← Table of contents
Omzwervingen door de eilandenwereld van den Grooten Oceaan

II

Reading edition

De inboorlingen van de Fidji-eilanden behooren tot het ras der Papoeas. Zij hebben in den regel grove, sterk geteekende gelaatstrekken, dikwijls een welgevormden neus, maar dikke lippen en een stuggen korten baard. Hun haardos is een van de eigenaardige kenmerken van hun ras: het hoofd van een inlander, van achteren gezien, heeft met niets zoo veel overeenkomst als met een raagbol. Terwijl de vrouwen het haar kort afknippen, laten de mannen het hunne vrij groeien; deze manen, want zoo mag men dien haardos wel noemen, worden somwijlen door kalk gedeeltelijk rood gekleurd, hetgeen een teeken is van bijzondere distinctie. Zij dragen overigens veel zorg voor hun haar: koning Thakombau heeft niet minder dan twaalf kappers in zijn dienst.

De indruk van de physionomie van den Fidji-eilander is over het algemeen niet gunstig; maar dit nadeel wordt opgewogen door zijne slanke rijzige gestalte, de volkomen evenredigheid zijner vormen, de bevalligheid en majesteit van geheel zijn voorkomen. Uit het oogpunt van schoonheid, moet zijne vrouw ver voor hem onderdoen.

Het Suikerbrood.

Het Suikerbrood.
Het Suikerbrood.

In den regel zijn de vrouwen leelijk, en bovendien zien zij er reeds op jeugdigen leeftijd vervallen en verflenst uit. Dit is ten deele een gevolg van de vroege huwelijken; maar de vrouw troost zich over haar ontijdig verval door het bezit harer kinderen. Die kinderen zien er inderdaad allerliefst uit: hun zwarte oogen schitteren van levenslust en guitigen overmoed. Zij worden in den regel door hunne ouders, die hun in alles toegeven, zeer bedorven. Over het algemeen wordt, in geheel Oceanië, het kind door zijne familie op zeer bijzondere wijze geëerd; in zeer ernstige omstandigheden geeft vaak zijne meening, die als eene ingeving des hemels wordt beschouwd, den doorslag. Als de vergaderde opperhoofden soms aarzelen over de te nemen beslissing, kan een enkel woord, door een kind uitgesproken, vaak de schaal doen overslaan. Naar het algemeen volksgeloof bezitten de kinderen de gaaf van het tweede gezicht en is het hun vergund toekomstige gebeurtenissen te aanschouwen.

Op de Fidji-eilanden is het huwelijk eene zaak van meer beteekenis dan op de meeste eilanden van centraal Oceanië, waar de vrouw bijna als gemeenschappelijk bezit van de mannen wordt beschouwd. Ondanks de immigratie heeft zich dan ook het oorspronkelijke ras vrij zuiver bewaard. Dit kan niet gezegd worden van de naburige archipels, waar de gastvrijheid jegens vreemden, bepaaldelijk ten aanzien van de vrouwen, welhaast geene grenzen kent.

Het tatoeëeren, waarvan nog op Nieuw-Zeeland en op de Markiezen-eilanden zooveel werk wordt gemaakt, is ook in den Fidji-archipel in zwang; maar de figuren komen op de zwarte huid van den Papoea minder goed uit dan bij den koperkleurigen Maori. Om hieraan te gemoet te komen, branden de Fidji-eilanders de figuren in de huid, waardoor afschuwelijke blaren en puisten ontstaan, die vooral bij vrouwen afzichtelijk zijn. De krijgslieden hebben daarbij de gewoonte, zich Bladzijde 214het voorhoofd en de wangen met roet te besmeeren, om er toch maar schrikwekkend uit te zien. Zelfs te Levuka vertoonen zij zich nooit buiten hunne woning, dan gewapend met den onmisbaren knods van ijzerhout.

Levuka.
Levuka.

Levuka.

De kleeding is voor beide geslachten zoo eenvoudig mogelijk: zij bestaat uit een van boomschors geweven schort of rok, de zoogenaamde tapa. De hoofden en de jongelieden tooien zich bovendien met een meer of minder breeden gordel van gedroogd zeegras en met een witten tulband met lange franje omzoomd.

Het vervaardigen van de tapa eischt niet veel kunst of inspanning. Op een bepaalden tijd des jaars maken de inlanders van zekere struiken en heesters, met name van de ailti, het zoogenoemde spint, dat is het zachte en witachtige hout onder de schors, los, en snijden dat in smalle reepen. Deze reepen worden op een zorgvuldig gelijk gemaakt terrein op elkander gelegd; de vrouwen kloppen nu met een soort van houten hamer zoo lang op deze reepen, tot zij eene massa vormen, eene soort van weeke stof, die door het kleverige sap verbonden is. Wie dit handwerk goed verstaat, kan op een enkelen dag verscheidene ellen tapa afleveren; de stof wordt in de zon gedroogd en vervolgens met verschillende figuren versierd, welke met behulp van plantaardige verfstoffen worden aangebracht. Stukjes bamboe, zoo groot als onze zwavelstokken, worden met de verfstof besmeerd en daarna, in zoodanige volgorde en schikking als de fantazie van den kunstenaar hem ingeeft, op eene gladde oppervlakte gelegd. De geweven stof wordt vervolgens over deze gekleurde stokjes uitgespreid; eene vrouw loopt zeer voorzichtig over de stof heen, en elk bamboestokje drukt zijne kleur op de tapa af.

Het keukengereedschap der vrouwen bestaat uit een houten schotel, een stamper van vuursteen en potten van aardewerk, verschillend van vorm en kleur. Hoofdbestanddeel van de voeding der inlanders is een soort van brij van de vruchten van den broodboom, vermengd met kokosmelk of met den aan zetmeel rijken wortel van den baro; bovendien eten zij varkensvleesch en vooral ook visch, die in overvloed langs de kusten wordt aangetroffen.

Maar de bewoners der Fidji-eilanden hebben zich niet altijd met zoo onschuldige spijzen tevreden gesteld: het is nog niet zoo lang geleden, dat menschenvleesch voor hen eene uitgezochte lekkernij was. Nog in 1871 werd een dorp in de vallei van Balavu door een vijandelijken stam overvallen en vermeesterd; tweehonderd-zestig menschen werden, naar men zegt, bij die gelegenheid gedood en gegeten. Een engelsch schrijver deelt ons eene vrij merkwaardige legende mede, welke den oorsprong van het kannibalisme in den Fidji-archipel op de volgende wijze verhaalt. “Langen tijd geleden,” zoo luidt de legende, “werd op het eiland Naudronga een groote veldslag geleverd; de lijken van de in den strijd gevallen krijgshelden werden voorloopig in eene soort van schuur nedergelegd, om later begraven te worden. In den volgenden nacht brak in die schuur een brand uit en de lijken werden half geroosterd. Overeenkomstig de bevelen van hunne aanvoerders moesten de krijgslieden de meer dan half gebraden overblijfselen der gesneuvelden overbrengen naar de vooruit gereed gemaakte graven. Onderweg brachten die mannen, onbewust en instinktmatig, hun vingers aan den mond, en zij bevonden dat menschenvleesch zeer goed smaakt”.—Alzoo zou op de Fidji-eilanden de anthropophagie zijn ontstaan. De welwillende schrijver voegt er, tot verontschuldiging van zijne goede vrienden, de eilanders, bij, dat men in dien tijd op het eiland Naudronga niet anders te eten had dan het vleesch van ratten, wat juist geene uitgezochte spijs is.

De Papoeas verklaren dat het vleesch der blanken afschuwelijk is. Naar het schijnt, zijn wij te sterk gezouten en smaken wij naar tabak.

Viti-Levoe is het voornaamste eiland van den Fidji-archipel. Het midden van dit eiland wordt geheel ingenomen door bergen, wier indrukwekkende massa hoog oprijst boven de omringende wouden en de met zoogenoemde brousse overdekte vlakten. Men zou zich eene geheel verkeerde voorstelling maken van de wouden van Oceanië, indien men die vergeleek met de wouden van bijvoorbeeld Amerika of Afrika: ondoordringbare wildernissen van hoog en laag geboomte, van kreupelhout en struikgewas, door verscheurende of giftige dieren bewoond en bezaaid met poelen en moerassen, die doodelijke uitwasemingen verspreiden. Op de eilandengroepen van den Stillen-oceaan vertoont de natuur een geheel ander karakter: zij mist dat geweldige, dien overstelpenden rijkdom van altijd nieuw, machtig scheppend leven, die voor onze noordsche verbeelding haast iets pijnlijks heeft. Op de Fidji-eilanden herinneren de bosschen aan die van Europa: zij bevatten prachtige boomen, maar daar is ruimte tusschen de stammen; in het bosch vindt ge open plekken; heldere beekjes wandelen er tusschen het groen; de heerlijke geuren van oranje- en citroenboomen doorademen de lucht; bevallige lianen slingeren zich om stammen en takken.

De zoogenaamde brousse levert daarentegen een ernstig beletsel op, niet alleen voor de reizigers, die het binnenland wenschen te bezoeken, maar ook voor de planters die den grond moeten ontginnen. Zij vormt eene schier ondoordringbare massa van doornige struiken, van kreupelhout, van doode stammen, van gras en hoog opgeschoten kruiden, van wortels die zich om uw beenen slingeren, en waarvan ge u slechts met behulp van uw bijl of uw jachtmes kunt bevrijden. Uitstapjes in dit nog zoo geheel nieuwe land zijn zeer interessant, maar met eigenaardige bezwaren verbonden.

Na mijne terugkomst in het vaderland kwam mij een brief in handen, dien ik geschreven had na eene wandeling op Viti-Levoe, nog geheel onder den verschen indruk van het oogenblik. Men vergunne mij ten slotte dezen brief hier mede te deelen. Bladzijde 215

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings