkend naar den westelijken horizon, waar zij de Duat binnengaan en de diepe duisternis verlichten. En de slang stak haar puntig hoofd omhoog en haar giftanden drongen in het vleesch van Ra en het vuur van naar vergif drong door in den God, want de goddelijke stof was in de slang.

Ra schreeuwde luid en zijn kreet weergalmde langs den hemel van den oostelijken tot den westelijken horizon; over de aarde klonk hij en goden en menschen hoorden den kreet van Ra. En de goden, die deel uitmaakten van zijn gevolg, zeiden tot hem: "Wat scheelt u? Wat scheelt u?"

Maar Ra antwoordde geen woord, hij beefde over al zijn ledematen, zijn tanden klapperden en niets zeide hij, want het vergif verspreidde zich door zijn lichaam, zooals Hapi zich verspreidt over het land, wanneer de wateren buiten haar oevers treden bij de overstrooming van de rivier.

Toen hij gekalmeerd was, riep hij tot hen, die hem volgden, en sprak: "Komt tot mij, gij, die ik geschapen heb. Ik ben gekwetst door een smartelijk iets. Ik voel het, hoewel ik het niet zie; ook is het geen maaksel van mijn handen en ik weet niet, wie het gemaakt heeft. Nooit, nooit heb ik een pijn gevoeld als deze; nooit, nooit is mij een ergere beleediging aangedaan dan deze. Wie kan mij kwetsen? Want niemand kent mijn geheimen naam, den naam, die gesproken werd door mijn vader en mijn moeder en die in mij verborgen is, opdat niemand mij zou kunnen betooveren. Ik ging uit om neer te zien op de aarde, die ik gemaakt heb, ik bevond mij boven de Twee Landen, toen iets - ik weet niet wat - mij trof. Is het vuur? Is het water? Ik brand, ik huiver, ik beef over mijn geheele lichaam. Roep tot mij de kinderen van de goden, hen, die bekwaam zijn in de geneeskunst, hen, die kennis hebben van de tooverkunst, hen, wier macht tot aan den hemel reikt."

Toen barstten al de goden uit in geween en geklaag en gejammer; hun macht baatte niet jegens de slang, want in haar was de goddelijke stof belichaamd. Met hen kwam Isis de Geneeskrachtige, de Meesteres van de Tooverkunst, in wier mond de Levensadem is, wier woorden ziekten verdrijven en de dooden doen ontwaken.

Zij sprak tot Koning Ra en zeide: "Wat is er, o goddelijke Vader? Wat is er? Heeft een slang u pijn berokkend? Heeft een schepsel van uw hand zijn hoofd tegen u opgestoken? Zie, het zal overwonnen worden door de macht van mijn tooverkunst; ik wil het uitdrijven door middel van uw glorie."

Toen antwoordde Koning Ra: "Ik legde den vastgestelden weg af, ik trok door de Twee Landen, toen een slang, die ik niet zag, mij met zijn giftanden trof. Was het vuur? Was het water? Ik ben kouder dan water, ik ben warmer dan vuur, ik beef over al mijn ledematen en het zweet loopt langs mijn gezicht, zooals het doet langs de gezichten der menschen in de blakende hitte van den zomer."

En Isis sprak weer en haar stem was zacht en sussend: "Zeg mij uw Naam, o goddelijke Vader, uw waren Naam, uw geheimen Naam, want hij alleen kan leven, die bij zijn naam genoemd wordt."

Toen antwoordde Koning Ra: "Ik ben de Maker van hemel en aarde, ik ben de Grondvester van de bergen, ik ben de Schepper van de wateren, ik ben het Licht en ik ben de Duisternis, ik ben de Maker van de Uren, de Schepper van de Dagen, ik ben de Voorganger bij de Feesten, ik ben de Oorsprong van de stroomende rivieren, ik ben de Schepper van het levend vuur. 's Morgens ben ik Khepera, 's middags Ra en 's avonds Atmu."

Maar Isis hield zich stil: geen woord sprak zij, want zij wist, dat Ra haar de namen gezegd had, die iedereen kende; zijn ware Naam, zijn geheime Naam was nog in zijn borst verborgen. En de kracht van het vergif vermeerderde en verspreidde zich door zijn aderen als brandend vuur.

