← Table of contents
Opa en Ineke

UIT LOGEEREN.

Reading edition

Koffer met paraplu en tas.
Koffer met paraplu en tas.
Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed
Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed

Hè, wat was dat?

Was ’t nou al morgen?

Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed, rekte zich al geeuwend uit, beide armen boven haar hoofdje. Helder scheen de zon door een kier van de gordijnen de kamer in en in een wip was Wiesje ’t bed uit, om op haar bloote voetjes voor ’t raam uit te kijken in den tuin, waar de duiven druk en vroolijk zaten te koeren op ’t lage, grijze muurtje.

Kijk, daar vlogen er een paar weg, hoog hóóg de blauwe lucht in!

Wiesje trok de gordijnen wijder open, schoof ’t raam wat meer op en ging er op haar knieën voor liggen. Een heerlijke geur van versch gemaaid gras stroomde de kamer in. O, kijk, daar kwam Cobus, de tuinmansjongen, aan met een mand vol koolblaren. Zeker voor de konijnen.

Wat was ’t heerlijk hier buiten! Heel anders dan op ’t bovenhuis in ’t warme, drukke Amsterdam, waar Wiesje woonde. Twee weken zou ze nu hier mogen blijven bij Oom Willem en Tante Lida! Zalig! Gisteren toen Vader haar wegbracht, had ’t Wiesje wel lang geleken om veertien heele dagen en nachten van huis te zijn.… Ze was al een groote meid van tien jaar, maar nog nooit alleen uit logeeren geweest en toen ze van Moes en kleinen Broer afscheid nam, had ze wel even een raar, propperig gevoel in haar keel gehad, net of ze zou gaan huilen.…

Maar in den trein was ze ’t gauw vergeten en toen Vader ’s avonds wegging, voelde Wiesje zich bij Oom en Tante en bij Suus en Dolf en Bert zóó thuis, dat ze er niet over dacht één traantje te storten. En ze had Vader bij zijn vertrek nog nageroepen:

„Zeg maar aan Moes, dat ’t hier dól is en dat ik heusch zoet zal zijn.”

En toen de kinderen kort daarop alle vier naar boven moesten—om acht uur sloeg onverbiddellijk ’t klokje van gehoorzaamheid—en Tante haar had toegedekt, was ze geen vijf minuten daarna rustig in slaap gevallen.

Hoe verbazend gauw ging zoo’n nacht voorbij!

’t Was zeker nog heel vroeg, dacht Wies je. Je hoorde nog heelemaal geen leven in huis. Nee, mis hoor! Daar kwam Suus aan de kamerdeur:

„Zeg, Wies, sta je op, ’t is zeven uur.”

„’k Ben d’r al uit,” riep Wiesje vroolijk.

Suus kwam binnen, ook in haar nachtjaponnetje en van louter plezier dansten ze toen de kamer door, tot ze allebei buiten adem op een stoel neerploften.

Van louter plezier dansten ze toen de kamer door.
Van louter plezier dansten ze toen de kamer door.

„Zoo leuk … dat je … hier bent,” hijgde Suus en Wiesje knikte lachend, niet in staat een woord te zeggen.

„De jongens zijn al bijna klaar. Laten wij ook voortmaken, dan kunnen we voor ’t ontbijt nog even naar buiten,” stelde Suus voor, zoo gauw ze wat bekomen waren.

„Goed, wie ’t eerst klaar is,” en Wiesje sprong op, schonk vlug water in de waschkom en begon dapper te plassen. Een goed kwartiertje later waren ze beneden. Allebei tegelijk!

In de tuinkamer was Tante Lida al bezig voor ’t ontbijt te zorgen. De glazen tuindeuren stonden wijd-open en de zon scheen vroolijk naar binnen en deed den koperen theeketel, die gezellig raasde, blinken of hij van goud was. Midden op tafel prijkte een vaasje met reseda en kleine, gele roosjes.

„Die zijn van Dolf. Uit z’n eigen tuintje,” vertelde Tante toen Wiesje, die heel veel van bloemen hield, er haar wipneusje in begroef om diep den fijnen geur in te ademen.

„Mogen we nog even den tuin in, Moeke,” vroeg Suus.

„Ja, maar dadelijk komen als er gebeld wordt. Hier is wat oudbakken brood, strooi dat maar voor de vogels.”

Suus nam ’t bordje met ’t in kleine stukjes gesneden brood aan en gearmd gingen zij en Wiesje naar buiten, waar de musschen luid sjilpend kwamen aanvliegen en zich flink te goed deden, totdat een paar hongerige duiven, die er ook wat van hebben wilden, ze uit elkander dreven.

De beide meisjes hadden nog net tijd om even naar de konijnen te gaan kijken; toen luidde de bel voor ’t ontbijt. De anderen waren al binnen.

„Ik heb zoo’n honger,” zei Bert, die vuurrood zag van ’t werken in zijn tuintje. „’t Onkruid is er allemaal uit. Nou zullen jullie ’s zien hoe mooi mijn reseda wordt! Moeke, over één weekje krijgt u net zulke mooie van mij, als u nu van Dolf hebt!”

„Kun je begrijpen. Je hadt al veel eerder moeten wieden,” zei Dolf een beetje minachtend. „Jij laat alles altijd maar staan.”

„Niet waar! Maandag heb ik er nog een hóóp uitgehaald en mijn violieren waren toch lekker veel mooier dan de jouwe.”

„Och,” kwam Dolf weer, zijn schouders ophalend, maar Oom, die ineens van achter zijn courant opdook, maakte een eind aan de opkomende kibbelpartij door te zeggen:

„Stil jongens! Wat moet Wies wel denken? Die is zulke kemphanen heelemaal niet gewend, of kibbel jij thuis wel eens met Broer, Wies?”

„Nee,” lachte Wiesje. „Broer is nog veel te klein. Die kan nog niet eens praten.”

„Nou maar, onze jongens kunnen mekaar geducht in de haren zitten. Ze meenen ’t wel niet zoo kwaad, maar ’t is toch niet heel aardig om aan te hooren. Dat zul je wel merken,” zei Oom met een plagend knipoogje naar Dolf en Bert, die groote happen van hun boterhammen namen en voor zich keken, want ze schaamden zich wel wat voor hun nichtje.

Maar Wiesje lachte er om en na ’t ontbijt toen Oom zijn zieken ging bezoeken—hij was dokter op ’t dorp waar ze woonden—gingen ze met hun viertjes prettig buiten spelen. Ze schoten goed op samen. De jongens kibbelden wel eens af en toe—dat kónden ze nu eenmaal niet laten—maar ’t duurde nooit lang, of ze verzoenden zich weer met elkaar. De dag was om voor ze het wisten, en Wies schreef dien avond een langen brief naar huis, zoodat Vader en Moes den volgenden ochtend al met verheugde gezichten lazen van al de pret, die hun dochtertje daarginds had.

En nu was ’t de avond van den vijfden dag, dien Wiesje bij Oom Willem en Tante Lida doorbracht.

Meer dan een half uur geleden had Tante haar ingestopt en nóg kon Wiesje den slaap maar niet vatten. Telkens keerde ze zich om en om in ’t groote logeerbed.… Zelf wist ze maar al te goed wat er aan haperde.… Ze had iets heel leelijks gedaan, waar ze nu o, zoo’n spijt van had en ’t ergste was, dat Cobus de tuinmansjongen, er morgen waarschijnlijk de schuld van zou krijgen.

Iedereen dacht dat hij ’t gedaan had. O, ’t was verschrikkelijk. Wiesje wist geen raad.…

Zóó was ’t gebeurd.

Ze speelden met hun vieren verstoppertje. Bert „was ’m” en omdat hij zoo gauw telde, waren Suus en Dolf en zij zoo hard ze konden ieder een anderen kant uitgehold. Wiesje, die ’t vlugst was, had zich verstopt achter in den tuin bij ’t schuurtje en Bert kón haar maar niet vinden. Die zocht alleen op plekjes dicht in de buurt en Wiesje had in zichzelf een pret van belang. Ze besloot nog een poosje rustig in haar schuilhoekje te blijven voor ze zich vertoonde, want hoe later je gevonden werd, hoe meer eer!

Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom waaraan een massa prachtige perziken zaten.
Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom waaraan een massa prachtige perziken zaten.

Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom, die tegen den muur van het schuurtje geleid was en waaraan een massa prachtige perziken zaten. De meeste waren nog niet heel rijp, maar juist onderaan hingen er een paar heerlijk in ’t zonnetje te stoven. Die zagen er net zoo rood en donzig uit als Wiesjes eigen wangen.…

Ze ging er vlak bij staan, voelde er toen heel voorzichtig met één vinger aan.… Hè, die twee daar vlak tegen elkaar waren heelemaal warm van de zon.… Nog even voelen en Wiesje kwam er nog eens aan. Maar, o wee, daar ploften ze ineens allebei op den grond. Vlak voor Wiesjes voeten vielen ze in ’t gras. Haar hartje bonsde van schrik en haar wangen werden nog rooder dan de perziken.

Zóó had ze ’t niet bedoeld, nee waarlijk niet!

Wat zou ze doen? Ze stil in ’t gras laten liggen, of ze gauw naar Tante Lida brengen en eerlijk vertellen wat er gebeurd was?

Ze raapte ze op, rook er eens aan.… Een had al een gekneusd plekje.… Het sap liep haar langs de vingers. Kom, er zaten nog zooveel perziken aan den boom. Ze kon deze eigenlijk best opeten. Een paar meer of minder gaf niks, niemand zou ’t merken.…

Schuw keek ze om zich heen en ineens zette ze haar tanden in de overrijpe vruchten en at ze gulzig met schil en al op. De pitten, waarin ze zich bijna verslikte, wierp ze in ’t gras en haar mond en haar kleverige vingers veegde ze snel aan haar zakdoek af. Toen luidde de etensbel en ze holde naar huis op de verwonderde vragen: „Waar heb jij gezeten,” brutaalweg antwoordend:

„Dat zeg ik nou ’s lekkertjes niet!”

Maar aan tafel was ze stil geweest, had ze niet zoo flink gegeten als anders en de schrik sloeg haar om ’t hart, toen Oom tegen ’t theedrinken binnenkwam met twee perzikpitten in zijn hand. Je kon hem aanzien, dat hij heel ontstemd was.

„Heeft iemand van jullie aan de perziken gezeten? Ik wou enkele mooie rijpe, die onderaan hingen en waar ik alle dagen een oogje op hield naar vrouw Bos brengen, die zoo ziek is, maar jawel, ze waren er af toen ik daarnet ging kijken en de pitten vond ik tusschen ’t gras. Er is dus iemand aan geweest. Een van jullie soms?”

„Nee, Vader,” riepen de kinderen als uit één mond.

„Nee Oom,” zei ook Wiesje.

Ze kreeg een kleur als vuur en trilde op haar beenen, maar ’t begon al donker te worden en ze stond achter in de kamer. Niemand sloeg bizonder acht op haar.

„’t Spijt me, dat ik zooiets denken moet, maar dan ben ik bang, dat Cobus ’t gedaan heeft. Hij deed den laatsten tijd zóó zijn best en ik vind ’t heel jammer, maar als hij niet van ’t fruit kan afblijven, zal ik genoodzaakt zijn ernstige maatregelen met hem te nemen.”

„Hè,” zuchtte Tante, „’t zou wel heel ondeugend zijn van een jongen, die ’t zóó goed bij ons heeft.”

„Nu, we zullen er niet verder op doorgaan voor ’t oogenblik. Cobus is al naar huis. Ik zal hem morgenochtend wel onder handen nemen,” zei Oom.

„De kinderen wilden graag wat zingen, is ’t niet,” en Tante ging aan de piano zitten, terwijl Dolf met de muziek kwam aandragen.

’t Waren aardige, vroolijke liedjes en Wiesje kende er verscheidene van. Toch was ’t haar niet mogelijk mee te zingen; dan zou ze zeker zijn gaan huilen. Stil en lusteloos stond ze er bij. Ze dúrfde ’t niet zeggen, omdat ze zich zoo vreeselijk schaamde. Hoe ze zich den heelen avond had goedgehouden begreep ze zelf niet. Zelfs toen Tante Lida haar bij ’t toedekken vroeg: „Zeg, Wies, scheelt er iets aan? Je was zoo stil,” had ze geantwoord met haar hoofdje naar den muur gewend:

„Nee, niks Tante, ik ben alleen erg moe.”

Toen was Tante na haar een nachtzoen gegeven te hebben heengegaan, bij zichzelf denkend, dat ’t kind wel vreemd en stil geweest was den heelen avond en plotseling dacht ze met schrik aan die perziken.… Nee, dat kón niet zijn. Tot zoo iets was Wies niet in staat. Misschien verlangde ze naar huis. Ze was vroeger immers nooit alleen uit logeeren geweest. En toch.… Nu ze zou over een uurtje nog maar eens gaan kijken of Wiesje sliep en Tante Lida waschte den theeboel om en begon aan haar verstelwerk.

Intusschen lag Wiesje boven te woelen in ’t groote bed. Van slapen kwam maar niets; hoe stijf ze haar oogen ook toekneep en hoe dikwijls ze tot zichzelf zei: „Nou wil ik er niet meer aan denken,” ze moest er aan denken, ze kón niet anders.

Cobus zou de schuld krijgen van iets wat zij gedaan had. Misschien moest hij wel weg.… Cobus, die zoo aardig voor haar geweest was en haar bal tot tweemaal toe voor haar uit de sloot gevischt had, zelf gevaar loopend van er in te vallen. Ze zag Cobus’ verbaasde en bedroefde gezicht al, als Oom over de perziken zou beginnen. Oom zou hem toch niet kunnen gelooven als Cobus zei, dat hij ’t niet gedaan had.… O, ’t was vreeselijk!

Ze huilde zachtjes met haar hoofd in ’t kussen, begon toen al harder, zoodat ’t bed schudde en haar sloop nat werd van al de tranen.

Wat moest ze toch doen? O, was Moes maar bij haar. Aan Moes zou ze ’t wel durven zeggen, maar ze schaamde zich zoo voor Oom en Tante en voor Suus en de jongens, die ’t natuurlijk ook zouden weten. Nog nooit had ze zoo’n spijt, zoo’n verdriet gehad, als nu door haar eigen schuld.

Langzamerhand werd ze toch wat kalmer. Ze zag duidelijk in, dat ze ’t moest gaan vertellen, al zag ze er nog zoo tegenop. Hoe eerder ze ging, hoe beter en net wou ze ’t dek wegslaan en uit bed komen, toen de deur geopend werd en Tante Lida zachtjes binnenkwam. Bevend zakte Wiesje achterover in ’t kussen, maar Tante sprak niet, ging alleen stil op den rand van ’t bed zitten, zei toen eindelijk heel zacht:

„Wies, ik dacht, dat je me nóu misschien wel iets wilt zeggen.”

En Wiesje, o zoo blij, dat Tante’s stem zoo vriendelijk klonk en dat ze nu zou kunnen uitspreken wat haar zoo bezwaarde, deed met een heesch stemmetje ’t heele verhaal.

Tante liet haar vertellen, viel haar geen enkele maal in de rede. Ze vond ’t heel erg, maar had toch wel medelijden met Wiesje, omdat ’t kind zoo’n innig berouw toonde.

„Gelukkig dat we ’t nu weten; anders had Oom Cobus morgenochtend onder handen genomen en hoe vreeselijk zou dat voor den armen jongen geweest zijn! Ga nu maar liggen, dan zal ik ’t wel vast voor je aan Oom zeggen. Morgen kan je er dan zelf met hem over praten,” zei Tante, Wiesjes verwarde haren gladstrijkend en Wiesje, moe van ’t huilen, liet zich gewillig instoppen en viel spoedig daarop vast in slaap.

Den volgenden ochtend was ze al vroeg bij de hand, vóór de anderen nog gekleed waren en zoo gauw ze Oom naar beneden hoorde gaan, liep ze hem achterna, de studeerkamer in.

„Oom,” begon ze bevend met neergeslagen oogen.…

Oom nam Wiesjes gezicht tusschen zijn beide groote handen en zag haar ernstig, maar niet onvriendelijk aan, want hij begreep wel, dat ze heel veel verdriet had van hetgeen er was voorgevallen. Oplettend luisterde hij naar alles wat ze te vertellen had. Nee, Wiesje spaarde zichzelf niet. Ze zag wel in hoe groot haar schuld was en daarom zei hij maar niet veel en beloofde om ’t voor haar aan de kinderen te zeggen. Die moesten ’t natuurlijk weten, omdat ze er anders Cobus op aan zouden zien.

’t Was een moeilijk oogenblik voor Wies toen ze de tuinkamer instapte, terwijl de anderen, die ’t nu allemaal wisten, al aan tafel zaten.

Onhoorbaar sloop ze naar haar plaats en niemand sprak een woord, totdat Dolf ruw-goedig ineens zei:

„Wies, ’t was gemeen van je, maar je hebt ’t eerlijk bekend en dat vinden we flink,” en toen gaven ze haar alle drie een hand.

Verder werd er niet meer over gesproken, maar vergeten kon Wies ’t natuurlijk niet.

Enkele maanden later, ’t was op Sinterklaas-avond, kwam er een pakje voor Cobus, heelemaal uit Amsterdam. Er zat een keurig-gebreide bouffante in, waar hij dolblij mee was, maar hij is er nooit achter gekomen, wie hem die gestuurd heeft.

Cobus met een bouffante (lange gebreide wollen das).
Cobus met een bouffante (lange gebreide wollen das).
Oorspronkelijke rug.
Oorspronkelijke rug.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings