INHOUD (continued 2)
Reading edition
—'t Is daar, meneer, u staat er vlak voor, antwoordde glimlachend de man, naar een der huisjes wijzend.
Het was een dofgrijs, loodgrijs huisje, een deur en twee ramen beneden, drie kleinere raampjes op de eenige verdieping. 't Had blauwe horretjes als bijna al de andere huizen en achter een van die horretjes zaten, vaag en verwaasd als onder het blauwachtig water van een bokaal, twee oude en ouderwetsche vrouwegezichten, die mij strak, met onbehouwen nieuwsgierigheid, aanloerden. Maar toen ze mij, dwars over 't pleintje, op hun huisje zagen afkomen, schenen zij langzaam in het vage weg te smelten, net als visschen, die zich stilletjes in de diepte van een sloot laten zinken. Ik belde aan. Het belletje ging zwakjes over, alsof het ergens heel, héél verre hing en toch voelde men, dat het dichtbij de deur moest hangen. Het duurde lang, zéér lang, vóór deze werd geopend. Ik strekte reeds de hand uit om een tweede maal te bellen, toen de deur eindelijk heel langzaam en omzichtig week en een gezicht aarzelend te voorschijn kwam.
't Was een der beide die ik, van op het pleintje, achter het horretje gezien had. Een oude-vrijsters-type, geel als perkament, met breede, als 't ware verwoeste trekken en groote zwarte oogen en een grootera tandeloozen mond, die toch wel vriendelijk, ofschoon ietwat wantrouwig, glimlachte.
—Is het wel hier, juffrouw, dat meneer Cathoen inwoont? vroeg ik, na gegroet te hebben.
—Jawel meneer, antwoordde zij, mij aandachtig monsterend.
—Is meneer thuis?
—Neen, meneer; meneer heeft vandaag heel vroeg koffie gedronken en is daar pas een half uurtje geleden met mevrouw gaan wandelen.
Ik kreeg als een schok en bedwong met moeite een uitroep van verbazing. Ik voelde mij een kleur krijgen.
—Is... is... begon ik hopeloos te stameren.
—Jawel, meneer, mevrouw is hier ook. Ze zijn samen over de grens gekomen, tijdens de groote vlucht. Wist u 't soms niet, dat mevrouw hier ook was? En achterdochtig-nieuwsgierig keek het mensch mij aan.
—Ik wist het met geen zekerheid, maar vermoedde 't toch wel, haastte ik mij te zeggen. Heeft u ook een idee, juffrouw, wanneer ze terug zouden komen?
—Vast en zeker vóór drie uur, bevestigde de juffrouw met klem. Nooit blijven ze langer weg. Ze maken elken dag dezelfde wandeling, weet u altijd langs den dijk tot in de buurt van de grens, op een hoogte van waar ze in de verte iets van hun land kunnen zien. Ach, meneer, ze zijn toch zoo verlangend om er weer terug te keeren.
Ik voelde, dat het mensch aan de praat wou en week langzaam achteruit. Ik zei haar, dat ik vóór drie uur terug zou komen. Maar zij kwam met mij mee, tot op het pleintje en wees mij daar de richting langs waar meneer en mevrouw Cathoen elken dag gingen wandelen, en verzekerde mij dat ik hen onvermijdelijk zou tegenkomen, als ik zoowat over een uur dien weg opliep.
—Is hier ook ergens een hotelletje, of een herberg, waar ik iets zou kunnen gebruiken, juffrouw? vroeg ik nog.
—Zeker, meneer, zeker, daar, op den hoek, in Den Arend, heel goed. En zij wees het mij met de hand.
Ik keerde mij nog eens om, dankend en groetend, en meteen viel ook mijn blik weer op de blauwe horretjes. Even zag ik er 't gezicht der tweede juffrouw, blijkbaar de zuster, die mij scherp beloerde, maar dadelijk in 't vage wegsmolt, als een visch die naar de diepte zinkt.
Met vlugge schreden liep ik naar Den Arend toe.
Mevrouw Cathoen, dacht ik, mevrouw Cathoen! En als een sarrend refreintje dreunde 't onophoudend in mijn ooren. Wie mocht dat wel zijn? Wie mocht dat wel zijn? Was meneer Cathoen, de oude, hardnekkige vrijgezel, die nooit zou trouwen, dan toch maar hals over kop getrouwd, sinds ik hem de laatste maal zàg? Zoo maar in eens, zonder er iets van te melden? Of had hij 't mij wel laten weten, en was zijn brief, in de oorlogsverwarring, verloren geraakt? Zou meneer Cathoen dan wellicht... doch neen, die onderstelling was te gek, dan had hij 't al immers veel vroeger gedaan.
Stom van mij, dat ik aan die juffrouw althans niet gevraagd had hoe mevrouw Cathoen er wel uitzag! Dan had ik misschien geweten.
Ik zat daarover te prakkezeeren, in de griezelig-sombere, ijskille eetkamer van Den Arend, waar ik de eenige gast was. Ik zou haastig iets gebruiken en dan maar dadelijk den dijk op, om meneer Cathoen en vooral mevrouw Cathoen te gemoet te loopen. Een somber-zwijgzame vrouw bracht mij, na lang en ongeduldig wachten, iets dat zij beafsteak met aardappelen noemde. Die beafsteak zag lei-blauw en de aardappelen leken op steenkool-vetballen. Dat alles zwom in een donker vocht, als een mengsel van inkt met aangebrande olie.
Toen ik enkele van de blauwe lappen had verorberd, lei ik er maar vork en mes bij neer. Vruchteloos had ik geprobeerd ook een van de zwarte vetballen te slikken. Na heel wat geklop en geroep en gefluit en geschuifel kon ik eindelijk met de sombere juffrouw afrekenen, —'t was niet goedkoop—en na haastig een sigaar te hebben aangestoken, verliet ik met een snakzucht dien donkeren ijskelder van ongezelligheid en holde den dijkweg op.
Het was een gure, grijze, ijzige Novemberdag. De wind blies hard en nijdig over dien hoogen berm tusschen de nattige vlakten en woei mij tranen in de oogen. Het land scheen van een doodsche triestigheid. Hier en daar lag een sombere, groote hoeve, diep in den polder, door boomen omringd. Het leken eilandjes van nood-toevlucht, midden in een grenzenlooze zee van wanhopige verlatenheid. En verder was er niets dan de eindeloos-lange, kronkelende dijkweg beplant met knotwilgen, en hier en daar een moerassige waterplas met wuivend riet en opgekuifde schuimkammetjes onder den ijzigen, snerpenden wind.
Af en toe een levend schepsel in die hopelooze eenzaamheid: een Zeeuwsche boer, 't gezicht geschoren, de haren lang, geheel in 't doffe zwart gekleed, alsof hij rouwde; of een boerin, enorme rokballon op voeten, kort, spannend lijf en witgekapt hoofd met gouden ornamenten, staag wiegelend op haar zware heupen, als een schip voor anker. Zij groetten beleefd in 't voorbijgaan en 't somber landschap, waaraan hun trage verschijning toch even iets van leven gaf, scheen achter hen weer uit te sterven. Arme meneer Cathoen, dacht ik, die hier als vluchteling, en voor hoelang misschien, is gaan leven!
Toen zag ik hem komen, ginds verre, ginds heel, héél verre aan den grijzen einder, in een kromming van den eindeloozen dijk. Ik kon hem op dien afstand niet herkennen, maar ik voelde dat hij 't was, want naast hem liep een vrouw met scheef-waaiende rokken en handen die haar kapsel vasthielden, een vrouw die blijkbaar geen boerin was van de streek, zijn vrouw voorzeker, de raadselachtige, de mij nog onbekende, die hij hals over kop gehuwd moest hebben, God wist waarom, nadat de oorlog uitgebroken was.
Toen ik slechts een paar honderd meters meer van hem verwijderd was stak ik den arm in de hoogte, groetend-zwaaiend met mijn paraplu. Hij scheen er eerst niets van te merken. Hij bleef gebogen vooruit loopen, worstelend tegen den nijdigen wind. Maar ik zag dat de vrouw hem een duw gaf en hij keek op en bleef staan. Weer zwaaide ik en riep hem van verre goên dag. Nu had hij mij herkend. Hij wuifde insgelijks met de hand en kwam naar mij toe. Een laatste bocht scheidde ons en de stammen der knotwilgen onttrokken ons even aan elkander's gezicht. Twee minuten later stond ik voor mijn ouden vriend meneer Cathoen en... zijn dienstmeid Fietriene!
Er was een korte weifeling in meneer Cathoen's optreden en bejegening. Er was ook een korte aarzeling en gêne in mijn begroeting. Kwam het door den wind, of de kou, of wat was het? Meneer Cathoen scheen mij een ander mensch geworden! Hij teekende opeens zijn leeftijd: dien van een oud, versleten man. Hij stond gebogen vóór mij, zonder glimlach, met een ernstig, vermagerd gezicht en oogen zonder levenstinteling. Hij droeg een wollen bouffante om den hals en had een groote bonte muts op, waarvan de oorkleppen waren neergetrokken. Een verrekijker hing in een koker aan een lederen riem over zijn schouder.
—Wel, wel, wie we nu zien! riep hij toch eindelijk en stak mij een hand toe die beefde. Weet ge nieuws? vroeg hij dadelijk daarop.
Nieuws! Ik begreep niet goed wat hij bedoelde. Ik draalde met mijn antwoord, verwachtte eerder dat hij mij nieuws zou mededeelen.
—Niets van den oorlog? drong hij aan, vagelijk teleurgesteld. Ik moest ontkennend antwoorden. Er was immers nooit eenig nieuws over den oorlog, behalve de leugenberichten van alle couranten. Ik vertelde hem in 't kort de laatste leugens die ik vluchtig had gelezen.
Hij slaakte een moedeloozen zucht en liet zijn armen hangen. —Nog geen hoop dus, dat we naar ons land terug mogen, weeklaagde hij.
Ik kon niet anders dan toegeven, dat daar nog geen de minste hoop op was.
—Wij zien Vlaanderen elken dag, zei hij; wij komen er juist weer vandaan.
Ongeloovig keek ik op, doch herinnerde mij meteen wat de juffrouw uit het grijze huisje mij had meegedeeld.
—Ja, dat heeft uw hospita mij verteld, zei ik. Hij schrikte op.
—O, zijt ge reeds aan huis geweest? vroeg hij.
Ik bekende, dat ik er geweest was en dat de juffrouw mij gezegd had hoe ik hem met zekerheid ontmoeten kon.
—En... heeft ze u ook nog meer verteld? aarzelde hij.
Glimlachend keek ik even naar Fietriene, die dadelijk, met een blos op de wangen, zedig haar oogen neersloeg.
Meneer Cathoen werd geagiteerd. Hij keerde even den rug naar een snerpende windbui en wreef met een zakdoek de koude tranen uit zijn oogen. Toen wendde hij zich weer tot mij en zei:
—We hebben ons daar als man en vrouw moeten aanmelden. Het kon niet anders. Het dorp stroomde de eerste dagen propvol met vluchtelingen. Toen wij daar aankwamen was er in de heele plaats slechts één huis meer beschikbaar, en in dat huis slechts ééne kamer, met één bed.
Ik boog en glimlachte. Absoluut geen bezwaar van mijn kant. Ik vond het best. Maar horizonnen over het verleden leven van meneer Cathoen gingen eensklaps als ondeugende openbaringen voor mij open. Hij scheen mij te raden en zijn op mij gepriemde oogen tintelden, heel even. En plotseling kwam het er uit, ernstig, gewichtig:
—Wij gaan dan ook trouwen. Het is vast besloten, zoodra wij in 't land terug kunnen komen.
Ik nam mijn hoed af voor Fietriene en wenschte hen beiden geluk. Fietriene bloosde heel sterk en sloeg opnieuw, met een vagen glimlach, haar oogen neer. Maar meneer Cathoen werd zenuwachtig-gejaagd.
—Het kon niet anders, herhaalde hij, als om zich te verontschuldigen; het kon niet anders, want te veel menschen uit het dorp, die gelijk met ons vluchtten, hadden ons hier samen gezien en wisten dat wij dezelfde kamer bewoonden. Ik wil later toch weer als een degelijk man voor mijn medeburgers verschijnen.
Nogmaals boog ik, een en al goedkeuring. Maar vele vragen kwamen op mijn lippen die ik nu niet uiten mocht. Het speet mij dat ik niet even met meneer Cathoen alleen was. Hij leek mij in een stemming om iets als een volledige biecht te spreken en 'k voelde mij gekitteld door ondeugende nieuwsgierigheid. Het ging echter nog niet. Meneer Cathoen had blijkbaar naar zijn zin genoeg over het geval meegedeeld en scheen door die bekentenis eenigszins opgemonterd. Hij vroeg mij wanneer ik weer weg moest en toen ik hem het uur zei van mijn trein had hij een uitroep van genoegen en jubelde omdat wij nog uren lang bij elkander mochten blijven. Hij was zoo blij weer eens een bekende te zien, zei hij, en eensklaps vroeg hij mij of ik geen zin had ook nog eens ons dierbaar Vlaanderen te bekijken.
—Ons dierbaar Vlaanderen bekijken! herhaalde ik verbaasd.
Kom mee, riep hij, zich omkeerend; kom mee, gij zult het zien!
Wij liepen terug over den dijk, den weg volgend waar zij vandaan kwamen. De gure wind deed zijlings onze kleeren van ons afwaaien. Fietriene hield worstelend haar hoed met beide handen vast en meneer Cathoen's oogen schreiden van de kou. Maar 't leek of hij ineens weer jeugdige levenskracht in zich gekregen had; hij liep gebogen doch met forschen wil tegen de windbuien in. Wij kwamen aan een smal bruggetje, dat wij overstaken, ons aan de railing vasthoudend. Daar daalden wij den berm af en voelden minder wind. Wij hielden er even stil om op adem te komen. Toen gingen wij dwars over een uitgestrekt weiland en kwamen aan een soort van duin, begroeid met hakhout en met jonge sparren.
Met vlugge, veerkrachtige schreden klom meneer Cathoen de helling op. Fietriene en ik volgden. Hijgend bleef hij bij een zandkuil staan, die tamelijk goed tegen den wind beschut was en zei:
—Laten we hier even gaan zitten.
Wij zaten: meneer Cathoen en Fietriene dicht bij elkaar in 't mulle zand; ik een paar schreden verder, op een kronkeligen, half ontblooten eikenwortel!
—Dáár ligt Vlaanderen, zei, met een trilling in zijn stem, meneer Cathoen, terwijl hij een bevende hand naar het Zuiden uitstrekte.
In 't grijzig-dof verschiet, op enkele kilometers afstand, achter een vlakte van vaalgroene weilanden, vertoonde zich een dichtbegroeide en bebouwde streek. De kale boomen stonden er donker op elkaar gedrongen en tusschen de stammen door zag men hier en daar lichte huisjes, met roode daken en een enkel kerktorentje, dat er eenzaam en leigrijs boven de naakte kruinen uitpuntte. Daar lag het ongelukkig land, als verborgen achter een sluier van sombere triestigheid. Daar voelde men als 't ware het lijdende leven der droevige menschen; en de krassende kraaien, die in de grijze lucht rondzwermden, schenen snerpende noodkreten van gefolterde wezens te slaken, en de wind die klagelijk door de sparrekruinen van den duinheuvel suisde, weerklonk als het gesmoord en aanhoudend gejammer van een gansch volk, dat zich in wanhoop en ellende voelt vergaan.
Meneer Cathoen had met inspanning zijn verrekijker losgehaakt en reikte hem mij over.
—Kijk, zei hij, gij zijt jonger dan ik en uw oogen zijn beter dan de mijne. Ziet ge daar dat grijs, puntig kerktorentje, achter en boven die verre boomen? Ja? Welnu, naast dat kerktorentje, rechts, maar nog veel verder en dieper in, staat er een tweede torentje, een met een ronden koepel. Ziet ge 't, ja? Bij helder weer zie ik het ook soms, maar nu is het te grijs en mistig en mijn oogen zijn niet goed genoeg: nu zou ik het niet kunnen zien. Ziet gij het? Vindt ge 't?
Eenklaps zag ik het: heel, héél verre en nauwelijks zichtbaar in de grijze lucht, als een ietwat doffer-grijze schaduwstolp.
—Ja, meneer Cathoen, ik zie het? riep ik.
—Dat is óns dorp, zei hij, met schor-trillende stem. "Hoe zal het daar nu zijn?" En een snik brak in zijn keel.
Ontroerd liet ik den verrekijker neer en keek hem aan. Groote tranen blonken in zijn oogen en zijn lippen beefden. Hij slaakte een diepen zucht en plotseling begon hij te schreien.
Ontsteld en vol moederlijke zorg neeg Fietriene naar hem toe.
—Nee, Papatje, nee, Papatje, gij moogt u dat verdriet niet blijven aandoen; kom, kom, we gaan weg, suste zij.
Papatje! Wat klonk dat gek en toch ontroerend! Ik had kunnen lachen en toch was ik zelf diep bewogen. Ik wist haast niet hoe ik mij houden moest.
Meneer Cathoen was opgestaan. Vol zorg en toewijding steunde Fietriene hem onder den arm. Hij scheen zich even voor zijn emotie te schamen en poogde te glimlachen.
—Ik hou van mijn land, zei hij eindelijk. Ik wist niet dat ik er zooveel van hield. Ik zou liever dood zijn dan er niet terug te mogen keeren. Ik ben er toch zoo gelukkig geweest!
—Maar gij moogt er terug keeren, meneer Cathoen, niemand zou u dat beletten, poogde ik hem te troosten.
—Als vrij mensch, in een vrij land, zoo wil ik er terugkeeren en anders nooit, nooit, nooit! riep hij, met eensklaps heftig opvlammenden hartstocht. Ik wil geen vijand zien; ik wil van geen vreemden dwingeland hooren dat ik dit mag doen en dát moet laten; ik wil niet in mijn eigen land beleedigd en vernederd en mishandeld worden, verdome! gilde hij plots met fonkelende oogen en ballende vuisten.
Angstig trok Fietriene hem van den heuvel weg. "Nee, nee, Papatje, nee, nee, Papatje, ge moogt u niet zoo opwinden," suste en smeekte zij. "Kom, kom, we gaan terug naar huis, 't is hier niet goed voor u, 't wordt hier te koud."
Hij liet zich meetrekken. Zijn toorn viel ineens en hij zakte in elkaar, als een oud, versleten man. Wij keerden 't droeve Vlaanderen den rug toe en de snerpende, loeiende wind stuwde ons weer naar den dijkweg.
Het schemerde reeds toen wij in het dorp terugkwamen. O, die stilte, die benauwende eenzaamheid van het doodsche, als het ware uitgestorven oord! Wij ontmoetten slechts enkele vage schimmen van menschen, die met gesmoorde stem groetten en den politie-diender, die nog steeds op 't pleintje stond en vriendelijk-beleefd meneer Cathoen bij den naam noemde. Hier en daar, achter de nog niet dichtgeluikte ramen, begon een zwak lichtje te pinken. In Den Arend, waar ik de blauwe beafsteak en de donkere vetballen had gekregen, stond een lamp achter 't buffet, in de sombere diepten der gelagkamer, als een waskaars bij een lijkbaar.
—Ga binnen, zei mijnheer Cathoen, met een sleutel de deur van 't grijze huisje openend.
—Wijs mij de weg, antwoordde ik, hem en Fietriene voor latend.
Wij traden in het smalle, donker gangetje en meneer Cathoen klopte rechts op een deur. Onmiddellijk werd die geopend en de oude vrijster, die mij in den vroegen namiddag had ontvangen, trad te voorschijn.
—Kom binnen, mevrouw en meneeren, kom binnen, noodde zij, nijgend en groetend.
Wij volgden haar en kwamen in een kamertje, waar het bijna reeds gansch donker was. Een zwak, grijsachtig licht schemerde nog van buiten door de horretjes en bij een der ramen zat de zwarte gestalte van een kleine vrouw, die dadelijk voor ons opstond.
—Mijn zuster, stelde de andere haar voor.
Ik kon te nauwernood iets van haar gelaatstrekken onderscheiden. Ik merkte slechts dat zij kleiner en magerder was dan haar zuster. Zij groette in stilte en schoof gebogen en bescheiden langs ons heen de kamer uit.
—'k Zal dadelijk licht aansteken en u alleen laten, zei de eerste, zich om de lamp beijverend.
—Geen haast, juffrouw, geen haast, antwoordden meneer Cathoen en Fietriene eenstemmig.
Het licht ging op; er kwam iets als leven in de doode omgeving. De juffrouw spoedde zich naar de rolgordijnen en liet die neer. De gele vlakken der gordijnen gaven iets van lichtere gezelligheid.
—'k Zal dadelijk voor de koffie en de krentenbroodjes zorgen, zei ze, zich weghaastend.
Meneer Cathoen was aangedaan. "Zulke brave menschen, daar hebt ge geen idee van," zei hij.
Wij hadden overjassen en mantel uitgetrokken en namen plaats om een ronde tafel, die met een roodbruin kleed bedekt was. Ik keek eens even rond. Een donker ramage-behang bekleedde de wanden, waaraan chromo-litografiën hingen. Op den schoorsteenmantel stond een spiegel en een penduletje, rechts en links van de ramen waren twee gemakkelijke stoelen. Dat was alles. Ik keek opnieuw naar de gele rolgordijnen: die gaven er werkelijk nog het meeste leven, de lichte gezelligheid.
—Aardig vindt ge niet? glimlachte meneer Cathoen. Het is hun kamer, maar ze staan ze ons af, zoodra en zoolang als we thuis zijn. Ze doen alles wat ze kunnen om ons hier thuis te doen voelen. En kijk eens om, achter uw rug; dat hebben ze ons vandaag cadeau gedaan. Vindt ge 't niet een delicate attentie?
Ik keerde mij om en bemerkte een lijst onder glas aan den wand. Op een donkeren fluweelgrond was er iets met gekleurd stroo gevlochten en ik las:
"Zooals het klokje thuis tikt, tikt het nergens."
Verbluft keek ik meneer Cathoen aan. Sprak hij in ernst of probeerde hij mij voor den gek te houden? Neen, hij meende 't ernstig; ik zag dat hij ontroerd, verteederd was. Een vochtige glans blonk in zijn oogen. En, daar juist de juffrouw met de koffie en de broodjes binnen kwam, drukte hij haar nog eens zijn hartelijken dank voor het geschenk uit en zei haar, dat ook ik het zoo bizonder aardig en vriendelijk vond.
De juffer glunderde; haar groote, tandelooze mond glimlachte in haar geel en zwart gezicht.
—Niet waar, meneer, ze moeten zich hier maar lekker thuis voelen en niet te veel aan hun land denken; dat komt wel weer terecht! zei ze aanmoedigend.
Na de blauwe beafsteak en de donkere vetballen in Den Arend, waren de broodjes en de koffie mij niet onwelkom. Fietriene bediende ons met voorkomende zorg en meneer Cathoen scheen heel wat opgefleurd. Zoo ging het met hem, zei hij zelf: zonder overgang opgewekt of gedrukt, van 't eene oogenblik tot 't andere. Kon hij dien schrikkelijken oorlog maar voor goed uit zijn hoofd zetten; er was toch niets aan te doen! Maar dat kon hij nu eenmaal niet en daaronder leed hij zoo, onophoudend heen en weer geslingerd tusschen hoop en moedeloosheid. O, den dag waarop hij weer naar zijn land terug zou mogen keeren, als vrij man naar zijn vrije land, dan moest ik er ook bij zijn, dan moest ik met hem meegaan, met hem en met Fietriene, en ik moest ook aan hun bruiloft deelnemen, dat deed hij mij vast beloven, aan hun bruiloft die zou plaats hebben zoo spoedig mogelijk na hun terugkomst en waarbij het gansche dorp, door hem getrakteerd, dagen na elkaar in uitgelaten feeststemming zou zijn.
Zijn oogen schitterden en lachten en hij leek mij eenklaps weer geheel de oude, vol ondeugende, guitige schalkschheid. Fietriene was opgestaan en had de kamer verlaten om het koffiegerei met de juffrouw in de keuken te helpen omwasschen, en zoodra ze weg was schoof hij naar mij toe, klopte vertrouwelijk op mijn knie en grinnikte:
—Nou, hoe vindt ge 'r? Dat hadt ge niet verwacht, hé?
—Misschien,... 'n beetje... glimlachte ik.
Daar had hij eensklaps dolle pret om. Zoo!... Had ik daar toch wel iets van vermoed! En hoe dan? En waarom? En wanneer? Het was toch immers maar louter toeval geweest, omdat ze samen naar hier gevlucht waren, omdat ze genoodzaakt waren geweest hier hetzelfde huis, dezelfde kamer, waarin slechts één bed stond, te betrekken.
Hij keek mij aan met zijn priemend-ondeugende oogen, hij wilde blijkbaar weten wat ik er verder van dacht of vermoedde en, door wat ik dacht of vermoedde, onderstellen, wat heel het dorp ervan wist of zou vermoeden. Ik dacht aan al de ontelbare meiden, aan al die blonde, die bruine en die zwarte, aan al die magere en al die dikke maar steeds flinke en jonge, die in den loop der jaren bij hem in dienst waren gekomen en telkens na een poos weer waren weggegaan, en eensklaps voelde ik in hem den ouden scharrelaar, die hij in 't geniep zijn levenlang geweest was en wellicht nog zou gebleven zijn, als niet het onvoorziene toeval van den oorlog en zijn schrikvlucht hem voor een gedwongen keus en oplossing gesteld had. Als een pacha had hij in zijn dorp geleefd en niemand had er ooit iets van gemerkt, evenmin als er ooit iemand argwaan kreeg over zijn kleine, sluwe handelsknoeierijtjes, en daar genoot hij nu nog van met heimelijk-ondeugende napret; daar smulde hij van in zichzelf, nu voor 't laatst nog, ondanks al de narigheid van een toestand, die er meteen een einde aan zou maken.
Maar de deur ging open en Fietriene kwam weer binnen. Terstond veranderde meneer Cathoen van gesprek en oogenblikkelijk kreeg zijn gezicht weer dat oude, dat ernstige, dat moedeloos-gedrukte, weerschijn van de snel-afwisselende stemmingen waaraan hij, sinds zijn ballingschap, zoo onderhevig was. Ik keek naar de klok. Langzaam aan begon het mijn tijd te worden. Ik zei het aan meneer Cathoen, die even een zucht loosde.
—Ach, als men maar altijd een landgenoot en vriend bij zich had! klaagde hij.
—Tuttuttut, ge moet geduld en courage hebben, meende Fietriene.
Ik was opgestaan. Ik glimlachte bemoedigend en strekte de hand uit tot afscheid.
—'k Ga met u mee tot aan de statie, besloot eensklaps meneer Cathoen.
—Maar Papa, 't is veel te koud voor u! en ook veel te verre! maakte Fietriene zich bezorgd.
Papa! Wat kittelde Fietriene toch telkens mijn lachlust als ze dat zei.
—Niemendal, niemendal, stribbelde meneer Cathoen kribbig tegen; en met zenuwachtige handen zette hij z'n dikke, bonte muts op.
Ik drukte de hand van Fietriene, wenschte haar tot wederzien, zoo gauw mogelijk, in Vlaanderen, op haar huwelijksfeest.
Zij lachte schel en keek mij even aan, met vurige koonen en oogen die eensklaps wild blonken. 't Was of ik iets verschrikkelijk-ondeugends had gezegd.
—Mijn groeten aan de juffrouwen, zei ik nog. En buigend onder de deurlijst stapte ik met meneer Cathoen naar buiten.
Hij zei geen woord meer; hij scheen eensklaps uitgepraat. Wij vorderden langzaam door de stille, mistig-sombere straat, die zwak verlicht was door enkele povere lantarens. Geen mensch op het pad, geen het minste geluid van leven achter de gesloten deuren. Slechts hier er daar nog een lichtje door de ramen, met een troebele vizie van sombere, triestige dingen daarbinnen.
Wij kwamen aan het kleine station. Daar was 't iets minder doodsch. Drie menschen zaten er op den trein te wachten, een paar soldaten liepen er heen en weer, het telegraaftoestel tikte achter het loket en in een hoek stond een man bij een nietig kranten-en-boekenstalletje.
—Kranten, meneeren? vroeg hij met halfluide stem.
—'t Is te vroeg, die kunnen er nog niet zijn, meende meneer Cathoen.
—Pardon, meneer, pas aangekomen, verzekerde de man.
—Wat! riep meneer Cathoen, opgewonden tot het stalletje naderend.
Waarachtig, het waren de couranten, die anders slechts een uur later bij hem werden bezorgd en waar hij dan verder gansch den avond in te lezen zat, steeds hopend er 't bericht te vinden van de groote overwinning, die den gehaten vijand uit 't geliefde land verjagen zou.
—Hoe komen ze toch zoo vroeg vandaag? zei hij, gretig zijn voorraad inslaande.
—Ze komen elken avond om dit uur, meneer, antwoordde de man.
—En ik ontvang ze pas een uur en soms wel anderhalf uur later! riep meneer Cathoen verontwaardigd.
—Dat is de bestelling aan huis, meneer, zei droogweg de verkooper.
—Begrijpt ge zoo iets? keerde meneer Cathoen zich tot mij om. 't Is iets van zeven of acht minuten loopen en daar hebben ze een uur of anderhalf uur voor noodig!
Maar hij luisterde zelfs naar mijn antwoord niet; hij haalde gejaagd zijn bril te voorschijn, ging midden in de wachtzaal onder de hanglamp staan, ontvouwde daar, met zenuwachtig gefrommel, de couranten.
—Alweer 't zelfde spel! Wat is dat nu weer! Ze hebben nog eens Allebei gewonnen! pruttelde hij, als gesard zijn hoofdschuddend.
Doch hij zag niet goed onder die vieze, smeulende lamp, hij begreep ook niet goed wat hij las, beweerde hij; hij plooide zijn couranten dicht en flapte ze weer open; en eindelijk kwam hij naar mij toe en zei:
—Weet ge wat: ik heb u nu tot hier gebracht en kan u toch niet verder vergezellen. Fietriene zou ook bezorgd en ongerust over mij worden. Ik ga u nu maar verlaten en hoop dat ge mij al gauw weer eens komt opzoeken, of, liever nog, dat we mekaar binnen kort in ons dierbaar land terug zullen zien.
Hij drukte en schudde mij de hand, mij herhaaldelijk "tot weerziens" wenschend. Hij liep nog even haastig tot bij den man van het stalletje om hem te zeggen dat hij er voortaan elken avond zelf zijn dagbladen zou komen halen en met een laatste gewuif was hij weg, zijn avondvoorraad van lectuur als een schat onder den arm knellend.
—Arme meneer Cathoen, die daarin zijn hoop en steun moet zoeken! dacht ik bij mezelf. Gelukkig maar dat hij nog Fietriene heeft om zich te troosten.
Ik stond daar even, doelloos, niet goed meer wetend wat te doen. Ik haalde mijn horloge uit. Nog ruim tien minuten.
—Kranten, meneer? klonk weer halfluid de stem van den man.
Ach ja, waarom ook niet! Ik kocht mij voor een dubbeltje bedrukt papier, en, op een harde bank gezeten in de kille wachtkamer, nam ik op mijn beurt kennis van de laatste officieele leugentelegrammen over de gebeurtenissen van den vreeselijken wereldoorlog.
[Voetnoot van de schrijver: 1) Victorine]
III.
RIKIKI.
Alweer begonnen de granaten over de stad neer te barsten...
Waar de kanonnen eigenlijk stonden kon slechts vagelijk worden uitgemaakt. Men hoorde de zware, mathematisch gescandeerde slagen uit de richting van het zuiden opkomen: dat was alles. Een doffe, verre bons, die even den grond deed dreunen en de ruiten deed rinkelen en, nog vóór het dreunen en het rinkelen had opgehouden, een gierend geloei hoog in de lucht, een langgerekt loeien en gieren dat in woeste vlucht met toenemende felheid en snelheid naderde, en plots daarop een krakende knal van barstend metaal, gevolgd door een gedonder van ineenstorting, alsof een gansch gebouw opeens ten gronde werd vernield. Onmiddellijk daarop de stilte, de doodsche, griezelige stilte: de wachtende, benauwende stilte na een knetterenden donderslag. En dan opnieuw het dof gedreun ginds verre, het gierend-suizen in de hooge lucht, het loeiend-neerslaan van 't onzichtbaar monster, en 't barsten en 't kraken en 't denderen en 't verpletteren, en dan plotseling weer de doodsche, griezelige, akelige stilte. Die absolute stilte was het schrikkelijkste, omdat het onnatuurlijk was. 't Was onnatuurlijk als een vlekkeloos-stille, helderblauwe hemel, waarin een alles-overweldigend woest onweer zou woeden.
De stad was bijna leeggevlucht. Op straat geen mensch meer. De weinige bewoners die er nog gebleven waren, zaten in hun kelders weggescholen. En die absolute stilte in de tusschenpoozen van 't bombardement, gepaard met die totale afwezigheid van menschen, maakte den indruk alsof er ook geen apart menschelijk lijden noch verdriet meer was onder den globalen omvang der afgrijselijke ramp. De groote, anonieme krachten van vernieling voerden 't woord; de zwakke klaagstemmen der lijdende menschen hadden klank noch beteekenis meer.
De oude, gepensioneerde generaal, zijn vrouw en zijn schoonzuster, waren nog niet gevlucht. Zij hadden maar niet kunnen scheiden van hun mooi en gezellig huisje op de oude gracht. Te veel stil geluk en levensvrede was daar met hun gansche wezen saamgegroeid. "Ik ga niet, ik wijk niet, ik blijf op mijn post," had de oude generaal herhaaldelijk en met nadruk gezegd, alsof nog steeds, gelijk vroeger, een verantwoordelijke plicht op hem woog. Maar zijn broer, die reeds met zijn gezin naar Engeland gevlucht was, hield niet op hem aan te wakkeren om daar ook te komen, bewerend dat ze 't er zoo goed hadden, dat zij er, dank zij de onuitputtelijke liefdadigheid der Engelschen, als prinsen leefden op een prachtig buitengoed, met bediening en automobiel, alles gratis tot hun vrije beschikking; en de vrouw en de schoonzuster, die van lieverlede half waanzinnig waren geworden van angst, schreiden gansche dagen en nachten en baden en smeekten den generaal, dat hij toch eindelijk, vóór het te laat was, ook met hàar vertrekken zou. Wat hadden zij eraan om hier nog langer in die hel te blijven! Zij hadden gered was zij konden: hun geld, hun waarden, hun juweelen; het overige konden zij niet meenemen, het moest maar aan God's genade worden overgelaten. Alleen hun leven had verder nog waarde: hun leven en het dierbaar leven van Rikiki, die anders ook met hen, onder de puinen van het huis, zoude begraven worden.
Rikiki was hun hondje: een van die kleine, bruine luxe-keffertjes met verfrommeld haar, spits-geknipte oortjes en wakkere, blinkende oogjes. De oude, barsche generaal kon wel eens echt ongeduldig-militair optreden tegen zijn vrouw en zijn schoonzuster, en de beide zusters konden met elkaar wel eens kibbelen, maar Rikiki verzoende hen allen, voor Rikiki hadden zij niets dan liefde en liefkoozingen over. Rikiki was hun kind, hun schat, hun leven, hun alles. Rikiki was noch van den generaal, noch van zijn vrouw, noch van haar zuster: Rikiki was van hen allen. Eerst was Rikiki, dan was het dierbaar huis, dan was de generaal, dan was de vrouw en dan de schoonzuster; en dat alles smolt samen tot één enkel, dierbaar symbool van geluk, en dat dierbaar symbool was nog eens Rikiki. Rikiki was de kracht en de zwakte, Rikiki was de ziekelijke weelde, de luxe-tyran van het gansche oude huisgezin!
"Rikiki zal hier met ons onder de puinen van ons huis begraven worden!"
Deze tragische voorspelling, door vrouw en schoonzuster met klem herhaald, gaf tenslotte den doorslag. Onder het razend geloei en gekraak van de barstende bommen, die met toenemend geweld op de geteisterde stad neervielen, bekeek de oude generaal het aardig snoetje van Rikiki, die met hen in den kelder zat verscholen en zijn stugge hart vermurwde. Misschien hadden de bange vrouwen dan toch wel gelijk. Hij keek door een reet van 't keldergat naar buiten in de straat. Zijn wenkbrauwen stonden boos en chagrijnig gefronst, zijn harde mond bromde verwenschingen onder de lange, witte, van verontwaardiging trillende snor. Is dàt nu oorlog voeren, een open stad bombardeeren! gromde hij. Hij vloekte en vervloekte zulk een vijand. Doch wat hielp het? Sinds dagen liep hij zoo machteloos te foeteren en te brommen; maar de kanonnen van den vijand overbromden zijn gefoeter en dreven een snerpend-vernielenden spot met zijn nijdige, razende klachten. Het woest brutale recht, het recht van den sterkste zegevierde en daar was niets tegen te doen.
De oude generaal slaakte een wanhoopszucht. Hij haalde zijn horloge uit. Vijf uur. Wellicht zou het bombardement spoedig verzwakken en evenals elken dag met het invallen van den nacht geheel ophouden. Dan zouden zij kunnen gaan. Sinds dagen stond het weinige wat ze konden meenemen in valiesjes klaar gepakt en zijn fortuintje droeg hij in een portefeuille op zich, dag en nacht. Hij liep nog eens naar boven, ondanks de smeekingen der vrouwen, die gruwden voor 't bombardement-gevaar en hij doorsnuffelde al de kamers van het zoo dierbare huis. Ach! dat hij dit nu toch alles in den steek moest laten! Tranen kwamen in zijn oude oogen en nu de vrouwen het niet konden zien, schaamde hij zich voor zijn bittere droefheid niet. Hij snikte. Zijn bevende handen bevoelden en omknelden de dierbare meubels, de gordijnen, de kleeden, de kleinoodiën, alles wat in zooveel lange jaren met zijn leven was vergroeid en dat hij daar nu onbeheerd aan willekeur, aan roofzucht en vernieling prijs moest geven. Hij hoorde de dreunende knallen der barstende bommen niet meer,'t kon hem niet schelen; hij was geheel en al verslonden in zijn eigen, onmiddellijk-gevoelde smart en droefheid.
Hij droogde zijn tranen af en sukkelde met bibberende lippen weer beneden. De vroege avond zonk reeds triestig in den somberen kelder en de beide vrouwen, angstig naast Rikiki op een der gëimproviseerde ledikanten gezeten, slaakten een kreet van verlichting toen zij hem ongedeerd weer zagen binnen komen.
—We zullen vannacht maar vertrekken, zei hij eensklaps, met sombere stem.
Zij juichten op, als van verlossing.
—O, ja! O, ja! riepen zij smachtend.
In koortsachtige haast was de schoonzuster opgevlogen, alsof het nu reeds dadelijk ging gebeuren. Dat maakte hem nijdig, kwaadaardig.
—Geen haast, geen haast, schimpte hij: het regent nog steeds bommen daarbuiten.
—Ik wou alleen maar 't een en 't ander klaar maken voor ons avondeten, antwoordde zij nederig, zich over haar gretige haast excuseerend.
Hij bromde iets onverstaanbaars als antwoord en ging somberzwijgend op een stoel in den droef-schemerigen kelder neerzitten.
Met stillere voortvarendheid nu maakte de schoonzuster de toebereidselen voor het avondmaal klaar. Men voelde dat zij bang was, dat het genomen besluit nog zou kunnen gewijzigd worden. Het was een stevig-gezette vrouw, van middelmatige, ietwat gedrongen gestalte, met spannende buste, korten hals, scherpe trekken en grijzende haren. Zij was vlug en flink in al haar bewegingen. Zij had een petroleum-vuurtje aangestoken en deed met snelle handigheid het werk dat de meid, die reeds sinds dagen was gevlucht, anders verrichtte. Haar zuster, moedeloos naast Rikiki op de harde bedsponde ineengezakt, volgde zuchtend en met doffe blikken haar bewegingen. Uit haar was alle kracht en fut verdwenen. Als een geknakt en willoos wezen zat ze daar. Af en toe streelde zij machinaal het warrelkopje van Rikiki, waarbij het belletje, dat de kleine hond aan een blauw lintje om zijn hals droeg, even rinkelde. De hooge, magere gestalte van den generaal, somber-roerloos op zijn stoel gezeten, verdween in het halfduistere. Alleen zijn lange, witte snor trok nog als een dwarse lichtstreep door zijn beenderig, getaand gezicht.
Daarbuiten, in den nu snel-vallenden nacht, had het bombardement van lieverlede in heftigheid afgenomen. Slechts met grootere tusschenpoozen hoorde men nog het langgerekte, loeiend gefluit in de lucht, met het daaropvolgend cataclysmegedonder der uit-elkaar-springende bommen. Dan was er telkens weer dat oogenblik van akelig-doodsche stilte, alsof nu 't laatste leven in de vernielde stad was weggezweept, maar weldra kwam er opnieuw een vage stommeling en beweging; men hoorde vlugge voetstappen voorbijrennen, men hoorde het geratel van een kruiwagen of kar en enkele menschenstemmen, die elkaar iets toeriepen.
Dat waren zeker de laatste bewoners, die zich den ganschen dag in hun kelders hadden schuilgehouden en nu, met den invallenden nacht en de betrekkelijke veiligheid, op hun beurt in haast de geteisterde stad verlieten. Even gierde ergens ver een schrille stoomfluit, alsof er ook nog treinen reden en een auto snoof voorbij, met donderend geraas. De generaal en de twee vrouwen schrikten er verbaasd van op. Wat! Nu nog treinen en auto's in de verlaten stad! Of zou het wellicht reeds de vijand zijn, die binnenstormde! De beide vrouwen wrongen jammerend, met angstgezichten, haar handen in elkaar, maar de generaal, onvervaard, stond op en ondanks de smeekingen van vrouw en schoonzuster, ging hij buiten, op den drempel, kijken.
't Was niets. Hij kwam terug en zei dat 't niets was. De gansche stad lag reeds in duisternis gehuld en er was geen mensch meer te bespeuren. En ook 't bombardement had opgehouden; men hoorde geen geloei meer in de lucht en geen bommen barstten meer, in krakende vernieling, tegen de huizen uit elkaar.
De schoonzuster had een klein petroleumlampje aangestoken. Het zwakke schijnsel verlichtte vaag de triestige naaktheid van den kelder met de barre, witgekalkte muren, die bij plaatsen glinsterden en sijpelden van ziltig vocht. Om een klein, withouten tafeltje zaten zij met hun drieën en aten lusteloos dunne plakjes ham op brood. De generaal gebruikte daarbij een glas wijn. Op het petroleumkomfoortje stond het waterketelje te zingen.
Het deed hen toch goed iets te gebruiken. Zij voelden zich weer gewone, menschelijke wezens. Op aandringen van den generaal namen ook de vrouwen een glaasje wijn en dat verwarmde en beurde op. Zij praatten even en stoeiden zelfs verteederd met den dierbaren Rikiki, die in 't gerinkel van zijn halsbelletje levendig van de een naar de ander opwipte, om beetjes te krijgen. O, die lieve, aardige, gezellige Rikiki, en o, die gelukkige Rikiki, die maar niets voelde en niets vermoedde van al de ellende en verschrikkingen waaronder zijn ongelukkige meesters ten gronde gingen! Zou men zelf niet wenschen een onwetend dier te zijn, om al die narigheden niet te kennen!
Het korte maal was afgeloopen en meteen kwam weer de somber-droevige stemming. Nu zouden zij gaan, van al het dierbaar-welbekende, misschien voor eeuwig, afscheid nemen. De generaal liep zenuwachtig-gejaagd in den kelder heen en weer. Het had wel geen reden, want het weinige, dat zij konden meenemen stond immers al lang kant en klaar, maar 't was hem te machtig: hij kón van zijn huisje niet scheiden.
Hij moest er zichzelf ten slotte als 't ware van wegrukken. Hij nam ineens een barsche, militaire houding aan, alsof hij nog zijn divisie aanvoerde en riep:
—Vooruit nu!
Doch eerst moest Rikiki gevangen worden. Rikiki moest in een mandje dat de schoonzuster zou dragen en dat alvast opengeflapt op het tafeltje stond.
—Kom, liefje! streelde aanmoedigend de schoonzuster.
Rikiki kwam. Hij kwam, oortjes gespitst en stompestaartje wringend en keek de vrouw met strakke, glinsterende oogjes aan. Maar toen ze zich bukte om hem op te nemen sprong hij vlug op zij en bleef weer een eindje verder roerloos staan, even zijn stompestaartje wringend, oortjes trillend gespitst, intelligente oogjes flikkerend.
Rikiki begreep. Rikiki voorgevoelde en begreep, dat men hem in 't mandje wilde stoppen en daar was hij niets mee ingenomen.
—We moeten hem toch hebben, zuchtte de schoonzuster bezorgd. En nog eens wenkte zij hem streelend, met flikflooiende, zoete woordjes.
Rikiki sloeg haar aandachtig gade. Hij liet haar komen, maar men kon zien dat zijn gespannen pootjes klaar stonden om weg te wippen; en dat deed hij dan ook, zoodra de schoonzuster naar hem de hand uitstrekte, en daarbij blafte hij even, heel schril en fel, om duidelijk genoeg te zeggen, dat men niet pogen moest hem voor den gek te houden.
De generaal, die ongeduldig-wachtend toezag en reeds zijn handvalies had opgenomen, barstte eensklaps in woede uit.
—Rikiki! riep hij dreigend, alsof hij een weerspannigen soldaat zou gaan tuchtigen. Maar Rikiki, allen eerbied vergetend, blafte ook zijn heer en meester aan en liet zich evenmin door geweld als door zachtheid vangen.
—C'est par trop fort! gilde de generaal, zijn valies neergooiend. En een geregelde jacht op Rikiki begon. De generaal, zijn vrouw, zijn schoonzuster, allen zaten het weerspannig diertje na. Zij wonden elkander op, al hun ziekelijke liefde voor het beest scheen plotseling in haat veranderd. De generaal hijgde, vloekte, voorspelde de ellendigste rampen met dat dier op de vluchtreis. Men moest hem hier maar aan zijn lot overlaten, of hem den nek omdraaien, foeterde hij. En de beide vrouwen schreiden en snikten, honderd maal ellendiger over de plotselinge ontrouw van Rikiki, dan over al de andere beproevingen, die zij sinds dagen hadden uitgestaan. Eindelijk sprong de schoonzuster, op een razend dreigement van den generaal dat hij maar niet zou vluchten als het zoo moest gaan, naar 't hondje toe en liet zich plat ten gronde op hem neervallen. Rikiki piepte vervaarlijk maar zij had hem, zij hield hem krachtig in haar beide handen vastgeklemd en stond er hijgend en zuchtend mee op. De generaal en zijn vrouw sloegen hun armen ten hemel.
—Heb je hem pijn gedaan? angstigden zij.
Gelukkig niet erg! Zij omringden hem met hun drieën, waar hij reeds op de tafel in zijn mandje zat en bevoelden met bevende zorg zijn kopje, zijn lijfje, zijn pootjes. Goddank! Hij had niets! Hij rilde maar wat van de uitgestane emotie en de schoonzuster liep hem nog haastig een schaaltje met melk halen, dat hij dan ook dadelijk begon op te lepperen. 't Was heerlijk hem dat te zien doen. 't Was als een lafenis die henzelven doordrong. Zij zuchtten van verlichting. Toen 't schaaltje leeg was streelden zij hem nog eens om beurten op het aardig warrelkopje en spraken hem zoete liefkoozingswoordjes toe. Dan werd het mandje, waarin een mollig dekentje lag, zacht gesloten.
Nu konden zij gaan. Zij namen de valiezen en het mandje op en de generaal wachtte tot de dames boven waren om het lichtje uit te draaien. Dan kwam hij zelf, tastend en struikelend in de duisternis, de steenen treden op.
Zij spraken geen woord meer. Hij opende de voordeur in de kille gang en aarzelend kwamen de dames buiten. Hij volgde haar. Hij sloot de deur en draaide tweemaal den sleutel in het nachtslot om. Op God's genade nu!
De doodsch-verlaten stad lag donker in den vroegen najaarsavond, maar toen zij een eindje door de welbekende straten waren gevorderd scheen het hen toe, dat alles toch iets minder somber en verlaten was dan zij wel eerst vermoed hadden. Zij zagen vagelijk de huizen, de meesten met gesloten blinden, doch hier en daar ook een met open deur en ramen, alsof de bewoners, alvorens heen te gaan, het eens goed hadden willen luchten. Zoo leek het op 't eerste gezicht in de duisternis, maar bij nadere beschouwing kon men merken dat de deur aan splinters was geslagen, dat er groote gaten in den gevel gaapten en dat geen enkele ruit geheel meer was. Zoo waren de huizen die door de bommen getroffen werden uiterlijk in schijn nog betrekkelijk gaaf, maar van binnen, als men even door de gaten en de stukgeschoten ramen keek, één puinhoop van steen en kalk en gruzelementen.
De generaal en de twee vrouwen keken die vernieling vluchtig in 't voorbijtrekken aan, met sombere oogen. Zij mochten van geluk nog spreken dat hun huis zoolang gespaard gebleven was, maar, hoe zou het er morgen, overmorgen, of de volgende dagen uitzien? En als 't eenmaal zooverre was, als het was stuk geschoten zoodat een ieder er vrij in en uit kon loopen, zou het weinige dat er nog van waarde overbleef, dan niet geplunderd worden door de roovers en bandieten, die nog in de stad gebleven waren en die zij reeds hier en daar zagen sluipen, als ratten in de donkerste hoeken, tusschen het puin?
Zij kwamen op het groote marktplein. Daar stond een groepje menschen bij twee rijtuigen, vóór een huis waarin nog licht brandde. Zoodra de generaal en de twee dames in 't bereik kwamen, schoot een man op hen af.
—Rijdt ge mee, meneer, naar Antwerpen?
De generaal aarzelde, keek den kerel achterdochtig aan. Het voorstel verraste hem. Hij vermoedde niet dat er nog eenig middel bestond om per rijtuig naar de groote havenstad te komen. Hij dacht aan niets anders dan den langen afstand te voet af te leggen en daar plaatsen zien te krijgen op een schip, naar Holland of naar Engeland.
—Hoeveel, per persoon? vroeg hij den man.
—Tien frank, meneer.
De generaal haalde verwoed zijn schouders op en keerde zich om.
—Negen frank, meneer, liep de man hem na.
De generaal gaf geen antwoord.
—Acht frank, meneer, acht frank, mijn laatste woord.
De generaal bleef staan.
—Wanneer zoudt ge vertrekken? vroeg hij.
—Dadelijk, meneer, dadelijk, de koetsier is daarbinnen in dat café bezig iets te gebruiken.
De generaal raadpleegde vlug, in 't Fransch, de dames. Terstond gebruikte de kerel, zoo goed en zoo kwaad als het ging, dezelfde taal:
—Très bon marché madame, très bon voiture et fort cheval. Plus vite que les bombes des Boches! En hij lachte, griezelig.
Zij lieten zich overhalen, draaiden langzaam naar de twee rijtuigen toe. Het waren twee oude, vuile, open victoria's met droevige knollen bespannen.
—Ici, monsieur, ici, madame, wenkte de kerel, hen bij een der vieze dingen brengend. Haastig nam hij de valiezen aan, schoof ze onder de banken, verzocht hen in te stappen. Toen holde hij binnen in het groezelig koffiehuis om den koetsier te waarschuwen.
—Cinq minutes patience, monsieur, madame; cocher tout de suite fini manger, kwam hij even weer buiten geloopen.
De generaal, zijn wenkbrauwen fronsend, bromde toornig in zichzelf. Het speet hem reeds dat zij 't aanbod hadden aangenomen. Wat 'n vieze boel zag het er uit! Zouden ze niet beter nog uitstappen en toch maar te voet gaan?
—Zooals je wilt, antwoordden gedwee de dames.
Hadden ze tegengestribbeld, dan had de generaal wellicht op uitstappen aangedrongen. Nu ze dat niet deden en bereid waren zijn wensch te volgen, drong hij niet verder aan.
—Misschien toch maar beter die rammelkast te gebruiken, zei hij, ongeduldig schokschouderend.
Ook dàt vonden de dames goed. 't Was haar alles eender, als zij uit die hel maar wegkwamen.
Zij keken om zich heen, terwijl ze daar nog even moesten wachten. De nacht scheen iets lichter te worden; duidelijker teekende de omgeving zich af. En eensklaps rees een wazige maan boven de hooge daken en haar triestig, weifelachtig schijnsel viel op de groote, leege markt en op de huizen en gebouwen in het ronde. Nu zagen zij eerst goed hoe hun oude, mooie stad onder het bombardement geleden had. De statige kerktoren rees somber ten treurigen hemel, den eenen kant gansch afgebrokkeld en als 't ware uitgevreten, alsof een verwoede reus met grijnzende tanden aan 't verweerde steen geknaagd had. De kerk, daaronder, had geen dak meer en de nacht gaapte, akelig-tragisch, door de verbrijzelde ruiten der hooge, sierlijke boogramen. Daarnaast was er een leege ruimte, met hier en daar nog een stuk uitgekartelde trapgevel of een brok schoorsteen op een muur, die door een mirakel van evenwicht was overeind gebleven. Een van de nobelste antieke heerenhuizen was ook nog blijven staan, maar juist boven het sierlijk balkon, dat als een wonder van steenen kantwerk zijn ongerepte, grijze ellips naar voren welfde, was een enorm, donker gat geslagen, als het wijd-open hol van een spelonk, waaruit schrik-en-gruwelbeelden zouden gaan te voorschijn komen.
—Barbaren! Barbaren! bromde en foeterde de generaal met van verontwaardiging trillende snor.
Maar hij werd ongeduldig en keek weer naar de groezelige herberg om.
—Koetsier! Koetsier! riep hij gebiedend.
Luide, kijverige bralstemmen klonken daarbinnen, alsof er een gevecht ontstond. Enkele kerels met boeventronies kwamen eindelijk buiten en onder hen was een man met zwarte snor en bonten muts, die een langen mantel droeg en een zweep in zijn hand hield. Hij groette kort, met rauwe drankstem en klom op den bok van het rijtuig. De boef, die aan den generaal het rijtuig had verhuurd, wipte naast hem en tegelijkertijd, terwijl het paard reeds wegdraafde, sprong een derde kerel in het rijtuig en nam ongegeneerd naast den generaal, op 't ruggebankje plaats.
—Koetsier, wat beteekent dat? gilde de generaal verontwaardigd.
—Niets, meneer, ik heb mijn plaats betaald, zoowel als u, antwoordde de man met een woedenden blik.
—Stop, koetsier, stop! krijschte de generaal overeind springend, en vatte den leidsman bij den arm. Met een vloek hield deze zijn paard in.
—Zij d'r uit of wij d'r uit! riep de generaal, vastberaden.
De vrouwen sidderden, klaar om het van angst uit te gillen, met krampachtig in elkaar gewrongen handen. Maar het flink optreden van den ouden militair had een bewonderenswaardige uitwerking. De koetsier haalde zijn schouders op alsof het hem niet aanging en de twee schoelies stapten langzaam uit het rijtuig. Zij deden eensklaps heel gedwee en onderdanig en stonden daar even met uitgestrekte bedelhanden te grienen, dat hun huis verwoest was en dat zij geen stukje brood meer hadden voor hun ongelukkige vrouwen en kinderen.
De generaal was woedend en dreigde met politie en gendarmes, die er trouwens reeds lang niet meer waren. Maar de schoelies grienden nog luider en staken nog dringender hun bedel-grijpklauwen uit, zoodat de dames weer doodsangstig werden en schreiend smeekten dat de generaal hun toch iets geven zou. Hij deed het eindelijk, maar onder heftig protest en met de herhaalde bedreiging, dat hij hun tronies onthield en dat hij hen later onmeedoogend bij de overheid zou aanklagen. De schoelies dankten en groetten en verdwenen in de donkere gaping van een slop.
Zij hadden de sinistere stad verlaten en reden over een rechten steenweg door het open veld. Langs beide kanten waren de boomen afgezaagd en de gevelde stammen lagen schots en scheef over de slooten en in het aangrenzend weiland. Het was alsof een aardbeving de gansche streek had door elkaar geschud. Het nevelige manelicht bescheen verdrietig die verwoesting en hier en daar, langsheen den weg of in het veld stonden de huisjes en de boerderijen als dood in hun sombere, eenzame verlatenheid.
Traag-sjokkend reed het rammelend rijtuig over de ongelijke keien. De generaal en de twee dames spraken een heele poos geen woord. Zij huiverden in de kille nachtlucht en trokken mantels dicht en kragen op. De weg scheen eindeloos en onafzienbaar. Soms zagen zij in het verschiet als een beweging van vage schimmen vóór zich uit. Het waren enkele menschen die, evenals zij, op het laatste oogenblik de stad ontvluchtten. Zij torsten met zwoegende inspanning wat zij nog konden meesjouwen en wierpen begeerige en droevige blikken op het voorbij-ratelende rijtuig. Eensklaps ontstelden de dames hevig van schrik. Een breede lichtstraal zwaaide waaiervormig door den hoogen hemel en doofde stil weer uit. Wat was dat? Een niet-ontplofte bom? Zou het afgrijselijk bombardement nu weer beginnen, hen in hun vlucht achterhalen? Opnieuw flitste 't achter hen, breed en majestatisch, aan den verren, donkeren einder op en doorveegde, met zijn lichten stralenbundel, waaiervormig gansch den hemel. De generaal poogde haar gerust te stellen. 't Was niets, het waren de zoeklichten der vijanden. Zij speurden vermoedelijk naar vliegers in de lucht. En terwijl de vluchtelingen daar naar keken en toch niet zonder angst er over spraken, ging ook vóór hen uit, in het verschiet, een breede stralenbundel op, die dwars over den hemel veegde. Dat was het zoeklicht van het vaderlandsche leger! Zij hadden het licht van den vijand gezien en straalden tegen, als antwoord. En zoo bleven beide zoeklichten een tijd door stralen en flitsen, en hun schichten door elkander schieten als Titanen en Goden, die hoog en ruim boven 't klein-menschelijk gedoe, elkander in den hemel zochten en bevochten.
In zijn mandje, op den schoot der schoonzuster, begon Rikiki af en toe zich te bewegen. Hij krabde met zijn pootjes tegen de wanden en neuspiepte soms heel fijn, van klagend ongeduld. De schoonzuster trok het dekseltje voorzichtig open.
Een aardig warrelkopje met stralende oogjes kwam te voorschijn, dat hen allen diep verteederde. Zij streelden hem om de beurt en glimlachten en spraken hem zoete woordjes toe. En zij bekenden aan elkaar dat het hun grootste troost was in hun ongeluk dat dierbaar wezen nog bij zich te hebben. Toen sloot de schoonzuster opnieuw het mandje, heel zacht en voorzichtig-langzaam, 't aardig kopje met het deksel neerduwend. Doch blijkbaar was dit een teleurstelling voor Rikiki. Hij had nu eindelijk, voor 't eerst sinds dagen, nog eens de vrije lucht gezien en wilde die ook blijven zien; en al dadelijk begon hij weer te krabben en te neuspiepen en te janken, eerst matig nog, met tusschenpoozen, doch van lieverlede harder en aanhoudender, tot het weldra ontaardde in een snerpend noodgejammer en geblaf, dat onuitstaanbaar werd.
—Het is onmogelijk, onmogelijk, met dat ellendig dier op reis te gaan! riep de generaal, eensklaps weer verbolgen en wanhopig zijn armen in de lucht slaande.
De vrouw en de schoonzuster smeekten, trachtten het hondje te sussen, lichtten, heel eventjes, het dekseltje weer op. Rikiki bedaarde.
—Stel je voor dat we met zulk een gejank in het hôtel, op de boot, in Engeland aankomen; ze gooien ons eenvoudig buiten! bromde nog de generaal.
—Ach kom, je houdt toch immers ook dol van hem; je zou hem, evenmin als wij, willen of kunnen missen, zei de schoonzuster, vergoelijkend.
—Jawel, gaf de generaal in ietwat mildere stemming toe; jawel, ik hou van hem, maar hij moet zoet zijn.
—Hij is zoet, hij zal zoet zijn, niet waar, mijn schatje! fleemde de schoonzuster, met streelende vingers onder 't dekseltje.
In de verte, om een bocht van den weg, blonken eensklaps enkele lichtjes in de duisternis.
De voorposten van 't Belgische leger! waarschuwde de generaal. En hij tastte in een van zijn binnenzakken, om alvast hun paspoorten uit te halen.
Weldra schoof een donkere, stille schaduw dwars over den weg. Een tweede volgde, die in 't midden van den weg bleef staan en een bevel weerklonk, kort en hard:
—Halt!
De koetsier hield het rijtuigje stil. Een der gedaanten stapte met een zaklantaarntje op hem af; de tweede deed het zelfde met de inzittenden der victoria.
—Papiers! klonk het kortaf.
De generaal liet de paspoorten zien. De schildwacht, een wachtmeester der grenadiers, bekeek ze aandachtig. Het was een jonge man met knap gezicht en lange, donkere snor. Het zwart en rood van zijn uniform schitterde vaag in de duisternis. Eensklaps richtte hij zich op en stond in positie, militair-groetend, rechterhand aan de politie-muts en hakken bij elkaar.
—Passez, mon général, zei hij eerbiedig en week drie passen achteruit.
De generaal gaf hem zijn groet terug, de dames bogen, het rijtuig ratelde langzaam voorwaarts.
Rechts en links nu van den weg kwamen, in het vage schijnsel der lantarens, eigenaardige verschijningen als het ware halvelings uit den grond opgedoken. Donker-magere gezichten met oogen die strak blonken; geweren en bajonetten die even dof flitsten, zwarte gestalten, die zich eensklaps oprichtten, als uit hun graf verrijzend. Dat waren de soldaten in de loopgraven. Er moesten er velen zijn, in lange, diepe rijen tot ver en wijd in't veld, want zonder ze te zien voelde men ze langs alle kanten en een breed en dof gegons steeg op, dat alom de mysterieuze stilte van den nacht vervulde. Al spoedig, trouwens, schoven weer stille schaduwen dwars over den weg naar voren en werd er nog eens "halt" geroepen. En ook weer sloeg de wacht, na onderzoek, eerbiedig militair aan en mocht het rijtuig verder gaan. Zoo kwamen zij eindelijk langs drie overbrugde grachten, tusschen donkere wallen aan de vestingpoort. Daar werden hun papieren voor de laatste maal onderzocht en weldra reden zij door lange straten, zwak verlicht en vol soldaten, die vroolijk bij troepjes heen en weer kuierden of in en uit de stampvolle herbergjes en kroegjes kwamen.
Naarmate zij verder doordrongen werd de stad steeds levendiger. Maar 't was een vreemd gezicht, die drukte in halve duisternis. 't Was of er ergens een grootsche, plechtige begrafenis had plaats gehad, waar de bevolking van terugkwam en waarover gansch de stad nog rouwde. En toch; in dat rouwend halfduister klonk op vele plaatsen opgewekt gepraat en gelach en zang en muziek en ook hier en daar, in de herbergjes, werd er gedanst. Het waren soldaten, die dansten, met roodwangige meiden in lichte blouses en vettig glimmende of krullende haren. Zij schenen niets te voelen van al de droefheid en de rampen van 't geteisterd vaderland. De soldaten dansten en lachten met dezelfde luchtige opgewektheid, waarmede zij, in den afschuwelijken strijd, den dood te gemoet gingen en de meiden amuseerden zich zooals zij altijd deden, gelijk met wie haar beetpakte en trakteerde en betaalde.
Het rijtuig kwam voor het hotel, waar de generaal en de twee dames zouden overnachten. De hall was somber, maar de hel-verlichte restauratiezaal zat vol met officieren, die al evenmin schenen te treuren als de soldaten in de kroegen. De oude generaal fronste met nurkschen blik de wenkbrauwen. "Hoe is het mogelijk!" bromde hij.
Zij vroegen om logies. Eerst zette de gérant een hoogst bedenkelijk gezicht. Hij had zoo goed als niets meer over, beweerde hij. De generaal gaf zijn kaartje af. Dat maakte de dingen wel beter. De man boog eerbiedig en ging zien. Ja, er was nog middel: twee kamertjes; een met twee bedden voor de dames, een kabinetje voor den generaal. De generaal verklaarde zich daarmee tevreden en vroeg hoe laat den volgenden ochtend de boot naar Engeland vertrok.
—Heeft u plaatsen besproken? vroeg de gérant. De generaal zei van neen.
—O, meneer, dan is er geen kwestie van dat u mee kunt! verzekerde de man.
De generaal slaakte bijna een vloek.
—Geen sprake van, herhaalde de man met nadruk; alles dagen van te voren reeds gereserveerd. Ware ik in uw plaats, dan nam ik liever de boot naar Vlissingen. Dáár zult u nog wèl gelegenheid vinden.
De generaal was erg uit zijn humeur. Doch hij begreep dat er niets aan te doen was en liet alvast, voor den volgenden ochtend, plaatsen naar Vlissingen bespreken.
—Of ze nog iets wenschten te gebruiken? vroeg de gérant.
De generaal raadpleegde met den blik zijn dames. Neen; geen van beide had in iets zin. De gérant boog en ging hen voor naar de lift.
Even krabbelde Rikiki in zijn mandje en neuspiepte fijn terwijl zij binnenstapten. Ietwat verrast keek de gérant op, maar glimlachte en maakte geen opmerking.
De lift zoog hen naar boven.
Op de boot was 't ellendig, griezelig vol. Wat al vluchtende menschen voor het naderend, gruwelijk onheil! Wat al manden, pakken, korven, zakken met van alles volgepropt! Er waren droeve, dróéve gezichten van totale gelatenheid en wanhoop en er waren menschen die zielig jammerden en schreiden: menschen die nog wilden lijden en strijden en in 't verlies van alle hoop maar niet konden berusten. Er waren er ook luchtige en vroolijke, menschen op wie het ongeluk geen vat kreeg of die er zich boven wisten te stellen, en er waren er ten slotte ernstige, diep-ernstige, met geconcentreerde gezichten van zware, innerlijke zorg.
Zoo waren de oude generaal en de twee dames. Zij hadden een plekje boven op het dek weten te veroveren: een oud stuk bank tegen de schoorsteenpijp en van daar uit keken zij stil, met triestige oogen, naar de oude, groote stad die zich, achter het omgewoelde, viezig-schuim-opspattende rivierwater, langzaam van hen verwijderde. Zou het voor eeuwig zijn? Zouden zij nog terugkomen? Wie kon het zeggen? Alles was vaag en vol onzekerheid. De stad smolt weg, de huizen werden kleiner, de blikkerende vensterraampjes schenen hen weemoedig na te staren, als met verwijtende oogen die traanden. Was het niet jammer dat zij vluchtten? Hadden zij niet liever moeten blijven? De twinkelende, droeve huizeruitjes schenen hen terug te roepen en de hooge, slanke kerktoren der kathedraal richtte zijn spits ten hemel, als in een gebaar van berispende afkeuring. Dat alles ontroerde de dames en haar oogen werden vochtig. De generaal hield zich goed, maar zijn lippen stonden op elkaar geklemd en af en toe sidderde zijn lange, barsche, witte snor. Het was te laat nu, spijt of berouw kon niets meer baten. Maar zij wisten ook niet of het hun speet, zij wisten niets meer, al hun tegenstrijdige gevoelens waren door elkaar verward geraakt: het was opeens besloten geweest en meteen ten uitvoer gebracht; waarom?... omdat de dames gruwelden van angst onder 't bombardement, en omdat iedereen gevlucht was, en ook, 't is waar, omdat zij Rikiki, de dierbare Rikiki, de lieveling van hen allen wilden redden.
Hoe eigenaardig: in hun droefheid en ontreddering hadden zij Rikiki een oogenblik bijna geheel vergeten. Zij dachten er pas weer aan toen zij hem in zijn mandje hoorden janken en de schoonzuster lichtte verteederd het dekseltje op en zij waren allen dadelijk diep bewogen omdat zij Rikiki eventjes vergeten hadden en hem Goddank toch nog bezaten. Dat troostte hen, dat suste het gevoel van narigheid. Zij streelden om beurten het aardige diertje en zonder het aan elkaar te bekennen voelden zij allen dat Rikiki steeds weer hun troost zou zijn in de vele uren van verdriet en neerslachtigheid, die hun wellicht langdurige ballingschap zouden versomberen.
Naast hen, op de boot, zat een familie, die hun aardigheidjes met Rikiki gadesloeg en er zich mee amuseerde. Het waren twee dikke, goedig-uitziende menschen, een man en een vrouw, vergezeld van een klein jong meisje met blauwe oogen en vlasblonde haren. Vooral het meisje scheen te trillen van verlangen om ook eens 't aardig hondje aan te mogen raken en de oude generaal, die dat merkte, lachte haar vriendelijk toe en vroeg haar eindelijk of ze 't soms even op haar schoot wilde hebben.
—O, graag, meneer, antwoordde het kind blozend, met een eigenaardigen, vreemd-klinkenden tongval.
De generaal nam Rikiki uit zijn mandje en zette hem op de knieën van 't verrukte kind.
—Hoe heet het, meneer? vroeg zij dadelijk, het hondje aaiend.
—Rikiki, glimlachte de generaal.
—Rikiki! Rikiki! herhaalde zoetjes het verrukte kind, onophoudelijk het warrelkopje streelend.
De dikke man en de vrouw zagen dat spelletje gemoedelijk-glimlachend aan en als van zelf begonnen zij weldra een praatje over 't hondje met den generaal en de twee dames.
—'n Mooi diertje, 'n duur hondje, zei de man, Rikiki monsterend met kennersoogen.
De generaal en de twee dames knikten gewichtig, bekenden dat het inderdaad een heel kostbaar hondje was.
—Neemt ge 't mee naar Holland? vroeg de man.
—Naar Engeland, verbeterde de generaal.
—O, maar, dat kan niet, er mogen geen vreemde honden binnenkomen in Engeland, verzekerde de man met een heel ernstig gezicht.
De generaal en de twee dames schrikten letterlijk van hun zitplaats op.
—Wat zegt ge daar! riep de oude militair, bijna dreigend.
—Dat mag niet, meneer; geen vreemde honden in Engeland, herhaalde nog eens de dikkerd met ernstigen nadruk.
De generaal, zijn vrouw, zijn schoonzuster, alle drie omringden den onbekende, met een uitdrukking van ontsteltenis en afschuw op 't gezicht. Wat! Zij vluchtten weg, met en om Rikiki, en Rikiki zou in het toevluchtsland geweigerd worden! Hoe wist die man dat, en wie was hij eigenlijk? Wantrouwig keken zij hem aan. Was hij een landgenoot of wat was hij? Hij sprak niet de gewone taal der streek; zijn uitspraak had een vreemden klank, evenals die van het kleine meisje. Waren dat wellicht lui die Rikiki wilden stelen, omdat hij zooveel geld waard was? De schoonzuster had een instinctief gebaar om het dierbaar wezen uit de armen van het kind weer weg te nemen en de generaal, na een oogenblik geconsterneerd stilzwijgen, stramde zich in zijn nog flinke, militaire houding en antwoordde den man op gezagvoerenden toon:
—Dat ze den hond van een Duitscher of een Oostenrijker zouden weigeren, dat begrijp ik, maar van een Belg, een bondgenoot, een strijdmakker, onmogelijk, ik geloof het niet!
De goedmoedige dikkerd kon te nauwernood een stillen spotlach bedwingen.
—Die wet heeft niets te maken met den oorlogstoestand; zij bestaat al sinds vele jaren, zei hij.
Nieuwsgierigen begonnen zich om hen heen te scharen en een donkere man, die al van in 't begin 't gesprek had afgeluisterd, zei nu op zijn beurt.
—Honden mogen wel in Engeland binnenkomen, maar zij worden er bij aankomst zes weken in quarantaine gehouden.
De generaal, de vrouw, de schoonzuster keerden zich naar den donkeren man om.
—Werkelijk? Werkelijk? vroeg de generaal.
—Werkelijk, verzekerde de donkere, zwaar-ernstige man.
Nog een derde man mengde zich nu in 't gesprek: een kleine, magere, blonde, met een geruite sportpet op en rijlaarzen aan.
—Vroeger ja, nu sinds den oorlog niet meer, beweerde hij. Sinds den oorlog worden alle honden zonder onderscheid in Engeland geweigerd.
De generaal, de vrouw, de schoonzuster, steeds dieper ontsteld, keerden zich nu tot den mageren man met de sportpet en de rijlaarzen om.
—Is dat heusch zoo? vorschte de generaal.
—Heusch, meneer, verzekerde de magere man.
De donkere, ernstige man keek den blonde, magere aan en schudde 't hoofd. Hij geloofde niets van die verandering in de wetsbepalingen.
—Probeert het dan maar eens als ge mij niet gelooft! riep de magere op driftigen toon. De donkere man schudde nog eens zijn hoofd en ging weg.
Het werd, voor den generaal en de twee dames, hoe langer hoe gecompliceerder en ellendiger. Wie moesten ze nu eigentlijk gelooven: de dikkerd en de blonde magere, of de donkere, ernstige man? Klaar hoe dan ook, ellendig was 't in elk geval, aangezien de arme Rikiki, op zijn best genomen, althans gedurende zes weken zou in quarantaine gehouden worden. Zes weken quarantaine! Dat kon de arme Rikiki immers niet uithouden! Lang vóór dat termijn was afgeloopen zou hij dood zijn! De beide dames konden haar emotie niet bedwingen en begonnen te schreien. De generaal liep even, als een vertoornde dondergod heen en weer over 't dek en bleef dan starend, met gespannen trekken, kijken op het omgewoeld rivierwater, alsof hij zelfmoordplannen brouwde. De goedmoedige familie had blijkbaar medelijden met de zwaarbeproefde eigenaars van Rikiki, en 't aardig kleine meisje streelde en aaide voortdurend het hondje op haar knieën, als om het zacht-moederlijk in zijn vreeselijk lot te beschermen en te troosten.
—En moet je dáárvoor bondgenoot van Engeland zijn! barstte de generaal plotseling uit, met sidderende snor en in verontwaardiging gekruiste armen vóór zijn steeds rampzalig-schreiende dames staande.
De gruwelijke oorlog, de afgrijselijke verwoestingen, de ruïne van het land, de vernieling van hun stad en van hun huis, al het lijden, al het onrecht, al de wraakroepende wreedheden, alles wazigde weg en verbleekte tegenover de geraffineerde marteling, die zij om Rikiki doorstonden. O! hadden ze dát geweten, wat waren ze gaarne gebleven, al moest het dierbaar huis ook op hen neerstorten! En de generaal herhaalde nog eens vinnig zijn bitterste verwijten, dat de twee vrouwen hem tot de vlucht gedwongen hadden, dat hij zonder haar gezanik zou gebleven zijn, en dat zij laf waren en niet alleen getracht hadden Rikiki, maar eerst en vooral zichzelven te redden.
De beide vrouwen schreiden, schreiden; hoe scherper de generaal uitvaarde, hoe akeliger en wanhopiger zij schreiden, zóó dat de andere vluchtelingen zich vol meewarigheid steeds talrijker om haar heen troepten en niet twijfelden of die rampzalige familie had in den wreeden oorlog alles verloren wat een mensch ook maar verliezen kon. Het werd aanstekelijk; sommige menschen verwijderden zich, met hun zakdoek aan hun oogen wrijvend en ook het kleine meisje, dat Rikiki steeds op haar knieën hield, barstte plotseling in snikken uit, alsof zij door een onbekende ramp werd overweldigd.
Toen stond de goedige dikkerd op en kwam naar zijn ellendige reisgenooten toe.
—Ach, dames, en meneer, sprak hij troostend, dat is allemaal zoo erg niet en wij kunnen u misschien wel helpen. Wij gaan niet verder dan Holland, wij blijven daar bij familieleden het einde van den oorlog afwachten. Laat het hondje bij ons, wij zullen er goed voor zorgen. Gij ziet het; Elsatje is er dol op, het beestje zal niets tekort hebben. Wij zullen u ons adres laten en als gij weer komt u het hondje teruggeven. Zou dit geen geschikte oplossing zijn?
De dames staakten haar schreien en keken in verbouwereerdheid naar den goedigen dikkerd op. Hij zag er werkelijk als goed en eerlijk mensch uit: een hemel van hoop straalde eensklaps voor haar open. Ook de generaal was geschokt, als van een pak op zijn hart verlost, innig-bewegen. Hij keek het aardig meisje aan en zijn witte snorren beefden en zijn oogen werden vochtig. Zijn hoofd knikte, onwillekeurig, alsof hij reeds toestemde. Hij stak zijn hand uit naar den man en drukte die met warmte. Hij drukte ook de hand der dikke vrouw en 't kleine meisje tilde hij in zijn armen op en zoende het en vroeg haar of zij werkelijk goed op Rikiki zou passen. Het waren eensklaps vrienden, of zij elkander reeds jaren kenden. Kaartjes werden gewisseld, adressen er op gekrabbeld, beloften gedaan en herdaan, als gold het betuigingen van eeuwigdurende gehechtheid en trouw. Toen de boot eindelijk in de Hollandsche haven landde, hielden zij zich als één familie bijeen om in de akelige drukte elkaar niet te verliezen en het klein Elsatje droeg met moederlijke teederheid en met stralende oogjes van geluk het mandje van Rikiki, die haar reeds kende, zeide zij, en die zij voortdurend streelende woordjes tusschen de reetjes der teenen toefluisterde en af en toe, wanneer de anderen het niet zagen, dwars door het zorgvuldig gesloten dekseltje, zoentjes toezond...
Zij hadden anderhalf uur tijd te verliezen vóór de groote mailboot, die hen naar Engeland zou vervoeren, afreisde en de generaal wilde die gelegenheid te baat nemen om zijn nieuwe vrienden, uit dankbaarheid, in de restauratie-zaal van het vlakbij gelegen spoorwegstation, op een maaltijd te trakteeren.
De dikkerd en zijn vrouw namen dat gretig aan. Zij vonden met moeite plaats in de geweldige drukte van in-en uitkomende reizigers aan een tamelijk bemorst tafeltje, waarop de kellner een schoon servet uitspreidde en de generaal zette zijn bril op en raadpleegde met gespannen aandacht de etenslijst. Bizonder veel variatie was er niet en zij vestigden maar na onderlinge goedkeuring, hun keus op gebakken tong met sla en beafsteak met aardappelen. Terwijl dat werd klaar gemaakt herhaalden de generaal en de dames nog eens met nadruk hun nauwkeurige instructies nopens het voedingsregiem van Rikiki. 's Ochtends een schaaltje met brood geweekt in zoete melk. Daar was hij dol op. Om twaalf uur een gemengd schoteltje van aardappels en stukjes vleesch, overgoten met een beetje jus. Daar was hij zóó aan gewend dat hij geregeld om de tafel heen kwam dansen om zijn bordje te krijgen. 's Avonds, eindelijk, nog eens een schaaltje geweekt brood in melk, en last not least, een been, een bot met nog een ietsje vleesch er aan, waaraan hij dan kon zitten kluiven dat 't een lust was. Daar was hij zóó op gesteld dat hij als een bezetene kon blaffen als het hem niet bijtijds gegeven werd en meestal nam hij het mee in zijn mandje en lag er daar aan te trekken en te knagen tot hij er bij in slaap viel. Zouden ze dat alles wel goed onthouden? Wilde generaal het soms op een stukje papier schrijven, opdat ze 't niet zouden vergeten? De gezondheid van het dierbaar hondje hing er beslist van af.
—Neen, neen, niet noodig, verzekerden de goedmoedige dikkerd en zijn vrouw, en ook het kleine meisje zei dat het niet noodig was en dat zij er voor zorgen zou, dat alles net precies gebeuren zou zooals meneer en de dames het wenschten. Zij had naar de instructies geluisterd met intelligente oogjes, die schitterden van aandachtige gretigheid en goed-begrijpen, en de oude generaal was zóó verteederd dat hij even van tafel opstond en voor het kind aan het buffet een mooie doos met bonbons ging koopen. De moeder sloeg van emotie haar handen in elkaar en Elsa moest meneer den generaal zoenen, met haar twee armpjes om zijn hals op beide wangen.
De kellner kwam met het eten op. Hij kwakte schotel en borden vrij ruw op het tafeltje neer. De generaal boog voorover en fronste zijn wenkbrauwen. Tong! Was dat gebakken tong, zoo hard, zoo zwart! De dieren lagen opgekrompen in een donker, vettig nat te zwemmen, alsof zij zich in laatste stuiptrekkingen tegen het barbaarsch proces gerevolteerd hadden. De generaal meende excuses te moeten maken, hoopte maar dat zijn gasten, gezien de buitengewone omstandigheden, het wel voor lief zouden willen nemen. Dat zouden zij zeker. De dikkerd stopte alvast zijn servet in zijn halsboord en bekeek de zwarte verkrimpelingen met oogen die blonken, terwijl de vrouw van haar kant ernstig hoofdknikte, dat het toch wel heel goed zou zijn. De generaal bestelde een flesch rooden wijn en bediende de dames.
—Smaakt het, liefje? glimlachte hij naar het meisje, toen zij een paar hapjes genomen had.
—O, fijn, meneer, antwoordde zij stralend. En zij vroeg of Rikiki ook eventjes mocht proeven.
—Ja, maar zeer voorzichtig met de graatjes, niet waar?
Rikiki die reeds ongeduldig aan 't janken en 't rommelen was in zijn korfje, werd even te voorschijn gehaald.
De anderen aten. De generaal en zijn dames schenen het gerecht nauwelijks te kunnen verorberen, maar de dikkerd en zijn vrouw dachten er klaarblijkelijk gansch anders over. De vrouw at vlug en stil en veel, zonder spreken noch opkijken en de dikkerd verslond zijn zwartgebakken verkrimpeling als een vraat. 't Was of het beest geen graten had. Met heele stukken tegelijk ging hij te keer en daar tusschen door slikte hij breede lappen sla op, als een os. Het leek wel of hij tevens roofdier en herkauwer was en toen de visch met kop en staart was opgekraakt, schepte hij met het platte van zijn mes het vet op dat nog op zijn bord bleef en werkte 't ook maar naar binnen, zoo vlug en griezelig, dat de generaal en de twee dames sidderden, of hij elk oogenblik zijn tong dwars-door zou snijden. Doch hij scheen dat werkje goed te kennen, hij lachte zijn gasten vriendelijk aan en toen hij klaar was hief hij zijn vol glas wijn in de hoogte en ledigde het met een gulhartig "prosit" in één teug, op hun goede gezondheid.
Rikiki was in zijn open mandje op het tafeltje gezet en hij dineerde mee. Hij zat daar uitgerekt met mager halsje en zijn wakkere oogjes volgden blinkend ieder brokje dat naar binnen ging. Soms rilde hij zenuwachtig en neuspiepte, dat men hem asjeblieft toch niet vergeten zou; en alles wat hij kreeg schrokte hij gulzig op, ineens, zonder kauwen, alsof hij vliegen hapte. Dat amuseerde en verteederde de twee families en zij konden niet laten hem voortdurend te streelen en te aaien, wat Rikiki trouwens scheen te vervelen en te sarren, want telkens trok hij 't kopje weg, alleen en uitsluitend geboeid als hij was door wat er op schotels en borden gebeurde. Af en toe echter kreeg hij plotseling een wilde krabbui, hij krabde zich met razend-vlugge bewegingen, die het tafeltje deden schudden en zijn fijn halsbelletje deden rinkinkelen, en de dames zeiden dan met ernstige bezorgdheid, dat Rikiki onder de narigheid van het bombardement wel wat verwaarloosd was geweest en dat het wenschelijk zou zijn als hij eens heel zorgvuldig gebet en gekamd en geborsteld werd.
De tijd schoot op, het uur van afscheid naderde en de generaal en zijn dames werden ietwat weemoedig gestemd. Zij hadden heelemaal geen eetlust en lieten de beafsteak, die overigens hard en taai en blauw als caoutchouc was, onaangeroerd op hun bord liggen. De dikkerd en zijn vrouw begrepen daar niets van. Zij overwonnen heldhaftig met kauwen 't weerspannige vleesch en verklaarden dat het heel lekker was. Alleen Elsatje vond het wat taai en snoepte maar liever uit haar bonbondoos.
—Zal je ons dus gauw over het hondje schrijven? vroeg de generaal, haar zacht blond hoofdje aaiend.
Elsatje, den mond vol met zoetjes, beloofde 't plechtig.
—En als de oorlog voorbij is, vervolgde de generaal, dan kom je bij ons logeeren en samen gaan we met Rikiki lange, lange wandelingen maken. Ja?
—O, ja, ja! jubelde 't kleine meisje.
—Gelooft u, meneer, dat de oorlog nog lang duren zal? vroeg de schoonzuster, met een gezicht van angst en hoop tot den steeds dooretenden dikkerd.
—Vielleicht... wellicht, verbeterde hij haastig; wellicht nog enkele maanden.
De beide dames sloegen wanhopig de armen in de hoogte; de generaal foeterde:
—Konden we ze maar uit ons land krijgen, die ellendelingen!
—Ja... ja... ja... beaamde de dikkerd met nadruk: de Duitschers en ook de Franschen, en ook de Engelschen, allemaal weg, allemaal weg! dat we weer de baas zijn in ons eigen huis.
Ietwat bevreemd, vaag wantrouwig, keek de generaal den dikkerd aan.
De man lachte en stak weer zijn vol glas in de hoogte.
—Dan mogen we weer eens plezier maken en een flink glas op elkaar 's gezondheid drinken, lachte hij goedig. En hij boog naar de dames, En knikte, en dronk.
De koffie en een likeurtje waren gebruikt, de dikkerd dampte genoeglijk aan een stevige sigaar, Rikiki was, niet zonder eenig piepprotest, voorloopig weer in zijn mandje geduwd en de generaal had zijn schuld gevraagd en afgerekend. In het lawaai en de drukte der tallooze reizigers, stonden zij van tafel op en verlieten de woelige restauratiezaal.
De groote boot lag daar vlak bij, tegen de kade, zwart van romp en wit van bovenbouw, met zijn elegant-hangende reddingsschuitjes en zijn twee forsche, gele, zwartgerande, achteroverhellende schoorsteenen, die reeds zwarten rook uitkolkten. Er was veel drukte om en bij, gansche ladingen van allerlei werden onder stoomgesis en kettinggeratel door geweldige kranen opgetild en in het wijd-gapend ruim neergelaten, en veel passagiers waren reeds aan boord, in bonte groepen over de verschansing geleund, lachend en pratend, groeten en grappen wisselend met de aan wal staanden.
De generaal was zenuwachtig en de dames waren ontroerd. Hij telde nog eens nauwkeurig de stukken bagage, die de dikkerd en zijn vrouw hem bereidwillig hielpen dragen en voelde met bevende vingers in zijn binnenzak naar de paspoorten.
—Alles is in orde, wij kunnen op de boot gaan, zei hij tot zijn dames. Er. tot de beide dikkerds en het klein meisje:
—En gaat u maar zoolang mee; er is tijd genoeg en er wordt immers driemaal gefloten, vóór de brug wordt neergehaald.
Nauwelijks had hij 't gezeid of daar brulde de stoomfluit voor de eerste maal, lang, zwaar en plechtig, met een schor en rauw geloei dat de lucht deed trillen en als 't ware door je gansche lichaam tot in 't diepste van je ingewand doordreunde.
Langs de steile brug bestegen zij het stoombootdek. De dames konden haar emotie niet bedwingen en schreiden. De generaal hield zich goed, maar af en toe sidderde zijn lange, witte snor.
—Laten we hier maar blijven, we houden hier goed de brug in 't oog en kunnen ook nog even zitten, zei hij, een bank aanwijzend.
Zij namen plaats. De dames droogden haar tranen af en voor het allerlaatste afscheid werd nog eens het mandje van Rikiki geopend.
O! wat 'n emotie, wat 'n verteedering! 't Hielp niets dat de dames pas haar tranen hadden afgedroogd, zij vouwden als 't ware smeekend de handen in elkaar en opnieuw vloeiden de tranen overvloedig uit haar diep-bedroefde oogen. Nu pas beseften zij eerst duidelijk wat het beteekende Rikiki daar zoo alleen in den vreemde te moeten achterlaten. Daar, op dat groote, bruisend schip, dat straks met hen zou wegvaren, zagen zij hem nog, voelden zij hem nog, hadden zij hem nog; maar over enkele oogenblikken was 't de scheiding, de scheuring van elkaar. Rikiki bleef als een wees bij vreemden achter en tusschen hen en hun geliefde, hun kind, hun leven, lag de eindelooze, woeste deining van de overweldigende zee. Nooit meer zouden zij hun lieveling terug zien, dat voelden zij nu plotseling op 't uur van scheiden en 't was afschuwelijk, een niet te overkomen leed, erger, duizendmaal erger dan alles wat ze reeds geleden hadden en wellicht nog, als uit hun land verjaagden, zouden moeten lijden.
Voor de tweede maal brulde de stoomfluit, rauw en langgerekt, met doffe dreuningen, die tot in 't diepste van hun lichaam doortrilden. Zou het niet beter zijn dat ze niet langer wachtten, dat ze nu maar dadelijk afscheid namen? Ach ja, 't was beter. Zij zeiden 't met bewogen stemmen tot den dikkerd en zijn vrouw, die dadelijk opstonden en ook meenden dat het beter was.
Zij schaarden zich om Rikiki en beurtelings tilden zij hem uit zijn mandje op en zoenden hem. Rikiki scheen daar niets van te begrijpen. Hij werd er zenuwachtig onder en toen de generaal hem op zijn beurt optilde, piepte hij even.
—Ga nu maar, ga nu maar, zei de generaal op gejaagden toon tot de twee dikkerds. Hij drukte hen de hand en zoo deden ook de dames en hij zoende nog een laatste maal Elsatje, op beide wangen. Rikiki werd in zijn mandje geduwd en 't deksel viel er op neer, als op een doodkist.
Zij spoedden zich over de brug naar beneden...
De generaal en de twee dames hingen naast de andere passagiers over de verschansing en staarden in de menigte op de kade. Daar zagen zij de dikkerds staan naast Elsatje, die weer het mandje had geopend om hun tot het laatste oogenblik nog Rikiki te laten zien. Zij zagen het aardige diertje midden in die drukke foule, zij zagen niets dan hem en riepen nog zijn naam en zonden hem kushandjes toe. Zij wenschten dat de boot nu maar zoo spoedig mogelijk vertrekken zou om van die laatste foltering verlost te zijn. Maar 't duurde en duurde, de stoomfluit scheen maar niet voor 't laatst te willen brullen en maar steeds kwamen passagiers haastig met pakken en valiezen, de brug op geloopen, en nog aldoor werden door de sissende en ratelende stoomkranen volle vrachten van allerlei ingeladen. 't Was of er nooit een eind aan zou komen.
Toen hoorde de generaal eensklaps een stem achter zich, die hem scheen aan te spreken. Hij keerde zich om en stond voor een vrij jong, mager mannetje, met kaplaarzen aan en een geruite pet op, als een piqueur of paardesportsman. Dat uiterlijk kwam hem niet vreemd voor, maar de generaal herinnerde zich toch niet dadelijk waar hij dat type wel gezien had.
—Pardon, meneer, wat zei u? vroeg hij aarzelend.
—Ik zei dat u hun het hondje dan toch maar gegeven hebt, antwoordde de man met een eigenaardigen, raadselachtigen glimlach.
—Ja, er was al niet veel anders op te vinden, antwoordde de generaal gedrukt; en meteen herkende hij het mannetje: dezelfde die hem 's ochtends op de andere boot verzekerd had, dat geen honden meer in Engeland werden toegelaten.
Het mannetje merkte dat de generaal hem eindelijk herkend had en glimlachte opnieuw, nu gul en vriendelijk. De beide dames hadden zich omgekeerd en herkenden hem ook. Hij boog en groette, even zijn geruite pet afnemend.
—Kent u die lui? Weet u wat dat zijn? vroeg hij, thans weer met zijn geheimzinnigen, raadselachtigen glimlach.
—Neen, hoegenaamd niet, maar 't lijken wel aardige menschen, antwoordde de generaal vagelijk verontrust.
—U weet toch dat het Duitschers zijn?
—Wat! gilde de generaal, letterlijk opspringend, terwijl de dames, een angstgil smorend, met uitgezette oogen de hand tegen haar mond drukten.
—Heeft u dat niet gemerkt aan hun taal? zei 't mannetje spotachtig.
—'t Is toch waar ook! riep de generaal, de rechterhand tegen zijn voorhoofd slaande, als in een plotse openbaring.
De beide dames waren zóó ontsteld, dat ze geen woord meer konden uitbrengen.
—Ja, zeker, Duitschers, en, wat meer is, comme ça, zei 't mannetje lachend, terwijl hij zijn beide wijsvingers om beurten in zijn eigen oogen en zijn ooren scheen te prikken.
—Hoe bedoelt u, meneer? vroeg de generaal heelemaal van streek en niet begrijpend.
—Spionnen! fluisterde 't mannetje hem toe.
—O! schokte de generaal overeind, alsof hij een klap kreeg.
—Heusch, meneer, ik ken ze wel, ik ken ze maar te goed, verzekerde 't mannetje.
—Duitschers! Spionnen! Maar ze zullen Rikiki uithongeren, folteren, vermoorden! gilde hardop de schoonzuster, alsof ze plotseling krankzinnig werd.
Er was een oogenblik absolute, doodsche roerloosheid en stilte. In stomme verslagenheid keken zij alle drie naar 't sportmannetje, dat steeds kalm en welbewust bleef glimlachen en dan, zich zenuwachtig-gejaagd omkeerend, naar de twee dikkerds en het meisje op de kade, die daar nog steeds met Rikiki in zijn mandje waren blijven staan. Zij waren totaal radeloos en wanhopig, de beide dames barstten in snikken uit, de generaal stond te trillen en te beven en ook op de gezichten van het drietal aan wal kwam van lieverlede een uitdrukking van grenzenlooze verbazing en bijna van schrik.
Op dat oogenblik loeide voor de derde en laatste maal het vreeselijk gebrul der stoomfluit. Het snerpte en huilde als een nood-en-doodskreet; het schudde folterend de tot barstens toe gespannen zenuwen en roffelde en dreunde als met een geweld van aardbeving door 't gansche lichaam. En eensklaps sprong de generaal, als een waanzinnige los, greep, op goed geluk af, een paar valiezen, riep, achter zich om, tot de dames: kom mee... baande zich met geweld een weg door de in elkaar geperste menigte der passagiers en holde de brug af, waar reeds vier matrozen klaar stonden, om ze beneên te halen.
—O, maar, meneer, meneer, meneer! gilden de dikkerd en zijn vrouw, angstig in de foule achteruitwijkend.
In verwildering keek de generaal om, zag de ontstelde gezichten zijner dames, die hem ijlings gevolgd waren.
—Moet ge nog mee, meneer? riepen de matrozen bij de brug, klaar om neer te halen.
De generaal hoofdschudde hartstochtelijk van neen. Een schril gefluit weerklonk en de brug gleed aan wal. De schroeven van de boot begonnen 't water op te malen.
—O man, man, wat heb je toch gedaan! schreide verwijtend de generaalsvrouw. De schoonzuster schreide zonder nog iets te durven zeggen.
Driftig haalde de generaal zijn schouders op, nam voorloopig geen notitie meer van de twee huilende vrouwen. Zenuwachtig-gesticuleerend stond hij vóór de twee dikkerds en vóór Elsatje met Rikiki.
—Wij konden 't in ons hart niet gevonden krijgen om hem te verlaten, zei hij, iets kalmer en reeds vagelijk zich schamend.
De dikkerd en zijn vrouw glimlachten zwakjes, en knikten zwijgend goedkeurend, nog gansch verbouwereerd door de gebeurtenis; maar Elsatje barstte plotseling in hevige tranen uit.
Dat vermurwde heelemaal het hart van den ouden militair.
—Schrei niet, suste hij, het blonde hoofdje streelend. Wij blijven voorloopig hier en je kunt elken dag met Rikiki komen spelen.
Maar het kind bleef snikken en hikte stotterend
—Ik hield zooveel van hem; ik zou er zoo goed voor gezorgd hebben.
De generaal was radeloos. Hij keerde zich om tot zijn vrouw en zijn schoonzuster en verweet haar vol toorn:
—Zie je nu wel! Heb ik je niet voorspeld dat we met dat ellendig dier niet konden reizen!
Zij gaven geen antwoord. Zij bukten gedwee en ongelukkig 't schreiend hoofd. Daar stonden zij nu, alleen als vluchtelingen in den vreemde, met hun bagage en hun hond, terwijl het mooie, groote schip, dat hen naar 't land van gastvrijheid en weelde zou brengen, zonder hen de haven uitvoer. Gedrukt namen zij vluchtig afscheid van den dikkerd en zijn vrouw en de schoonzuster ontving Rikiki in zijn mandje uit de handen van het nog steeds ontroostbaar snikkend klein meisje.
—Kom, kom, laten we nu maar gauw weggaan, ik schaam me, ik schaam me, bromde de generaal, alsof zijn vrouw en schoonzuster alleen de schuld van alles waren. Zij wenkten een kruier en verdwenen in de aftrekkende menigte.
—Naar 't hotel, beval de generaal.
—Welk hotel, meneer? vroeg de kruier.
—Kan me niet schelen; 't eerste 't beste.
Zij volgden den witkiel en spraken geen woord meer.
Eindelijk waagde zijn vrouw:
—Zouden we niet een telegram naar Engeland moeten zenden, dat we voorloopig hier blijven? Ze zullen anders ongerust zijn als ze ons niet van de boot zien komen.
Nurksch bromde hij iets onverstaanbaars als antwoord en daar ze juist langs het telegraafkantoor kwamen, deed hij den kruier even ophouden. Hij trok een formulier uit 't bakje en krabbelde met gefronste wenkbrauwen het telegram aan zijn broer.
Blijven voorloopig hier. Brief volgt. Generaal.
Hij schoof het door 't loket, betaalde, kwam weer bij den witkiel en de dames.
—Vooruit! beval hij kortaf, alsof hij op manoeuvre was.
De kruier, bukkend onder zijn vracht, wees zwijgend den weg.
In het verschiet, zwart van romp en wit van bovenbouw, met zijn elegant-hangende reddingsschuitjes en zijn rookpluimende gele schoorsteenen, stoomde het groote schip, de masten vlaggend, als in feestgetooi, naar de volle zee toe.
De schoonzuster deed haar uiterste best om Rikiki, die alweer in zijn gesloten mandje neuspiepend begon te rommelen, met stille, zoete woordjes te sussen.
—Die spionnen! bromde nog even binnensmonds de generaal, terwijl zijn vuisten dreigend ineenkrompen, die vervloekte spionnen..
De dames zwegen en hielden haar adem op, als gestold van schrik voor wat nog komen zou. Maar er kwam niets meer.
IV.
DE VARKENSKAR.
Duizenden en duizenden waren reeds door het stille dorp voorbijgetrokken...
Met zwaar-dreunenden tred, log-gekadanseerd, echoënd tusschen de gesloten huizen, van verre als een aanbruisende, grijze zeegolf...
Een logge, grijze zeegolf, waarover de punten der helmen als een krioeling van vluchtende ratten heen en weer wriemelden...
Al de menschen uit het dorp waren gevlucht... Gevlucht, terwijl de Belgen en de Engelschen nog even standhielden en de barstende granaten in de straat begonnen neer te slaan.
Zij waren gevlucht in de bosschen, ginds verre. Van daaruit, veilig verscholen, hadden zij 't loeiend aanrazen gehoord en van verre hun dorp zien branden...
Nu was de storm voorbij en keerden zij terug.
't Viel mee. Zij hadden gedacht niets meer te vinden dan rookende puinhoopen en daar zagen zij hun dorpje, met zijn huizen, althans uiterlijk, haast ongedeerd. Een zwart-gapend gat hier en daar, veel door elkaar geschudde pannen op de daken, gruis en glasscherven overal, een half-gespleten deur, die uit haar hengsels hing, doch nergens totale vernieling. Wel was de kanaalbrug opgeblazen en de kerktoren half ingestort, maar dat ging de gemeente aan, dat voelden zij niet rechtstreeks als een groot verlies.
Een innerlijke vreugd, een echte, bijna kinderlijke vreugd straalde uit op de gezichten. Niemand, in zooverre men kon nagaan, was gesneuveld, of zelfs maar gewond; niemand werd vermist en de vijand was reeds ver weg: het leek wel of de gruwelijke oorlog, met al zijn narigheden en ellende, voor de bewoners van het rustig dorpje niets meer was dan een akelige herinnering, iets als de dreiging van een overweldigend onweer, dat toch eigenlijk meer schrik, dan schade heeft veroorzaakt. Zij hadden wel iets verloren, edoch, door wat ze kwijt waren geraakt waardeerden zij eerst recht wat hun nog overbleef; en dat vertelden zij elkander onder druk gebabbel en hier en daar zelfs met vroolijke kwinkslagen, terwijl zij in de gouden schemering langsheen de huizen liepen of in opgewonden groepjes vóór de drempels stonden.
Toen kwam ginds verre, heel aan het uiteinde der straat, nog iets eigenaardigs aan:
Een jongetje, dat met een vlaggetje zwaaide, en, achter het jongetje, een hooge kar, getrokken door een paard, en waaruit wild gezang scheen op te stijgen.
Terstond werden de menschen in het dorpje weer schuw en stil. Elkeen haastte zich naar huis terug en bleef daar angstig-roerloos van op zijn drempel kijken.
Ja, ja, dat waren er nog: een bende achterblijvers of vermoeiden, in een vrachtkar op elkaar gedrongen. Men herkende reeds duidelijk de grijze uniformen en de grijsomkapte punthelmen. Kwaadaardig schenen zij echter niet, want hun gezang klonk vroolijk en met hun armen zwaaiden zij geestdriftig heen en weer, zooals het knaapje, dat voorafging, onophoudend zwaaide met zijn vlaggetje.
Maar dat knaapje... o, eensklaps herkenden ze 't!—'t Was Pierken, het jongste zoontje van den varkensslager, ginds, een eind buiten het dorp; en 't oud, gebogen ventje, dat naast het sukkelig paardje liep, was Pierken's eigen vader; en 't klein, bruin hondje met zijn krulstaartje, dat nu en dan eens tegen Pierken opsprong, het was hun hondje; en de groote kar, waarin al die zingende kerels waggelend overeind stonden, het was hun kar, waarmee zij driemaal in de week de geslachte varkens naar de stad vervoerden...
Het voertuig naderde. Toen het tusschen de eerste huizen over het puin en de krakende glasscherven reed, hieven de kerels een dreunend gejuich aan en zongen zij oorverdoovend iets van 't "Vaderland", dat mocht "ruhig" zijn, terwijl ze wild zwaaiden met wijnflesschen en glazen, die ze, als trofeeën, in de hoogte staken. Sommigen schonken de glazen rood vol en reikten die lachend in de richting van de menschen langs de huizen toe. Dan dronken zij zelven, met gulzig-smakkende lippen. Anderen wenkten naar de meisjes en zonden dikke klapzoenen.
Stil en strak en bleek en bang, bleven de menschen roerloos staan. Zij keken wel even naar de lawaaiende en drinkende kerels in de varkenskar, maar eigenlijk hadden zij slechts oogen voor Pierken en zijn hondje en zijn vader. Zij begrepen niet waarom het knaapje maar aldoor en aldoor met zijn vlaggetje—een zwart en wit en rood gestreepte—zwaaide; en zij begrepen ook niet waarom en waarheen Pierke's vader al die kerels in zijn kar vervoerde. Eindelijk was er een, die 't waagde dit aan het knaapje te vragen.
—Z' hên 't mij g'heeten; 'k moete," antwoordde Pierken neerslachtig.
Toen vroegen ze ook aan Pierke's vader waar hij heen moest.
—'K 'n weet het niet; z' hên mijn peird en mijn kerre gepakt," zei 't mannetje met schuwe oogen.
Benauwd en zwijgend staarden de menschen het aftrekkend gespan achterna. Aldoor wapperde 't vlaggetje, naar rechts, naar links, in 't schelle flitsen van zijn harde driekleur; aldoor stapte Pierke's vader gebogen naast het sukkelend paardje; en aldoor galmde en loeide, in 't hossebossen van de wielen, het dreunend brulgezang van het "Vaterland", dat mocht "ruhig" zijn. Kwispelstaartend liep het klein, bruin hondje mee, af en toe eens tegen Pierke's knieën opspringend.
Niemand sprak een woord meer. Gedrukt gingen de menschen in de roode avondschemering naar binnen. Al hun zoo scherp gevoelde bevrijdingsvreugd was eensklaps over, enkel door 't zicht van die twee welbekenden—het kleine Pierken en zijn vader—die zoo maar door de vreemde kerels waren opgecommandeerd en meegenomen, zonder er iets van af te weten wat of waar hun naaste toekomst wezen zou.
V.
IN DE VUURLINIE.
Eén uur. Kobeken en zijn vrouw hebben gedaan met eten, en gaan, evenals elken dag, bij mooi weer, buiten, naast hun deur, op een stoel, wat zitten "noenstonden".
Het is een prachtige Septemberdag, zacht, stil, sereen, een atmosfeer vol rust en vrede. Kobeke en zijn vrouw, gezellig tegen hun wit geveltje achterovergeleund, met rechts en links van zich de mooie, rijke najaarsbloemen, die geurend tegen het muurtje opranken, genieten van die zoete heerlijkheid, terwijl daarbinnen, in het achterhuis, Seelevie, hun dochter, plicht-getrouw en ijverig, reeds aan 't karnen is. Men hoort de houten karnstang in gelijkmatige kadans dof heen en weer slaan, terwijl de melk klotst en zuigt, als waterkolken, die door spuigaten wegborrelen. Kobeken is 'n klein, schraal ventje, met half-dichtgeknepen loeroogjes; zijn vrouw is groot en vet en dik en hijgt amechtig, zelfs wanneer ze, zooals nu, niets anders doet dan zich vadsig in de zon koesteren.