Na een oogenblik stilte sprak zij weer: "Uw Naam, uw ware Naam, uw geheime Naam was niet onder deze. Zeg mij uw Naam, opdat het vergif uitgedreven kan worden, want slechts hij, wiens naam ik ken, kan genezen worden door de macht van mijn tooverkunst."

En de kracht van het vergif vermeerderde en de pijn was als de pijn van levend vuur.

Toen riep Koning Ra luid en zeide: "Laat Isis bij mij komen en laat mijn Naam overgaan van mijn borst naar haar borst."

En hij verborg zich voor de goden, die in zijn gevolg waren. Ledig was de Boot van de Zon, ledig was de groote troon van den God, want Ra had zich verborgen voor zijn Volgelingen en voor de maaksels van zijn handen.

Toen de Naam uit het hart van Ra kwam om over te gaan naar het hart van Isis, sprak de godin tot Ra en zeide: "Verbind u zelf met een eed, o Ra, dat ge uw beide oogen zult geven aan Horus."

De twee oogen van Ra nu zijn de zon en de maan, en de menschen noemen ze tot op dezen dag de Oogen van Horus.

Zoo werd de naam van Ra hem ontnomen en aan Isis gegeven en zij, de groote Toovenares, riep luide het Machtswoord en het vergif gehoorzaamde en Ra was genezen door de macht van zijn Naam. En Isis, de Groote, de Meesteres van de Goden, de Meesteres van de tooverkunst, zij is de bekwame Genezende, in haar mond is de Adem des Levens, door haar woorden verdrijft zij de pijn en door haar macht doet zij de dooden ontwaken.

XI. De Streken, waar nacht en diepe duisternis heerschen

Toen de wereld ontstond, waren er twee rivieren, de rivier van Egypte en de rivier aan den hemel. Groot is de Nijl, de rivier van Egypte, die ontspringt aan gene zijde van de katarakt, het land van Egypte bevloeiend en aldus vreugde en goede oogsten brengend aan Ta-mery. Groot en indrukwekkend is de rivier aan den hemel, stroomend door de hemelen en door de Duat, de wereld, waar nacht en duisternis heerschen en op die rivier vaart de Boot van Ra. Boot van de Millioenen Jaren is haar naam, maar de menschen noemen haar de Manzet Boot in den morgen, als Ra in al zijn pracht en heerlijkheid opkomt aan den oostelijken horizon van den hemel; de Mesektet Boot wordt ze genoemd in den avond, wanneer Ra glorierijk de portalen binnengaat van de Duat, waar de berg Manu zijn pieken verheft tegen den westelijken hemel. Aan den westelijken horizon ligt de berg Manu en aan den oostelijken horizon de berg Bakhu; groot en kolossaal zijn zij; hun kruinen verheffen zich boven de aarde en de hemel rust op hun toppen. En op de hoogste piek van den berg Bakhu woont een slang; dertig cubiet is zij lang en haar huid is van vuursteen en glinsterend metaal. Zij bewaakt den berg en de Groote Groene Wateren en niemand kan haar passeeren behalve Ra in zijn Boot. 's Avonds daalt Ra in al zijn majesteit neer aan den Westelijken horizon, naar de portalen van de Duat bij de kloof van Abydos. Prachtig is de Mesektet Boot, schitterend haar versieringen en haar kleuren zijn als amethist en smaragd, jaspis en turkoos, lazuli en goud. Bij de Kloof van Abydos wachten eenige goden om de Boot in gereedheid te brengen voor den tocht door de Duat, het land, waar nacht en diepe duisternis heersenen. Ontdaan is de boot van haar pracht, kaal en zonder glans is ze, wanneer ze de portalen van de Duat passeert en in de boot ligt het lichaam van Ra, levenloos en dood. Dan nemen de goden de lange sleeptouwen; langzaam glijdt de Boot langs de rivier. De poorten van de Duat worden ver opengeworpen en de twaalf godinnen van den nacht nemen haar plaatsen in op de Boot om ze te leiden door de duisternis en de gevaren van de Duat; loodsen van de rivier zijn zij en zonder haar zou zelfs Ra er niet ongedeerd over kunnen varen.

"Stroom van Ra" is de naam van het eerste gebied van de Duat. Somber is dit land, maar niet heelemaal donker; want aan elken kant van de rivier liggen zes slangen, opgerold en de koppen rechtop, en de adem van haar monden is een vuurvlam.

In de kajuit van de Boot ligt Ra, dood en levenloos; op den voorsteven bevinden zich Up-uaut, de Wegbereider en Sa en de godin van den tijd. Dicht bij de kajuit bevindt zich een gezelschap goden; dit zijn degenen, die Ra behoeden voor alle gevaren en voor den aanval van den afschuwelijken Apep.

Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat naar plaatsen van diepe duisternis, van afgrijzen en schrik, waar de dooden hun woonplaatsen hebben en Apep de komst van Ra ligt af te wachten. Zoo gaat het eerste uur van den nacht voorbij en het tweede uur nadert.

Aan den ingang van elk gebied van de Duat is een poort; hoog zijn de muren en nauw is de doorgang; op de muren staan speerpunten, scherp en spits, opdat geen mensch er over kan klimmen.

De deur van de poort is van hout en draait om een spil en een monsterachtige slang bewaakt de deur. Niemand mag voorbij haar gaan, behalve zij, aan wie haar naam bekend is. Bij den bocht van den doorgang liggen twee groote gekamde slangen, de een boven, de ander onder. De adem van haar mond bestaat uit vuur en vergif; door het nauwe portaal zenden zij van beide kanten stroomen vuur en vergif. Aan ieder eind van den doorgang staat een wachter, die wacht houdt. Dan maakt de godin van het eerste uur plaats voor de godin van het tweede uur en zij roept luid den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen, het vuur en het vergif houden op en de Boot van Ra vaart er door.

"Ur-nes" noemen wij dit tweede gebied van de Duat, maar de Hanebu's en zij, die de eilanden van de Groote Groene Wateren bewonen, noemen het Ouranos. De rivier is breed en draagt op haar donkere wateren vier sloepen; geen riemen hebben zij, noch masten of roeren, maar zij drijven op het water en worden gedragen door den stroom. Geheimzinnig en vreemd zijn zij en de schimmen, die er zich in bevinden, gelijken op menschengedaanten. In dit gebied is Ra Heer en Koning en zij, die hier wonen, hebben vrede, want niemand kan de groote gekamde slangen voorbijgaan, die de poorten bewaken, wier adem een mengsel is van vuur en vergif. Gelukkig zijn zij, die dit land bewonen, want hier wonen de geesten van het koren, Besa, Nepra en Tepu-yn. Dit zijn degenen, die de tarwe en de gerst laten groeien en de vruchten van de aarde menigvuldig doen zijn. Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door streken van diepe duisternis, schrik en afgrijzen, waar de dooden hun woonplaats hebben en Apep op de komst van Ra ligt te wachten. Zoo gaat het tweede uur van den nacht voorbij en het derde uur is nabij. Dan maakt de godin van het tweede uur plaats voor de godin van het derde uur en zij roept luid den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.

"Stroom van den eenigen God" is de naam van het derde gebied van de Duat en hier in het schoone Amentet is het Koninkrijk van Osiris. Aan weerszijden van de rivier bevinden zich de groote gedaanten van de goden, die de gedaante van Osiris zelf omringen. Hij is gezeten op zijn troon in koningsornaat met de Witte Kroon van het Zuidelijk Land en de Roode Kroon van het Noordelijke Land op zijn hoofd. Groot is Osiris, de god der dooden, want allen, die sterven, moeten voor hem verschijnen als hun rechter en hun harten worden gewogen in de weegschaal tegen de veer van de Waarheid. Zijn troon staat op een stroomend water, helder en diep en uit het water verheft zich een enkele lotusbloem, gekleurd als de ochtendhemel. Op de bloem staan de vier Kinderen van Horus, die Osiris bijstaan bij het Oordeel en die de lichamen der dooden beschermen. Aan hen behooren het Zuiden en het Noorden, het Westen en het Oosten en de vier groote godinnen zijn hun beschermsters. Zij staan op de lotusbloem en hun gezichten zijn naar Osiris gekeerd; het eerste heeft het gezicht van een man, het tweede het gezicht van een aap, het derde het gezicht van een jakhals en het vierde het gezicht van een roofvogel. Dit nu is het uur, dat de boosdoeners vreezen; door hun eigen daden worden zij veroordeeld en niets kan hen helpen. Zwaar is het hart van den booswicht en het doet de schaal neerslaan; lager en lager zinkt ze, totdat ze de kaken bereikt van Amemt, den Verslinder van Harten. Dan wordt de boosdoener uitgeworpen in de diepe duisternis van de Duat om er te wonen bij de afschuwelijken Apep en eindelijk in de Vuurpoelen te vallen.

Maar sommigen zijn er, die de rechtschapenheid zelf zijn geweest op aarde, die geen mensch hebben benadeeld door bedrog of geweld, die de weduwe, de wees en den zeeman, die schipbreuk geleden heeft, hebben bijgestaan, die de hongerigen hebben gespijzigd en de naakten gekleed, die geen strijd hebben opgewekt, noch tranen hebben doen vloeien. Wanneer deze voor het Oordeel van Osiris verschijnen en hun harten in de weegschaal gelegd worden, dan is de veer van de Waarheid het zwaarst. De schaal met de veer gaat naar beneden en de schaal met het hart naar boven. Dan neemt Thot het hart en zet het weer in de borst van den mensch en Horus neemt hem bij de hand en geleidt hem naar den voet van den troon van Osiris, opdat hij voor eeuwig moge wonen in het koninkrijk van Osiris.

En eerst nu kan hij den zeer reinen en waarachtig heiligen Osiris zien, want "de zielen der menschen zijn niet in staat deel te hebben in de goddelijke natuur, zoolang zij besloten zijn in lichamen met hartstochten... Wanneer zij bevrijd zijn van deze beletselen en overgaan naar reiner en ongeziene streken... dan eerst wordt deze God hun leider en Koning; van hem hangen zij geheel af, steeds ziende zonder verzadigd te worden, en steeds vurig verlangend naar de schoonheid, die een mensch onmogelijk kan uitdrukken of zich denken" [1].

Langzaam glijdt de Boot van Ra door de Duat, naar streken van diepe duisternis, van schrik en afgrijzen, waar de afschuwelijke Apep ligt te wachten op de komst van Ra en waar de Vuurpoelen worden klaargemaakt voor de boozen.

Zoo gaat het derde uur van den nacht voorbij en het vierde uur is nabij. Dan maakt de godin van het derde uur plaats voor de godin van het vierde uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.

"Levende der schimmen" is de naam van het vierde gebied van de Duat en Sokar heeft de heerschappij over dit land. Woest is de uitgestrektheid zand, onbegrensd de woestijn, droefgeestig en somber het landschap. Geen grassprietje, geen boom of struik is er te zien, niets groeit er, niets leeft er dan monsterachtige veelhoofdige slangen, die langs den grond glijden of op pooten voortkruipen.

Verschrikkelijk zijn zij om aan te zien, zooals ze daar kronkelen en draaien en sissen en brullen; ze heffen hun afzichtelijke koppen in de hoogte en houden hun donkere vleugels uitgespreid. Maar hun kwaadaardigheid geldt Ra niet en hij gaat veilig tusschen hen door.

Bedolven is de groote rivier en verdwenen is ze onder het bewegelijke zand en waar ze stroomde, is nu een diep ravijn. De rotsmuren verheffen zich hoog en steil en steeds slingert en draait de weg tusschen de rotsen door. De menschen noemen deze plaats Re-stau de Mond van het Graf.

Zelfs in deze sombere woestijn voert Osiris heerschappij; Heer van Re-stau wordt hij genoemd, daarom behoeft niemand vreesachtig te zijn als hij langs het smalle pad gaat. En nu kan de Boot van Ra niet meer op het water drijven, maar wordt veranderd in een groote en machtige slang met een glinsterende huid. Op den voorsteven zit een slangenkop met wakende en woeste oogen, op den achtersteven zit een slangenkop met de giftanden gereed. Over het zand glijdt ze voort, zooals een boot over het water glijdt.

Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door streken van diepe duisternis, schrik en afgrijzen naar de plaats, waar Apep ligt te wachten op de komst van Ra. Zoo gaat het vierde uur van den nacht voorbij en het vijfde uur is nabij. Dan maakt de godin van het vierde uur plaats voor de godin van het vijfde uur en zij roept luid den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.

"Verborgen" is de naam van het vijfde gebied van de Duat en in dit donkere en sombere gebied woont Sokar, zijn Heer en Koning, de god van hen, die begraven zijn. Bij een bocht van den kronkelenden weg is zijn woonplaats diep onder den grond, daar boven verheft zich een hooge berg zand. Twee sphinxen houden de wacht er bij; zij hebben het lichaam van een leeuw en het gelaat van een mensch, en haar klauwen zijn uitgespreid als de klauwen van een roofdier. In het midden ligt een slang met drie koppen en tusschen haar vleugels staat Sokar in de gedaante van een man met het hoofd van een sperwer. Wild en woest als een sperwer is Sokar en vreeselijk is de straf, die hij degenen laat ondergaan, die zich tegen hem verzet hebben. Dicht bij zijn woning is een meer, waar het water kookt en borrelt van de hitte, zooals het water kookt in een ketel. In het kokende meer worden de rebellen geworpen en zij roepen tot Ra om hulp, maar Ra ligt koud en levenloos ter neer, wachtend op de komst van Khepera en op hun kreten wordt geen acht geslagen, terwijl de Boot haar weg vervolgt.

Aan den anderen kant van het ravijn ligt een hoog en gewelfd gebouw, het huis van Nacht en Duisternis. Twee vogels klemmen zich aan weerszijden vast en er rondom heen slingert zich een tweekoppige slang. Zij heft haar woeste koppen op en haar vergif is altijd klaar om den vluggen indringer te treffen, die het wagen zou te trachten er voorbij te komen. Trouw waakt zij, want in het huis van Nacht en Duisternis woont Khepera, de groote Ziel van het Heelal, wiens zinnebeeld is de kever, de god van de opstanding.

In de gedaante van een kever wacht hij op de komst van Ra en hij vliegt op de Boot en wacht daar den tijd af, wanneer hij den god tot het Leven terug zal brengen. En nu dringt er door de diepe duisternis langs den nauwen doorgang een lichtstraal; de Morgenster staat bij de poort om de Boot verder te geleiden: want in het donkerst van den nacht ligt een belofte van den komenden dag.

Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door streken van diepe duisternis, schrik en afgrijzen, naar de plaats, waar de afschuwelijke Apep ligt te wachten op de komst van Ra.

Zoo gaat het vijfde uur van den nacht voorbij en het zesde uur is nabij. Dan maakt de godin van het vijfde uur plaats voor de godin van het zesde uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra gaat er door, "Afgrond der wateren" is de naam van het zesde gebied van de Duat en Osiris voert er heerschappij, Osiris, de groote God, Heer van de stad Daddu, de levende Koning, de Schepper der menschen, der dieren en van de groene planten, die op aarde groeien, Osiris, voor wien alle menschen buigen vol lof en aanbidding.

De rivier komt weer uit het zand te voorschijn en de Boot drijft op haar wateren en zij, die er in zitten, verheugen zich, want de uren van den nacht gaan voorbij. Op de oevers van de rivier bevinden zich de groote gedaanten der goden, geheimzinnig en wonderbaarlijk; negen koningsscepters staan daar ook en een monsterachtige leeuw doemt op uit de duisternis, zwak beschenen door het licht, dat de Boot van Ra uitstraalt. Drie tempels staan er bij de rivier, en een slang, die vuur ademt, bewaakt ze. Geheimzinnig en vreemd zijn de dingen, die zich in de heiligdommen bevinden en den mensch is het niet gegeven de beteekenis er van te vatten; in het eene is een menschenhoofd, in een ander de vleugel van een vogel, in het derde het achterste gedeelte van een leeuw. Hier woont ook de groote opgerolde slang met vijf koppen en in haar kronkels ligt Khepera, de god van de opstanding. Op zijn hoofd plaatst hij den kever, onder zijn voeten is het teeken des vleesches; zoo brengt hij het Leven in de dooden en zoo zal hij Ra weer in het leven terugroepen. Want dit is het meest verwijderde punt van de Duat en achter de poort ligt de weg naar den zonsopgang.

Langzaam vaart de Boot van Ra door de Duat, door streken van diepe duisternis, van schrik en afgrijzen, waar de afschuwelijke Apep ligt te wachten op de komst van Ra. Zoo gaat het zesde uur van den nacht voorbij en het zevende uur is nabij. Dan maakt de godin van het zesde uur plaats voor de godin van het zevende uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.

"Geheime spelonk" is de naam van het zevende gebied van de Duat. Vol gevaar en nood is het, want de afschuwelijke Apep woont in dit land. Als een groote en monsterachtige slang ziet hij er uit; met wijd-open mond verzwelgt hij de wateren van de rivier, opdat de Boot zal vergaan en Ra zal omkomen. Dan zou de aarde toebehooren aan de machten der duisternis en kwaad en boosheid zouden de goden overwinnen. Maar op den voorsteven van de Boot staat Isis, de groote toovenares, wier tooverkunst niemand kan weerstaan. Isis, de grootste der godinnen, zij, die de dooden kan opwekken en aan wie alle menschen liefde en eerbied bewijzen. Met de armen uitgestrekt, spreekt zij de Machtswoorden uit, luid roepend over de donkere rivier.

Om het lichaam van Ra slaat de slang Mehen haar beschermende kronkels, want nu is de tijd van het gevaar gekomen.

Op een zandbank midden in de rivier ligt de afschuwelijke Apep. Vierhonderd vijftig cubiet is de zandbank lang; de kronkels van Apep bedekken ze zoodanig, dat er niets te zien is dan de rivier er om heen. Luid sist en brult hij en de Duat wordt vervuld met den donder van zijn stem, doch Isis deinst niet terug, noch houdt zij op met haar tooverformules te reciteeren en met de tooverachtige bewegingen, die zij maakt met haar handen. Haar tooverspreuken overwinnen en de afschuwelijke Apep ligt hulpeloos op het zand. Dan springen Selk en Her-desuf van de Boot van Ra en binden hem met touwen vast en met scherpe messen steken zij in zijn vleesch, hopend hem te vernietigen. Maar Apep is onsterfelijk en iederen nacht wacht hij om de Boot van Ra aan te vallen.

Toch houden Selk en Her-desuf hem vast, terwijl de Boot haar weg vervolgt langs de groote zandbanken, waar hij wringt en draait en worstelt om vrij te komen, maar de touwen zijn sterk en de messen zijn scherp en zijn pogingen zijn vergeefsch.

Voort gaat de Boot naar de begraafplaatsen der goden. Deze staan bij de rivier; hooge bergen zand zijn het, op elken berg staat een gebouw en op elken hoek bespiedt het hoofd van een man het voorbijgaan van Ra. Zacht glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, voortgaand door de duisternis tot den zonsopgang en den dag. Zoo gaat het zevende uur van den nacht voorbij en het achtste uur is nabij. Dan maakt de godin van het zevende uur plaats voor de godin van het achtste uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort.

Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.

"Sarcophaag der goden" is de naam van het achtste gebied van de Duat, want hier wonen de doode goden. Dood en begraven zijn zij, gebalsemd en gezwachteld, zooals de menschen de dooden op aarde balsemen en zwachtelen. Zij roepen luid heilgroeten tot Ra, als hij voorbij vaart, roepend tot hem door de uitgestrekte ruimte, maar zoo ver zijn zij weg, dat het geluid van hun stemmen klinkt als het gebrul van wilde stieren, als de kreet van roofvogels, als het geklaag van rouwdragers, als het gezoem van bijen. Vóór de Boot gaan negen Volgelingen van de Goden; vreemd zijn hun gedaanten, geheimzinnig en wonderlijk, aan niets gelijk, dat op aarde is. Voor hen uit loopen de vier zielen van Tatanen in de gedaante van rammen, groot en vurig, met wijd uitgespreide en scherp gepunte horens. De eerste is gekroond met hoog opstaande pluimen, de tweede met de Roode kroon van het Noordelijke Land, de derde met de Witte Kroon van het Zuidelijke Land, de vierde met de schitterende zonneschijf. Oud is Tatanen, bewoner van Memphis, waar de woning van Ptah is aan den zuidkant van den muur. Zacht glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, gaande door de duisternis naar den zonsopgang en den dag. Zoo gaat het achtste uur van den nacht voorbij en het negende uur is nabij. Dan maakt de godin van het achtste uur plaats voor de godin van het negende uur, en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra gaat er door.

"Processie van beelden" is de naam van het negende gebied van de Duat. Vol en sterk stroomt de rivier en de Boot wordt voortgedragen op den bruisenden stroom. Twaalf sterregoden bewaken de Boot, met roeiriemen in hun handen, gereed om de Boot in geval van nood te helpen.

In dit land heerscht geen diepe duisternis, want twaalf groote gekamde slangen liggen opgerold op den oever en de adem van hun mond is vuur en vlam, stralend op het donkere water en op hen, die in de Duat wonen. Drie sloepen drijven op de donkere rivier; vreemd is de vorm van deze sloepen, niet als de booten der menschen; en de schimachtige gedaanten er in, zien er uit als een koe, een ram en de ziel van een mensch. Van hen ontvangen de bewoners van dit land de offeranden, die hun gebracht worden op aarde. Dan beginnen de sterregoden te zingen; en de twaalf godinnen en de wevende goden en de bewoners van dit land zingen den roem en de eer van Ra, prijzend den Heer van de Boot, de Schepper van hemel en aarde. Met vreugde en gezang volgen zij den voorgeschreven weg.

Voorwaarts glijdt de Boot van Ra door de Duat, voortreizend naar den zonsopgang en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het negende uur van den nacht voorbij en het tiende uur is nabij. Dan maakt de godin van het negende uur plaats voor de godin van het tiende uur en zij roept luid den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra gaat er door.

"Afgrond der Wateren, hoog van oevers" is de naam van het tiende gebied van den Duat en de heerscher ervan is Ra. De bewoners van dit land komen hun koning tegemoet, als hij voorbijgaat op de wassende rivier. Diep en vol en sterk stroomt het water en de Boot wordt voortgedragen op den bruisenden stroom. Goddelijke krijgslieden, gewapend met blinkende oorlogswapens vormen een lijfwacht voor hun koning, licht straalt van hun aangezichten, als het licht van de zon. Aan den oever der rivier zitten vier godinnen; zij werpen lichtstralen uit in de duisternis, aldus den weg van Ra verlichtend op de donkere rivier. Voor de Boot van Ra beweegt zich de Morgenster in de gedaante van een tweehoofdige slang, die op beenen loopt, en op haar hoofd bevinden zich de kronen van het Zuidelijke Land en het Noordelijke Land; tusschen haar kronkels bevindt zich de groote sperwer uit de lucht; Leider van den Hemel is haar naam, want de sterren van den hemel volgen haar, maar de menschen noemen haar Hesper en ook wel Lucifer. In de sloep op den stroom bevindt zich een slang; Leven der Aarde wordt zij genoemd en zij waakt in de Duat tegen de vijanden van Ra.

Dit is het grootste van alle gebieden van de Duat, want in dit rijk van wonderen en mysteriën verbindt Khepera zich met Ra en Ra zelf wordt opnieuw geschapen. Toch blijft het doode lichaam van Ra in de Boot; maar zijn ziel wordt vereenigd met de ziel van Khepera.

Voorwaarts gaat de Boot van Ra door de Duat, reizend naar den zonsopgang en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het tiende uur van den nacht voorbij en het elfde uur is nabij. Dan maakt de godin van het tiende uur plaats voor de godin van het elfde uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.

"Opening van de spelonk", is de naam van het elfde gebied van de Duat en Ra is er heerscher. Zeer veel is de rivier gevallen en traag stroomt ze voort; de Boot wordt voortgetrokken door de goden; niet met touwen trekken zij haar voort, maar met het lichaam van de groote slang Mehen, den beschermer van Ra. Op den boeg van de Boot staat een vurige ster, maar haar licht is niet rooder dan de vreemde en felle gloed, die dit land vervult; vreeselijk rood is het en de aanblik er van jaagt schrik en ontzetting aan. Dit is het gebied, dat gevreesd wordt door de boosdoeners, want hun straf wacht hen hier. Heinde en ver zijn vuurpoelen; godinnen, wier adem vuur is, bewaken de poelen, in haar handen vlammende zwaarden houdend. Met haar messen martelen zij de boozen en werpen hen in de vuurpoelen, waar zij volkomen vernietigd worden. Horus staat er bij en aanschouwt hun kwellingen, want deze zijn de vijanden van Osiris en van Ra, de boosdoeners op aarde en lasteraars van de goden. Geen hulp kan hen bereiken, geen ontkomen is mogelijk, door hun eigen daden zijn ze gedoemd tot het zwaard en het vuur. En de rook en het vuur van hun marteling stijgen op in de Duat.

Aan den anderen kant van de rivier bevinden zich de sterren; Shedu is er in de gedaante van een slang, scharlaken en rood is hij en de sterren, die zijn lichaam vormen, zijn tien in getal. Dan is er ook een geheimzinnige en wonderlijke gedaante te zien; als een gevleugelde slang met pooten ziet zij er uit en tusschen de vleugels ziet men de schimachtige gedaante van een man. De menschen noemen hem Atmu, bewoner van Heliopolis; oud is Atmu, ouder dan Ra zelf; en hij zendt de zachte briesjes van den Noordewind naar het land Egypte. Aan weerszijden van hem schijnen de Oogen van Horus flauw in het zwakke en bleeke licht. En nu steekt de morgenwind op; liefelijk en zacht is hij, maar met hem komt de belofte van den dag.

Voorwaarts glijdt de Boot van Ra door de Duat, reizend naar den zonsopgang en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het elfde uur voorbij en het twaalfde uur en de dageraad zijn nabij. Dan maakt de godin van het elfde uur plaats voor de godin van het twaalfde uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door. "De duisternis is geweken en geboortes hebben plaats" is de naam van het twaalfde gebied van de Duat. Op den voorsteven van de Boot zit de groote kever van Khepera, gereed om bij de gedaanteverwisseling van Ra te helpen, voordat hij het eind van de Duat bereikt. Dit twaalfde gebied van de Duat is niet gelijk aan de andere streken, want het is omsloten door het lichaam van een groote en monsterachtige slang. "Leven van de Goden", is haar naam, en door dit groote en kolossale lichaam reist de Boot der Millioenen Jaren. Twaalf van de aanbidders van Ra vatten de touwen en sleepen de Boot verder, en hier in het lichaam van de slang wordt Ra veranderd in Khepera en wordt weer levend, want nu is de reis door de Duat bijna volbracht. Bij den mond van de slang staan twaalf godinnen; aan deze geven de Aanbidders van Ra de sleeptouwen over en zij trekken de Boot naar den oostelijken horizon van den hemel. En nu wordt het doode lichaam van Ra uit de Boot geworpen, zooals het kaf wordt weggeworpen, wanneer het graan gezift is, want de ziel en het leven van Ra zijn in de kever van Khepera, en de gedaanteverwisselingen van Ra zijn voltooid.

Met geschreeuw en gezang, met vreugde en blijdschap komt de Boot van Ra te voorschijn uit de Duat. Prachtig is de Manzet Boot, zooals zij voortspoedt naar den zonsopgang. Werp wijd, wijd open de deuren en laat den dag binnen.

Tusschen de sycomores van turkoois komt de Boot van Ra te voorschijn en de berg Bakhu gloeit van licht. De slang, de bewaker van de Groote Groene Wateren ziet Ra in al zijn heerlijkheid aan den oostelijken horizon van den hemel en zijn stralen schitteren op haar opperhuid.

Heerlijk is de Manzet Boot, gedragen door de rivier, stralend in de pracht en het licht van den vollen dag. In het schuim aan den boeg van de Boot dartelt de Abtu-visch, voortschietend door het glinsterende schuim en de Ant-visch wordt gezien in den draaikolk van turkoois. Van de aarde rijst een juichtoon op, want alle schepselen prijzen Ra bij zijn komst.

Heil u, o Ra, bij uwe komst; de nacht en de duisternis zijn voorbij. Bij het krieken van den dag schijnt gij, de hemelen zijn vervult met uw licht. Koning der Goden zijt gij, alle heerlijkheid en triomf zijn van u. De Goden komen als honden aan uw voeten, u met vreugde begroetend in den morgenstond. Heil u, o Ra, bij uw komst; als gij opkomt, zijn alle menschen blijde. Vol vreugde komt gij 's morgens, vol roem regeert gij de wereld. De sterren der hemelen aanbidden u, Heer der Hemelen zijt gij. Heil u, o Ra, bij uw opkomst! Niemand kan uw heerlijkheid uitdrukken. Heer van alle Wijsheid en Waarheid. De zielen van het Oosten dienen u, de zielen van het Westen zijn uw dienaren, het Noorden en het Zuiden aanbidden u. Gij wordt aangebeden, onze Heerscher, door hen, die gij hebt geschapen. Gij komt op aan 's hemels horizon gij doet het menschdom zich verblijden. Heil u, o Ra, bij uw komst, bij uw komst in schoonheid, o Ra.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings