Om en door den Peloponnesus.
Reading edition
Naar het Fransch van B. de Jandin.

Het uit lage huizen bestaande moderne Korinthe.
Als men voor de eerste maal in een onbekend land aan wal stapt, volkomen verschillend van de streken die men kent, gebeurt het niet zelden, dat de indrukken uit den eersten tijd het levendigst zijn en ook het meest juist blijken, omdat ze volkomen natuurlijk en spontaan zijn. Zoo is mijn indruk van de aankomst te Athene, waar ik de betrekking van attaché bij onze legatie zou waarnemen, diep in mijn geheugen gegrift. Ik was inderdaad bewogen door de oneindige majesteit van de ruïnen en de grootschheid der mij omringende herinneringen aan het verleden, maar veel dieper troffen mij nog de troostelooze dorheid van Attica, die cirkel van bergen, op welker kale toppen geen aasje van plantengroei zichtbaar is, de aanblik van die vlakte, uit niets dan stof en steenen bestaande, waar enkele vergroeide olijven hier en daar een plekje schaduw werpen, de dorre beddingen van de Kephisos en Ilissus vol brandend heete steenen en de droeve verlatenheid van een natuur die wonderlijk wel harmoniëert met de wankelende gebouwen der doode beschavingen.
Daarentegen viel er te bewonderen de verrassende helderheid der atmosfeer, waardoor men met het bloote oog heel in de verte de minste oneffenheden van het terrein, de verschillende berggroepen en de minste bochten der rivier kan volgen. Dat mooie licht van het Oosten, die vlammengloed der zon, schept de heerlijke kleuren van zacht rose tot geel, van geel tot rood, tot violet en donkerblauw, die leven bijzetten aan het antieke marmer der tempels en over de witte, schitterende gebouwen van het moderne Athene een glans spreiden, waardoor ze passen bij het warm getinte geheel.
De meeste Hellenen, aan wie ik mijn gewaarwordingen meedeel, vertellen mij, dat er in hun land streken zijn, waar de natuur zich minder zuinig toont met haar goede gaven dan in de buurt der hoofdstad. “Ga naar den Peloponnesus,” voegen ze mij toe, “daar zult ge platanen vinden en eiken bij duizenden; ge zult door provincies reizen, waar ge slechts met moeite u door de planten een weg kunt banen, ge zult wouden aantreffen van moerbeiboomen en olijven, en ge zult er de vreemdste indrukken krijgen van een beschaving, die nog primitief is, gevoegd bij de genietingen, u verschaft door de stralende zuiverheid van onzen hemel en de pracht van onze ruïnen.”
En ziehier hoe het komt, dat ik na een vol jaar verblijvens in Athene, moe van het woestijnachtige landschap, besloot om, zonder mij te bekommeren om de overdrijving, eigen aan het grieksche volkskarakter, waardoor ze alles bekijken in een licht, dat wel wat lijkt op dat van hun neven te Marseille, in Morea eens te zien of werkelijk Griekenland geen vervolg is op de Sahara in Europa. Ik verkreeg gemakkelijk van mijn chef verlof, eenige dagen op reis te gaan, en zoo ben ik op een stralenden lentemorgen op weg naar den Piraeus, waar ik de boot zal nemen, die mij naar Korinthe zal voeren.
Het is Goede Vrijdag, op het uur, waarop de menigte der geloovigen te Athene en in den Piraeus naar de byzantijnsche kerken begint te stroomen, die gewoonlijk microscopisch klein zijn en waar al gauw de ondragelijke waslucht zich vermengt met slechte odeurs en een verstikkende hitte. Het is nog geen zeven uur, en reeds zitten de café’s aan de haven vol menschen. Sommigen slurpen met kleine teugjes de beroemde donkere koffie uit het Oosten, die op elk uur van den dag en den nacht welkom is; anderen stellen zich tevreden met een glas frisch water; de meesten gebruiken in het geheel niets of rooken rustig hun narghilé, die op het trottoir staat.
Want werkelijk wordt hier een café beschouwd als een openbare plaats, waar ieder vrij mag binnengaan, zonder daarom gehouden te zijn, er iets te gebruiken. Het is de moderne agora, waar de Griek, die in dat opzicht de overlevering der Ouden heeft behouden, langen tijd kan zitten in de drukte van hartstochtelijke politieke discussies. De plaatselijke bladen of de couranten van de hoofdstad zijn in aller handen, en luidruchtig laat men de vragen van den dag die voor het oogenblik de openbare aandacht boeien, over de tong gaan. Het geknoeide papier gaat van de eene hand in de andere; hier uit er een zenuwachtig zijn verontwaardiging, daar slaat er een ander de bloedige daden van Bulgaren en Macedoniërs aan den schandpaal, en ginds roept er een de regeering ter verantwoording, wier vrienden en vijanden elkander met felle woorden te lijf gaan. Die menschen worden werkelijk dronken van hun eigen woorden; hoe minder ze drinken, des te opgewondener worden ze. Hoe zou het wel zijn, als ze al den tijd, dien ze aan hun tafeltjes doorbrengen evenals in het Noorden velerlei soorten van gegiste dranken gebruikten!
Intusschen heeft het rijtuig mij afgezet bij de aanlegplaats in den Piraeus, welke pier vernuftig is gebouwd bij de uitmonding van een riool. De kleine schoenpoetsers of loustroi, die in Griekenland uit het plaveisel zelf schijnen op te komen, dringen om mij heen in de hoop, mijn schoeisel onder handen te mogen nemen, dat toch volkomen vlekkeloos is, en de roeiers betwisten elkaar onder een concert van vloeken de twijfelachtige eer, mij naar het schip te brengen. Enkele riemslagen bevrijden mij van die ondernemende lieden en weldra beklim ik de wankele trap, hangend langs de zijde van de Haghios-Nikolaos, op het punt van naar de landengte te vertrekken. Daar de overtocht maar kort zal duren, behoef ik mij gelukkig niet te bekommeren om het krijgen van een hut, als men dien naam mag geven aan de ongemakkelijke hokjes van het tusschendek rondom de algemeene tafel en daarvan alleen gescheiden door een gordijn. Snel loop ik door de bonte menigte, die in de gangpaden staat en begeef mij naar het dek, waar ik hoop te ontkomen aan de verschillende uitwasemingen om mij heen.
Helaas, ik ontvlucht de menschen, om bij de dieren aan te landen! Honderden schapen en lammeren, die al sedert den morgen aan boord zijn, worden met ons naar Korinthe vervoerd, om er den volgenden dag te worden geslacht en het Paaschmaal te vormen voor de Palikaren. Onmogelijk een plaatsje te vinden te midden van de kudde, die het dek in een viezen, stinkenden poel heeft veranderd. Vastbesloten, zooveel mogelijk van den overtocht te profiteeren, bespeur ik daar tot mijn groote vreugde een ledig vat, dat door een gezegend toeval in een hoek is blijven staan. Ik baan mij een doortocht door de dichte groepen van mijn zonderlinge reisgezellen, en dan mijn valies achter in de ton zettend, kruip ik in die grappige schuilplaats en ben daardoor beveiligd tegen een hinderlijke buurschap, terwijl de geest van Diogenes om mij waart.
Al spoedig begint de schroef te wentelen; langzamerhand beginnen de praatjes. Men wijst elkaar met den vinger den Gallos, den Galliër, die daar zit uit te kijken, en ik kan wel gissen, dat ze mijn denkbeeld vreemd vinden, om zoo den overtocht van drie uren te doen. Maar dat kan mij niet schelen; ik ben nu in de beste luim en geniet van de schoonheid van het tooneel rondom mij. Badend in de morgenzon, wordt de vlakte van Athene al kleiner achter ons. Op den achtergrond van den kring van Parnassus, Pentelicon en Hymettus teekent zich de voorgevel van het Parthenon schitterend af tegen het blauw van den hemel, terwijl rechts de verlaten en rotsachtige oevers van Salamis voorbijgaan en links het eiland Aegina, beheerscht door de zuilen van zijn beroemden tempel, als een vooruitgeschoven post den weg naar de Cycladen verspert. De lucht is ijl, en het diepe donkerblauw van de zee vertoont hier en daar sierlijke zuilen of rookpluimen van stoombooten.
Reeds gewonnen door de glanzende schoonheid van de oostersche natuur, begin ik onder de bekoring te komen van een groote intellectueele rust. Hoe heerlijk is het, met niet anders dan een paard, een valies en een goede deken door de wijde ruimten te trekken, te kunnen stilhouden, waar men wil, te slapen, waar de nacht u overvalt, te droomen onder olijven aan den oever van een zingend beekje, terwijl een boer in de buurt langzaam het grieksche lied neuriet, dat den grooten strijd voor de onafhankelijkheid in het geheugen roept. De hitte van den middag doet zelfs het snerpend gepiep van de krekels zwijgen, en onderwijl treden ons voor den geest de Oudheid met haar legenden, de Middeleeuwen en de fransche heldenzangen van een Villehardouin en Champlitte. Men ontmoet bij iedere schrede het onverwachte, ja, waarlijk hier is stof, die hart en geest in feeststemming brengt van dengene, die, als ik, gezonde en sterke ontroering zoekt en ze hoopt te vinden in dit land, dat vroeger werd verhelderd door burgerdeugd en moed en door den eenvoud van zeden der Spartanen, wier stoïsche lijdzaamheid het, tusschen twee haakjes, goed zal zijn na te volgen.
Terwijl ik zoo aan het droomen ben, passeeren wij de westpunt van Salamis; op groote hoogte gaat langs de berghelling een trein van de lijn Patras-Athene; de rook teekent de duizenden bochten van de steile oevers en blijft lang zichtbaar in de stille lucht. Dan wordt de kust lager; we komen bij de landengte in het gezicht van Kalamaki, een ellendig visschersdorp, bij den ingang van het kanaal, waar we eenige oogenblikken moeten stoppen voor de vereischte formaliteiten van de doorvaart.
Van hier gezien, maakt het kanaal van Korinthe werkelijk een zonderlingen indruk. Twee wanden, zoo loodrecht, dat de breedte der spleet boven bijna niet breeder is dan beneden, ter gemiddelde hoogte van 50 meter, begrenzen den zes kilometer langen doorgang, die 22 meter breed is en door den gelen, onvruchtbaren grond loopt tusschen de Saronische Golf en die van Lepanto aan de andere zijde, daarginds waar men het uitzicht heeft op de bergen van Phocis. Alles is rustig, alleen wordt de stilte verbroken door het geblaat van de lammeren, die te Kalamaki wachten op het voorbijgaan van de eene of andere boot en hun smart schijnen mee te deelen aan de trieste collega’s van de Haghios Nikolaos.
Eindelijk gaat de stoomfluit; de rechten zijn geïnd, wij varen het kanaal binnen; plotseling verdwijnt de zon, alsof er een gordijn voor werd getrokken; we gaan met zeer langzame schroefslagen vooruit, want de diepte van het kanaal is zoo gering, dat men ieder oogenblik moet vreezen, aan den grond te raken. Ik heb later zelfs vernomen, dat tijdens de vaart het verstandig is te zwijgen, terwijl de fluit zich niet mag laten hooren, en dat wel om de weinige stevigheid van de wanden, die, in vrij losse aarde aangelegd, de bedoelde steile afsluitingen vormen en met het oog op de zuinigheid zoo zijn gebouwd. Alles aan deze onderneming trouwens verraadt de zorg, die men had, om geen te groote kapitalen aan te spreken. Het faillissement van de maatschappij, die reeds in 1822 met de werkzaamheden was begonnen, onder de leiding van den hongaarschen generaal Türr, onlangs gestorven na een leven van buitengewone avonturen, heeft zeker de helleensche maatschappij voor oogen gestaan, toen ze eindelijk, zoo goed en zoo kwaad, als het ging, het denkbeeld volvoerde van de doorboring van de landengte, dat Nero al koesterde.

Tusschen de kanaalwanden.
De zaak is inderdaad altijd treurig geweest en is dat nog; er gaan niet veel schepen door, want het gevaar van vastraken maakt het voor schepen van niet al te weinig tonneninhoud onmogelijk, zich te wagen aan de doorvaart van die slecht onderhouden en zelden uitgebaggerde wateren. Ze geven er altijd de voorkeur aan, als ze zich van de eene zee naar de andere willen begeven, den Peloponnesus om te varen en de meerdere uitgaven goed te maken door een lading van grooter waarde zonder gevaar voor stranding en zonder tolrechten. Zoodat de onderneming moeite heeft, rond te komen, haar agenten te betalen, voor de verlichting van haar vuurtorens te zorgen en de andere kosten te dragen en dat ieder vooruitzicht op verbetering, dat noodzakelijk kosten mee moet brengen, moet worden ter zijde gesteld op straffe van dadelijk faillissement.
Intusschen gaat de Haghios Nikolaos voorzichtig verder. Daar hebben we de brug, waar de spoorweg naar Korinthe over gaat; wij kunnen enkele herders over de leuning zien hangen, om in de diepte te kijken en ons nieuwsgierig te beschouwen, want de aanblik van een schip, dat door het kanaal vaart, is zeldzaam genoeg, om de aandacht te trekken. Eindelijk wordt het scherm, dat ons van de wereld afscheidt, lager; de betrekkelijke duisternis, waarin wij gedompeld waren, maakt langzamerhand plaats voor helder licht en weldra voor den fellen zonneschijn, toen ons schip uit de kloof te voorschijn kwam, om zich dadelijk links te wenden naar het dichtbij zijnde Korinthe.
Die eertijds zoo beroemde stad maakt van hier een klagelijken indruk; ik zie, naarmate we nader komen, een opeenhooping van lage huizen, die een 4000 of 5000 menschen kan herbergen, eenige straten zonder trottoirs, een ellendig station, alles grijs en somber van tint. De omstreken van de landengte aan dezen kant van het kanaal zijn al even woestijnachtig als aan de zijde van de Saronische Golf. Tegenover Korinthe verrijst een groote, akelig kale berg, aan welks voet Loutraki ligt; achter de stad naar het Zuiden staat de indrukwekkende rots van den Akrokorinth. Maar de kust naar het westen is groen, want daar beginnen de wijngaarden, waar men binnen enkele maanden de heerlijke korinthische druiven zal oogsten, de kleine, die als krenten het hart van iedere goede angelsaksische huishoudster verheugen. Het is elf uur in den morgen; de boot gaat nu niet meer vooruit dan met de reeds verkregen snelheid, en ofschoon we nog niet geheel stil liggen, kan het koeltje uit zee maar juist genoeg de hitte temperen van de in Griekenland reeds brandende Aprilzon. Wat zal het zijn, als ik straks den Akrokorinth zal bestijgen?
Plotseling klinkt een geluid van het ontrollen van een ketting; men heeft het anker uitgeworpen; dus wordt het tijd, dat ik mijn vat verlaat. Ik stap over de poelen van het dek en daal af naar de lagere terreinen, waar de gewone luidruchtigheid heerscht, die bij elke lading in dit land voorkomt. Ieder haast zich naar de veelkleurige zakken en pakken, die in vuile poelen en vet rondslingeren, van alle kanten hoort men uitroepen, en de buitensporigste bewegingen doorklieven de lucht. Men baant zich een weg en duwt zonder omslag ieder, die het ongeluk heeft u in den weg te komen. Ik doe als de anderen, maar rustiger, en eindelijk ben ik daar, waar de booten wachten op passagiers, om hen naar den wal te brengen. En weer zijn er hevige disputen te midden van de onontwarbare roeiriemen, die hun best doen, om zoo dicht mogelijk tot de scheepsladder te naderen, dienstaanbiedingen met de hand op het hart, smeekende “kyrie’s”, in één woord de strijd om de drachmen in al zijn rauwe werkelijkheid. Een bonte menigte vult de booten, en na enkele oogenblikken ben ik aan land ten prooi aan een wolk van loustroi of dragers, die mij alles ontnemen zouden, wat ik bij mij heb, als ik er mij niet met hand en tand tegen verzette.
Het door mij gekozen hotel leek nog al goed, en de eigenaar, die een beetje Fransch brabbelt, meent mij te moeten ontvangen met vurige betuigingen van toewijding, die ik afsnijd door terstond naar den Akrokorinth te vertrekken, voorzien van eenig proviand, dat ik onderweg denk te gebruiken.

Zuilen van den tempel van Aphrodite.
Ik neem plaats in een van die ouderwetsche landauers, met wapens overdekt, waarmeê men zegt, dat de Duitschers een groot deel van de krenten, die ze koopen, betalen. Die ongelukkige voertuigen, die ongetwijfeld in hun jeugd de menschen hebben gereden die men tot de grooten der aarde rekent, hebben inderdaad hier op de gruwelijke wegen van Griekenland, waar ze spoedig geruïneerd zijn, een treurig einde. En terwijl ik bij het rijden door de stad aan dien droevigen loop der dingen hier beneden denk, wordt mijn aandacht plotseling getrokken door een gebouw van bescheiden voorkomen met groote staven voor de vensters. Het schijnt de gevangenis van Korinthe te wezen, maar men moet het mij uitdrukkelijk zeggen, eer ik het kan gelooven. Achter de tralies staan halfnaakte mannen te kijken naar de kleine voorvallen op straat; ze schelden op de voorbijgangers, die ze kennen, en vragen aan de vreemdelingen om aalmoezen. In de vuile, donkere zalen zijn sommigen bezig in de afschuwelijk slechte lucht kleine houten voorwerpen te maken, anderen, die luier zijn, rooken kalm hun sigaret, hun door vrienden gebracht. En de ambtenaar, die het toezicht heet te houden over deze interessante wereld, wandelt onverschillig heen en weer; hij heeft zijn geweer binnen neergezet en maakt nu en dan vóór zijn wachthuisje een praatje met de gevangenen, den elleboog leunend op de vensterbank. Dat lijkt al heel weinig op een repressiemaatregel, als men zoo’n vrijheid toelaat, en ik vermoed, dat de bedreiging met deze gevangenis niet veel indruk zal maken op het gemoed van de lieden. Het moet erkend, dat het juist zoo gaat bij bijna alle volken van het Zuiden, waar alles huiselijk toegaat in die dingen, en waar het met de zedelijkheid toch niet zooveel erger of beter is gesteld dan in onverschillig welk noordelijk land.
We bevinden ons enkele oogenblikken later op den weg, die naar het sombere plaatsje voert, dat Paleo-Korinthos heet, en waar een aardbeving in het midden van de vorige eeuw groote verwoestingen aanrichtte, waarna het tegenwoordige Korinthe aan zee is gebouwd. Van de grootheid uit veel vroegeren tijd is niets meer over; de stad van 300 000 inwoners, wier roem de gansche wereld vervulde, al viel er misschien wel wat op af te dingen, is door de aanvallen der barbaren, Franken en Turken, zoo goed als met den grond gelijk gemaakt, zoo dat enkel een paar zuilen van een tempel, die, denkt men, aan Aphrodite gewijd was, nog een rest zijn van oude glorie.
Daar draait mijn koetsier, mijn amaxa, zich om, ten einde er mij opmerkzaam op te maken, dat we nu op het plateau komen; plotseling zie ik de roode zuilen van den tempel te voorschijn komen met den machtigen Akrokorinth op den achtergrond. De gekanteelde muren, die van beneden zichtbaar zijn, steken tegen den vlammenden hemel af: “Poly, poly aureo, zeer, zeer mooi!” roept mij de waardige Helleen toe, met alle teekenen van een echte geestdrift, die inderdaad gevoeld wordt, en waarin de hartgrondige wensch zich uit, dat ik zijn kinderlijke bewondering voor de nationale schoonheden moge deelen.
Ik heb vaak opgemerkt, dat de Griek, tot welke klasse van de maatschappij ook behoorend, vast overtuigd is, dat alles, wat er op den bodem van zijn geboorteland te vinden is, prachtig en heerlijk is, zonder weerga, en dat, als de vreemdeling het daar niet mee eens is, hij zich schuldig maakt aan de misdaad van Hellenisme-schennis. Dat is een zeer lofwaardig vaderlandsch gevoel, gevoegd bij een kinderlijkheid, die een der kenmerken is van het ras. Mijn gids is zich zonder twijfel maar zeer flauwtjes bewust van de redenen, die hem in opwinding brengen; maar hij geeft er zich heel goed rekenschap van, dat hier een vreemdeling is en dat die man volstrekt in geestdrift moet worden gebracht en dat hij daar duidelijk blijken van moet geven.
Het landschap is trouwens van zulk een woeste schoonheid, dat het mij geen oogenblik moeite kost, om in den toon te blijven; ik stap uit het rijtuig en wachtend tot het paard, dat mij aanstonds het steile pad van den Akrokorinth zal opvoeren, is aangekomen, zet ik mij er toe, om eer aan te doen aan de harde eieren, mij door mijn hoteleigenaar meegegeven. Overal zie ik heidestruiken, waaronder zich graven en doodengrotten verbergen; ik koos een der heuveltjes uit, mogelijk wel dat, waar Paulus volgens de overlevering zijn Brief aan de Korinthiërs heeft geschreven. Die hadden, naar het schijnt, behoefte aan een zedepreekje, om hen in hun weelde wat in toom te houden. De Korinthiërs van tegenwoordig zouden niet veel hebben aan een dergelijke toespraak. Over dat alles dacht ik bij mijn frugaal ontbijt onder het gesjirp der krekels, die dronken waren van den zonneschijn en het warme heidekruid.

Afscheiding van het koor in een byzantijnsche kerk.
De velden zijn bijna geheel verlaten; alleen ploegen twee ossen, gespannen voor een primitieven ploeg, een armoedig stukje grond; overal elders is het land verlaten. De landverhuizing, die de hooge plateau’s van den Peloponnesus ontvolkt, begint hier ook al haar uitwerking te doen gevoelen; de economische crisis, die de laatste jaren op de druiven van Korinthe heeft gedrukt, heeft reeds een deel van de noordkust ontvolkt. En toch is de bodem hier minder dor en onvruchtbaar dan in de streken van het midden, waar de grond zijn bewoners niet kan voeden, zoodat ze in massa hun land verlaten, om naar Amerika te gaan in de hoop, daar een spaarduitje te kunnen maken. Ze houden verblijf in de groote steden van het Noorden en houden er zich bezig met de kleine bedrijven, bij voorbeeld dat van bloemenverkoopers. Daar ze zeer matig zijn en weinig behoeften kennen, bovendien verstandig en zuinig, gebeurt het niet zelden, dat ze na een vijf- of tiental jaren terugkomen met de enkele duizenden drachmen, waarvan ze zullen kunnen leven. Want al die emigranten, in tegenstelling met Italianen en Angelsaksers, keeren terug; men zal ze zelden of nooit zich zien vestigen in het vreemde land; hun familie blijft in Griekenland en niets is roerender te zien dan het geduld, waarmee de vrouwen en kinderen en de grijsaards hopen op den terugkeer van dengene, die hun droevig lot van ontbering zal verbeteren.
In dien tusschentijd kwijnen de stumpers in ellende; het lijkt wel, dat in sommige dorpen geen enkel valide man is overgebleven; de velden zijn verlaten en de landen blijven braak liggen, ook als er zeer goed iets op kon worden verbouwd. Het gaat maar net, om een vergadering van den gemeenteraad te vullen of een stembureau, als er een verkiezing voor de vertegenwoordiging moet plaats hebben. Die toestand is ongetwijfeld nadeelig voor de normale werking van de instellingen van het rijk; maar hij heeft nog veel nadeeliger gevolgen uit economisch oogpunt, want meer en meer blijkt, dat niet het aantal over de welvaart beslist, maar het gebruik, dat van de natuurlijke hulpbronnen van een land wordt gemaakt.
De grieksche regeering heeft wel getracht, maar te vergeefs, door de wetgeving die beweging tegen te houden, maar ze moest, om tot eenig resultaat te komen, liever de levensomstandigheden verbeteren, den ondernemingsgeest aanmoedigen, kapitalen tot zich trekken. Maar allen, die in Griekenland zijn geweest, zullen met mij moeten erkennen, dat die taak boven haar krachten gaat, ten minste voor het oogenblik, en ik zie nog geen afdoend middel in het verschiet tegen de plaag der landverhuizing, die verwoestend werkt, nu ze niet door overbevolking noodzakelijk is, en die een ramp wordt voor den Peloponnesus en vele andere provincies van het rijk.
Terwijl ik zoo aan het mijmeren ben, verschijnen mijn paard en zijn agoyaat, die het dier geleidt en er ook meestal de eigenaar van is; hij blijft erbij al den tijd, dat de verhuring duurt en brengt het dan naar het punt van vertrek terug. “Kalimera sas, kyrie, goeden dag, Mijnheer!” roept de nieuw aangekomene mij toe en reikt mij de hand, want dit democratisch land is er ook een van vriendschapsbetuigingen. En hij begint een lang gesprek, dat nog voortduurt terwijl we al lang onderweg zijn.
Deze manier van reizen, waarmee ik reeds kennis had gemaakt het vorig jaar in het vastelandsche Griekenland, is al bijzonder ongemakkelijk. Men stelle zich een zadel voor, dat in sommige opzichten gelijkt op het toestel, dat voor de circuspaarden in gebruik is, maar dan minder vlak, bestaande uit een samenstel van stukken gebogen hout, die, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, het lichaam van het muildier omsluiten, met een duidelijke helling van den hals naar achteren. De breedte is zoo groot, dat de beenen buitengewoon ver van elkander zijn, wat op den duur lastig wordt; men zit op een roode deken van grof weefsel en steunt de handen op de beide steunende handvatsels, die bevestigd zijn aan den boog van het zadel boven den hals van het paard, de voeten rusten in strikken van touw, die stijgbeugels verbeelden, en zoo laat men zich schudden over de slechte wegen op het martelinstrument en naar het welgevallen van een dier, dat nooit zich erin schikt ergens te loopen, waar het niet verkiest te gaan. Ik kan zonder overdrijving zeggen, dat twee uren van zulk rijden voldoende zijn om iemands ribben te breken. Hoe is het mij gelukt, het tien en zelfs vijftien uren achtereen vol te houden? Dat zijn inderdaad heldendaden geweest, die voor de stevigheid van mijn organisme pleiten.
Na een uur stijgens over een in de rots uitgehouwen weg, langs weinig geruststellende afgronden, kom ik, zonder dat het uitzicht mij is benomen door een enkelen boom, die dien naam verdient, op het plateau, dat ter hoogte van bijna zeshonderd meter boven de zee de zonderlingste opeenhooping van gebouwen draagt, die ik ooit heb gezien. Dat komt doordat sinds de vroegste tijden tot de gedenkwaardige gevechten van den vrijheidsoorlog dit plateau beurtelings tot schuilplaats heeft gediend voor de Pelasgen, de Franken, de Venetianen en de Turken.
Er is daar een ware chaos van ruïnen uit allerlei tijden; venetiaansche muren, tegenwoordig nog in zeer goeden staat, staan naast overblijfselen van christelijke kerken, opgericht in de oudste tijden van het christendom met de materialen van de heidensche tempels. Iets verder vindt men de versterkingen van den Islam, fondamenten van paleizen en moskeeën, op hun beurt gebouwd van antieke resten uit de christenkerken. Ik ga voorbij de beroemde fontein, waarop Bellerophon Pegasus aangrijpt; die later alle leidingen vulde, nu half verstopt, die men overal ontmoet binnen de muren van de vesting. Van hoeveel woelingen en omwentelingen verhalen aldus de steenen, die getuigen waren van zooveel plechtigheden, zooveel losbandigheid ook en mogelijk deel hadden aan zooveel heldendaden! En daar te midden van de ruïnen, die, om zoo te zeggen, de ver teruggeweken eeuwen grijpbaar maken, doet zich plotseling een tooneel uit het moderne Griekenland aan mij voor. Een oude vrouw zie ik, gekleed in den langen witten mantel zonder mouwen, die veel gelijkt op dien, welken de montenegrijnsche vrouwen dragen, een doek over het hoofd, het benedengelaat op zijn Turksch gesluierd; zij trekt een ezel aan een touw, die een kleinen voorraad hout voor haar draagt. De oogst is zoo gering, want er zijn haast geen boomen hier, en de vrouw schijnt in de algemeene verlatenheid al even arm als het land dat ze moet bewonen. Dat treffende beeld van de economische moeilijkheden van het moderne Griekenland, waarop ik nog van tijd tot tijd zal moeten terugkomen, voegt zich bij de vorige indrukken en in vrij melancholieke stemming hijsch ik mij van steen tot steen omhoog tot het hoogste punt van de acropolis.
De ligging van den Akrokorinth tusschen twee zeeën op den drempel van den Peloponnesus en op de grenzen van het vastelandsche Griekenland maakt, dat men van de hoogte daar een wonderlijk feëriek schouwspel geniet. Aan mijn voeten de witte vlakte, waarop in een wolk van stof het oude en het nieuwe Korinthe liggen; hier en daar enkele groene plekken, olijvenbosschen of wijngaarden, de smalsporige lijn van den ijzeren weg, die aan den eenen kant naar Kalamata en aan den anderen naar Patras gaat, dan de blauwe wateren van de beide golven, gescheiden door den gelen drempel van de landengte, en verder de rechte lijn van het kanaal, dat die laatste doorsnijdt. Meer op den achtergrond de bergen van Phocis, Boeotië en Dorië, de Kitheron, de Helicon en de top van den Parnassus, die om dezen tijd nog wit is en dien ik reeds heb bezocht bij mijn tocht naar Delphi, zoodat ik hem een vriendschappelijken groet van herkenning toezend.
Naar het Oosten de Saronische Golf en de Aegeïsche Zee, bezaaid met eilanden, die nu door de naar den kant van Patras dalende zon met licht worden overgoten; ze rijzen uit zee in een feest van stralenden glans, kaal en dor, maar in zoo zuivere lijnen en zoo sober, dat ze bij die ongeloofelijke helderheid der atmosfeer een uitstraling schijnen der schoonheid zelve. Daar is Aegina, herkenbaar aan den kegelvormigen top, Salamis, dat den ingang afsluit van de baai van Eleusis en gedeeltelijk met het vasteland samenhangt. Boven de kale bergen van het eiland zie ik de bekende Pentelische hoogten; ik kan de wittere plekken onderscheiden van de schitterende marmeren gebouwen van de acropolis van Athene en de bontheid van de kapel van den Lycabettus; de kust van Attica rekt zich als een eindeloos voorgebergte naar den kant van Azië, naar die nog niet bevrijde deelen van de helleensche wereld, die in den vuurtoren van kaap Sunium een baken kunnen zien, dat hun vertrouwen in de toekomst geeft, omdat hij den reeds vrijen grond van het vaderland aanwijst. Achter mij verrijzen in onrustige gelederen de bergen van den Peloponnesus, de hoogten van Argos, die ik morgen zal bereizen, die van Achaja en Arkadië, door tallooze dalen doorsneden, die al donker zijn, en heel in de verte de grootsche bergen van den Taygetos en den Erymanthos, waar de blik wordt gestuit.
Intusschen is mijn agoyaat gekomen; hij raakt mijn schouder aan, en mij wijzend op de ondergaande zon aan den horizon, tracht hij mij te doen begrijpen onder een dolzinnig gelach, dat het hem noodig schijnt om het voorbeeld van rust te volgen. En inderdaad het is drie uur en ik wil nog, eer ik naar Korinthe terugkeer, een blik werpen op de oude necropolis. “Embros, vooruit!” zeg ik tot mijn gezel, en daar zijn we weer te midden van de waggelende steenen, waarboven de wind klagelijk door de toppen van armelijke dennen suist. Weldra is de laatste muur gepasseerd; daar is de weg weer met de rollende steenen, die nog lastiger zal wezen bij het dalen, dan hij reeds was bij het stijgen; ieder oogenblik glijdt mijn ezel met de vier pooten uit op een al te gladden steen, en ondanks al, wat men mij heeft gezegd te Athene over de vertrouwdheid van die dieren, meet ik met al grooter wordende ongerustheid bij elken misstap de diepte van den afgrond, waarlangs we rijden en waarin ik mijzelven al zie neerstorten.
Maar aan alle ellende komt een einde; een uur later hebben we het rijtuig weer bereikt, dat te Palaeo-Korinthos op mij had gewacht en dat mij over Hexamilia en Isthmia naar Korinthe moet terugvoeren. Ik zeg mijn muilezel vaarwel en groet den geleider, na aan dien laatste in de herberg een glas raki te hebben gepresenteerd, een soort van brandewijn, die heel uit de verte aan onze anisette herinnert, maar veel sterker is en minder lekker. Men gebruikt dien drank met een paar olijven in olie, en hij is ten minste eenigszins drinkbaar. Dat kan ik tot mijn spijt niet zeggen van de afschuwelijke brouwsels, die men mij nu en dan in den loop van mijn reis heeft voorgezet. De raki was dan in die moeilijke omstandigheden, als ik vóór alles zorg moest dragen de gevoeligheid van de brave lieden niet te kwetsen, een uitkomst, de gemakkelijke drank, die mij altijd in staat stelde mijn glas te ledigen op de gezondheid van mijn gastheeren en op de glorie van Hellas.
Een oogenblik later rijd ik naar Hexamilia, een ellendig gehucht, dat men bereikt na den spoorweg te zijn overgegaan, die van Nauplia in de laatste jaren voortgezet is door den geheelen Peloponnesus tot Sparta en Kalamata. Op een der heuvels, die zich in grooten getale rechts en links van mijn weg verheffen, rijst op vier palen een landelijk hutje hoog boven den grond. Het dient om de herders voor de barheid van het weder te beschutten en maakt den indruk van een dier primitieve constructies, bedacht door de inboorlingen van Centraal-Afrika, om zich voor nachtelijke aanvallen van wilde dieren onbereikbaar te maken.
De velden langs den weg bevatten alle graven, waarin men zooveel van die mooie aardewerkfiguurtjes heeft gevonden, die bij ons onder den naam Tanagrabeeldjes bekend zijn; er is geen wijngaard, geen stuk gronds, waar men niet van die uitgegraven plekken ziet en dat wel over een afstand van bijna tien kilometer tot aan de plaats der oude isthmische spelen, die alle drie jaren werden gehouden in den tijd der korinthische grootheid, binnen de groote heiligdommen van Poseidon. Ongelukkig is mijn archeologische kennis gering en een beetje verward, wat mij niet belet, belang te stellen in die ingestorte tempeldeelen en die resten van theaters, die zelf al lang verdwenen zijn onder venetiaansche bouwwerken en turksche, op hun beurt weggevaagd. In de verte zie ik de plaats, waar de haven Kenkhreus lag aan de Sardonische Golf, oudtijds vereenigd met die van Lechaion achter in de golf van Lepanto door een vernuftig stelsel van houten rails, waarover men de booten kon laten glijden, die de landengte wilden passeeren. De scheepvaart in het moderne kanaal moge vol hinderlagen wezen, ze is dan toch een vooruitgang op die manier van vervoer, al ontbrak daar geen verrassende originaliteit aan.
Het was bijna geheel avond geworden toen ik te Korinthe aankwam, dat op dezen dag vol hing met reukjes van uien en gebak, vermengd met allerlei nog minder aangename geuren. De orthodoxe vasten is inderdaad zeer streng en wordt over het algemeen trouw in acht genomen, niet enkel in de weken, die aan Paschen voorafgaan, maar ook in den tijd van Kerstmis en Maria-Hemelvaart. Zoo hebben de Grieken drie perioden van boete, die te zamen misschien strenger zijn dan bij de Katholieken de laatste dagen der Heilige Week. Ik heb nog niet begrepen, waarom deze geloofsinrichting, die echtscheiding toelaat en die bij gevolg veel minder streng is uit het oogpunt van de leer dan de katholieke godsdienst, aan haar volgelingen zulke zware lasten oplegt, die niet passen bij de leer.
Hoe het zij, de verschillen van de beide kalenders veroorloven het mij, de onthouding van het vasten te ontgaan en integendeel voldoende eer te bewijzen aan het maal, dat de hotelhouder had laten klaar maken en dat zeer smakelijk was. Geen nationale schotels, maar een compromis tusschen een keuken, die op de spijskaart pompeus als fransch wordt aangeduid, en napolitaansche ragouts. Een lekker wijntje van Cephalonië besproeide het geheel. Er waren met mij aan tafel eenige Amerikanen, die uit Olympia komen, en een koopman uit Patras, die morgen naar Athene gaat en die ons veel vertelde over druiven en druivenoogsten.
Om den welbesteden dag goed te besluiten, ga ik nog op het plein, waar voor twee duizend jaar de priesteressen van Aphrodite haar dienst hadden, de nachtelijke processie zien van Goeden Vrijdag. De menigte vult reeds de breede en stoffige straten met flauw verlichte winkels. De kleine balkons, die aan geen huis ontbreken, zijn zwart van toeschouwers, die met een kaars in de hand wachten op het voorbijgaan der heiligenbeelden. Ik sla den weg naar de kerk in, waaruit de stoet juist is vertrokken, voorzien, als iedereen, van mijn kaars; al spoedig stippelen duizenden kleine lichtjes de duisternis; de jongens laten voetzoekers knappen te midden van de menigte; hier en daar wapperen blauw en wit gestreepte vlaggen aan de vensters, waar af en toe bengaalsch vuur wordt afgestoken. Daar hoort men de tonen van een fanfare en de processie nadert. Aan het hoofd de muziek van het garnizoen, die treurmarschen speelt; dan volgen de priesters in hun kerkgewaden, de vierkante muts op het hoofd, van wie sommigen Christusbeelden aan het kruis dragen en anderen een groot wit laken, dat een zweetdoek voorstelt.

Het patriarchale van de Grieksche boeren.
De ernstige stemmen van de geestelijken mengen zich onder de treurige tonen van het koper en de vroolijke geluiden en verwekken een vreemde dooreenwarring van een kerkelijke plechtigheid en een volksfeest. Eindelijk komen de burgerlijke autoriteiten en de militaire, de prefect en de kolonel van het regiment, die ook de traditioneele kaars dragen; dan de menigte in dichte gelederen, onverschillig voor de wasdruppels, die van de balkons vallen, en blij gestemd door het licht en de muziek. Veel ernst bespeur ik niet onder de menschen, al zijn de Grieken een volk, dat graag zijn gevoel naar buiten toont; het karakter van deze groote kinderen leent zich nu eenmaal niet tot uitingen van droefheid, die toch eigenlijk bij de omstandigheid zouden passen. Het is niet zeer waarschijnlijk, dat de bewoners van het antieke Korinthe zulke harde bedden hebben gehad om op te slapen, als dat waarop mij de hotelhouder uit het moderne Korinthe tracteerde, anders zou hun naam van verwijfdheid al heel weinig verdiend zijn. Ik geloof eerder, dat dit dunne plakje van paardehaar, dat dadelijk op de planken rust en waarin men moeilijk de samenstellende deelen van een matras herkent, een der eigenaardigheden is van het moderne Griekenland en dat men vermoeienissen als die, welke ik ondervond bij het bestijgen van den Akrokorinth, moet hebben doorstaan, om er behoorlijk op te kunnen slapen. Maar mijn nacht werd dan ook niet gestoord door eenigen onwelkomen beet, en zeer verkwikt werd ik wakker, klaar om weer op weg te gaan.

Booten vol publiek, van wal stekend te Poros.
De zon staat al hoog aan den hemel als ik bij het station kom, waar spoedig de trein verschijnt, die mij naar Mycene zal voeren, een vroeger beroemde stad en die thans haar naam geeft aan een onbeduidende halte van den spoorweg van Athene naar Kalamata. Zoo is de werkelijkheid van het moderne helleensche leven op het nauwst verbonden met de grootsche herinneringen aan de oudheid, en ik moet bekennen, dat de aureool, waarmee onze beschaving al wat grieksch is omgeeft, wel te lijden heeft van die vereenzelviging. Wij zeggen in Frankrijk, dat het belachelijke doodend is; gelukkig, dat dit aphorisme niet gangbaar is in Griekenland, want dan zou er tegenwoordig niet veel overblijven van al die beroemde helden, van die legenden en heldendaden, welker namen de menschheid slechts met eerbiedige aandoening uitspreekt. Sedert ik een waschman en een bediende heb gehad, die respectievelijk Alcibiades en Pericles heetten, kan ik niet zonder een glimlach het beeld van hun beroemde peten mij voor den geest roepen, en ik begrijp uitstekend, dat de spotzucht van een About of een Offenbach door die amusante tegenstellingen is gewekt.
Maar de trein komt in beweging; die kleine spoorwegen, die Griekenland beginnen te doorkruisen, loopen wanhopig langzaam. Een veertigtal kilometers scheiden Korinthe slechts van Mycene, en we zullen bijna twee uren noodig hebben, om dien afstand af te leggen. Ik moet echter zeggen, dat het terrein nog al effen is, dat er talrijke en scherpe bochten zijn te maken; maar dat alles verhindert niet, dat men gemakkelijk tijd kon winnen, als de weg goed was aangelegd, het materiaal solieder en het personeel beter geoefend was. Maar daar is altijd in Griekenland die lastige geldquaestie, die elke ernstige verbetering tegenhoudt. In zijn geheel is het land arm en weinig bevolkt; de opbrengsten van de spoorwegen, die buiten enkele tijden van het jaar zoo goed als niets vervoeren, zijn zoo problematisch, dat vele maatschappijen moeite hebben om rond te komen. In die omstandigheden kan er van vooruitgang geen sprake zijn, omdat men eerst, om daartoe te komen, den ondernemingsgeest zou moeten wekken en den economischen toestand van het land zou moeten verbeteren.
In dit opzicht is het nog mogelijk, dat de spoorweg, die pas geopend is van Athene naar de turksch-grieksche grens, tot goede resultaten leidt, vooral als de aansluiting bij het europeesche spoorwegnet eindelijk werkelijkheid wordt. De nieuwe lijn, ondersteund door de oostenrijksch-hongaarsche regeering, die den Piraeus in gemeenschap met Middel-Europa zal brengen, zou zeker een staat van zaken scheppen, die, daar ben ik van overtuigd, weldadig zou terugwerken op het geheele net van de helleensche spoorwegen. Maar ik vrees, dat de laatste nog lang hun slechten naam zullen verdienen, die op dit oogenblik voor mij zoo duidelijk wordt gedemonstreerd door de vervelende halten van de kleine locomotief, waarmee ik naar Argos word gebracht.
En inderdaad, na door Hexamilia te zijn gereden, dat ik gisteren per rijtuig passeerde, komen we in een bergpas met een kloof, in welker diepte een stroom moest bruisen en waar ik niet anders zie dan gele steenen. Evenwijdig met den weg van de spoorlijn loopt een onduidelijk pad vol diepe plassen en losse steenen; dat schijnt een rijksweg. Wat moeten dan de gemeentewegen zijn in dit land! We rijden enkele kleine ezels voorbij, waar mannen op zijn gezeten met de beenen terzij. Ze dragen de fustanella of het korte rokje en slaan met de vrij hangende beenen de maat op den buik van hun rijdieren, om die sneller te doen gaan, maar zonder eenig succes meestal. Zeker hebben ze vrienden in den trein, want men hoort, ondanks het lawaai van den stoom, stukken van zinnen en gelach aan het adres van een compartiment naast het mijne. Spoedig daarna komen we op een klein plateau, waar enkel dennen en heide groeien en hier en daar toefen reeds verdroogd gras, hoewel we nog maar April hebben. Het klokje van een eenzame geit doet zich hooren, maar ik kan het dier niet te zien krijgen, zoo weinig steekt het af tegen den bruinen grond.
Daar zijn we eindelijk op de hoogte, de machine zwijgt, de optocht gaat wat sneller, we beginnen te dalen naar de kloof van Longopotamos. Ik bespeur links een of twee huizen, tegen de helling van den berg geleund, niet ver van de ruïnen van een kasteel, dat stellig uit de Middeleeuwen stamt. Dat zijn sedert Hexamilia de eerste huizen, die ik ontmoet, en deze weg is een der economische hoofdaders van het verkeer in Griekenland! Dan wordt de pas nauwer, de grond lijkt minder onvruchtbaar, want ik zie enkele tuberozen in de diepte van een ravijn. Dus moet er water in de buurt zijn, en inderdaad daar verschijnt vlak naast het station Dervenaki, waar de trein stilhoudt, een khani, herberg, bekoorlijk gelegen, aan den oever van een ruischend beekje in de schaduw van prachtige moerbeiboomen, waarvan het donkere groen heerlijk samenstemt met het zachte rose van andere bloemen. Het schouwspel komt zoo onverwacht, is zoo nieuw voor mij, dat ik een kreet van bewondering niet kan onderdrukken. Men moet als ik zoo langen tijd beroofd zijn geweest van het rustgevend gezicht van een rijk en frisch plantenleven, om te begrijpen wat ik gevoel. Het lijkt mij, of ik uit een woestijn kom; daar zijn dan eindelijk boomen en water, een weldadige vochtigheid, die het groen doet ontluiken, gras, dat het vocht vasthoudt, hetwelk zoo noodig is voor het leven. Het is, omdat Griekenland geen bosschen heeft, dat er geen water is te vinden; het is omdat een onvoorzichtige ontwouding al sinds jaren de bergen heeft beroofd, dat nu de bronnen niet meer vloeien en de rivieren droog zijn. Geen bosschen zonder water en geen water zonder bosschen, dat is een waarheid, welker miskenning den treurigen toestand heeft verwekt voor den landbouw, waaronder het land nu zoozeer lijdt, en waaraan het thans zoo moeilijk is, doeltreffend een einde te maken, zooals ik later nog gelegenheid zal hebben, in het licht te stellen.
Maar de trein is weer vertrokken; het land wordt dadelijk weer kaal, terwijl het dal breeder wordt; we komen in de vlakte van Argos, beheerscht door de kale bergen, die over den weg heen hangen; nog enkele minuten en daar is het station Phyktia-Mycene, waar het rijtuig mij wacht, dat ik uit Nauplia heb laten komen.
In Griekenland wil het gebruik, dat als men een voertuig huurt, het zij een wagen, een paard of een muildier, dat men dan met den koetsier of geleider een, wat men noemt, symphonie sluit, die daarin bestaat, dat het programma van den rit wordt vastgesteld, dat de prijs tusschen de beide partijen wordt besproken en dat men het eens is geworden, wat nooit het geval is zonder lange beraadslagingen. Als die symphonie is gesloten, houdt de Griek zich er angstvallig aan, al is hij anders niet juist bekend om de stiptheid waarmee hij zich houdt aan eenige afspraak. Hij zal wel op het oogenblik, dat de prijs wordt vastgesteld, trachten zooveel mogelijk voordeel te trekken van de kans, die zich hem biedt, maar hij zou zich schamen, wanneer hij na afloop van den rit een enkele lepta te veel vroeg. Het moet echter erkend, dat hij zich schadeloos stelt bij de ongeoefende toeristen, die onvoorzichtig genoeg zijn geweest, niet vooraf een contract met hem te sluiten, en dat hij er geen bezwaar in zal zien, hen twee- of driemaal de waarde van den rit te doen betalen. Ze zullen op dat oogenblik natuurlijk nog kunnen protesteeren, maar het zal hun moeite kosten een afslag te krijgen, gelijk aan wat ze zouden hebben gedaan gekregen, als ze vooraf hadden geaccordeerd.
Natuurlijk zorg ik wel, geen inbreuk te maken op den algemeenen regel, en volle vijf minuten besteed ik in den brandenden zonneschijn aan het verdedigen van mijn belangen met al de scherpte, waartoe mij de nog zeer rudimentaire toestand van mijn kennis van het Nieuw-Grieksch in staat stelt. Eindelijk wordt mijn reiszak opgeladen, en een half uur later kom ik te Kharvati, waar ik zal ontbijten. Ik heb zelden iets ellendigers gezien dan dat droevige gehucht met zijn huizen van gedroogde aarde, waar enkele vrouwen in lompen zitten te weven aan primitieve weefstoelen, waarop ze grove katoenen stoffen vervaardigen. De herberg deelt in de algemeene sjofelheid; onder het groote strooien afdak, dat de algemeene zaal slecht beschut tegen de brandende zon, woelen zwarte varkens in het vuil; binnen zitten eenige dorpelingen aan een waggelende tafel; de gewitte muren zijn gescheurd, een vloer is er niet, en er hangt een keukenlucht van schapevet, die iemand allen eetlust moet benemen.
Ik verheug mij, dat ik te Korinthe vóór mijn vertrek wat mondkost heb meegenomen, want het menu bestaat slechts uit een soort van soep, waarin vettige vezels drijven in een bruin en schuimend vocht. Voor niets ter wereld zou ik dat gerecht willen proeven, en ik stel mij tevreden met mijn koud gerecht, dat ik besproei met den harsgeurigen wijn, door het huis verstrekt. Toen ik de eerste maal dat vocht proefde, dacht ik waarlijk, dat men mij bij vergissing een medicijn voorzette. Het was te Delphi het vorige jaar, waar ik in het gezelschap was van een lid van onze school van Athene, die al aan Griekenland gewend was, en zich wel wachtte mij te waarschuwen. Het was mij, of ik terpentijn dronk. De beginselen van de wijnfabricage zijn in Griekenland nog zoo weinig bekend, dat men, om den wijn eenige jaren te kunnen bewaren, in het vat een stuk hars werpt, dat er een afschuwelijken smaak aan geeft. Vooral de roode wijn, dien de Grieken mavro crassi noemen of zwarten wijn, heeft allen natuurlijken smaak verloren door de rare toevoeging en krijgt iets scherps, dat zich voegt bij de zwaarte, die aan de zuidelijke wijnen eigen is. Voorwaar het is geen pretje, zulk een drank, die zelfs niet de verdienste heeft versch te zijn, in die warmte in een vuile herbergkamer te moeten drinken, en ik twijfel eraan, of de oude Grieken, voor wie het druivennat nectar was, zoo weinig kieskeurig zijn geweest, om hun gehemelte, aan goede en lekkere dingen gewend, te onderwerpen aan de proef van dezen harswijn, die mij al tot de minst wenschelijke nieuwigheden schijnt te behooren, door het moderne Griekenland ingevoerd.
Een honigkoek van den Hymettus vormde het dessert. Ik herinner mij, dat toen ik in de eerste tijden van mijn verblijf te Athene naar de zoo zuivere lijnen van dien berg keek, waar zoo weinig plantengroei te zien was als in de oneindige woestijn, dat ik toen verbaasd mijzelven afvroeg, wat er voor de bijen wel te halen mocht zijn op die verlaten hoogten, waar de wandelaar slechts naakte rotsen ziet zonder eenige struik of bloem. Ik zocht al sedert lang naar de oplossing van dat raadsel, toen ik in een gesprek toevallig hoorde, dat die beroemde honig eenvoudig perenstroop was, waar de bijen niets of zoo goed als niets mee te maken hadden. Maar ik wil liever blijven gelooven, dat de Hymettus van de Oudheid werkelijk bloemrijk was en dat de bijen er een ruimen oogst van suikerhoudend sap konden vinden, want anders zouden de dichters, die den berg hebben bezongen, en wat zijn ze talrijk geweest, hun verbeelding de perken te buiten hebben laten gaan.
Terwijl ik mijn maal besluit, nieuwsgierig aangekeken door het kind van den huize, dat met de beide handen op den rug vóór mij bleef staan met wijd geopende oogen, zijn er nog een paar liefhebbers van de bruine soep binnen gekomen en jagen de vogels weg, die puffend van de hitte, een schuilplaats zijn komen zoeken onder de wankele tafeltjes. Er komt geen geluid van buiten, behalve nu en dan een ongeduldigen voetstap van een der paarden van mijn rijtuig, door een beest gestoken; de stoffige weg brandt, en op het veld schroeien enkele magere grassprietjes. Wat zal het hier zijn in den tijd van hoogsten zonnestand, als het in de lente er reeds niet is uit te houden van de hitte als in een fornuis?
Vastbesloten, mij niet door de indolentie te laten overweldigen, geef ik mijn koetsier een wenk, die al brommend, want het is middag en dus het uur van rust, met zijn span het brok muur verlaat, waarachter hij wat schaduw had gezocht. En weer zijn we op weg naar Mycene.
Pas zijn we de laatste huizen van Kharvati voorbij, of de weg loopt door een kloof van indrukwekkende schoonheid. We hebben rechts van ons een diep ravijn met de ruïnen van een brug uit den Cyclopentijd, terwijl rondom ons hooge, steile rotsen zich verheffen, zoo steil, dat ze onmogelijk op hun hellingen genoeg aarde kunnen vasthouden, om nog zoo’n kleinen boom te kunnen voeden. Daar vertoonen zich veel grijze steenen en puin en iets wat op fondamenten gelijkt. Het zijn de ruïnen van de eigenlijke stad, die in het smalle dal zich uitstrekte, waar ik nu ben. De stad werd verdedigd door een lijn van muren, waarvan nog overblijfselen te zien zijn op de bergen links en langs het verdroogde riviertje. Op den achtergrond, tegen den berg geleund, in een echten kring van rotsen, aanschouw ik eindelijk de vervloekte stad, rood in het licht der ondergaande zon.
Dit tooneel van de duistere heldendaden van het geslacht der Atriden heeft wel een decoratie, die erbij past, en denkend aan de verschrikkelijke drama’s, hier afgespeeld, herinner ik mij plotseling, bij Edmond About te hebben gelezen, dat hij diep was getroffen geweest door de overeenkomst, bestaande tusschen het stroeve karakter van de woeste streek en de herinneringen, die rondwaren op deze plaatsen van sombere verschrikking.
Sedert de geruchtmakende opgravingen van den heer Schliemann dertig jaren geleden, is de aandacht der archeologische wereld meer en meer op Mycene gevestigd geworden, op de goudstad, zooals Homerus haar noemde. Men heeft zoo goed losgemaakt wat er restte van de bouwwerken der acropolis, dat de toeschouwer zich werkelijk een zeer heldere voorstelling kan maken van het leven in die lang vervlogen tijden. Ziehier eerst de prachtige cyclopenmuren, gemaakt van enorme blokken van meer dan een kubieken meter, en op elkander gestapeld tot een hoogte van zes meter. Ze omringen met hun imposante massa de beroemde Leeuwenpoort, met den driehoekigen steen, waarop ruw twee leeuwinnen zijn gehouwen, die tegenover elkaar op een zuil leunen. Daardoor treedt men de vesting binnen.
Terstond begeef ik mij naar de agora, een cirkelvormig terrein met nog de concentrische rijen steenen banken, waar de leden van den raad der grijsaards plaats namen, die zoo dikwijls in de Ilias worden genoemd, en onder welks grond de graven zijn ontdekt. De weduwe van den heer Schliemann, die ik persoonlijk te Athene heb gekend, was nog diep ontroerd, toen ze mij van die opgraving vertelde. Toen de deksels der sarcophagen werden opgelicht, zag men geraamten, geheel bedekt met bladgoud, maskers van goud om de schedels, gebeeldhouwde rustingen, sieraden van de fijnste bewerking, schitterende diademen, en er ging een gevoel van onbeschrijfelijke geestdrift door de aanwezigen. Mocht men niet bezweren, dat men in de tegenwoordigheid was van de graven van Agamemnon en zijn lotgenooten in het ongeluk, volgens de overlevering in de acropolis begraven? Die hypothese heeft veel voor, en al zou ze worden betwist, toch blijft het gewicht van deze mooie ontdekking even groot en maakt van de zaal van Mycene in het museum te Athene een der schitterendste archeologische verzamelingen uit Europa.
Over de treden van een monumentale trap aan den ingang van het paleis van den koning der koningen, betreed ik een ruimte, waar nog de resten van een ronden haard zijn te zien. In deze ruimten zijn de bloedige tragedies afgespeeld, die door niets in gruwelijkheid kunnen worden overtroffen en die mij op dit oogenblik met aangrijpende duidelijkheid voor den geest komen. Met het hoofd vol oude homerische herinneringen, vermengd met gedachten aan mijn schooljaren, ga ik weer door de Leeuwenpoort, begeerig om nog, eer ik Mycene verlaat, de koepelgraven te zien, die buiten de vesting zijn opgericht, waarvan er een, naar men zegt, het lijk van Clytemnestra bevatte, die niet waardig werd gekeurd, om te rusten binnen de omheining, die door haar was onteerd.
Wat vaststaat is, dat die koninklijke graven, die in de nabijheid zijn aangelegd, van veel later datum zijn dan die uit de acropolis. Het merkwaardigste er onder, bekend onder den naam van den Schat van Atreus, is naar het zeggen van de aanvallers van den heer Schliemann niet anders dan het echte graf van Agamemnon. Het is ver van mij, partij te willen kiezen in deze oudheidkundige vraag, die niet tot mijn competentie behoort, en waarvan de oplossing in den eenen of den anderen zin niet toe of af doet tot het zeer wezenlijke belang van dit grafmonument. Een mooie laan, geopend langs de helling van den berg en door muren omringd, geleidt naar de poort van de onderaardsche ruimte; zoodra ik die ben doorgegaan, bevind ik mij in een prachtige zaal in den vorm van een bijenkorf, twaalf tot vijftien meter hoog en verwonderlijk goed onderhouden. De steenen, die op elkaar waren gezet, zijn daarna uitgehold, tot men de gewenschte bocht kreeg, en vervolgens werden in de openingen tusschen de steenen een zeker aantal kleine, spitse steenen gestoken, om aan het geheel de noodige stevigheid te schenken. Thans bestaat dit bouwwerk bijna drie duizend jaren, en ik weet niet, dat het ooit een reparatie heeft noodig gehad. Zou men hetzelfde kunnen zeggen van de gewelven onzer kathedralen of van andere bouwwerken, die nog moderner zijn en die zoo dikwijls verscholen zijn achter steigers, voor den teleurgestelden toerist het eenige, wat hij te zien krijgt?

Bergkloof bij Mycene.
Een tweede zaal, kleiner en lager, eenvoudig in de rots uitgehouwen en totaal donker, diende als grafkamer, terwijl de groote, die rijk versierd was, de offeranden bevatte, alsook de wapens en de sieraden van den doode. Juist dezelfde schikking vindt men terug in een ander van die koepelgraven, op enkele minuten afstands van het zooeven beschrevene en dat gewoonlijk het graf van Clytemnestra wordt genoemd, veel minder goed bewaard dan het eerste, en waar men slechts vrij onbeduidende voorwerpen in heeft aangetroffen.
Ik ben nu aan het einde van het bezoek aan deze in nevelen gehulde en prehistorische stad; nog eenmaal omvat ik met den blik alle steile rotsen met hun vergeeld gras. Overal vertoont het zaaisel zijn kracht in enkele donkergroene plekken; groote uitgestrektheden katoenboomen en korenvelden, die al goudkleurig zijn, wisselen af met tabaksvelden; de citadel van Argos steekt in de vlakte vooruit op haar rotskaap; de cyclopische massa van Tirrhyns springt alleen naar voren uit de gele velden, en heel in de verte ziet men Nauplia en zijn witte huizen, met schaduw overtogen door de rots van Palamedes, die, van hier uit gezien, door de steile helling gelijkt op de rots van Gibraltar, en eindelijk in de verte de blauwe golf, waar lichte zeilen zich op vertoonen.
De weg is stoffig, en de hagen aan de zijden zijn geheel wit; op de velden is het druk, want het oogenblik is reeds gekomen, waarop haver en rogge moeten geoogst. Boerinnen gaan voorbij met de kruik van roode aarde op den schouder; de sierlijke beweging van den arm, die lichtelijk is gebogen, doet de vormen van haar lichaam onder de lichte bedekking goed uitkomen. Met haar korte rokjes en op de bloote voeten, gaan ze drinken brengen aan de arbeiders op het land, lachend om het stof, dat ze opjagen en om den wind, die in de laatste oogenblikken heviger is geworden en die haar loop vertraagt en haar in het gezicht striemt. “Wees welkom onder ons”, zoo roept mij een der vrouwen toe met haar helderen blik, “en kom eens kijken naar het werk der boeren van Argos!”
Er is daar juist een groep mannen bezig niet ver van den weg; het is nog niet laat genoeg op den namiddag, om te weigeren aan die onverwachte uitnoodiging te voldoen. Men komt om het rijtuig heen staan, er worden mij warme en vochtige handen toegestoken en daar ben ik onder de boeren verzeild, die vertrouwelijk en goedig zijn te midden van de rijpe aren op den grond. Ze hebben hier een eigenaardige manier van dorschen; ik had reeds opgemerkt, dat er langs den weg op geregelde afstanden ronde, ruw geplaveide plekken waren, en ik vroeg mijzelven af, waar die wel voor mochten dienen. Ik kreeg spoedig een antwoord, toen ik mijn vrienden aan het werk zag.
Zoodra de halmen zijn afgesneden, gewoonlijk met de sikkel, brengen kinderen ze naar den dorschvloer, waar ze worden uitgespreid. Twee paarden, gespannen voor een soort van houten kist vol steenen, waarop, ten einde het gewicht te vermeerderen en ook voor amusement, jongens en meisjes zijn gezeten, loopen aanhoudend in een kring rond en dorschen het graan. Als die bewerking is afgeloopen moet men, eer een nieuwe voorraad koren op den vloer wordt gebracht, het graan zuiveren van de onreinheden. Om dat te doen werpen vrouwen, voorzien van een soort van houten schoppen, het koren omhoog in den wind, en weldra zijn er twee hoopen gevormd, de eene van het kaf, dat eraf is gevlogen en een andere van het zwaardere, in de buurt gevallen graan. Het is een bewerking, die te verdedigen is, als de wind niet te hevig is, maar als er een frissche bries waait zooals nu, bespeur ik, dat een aanzienlijke hoeveelheid wegvliegt en dat de menschen op die wijze een goed deel van hun oogst verliezen. Als men bedenkt, dat ondanks de uitstekende hoedanigheid van sommige gronden in Griekenland de opbrengst lang niet is, wat ze moest wezen, door de zorgeloosheid en de weinige geldelijke hulpmiddelen, waardoor de boeren er niet toe komen hun gronden te verbeteren, dan kan men nagaan, wat ervan terechtkomt na zulk een weinig rationeele behandeling.

Wat er over is van het paleis van Agamemnon.
Maar de tijd is gevorderd onder deze overdenkingen; Argos is thans vlakbij. Daar verrijst de kegelvormige berg van Larissa; de wind doet van het witte klooster Panaghia op de helling klokketonen tot mij overkomen, aankondigend, dat Christus is opgestaan, terwijl hooger op den berg een frankisch kasteel in puin zijn vervallen kanteelen toont. Aarden muren, gelijk aan die uit de oasen van Soedan, dragen platte daken of terrassen. De café’s uit de hoofdstraat zijn vol menschen; boeren uit de vlakte en zelfs uit het binnenland van den Peloponnesus doen er zaken, en daar ze allen nog al heftig zijn, gaat het er luidruchtig toe. Maar het is gelukkig veel geraas en weinig wol, en de vuile politieagent, die in zijn blauwe uniform rondwandelt, kijkt zelfs niet om, als er aan zijn oor scherpe woorden klinken. Hij weet wel, dat ze naar alle waarschijnlijkheid geen gevolgen zullen hebben en dat er altijd nog wel tijd zal wezen, om, als het noodig wordt, een mooi verzoeningsspeechje te houden.

Het graf van Klytemnestra.
De eerbied van den Griek voor woorden is slechts te vergelijken met zijn liefde voor de mooie geste; de zinnen van het gewoonste gesprek gaan bij hem altijd gepaard met betoogingen door handen of armen; maar als hij in een twistgesprek is of zijn belang moet verdedigen, stijgt die hartstocht voor bewegingen tot het hoogste; het lichaam wordt voorover gebogen, de oogen puilen uit hun kassen, en men gaat meenen, dat er een vuistgevecht ophanden is, terwijl een seconde later alles tot de grootste kalmte is teruggekeerd. De opwinding heeft een gewonen uitweg gevonden.
Veel van die vermakelijke tooneelen doen zich voor terwijl ik door Argos loop, dat nu wel zeer vervallen is van zijn vroegere grootheid. Een alleenstaand gebouw, de schouwburg, die aan de stad door de Romeinen werd geschonken, is het eenig overblijfsel, dat herinnert aan de rol, die de stad heeft gespeeld. Op de halfvergane treden van dien schouwburg werd indertijd de eerste vergadering gehouden, toen in den vrijheidsoorlog het nieuwe koninkrijk gesticht was. Verschanst in de acropolis, hield Ypsilanti roemrijk stand tegen het turksche leger, en dat verscheiden dagen achtereen. Argos bewaart die kostbare herinneringen uit het mooiste gedeelte van de moderne grieksche geschiedenis als iets kostbaars, en de ligging der stad te midden van een vruchtbare streek in de nabijheid der zee moet haar een waarborg zijn, dat er weer tijden van voorspoed zullen volgen.
De bergen werpen reeds groote schaduwen over de vlakte, die ik nu in de volle breedte moet oversteken, om van Argos naar Tirrhyns te gaan. Twee vermolmde houten bruggen zijn over de bedding der Charadros geslagen en over die van de Inachos, waar nog een weinig water in is om dezen tijd van het jaar. Dan passeeren we windmolens, die luidruchtig draaien met hun groote wieken en gescheurde zeilen. Die bouwsels schijnen dan toch te zeggen, dat de boeren hun oogst niet naar de vier windstreken laten vliegen! Weldra houdt het rijtuig stil onder het afdak van een kleine khani; ik ben aan den voet van de acropolis van Tirrhyns.
Deze hoogte, alleen staand te midden van de velden en zich niet hoog boven de vlakte verheffend, ziet er niet zeer indrukwekkend uit. En toch was het volgens, de legende hier, dat Menelaus al zijn huiselijk leed ervoer. Terwijl ik door de bouwvallen dwaal, door de ruimten, waar het huisaltaar stond, waar de slaven en bedienden woonden in dat oude tijdperk van primitieve grootheid, moet ik mijzelven afvragen, hoe de menschen zulke kolossale steenen omhoog hebben kunnen krijgen, door welke hulpmiddelen zij ze op elkander hebben kunnen stapelen, en ik ben verstomd van bewondering en verbazing.
De wind blaast door de spleten van de steenen en schudt de boompjes, die met hun groene takken de resten overdekken van een voor altijd ondergegane beschaving. Mycene rechts van mij is in den nevel bijna niet te onderscheiden; de citadel van Argos vóór mij, die van Nauplia links zullen alleen worden verlicht door de laatste stralen van de ondergaande zon, die achter de bergen verdwijnt; een gevoel van onbestemde somberheid en melancholie vervult mijn gemoed; het is of het gehuil van den wind een klaagtoon is van al, wat hier gestorven is in den loop der eeuwen. Het is mij, of de grootsche stem der natuur protesteert tegen de tegenwoordigheid van den vreemde hier in deze doodenstad van reuzen, wier eeuwigen slaap men niet moet storen. Ik haast mij om uit dit neerdrukkende groote verleden weer voeling te krijgen met mijn tijdgenooten, en met een echt kinderlijke vreugde hervind ik in de khani den trouwen amaxa, die mij terug zal brengen naar Nauplia.
Een officiëele landbouwschool, gesticht door Capo d’Istria, die hier goed ter plaatse is te midden van de vruchtbare alluviale landerijen, ligt aan onzen weg. Ik wenschte voor Griekenland, dat men erin slagen mocht, geslachten van kundige boeren er te kweeken, die voor goed zouden breken met de verouderde methoden, waar ik staaltjes van heb gezien. Maar ik durf het niet vast te gelooven; de school bestaat al meer dan zeventig jaren en ik vraag mij af, welk onderwijs de leerlingen, die er zijn opgeleid hebben genoten en hoe ze het in practijk hebben gebracht.
Nu komen de moerassige terreinen, grenzend aan de diepte van de Golf; de weg, omzoomd met mooie platanen, loopt langs de zee; Nauplia, in verdiepingen opgestapeld op de rotsen van den heuvel Itsch-Kalé, kijkt in de vlakte van Argos; hoorngeschal klinkt uit het fort Palamedes, dat, half gevangenis, half kazerne, als een zwaar blok boven ons hangt. Wij gaan door den ringmuur der stad en dan door een doolhof van straatjes, vol modderpoelen, waar mijn rijtuig met totalen ondergang wordt bedreigd en bereiken eindelijk de haven en het vreemdelingenhotel. Uit de vensters van de eetzaal bespeur ik de Golf, welker water nu paars is, terwijl een lichtrose tintje nog op de bergen hangt van Arcadië. De wind is bijna geheel gaan liggen, en de laatste booten met witte en roode zeilen van verschillenden vorm, komen de eene na de andere aanleggen aan de kade, waar reeds, in afwachting van den nachtdienst van Paschen, de heele wereld van Nauplia tusschen de blauwe uniformen der officieren van het garnizoen heen en weer wandelt.
En terwijl ik mij vermaak met de gezellige drukte, merk ik op, dat de mannen in het algemeen, voor zoo ver ze tot het volk behooren, de roode fez dragen en de lage muilen. Er zitten er ook naast mij, die kalm de narghilé rooken, die hun wordt gebracht geheel klaar, zooals men in Europa de vertering brengt; anderen laten met de oogen in het vage de grove kralen van den rozenkrans door de vingers glijden, die in het Oosten zoo algemeen is, en welke machinale beweging meer een tijdverdrijf schijnt dan een werkelijk gebed.
De nacht is warm en helder; de klok van een kerk begint te luiden met versnelden pas; daar antwoorden andere met scherper of doffer klanken, en het is een vreemde cacophonie, waarin zich zoo nu en dan de zware tonen mengen van het carillon der kathedraal. Christus is opgestaan, en de menigte vult de kerken. Ik ging binnen in die van den Heiligen Geest, waar Capo d’Istria verraderlijk werd vermoord en maakte, als iedereen, het teeken des kruises met de aaneengesloten drie voorste vingers van de rechterhand, achtereenvolgens gebracht naar het voorhoofd en naar de borst ter rechter en ter linker zijde. Het heilige is als in alle byzantijnsche kerken gescheiden van het overige gebouw door een wand, bedekt met vrome platen, die door de geloovigen worden gekust onder aanhoudend maken van het teeken des kruises; in het midden staat het altaar, overgoten van licht en zichtbaar door een getraliede poort. De koorzangers zingen psalmen zonder begeleiding; ze zijn als de priesters in een lang zwart gewaad gekleed met hoog opgestoken haren onder de hooge cylindrische muts.
Maar daar komt de priester in zijn met goud geborduurd misgewaad; zijn lange baard en zijn spierwitte haren omringen het patriarchengelaat met de zachte en toch mannelijke trekken; hij zingt langzaam enkele woorden, en de menigte knielt met het gelaat tot den grond gebogen. Toen, terwijl het koor een litanie begint, die mij treft door haar grootschheid, worden de kaarsen aangestoken in de handen der geloovigen; daarboven in den toren worden de klokken heftig bewogen; dit is het plechtige oogenblik; de deur van het koor wordt geopend, de pope verschijnt in al zijn waardigheid met een gevolg van geestelijken op den drempel: “Broeders,” zegt hij met bevende stem, “Christus is opgestaan, Christos anesti!” Dadelijk vallen de geloovigen elkander in de armen en kussen elkaar op het voorhoofd, terwijl ze met het koor meezingen het Paaschhalleluja. Buiten maken de voetzoekers lawaai, vensters worden met bengaalsch vuur verlicht, en de vreugde zal den ganschen nacht duren.
Die kreet van “Christos anesti”, die door heel Griekenland vandaag weerklinkt, wekt mij vroolijk te Nauplia, zoodra deze mooie Paaschmorgen is aangebroken. De kellner van het hotel heeft terstond behoefte, zijn geestdrift te uiten. De menschen omhelzen elkaar allen onder de begroeting met dezelfde formule.
Een officier uit Athene had mij een brief van aanbeveling meegegeven voor een van zijn kameraden te Nauplia, opdat ik toegang zou kunnen krijgen tot de kazerne en de traditioneele Paaschfeestelijkheden zou kunnen bijwonen. Eer ik mij naar hem toe begaf, werp ik een blik op den obelisk aan de haven, opgericht ter herinnering aan den daadwerkelijken steun, dien Frankrijk aan Griekenland verleende in de epische tijden van den vrijheidsoorlog. Het moge waar wezen, dat de Grieken babbelachtig en oppervlakig zijn, ik merk toch met genoegen op, dat ze niet vergeten, en dat ze in hun geheugen de namen bewaren van een Fabvier en een Maison. En nadat ik dan door de breede, goed geplaveide straat heb geloopen met de rijen mooie platanen, kom ik in een labyrinth van nauwe straten, waar uithangborden met gevleugelde leeuwen aan de venetiaansche overheersching herinneren, terwijl een huis met een door sierlijk traliewerk afgesloten balkon de turksche regeering voor den geest roept.
Het fort Palamedes, dat ik natuurlijk moest bestijgen, is alleen toegankelijk van den kant der stad. Een duizendtal treden, in de rots gehouwen tusschen cactusstruiken door, voeren naar de wallen der citadel. Van een torentje uit, dat letterlijk over de huizen van Nauplia heen hangt, bewonder ik een oogenblik het prachtig panorama aan mijn voeten. Op het binnenplein der kazerne dansen de soldaten, en het feestrumoer der stad klinkt tot hier door. Daarachter het schiereiland Itsch-Kalé, dat de haven beschermt tegen den zeewind. Door de plechtigheid van het Paaschfeest ben ik verhinderd geworden, om de noodige stappen te doen ter verkrijging van de machtiging tot een bezoek aan de citadel; niet, dat ze zoo ingewikkeld zijn, maar de plaatsbureau’s waren dezen morgen verlaten, en ik heb den dienstdoenden officier niet te spreken kunnen krijgen. Ik bekijk het kasteel dus van den buitenkant. Het is door de Franken gebouwd, versterkt door de Venetianen en voorzien van zeven redoutes, waarvan twee de onverwachte namen dragen van Miltiades en Themistocles. Mijn blikken bleven lang hangen aan de duizelingwekkende steilten, afdalend naar de zee, waar in de diepte het eiland Spezzia lag, terwijl tegenover mij Arcadië gloeide in de zon en rechts de groene vlakte van Argos zich ontrolde naar de dorre eenzaamheid van Mycene.
Eindelijk begaf ik mij naar beneden en vond in de kazerne de officieren en de soldaten nog bezig met de toebereidselen van het Paaschmaal. Er brandden op het plein groote vuren, waar lammeren in hun geheel op werden gebraden. Een groote stok, door hun lichaam gestoken, rustte op twee kruiselings staande stokken, geplant in de aarde aan weerszijden van het vuur, en een soldaat deelde aan het primitieve toestel een zacht draaiende beweging mee, terwijl de anderen hem aanmoedigden met gezang, en met welbehagen onderwijl de geuren opsnoven van het gebraad. De tafels zijn klaargezet onder groene priëelen, waar aanstonds de maaltijd zal beginnen. Behalve het lamsvleesch, het hoofdgerecht, bestaat het menu uit harde eieren, brood en sinaasappelen, alles besproeid met den harsachtigen wijn, waarvan ik zonder smaak een glas drink op de gezondheid der soldaten. De officieren meenen zeker, dat ik dien drank afschuwelijk moet vinden, maar ze kunnen op mijn gezicht geen enkel teeken van afkeuring lezen, en ze lachen er om op een manier, die mij niet weinig amuseert.
Den volgenden morgen werd ik door een telegram naar Athene en mijn werk teruggeroepen; maar eenige maanden later was een gelukkige samenloop van omstandigheden de oorzaak, dat ik een week verlof kon krijgen voor een nieuwen tocht naar het Zuiden van den Peloponnesus. Het seizoen is gunstig, om een reis van dien aard te ondernemen; niets wijst er nog op, dat de herfst nabij is, maar de drukkende warmte van Juli heeft plaats gemaakt voor prachtige Septemberdagen, zonnig en helder en op deze breedte nog lang en warm, zoodat men zich in den vollen zomer kan denken. Ik was enthoesiast over het vooruitzicht, niet langer voor eenige dagen het scherpe stof van Athene in te ademen; ik droom van groene wouden, waar beekjes murmelen, ik verlang naar de koelte, naar de zuivere lucht, die ik in vier maanden niet heb genoten en die ik hoop te vinden eerst op de zee en dan in het eenzame bergland.
Mijn licht bundeltje is dan ook spoedig gesnoerd; verscheiden blikjes, die vernuftig ter plaatse kunnen worden warm gemaakt, insectenpoeder, een paar geneesmiddelen, die men moeilijk ontberen kan in warme landen, zijn met het strict noodige, een deken en de getrouwe kodak, de lijst van mijn hebben en houden.
Ik kom aan den Piraeus, waar de “Aphrodite”, een boot van de Panhelleensche Maatschappij, naar Marathonisi gaat vertrekken. In de buurt van de eetzaal aan boord heerscht evenals op de “Haghios Nikolaos”, die mij vroeger naar Korinthe bracht, een walgelijke geur, en, de kooien zien er al even weinig aanlokkelijk uit. Het zou wel kunnen zijn, dat ik mij van nacht aan lastige gevechten zal moeten wijden. Het is hier zoo vuil, dat ik mij afvraag, of het dek wel ooit wordt schoongemaakt, terwijl een blik in de keuken genoeg is, om iemand allen eetlust te benemen.
En ik zal hier achttien uren moeten blijven! Wij zouden om elf uur in den morgen van den Piraeus vertrekken, maar het werd twaalf uur. De kapitein verzekerde mij, dat we een prachtigen overtocht zouden hebben. Trouwens de zeeziekte verontrust mij niet erg.
Daar roept de bel de passagiers naar de eetzaal. Ik moet mee aan tafel, hoe weinig animeerend ook de keuken hier is door het gebruik van schapevet. Na verloop van een half uur kan ik eindelijk op dek gaan, om daar den namiddag door te brengen. Reeds wordt Aegina kleiner door den afstand en laat ons van dezen kant zijn steile wanden zien, bedekt met een donkeren plantengroei. Boeren zijn op het voorschip geïnstalleerd, sommigen zittend op veelkleurige koffers, anderen op ruwe dekens van roode wol; een van hen zingt onder begeleiding van een rustieke luit volksliedjes; en de anderen praten over de kleine gebeurtenissen van hun leven, steeds onder het aflezen van hun rozenkrans.

Een byzantijnsch kerkje.
Bij het vulkanisch schiereiland Methana dringt de “Aphrodite” binnen in de nauwe doorgang, die Poros van Argos scheidt, waar de oranje- en citroenboomen beschut zijn door het prachtige scherm van de bergen. Er worden toebereidselen gemaakt voor een landing in het stadje, dat schilderachtig op de rotsen is gelegen en waar het eerste maritieme arsenaal van het jonge koninkrijk werd gevestigd. Booten, overvol met menschen, komen naar ons schip in groote wanorde. Pas zijn de passagiers en de goederen overhaast aan boord gebracht, of de schroef zet zich weer in beweging, terwijl ieder een plaatsje zoekt, door de vertrekkenden open gelaten. Het zal intusschen niet voor lang zijn, want deze menschen gaan naar het eiland Hyera, dat zich al gauw vertoont, als we om kaap Skyli zijn gevaren, die aan den oostkant de uiterste punt van den Peloponnesus vormt.

Nauplia en kaap Itsch-Kalé.
Een uur later gaan we Spezzia in open zee voorbij aan den ingang van de golf van Nauplia; die haven is met Salamis de voornaamste oorlogshaven, maar ze kunnen beide niet wedijveren met de groote oorlogshavens. Het was een heerlijke avond aan boord, en het gezang van de eenvoudige lieden uit het volk wiegde mijn gedachten aangenaam in zoete rust. Een poging om beneden slaap te vinden liep op niets uit, en al spoedig was ik weer aan dek, om daar den morgen af te wachten.

Ruïnen van het oude Misthra.
De dag brak aan, toen we de golf van Marathonisi voorbijvoeren en den steven naar het Noorden wendden, om tegen acht uur aan de moderne kade van de gelijknamige stad te landen. Daar word ik aan wal gezet en wandel dadelijk de stad uit naar een weg over de rotsen langs de zee, waar ik de “Aphrodite” een laatsten groet kan brengen, zooals ze daar voor anker ligt achter in de baai; de hoeven van het muildier slaan luide op de steenen, terwijl de schoenen van den agoyaat en van den gendarme, van voren opgewipt als een voorsteven van een schip, zacht voorschuiven. De brave militair ziet er niet bar uit in zijn vuilblauwe uniform, en ik moet onderweg meermalen denken, dat, als ons iets overkomt, zijn tegenwoordigheid mij van weinig nut zal zijn. Er worden mij, sinds ik in Griekenland ben, zooveel verhalen verteld van den moed der inwoners van dit land, dat ik geëindigd ben met er niet veel van te gelooven en te denken, dat er weinig durf onder hen is en dat in het bijzonder degenen, die mij vergezellen, wel in staat zouden zijn, om in geval van gevaar met den vijand te heulen. Voor het oogenblik stellen ze zich tevreden met het zingen van een lied; om beurten heffen ze een couplet aan, en dat zal zeker wel duren tot bij kaap Matapan. Dus heb ik alle gelegenheid, zwijgend het prachtige land te bewonderen, dat we zijn binnengaan.
Een afgevaardigde naar de volksvertegenwoordiging, de Mavromichalis, die reeds meermalen minister is geweest en die te Athene een geziene staatkundige positie bekleedt, had mij dikwijls aangeraden deze reis te doen; hij zei mij, dat de bewoners van dit smalle schiereiland vreemde gewoonten hadden behouden in hun woeste schuilhoeken en dat ze verdienden, dat men hen beter leerde kennen. Toen ik dan ook besloten was, te gaan, zocht ik den heer Mavromichalis op, toen minister van Binnenlandsche Zaken, en hij kondigde mijn reis niet enkel aan de autoriteiten aan, maar moedigde zijn partijgenooten aan, mij vriendelijk te ontvangen. Ik stelde die daad te meer op prijs, omdat de gesprekken, die ik met den staatsman had gehad, mij voldoende op de hoogte hadden gebracht van de sociale toestanden in het zonderlinge land.
De Mainoten, die zich de rechtstreeksche afstammelingen noemen van de Spartanen die voor de barbaren vluchtten, hebben van die vermeende voorvaderen het onbuigzame karakter en de strenge zeden. Ze hebben krachtig weerstand geboden aan de Turken, die hen nooit hebben kunnen onderwerpen. Al den tijd van de ottomaansche overheersching was er een aristocratie van familiehoofden, zooals de Mavromichalissen, die tegenwoordig in hun salons te Athene de reeks hunner voorvaderen in de kleeding der Palikaren vertoonen, en betwistten elkander het bergland in een onophoudelijken strijd, bestaande in vendetta’s, roof- en moordpartijen. Toen we door het kleine dorpje Mavrovoeni reden, merkte ik op, dat enkele huizen van schietgaten zijn voorzien. De mannen kijken mij aan met een trotsch en vijandig voorkomen.
Al spoedig hebben we het riviertje de Vardoenia achter ons gelaten, en op den Passaheuvel bespeur ik de overblijfselen van een kasteel, dat oudtijds bestemd was, de aanhoudende opstanden in het land te beteugelen, dan een ander, waar niemand zich vertoont, en we verlaten de nabijheid der zee, om aan zijn voet het voorgebergte af te snijden, dat in kaap Pagania uitloopt. Tusschen kleine eiken en wat heidekruid loopt de weg, en aan alles is te merken, dat de streek weer armer wordt.
In de schaduw van een niet uitgegroeiden den houden we stil en ik gebruik een vluchtig ontbijt, terwijl mijn oog rust op de ingesneden toppen van den Taygetos, wijkend naar het Zuiden nu onder den naam van Kako Voeni, dat is “slechten berg”. En inderdaad dit is een somber land, een opeenhooping van steile rotsen onder de brandende zon, met hier en daar kloven en afgronden, waarboven arenden en gieren zweven. Den geheelen namiddag volgden we de hellingen van dit reusachtige en woeste bergland, waarbij we slechts twee of drie dorpen passeerden, arme gehuchtjes eigenlijk, en door afgelegen kloven gingen met een dicht struikgewas en vele donkere grotten. Het gevoel van eenzaamheid komt over mij; ook mijn metgezellen loopen zonder spreken voort. Het begint duister te worden, als we Lagia passeeren, en aan de zee is het volkomen nacht. Zij schittert, waar ze tegen de rotsen slaat in het koude licht der maan, en met een gevoel van echte verlichting bereik ik tegen zeven uur in den avond de eerste huizen van Porto-Quaglio.
Terwijl de agoyaat bezig is een onderkomen te zoeken voor het muildier, en de gendarme naar zijn collega’s is gegaan, stap ik de zaal binnen van de herberg, waar het lekker ruikt naar gebraden kwartels. We waren juist in den tijd van den vogeltrek, waarbij dit geurige wild, dat hier overvloedig is, komt uitrusten op de uiterste punt van Europa, eer het zijn vlucht neemt naar Egypte. Ik profiteer dankbaar van de gelegenheid; eenige harde eieren en de onvermijdelijke harswijn, waaraan ik trouwens reeds gewoon raak, voltooien het geurige maal, en dan ga ik opzoeken wat met een stoutmoedig euphemisme mijn bed zou kunnen worden genoemd, een eenvoudige houten krib, goed voorzien van stroo. Maar het kan mij weinig schelen, de vermoeienissen der beide laatste dagen zijn zoo groot geweest, dat een diepe slaap, niet door eenig onaangenaam gesteek afgebroken, dadelijk mijn oogleden sluit.
Om zes uur in den morgen wacht mijn muildier mij reeds, geheel gezadeld, aan de deur van de eenvoudige herberg te Porto-Quaglio, waar ik den nacht heb doorgebracht. Ik haast mij, het zadel te bestijgen. En terwijl de schuine stralen der zon reeds de ontmantelde kanteelen van het kasteel vergulden, dat de stad beheerscht, rijd ik den chaos binnen van de granietbergen aan kaap Matapan; omgevallen menhirs, grotten en holen, waar de zee bruisend binnen dringt, en een sterke reuk van wier en zeegras in de holten tusschen de zwarte rotsen. Het rijden is moeilijker geworden door de hevigheid van den wind, die den voet der gesteenten met schuim omzoomt; daar is eindelijk het uiteinde van het donkere voorgebergte, waar de zeemeeuwen met groote, witte vleugels hun doordringend geschreeuw doen hooren.
De verlaten zee heeft overal witte koppen, en het kleine kapelletje “ton hagion Asomaton”, dat tegenwoordig op de plek staat van het beroemde heiligdom, gewijd aan Neptunus, schijnt te hangen boven een donkeren afgrond. En als ik mij verwijder, geheel onder den indruk van de grootsche doodschheid van deze plaatsen, die getuigen waren van zooveel zeerampen, maakt mijn agoyaat, wiens gevoelens met de mijne schijnen samen te stemmen, devotelijk een kruis, met oogen vol afschuw.
Een uur later is opnieuw de voet van de landengte bereikt, en langs een verschrikkelijk moeilijk voetpad stijgen we weer langs de westkust omhoog, en gaan in de richting van kaap Grosso, die den horizon afsluit met haar hoogen marmeren muur. Deze strook lands, ingesloten tusschen de zee en de gekanteelde toppen van den Taygetos, is het merkwaardigste deel van het land der Mainoten, een streek, bedekt met lage struiken en myrten, waar het strand overal kleine kreken vertoont en veel rotsachtige kapen vol holen, plaatsen, waar de zeeschuimers hun buit verborgen. Het zijn door de zon geroosterde bergen, met veel woeste kloven, waar zich, hangend boven afgronden, verborgen in de groeven tusschen het gesteente, arme dorpjes verschuilen, echte arendsnesten, schuilplaatsen van roovers, het tooneel van vendetta’s met bloed en tranen, en geboorteplaatsen van helden.
Overal ziet men versterkte kasteelen en torens met kanteelen, pyrgoi geheeten, voorzien van schietgaten. Het verbaast mij nu niet langer, dat het een dergelijk land is gelukt, door de eeuwen zijn volkomen onafhankelijkheid te bewaren, en dat men er thans nog de oorspronkelijke woestheid van land en bewoners aantreft. Alles verraadt die bij de Mainoten, vanaf den trotschen trek van hun magere gezichten, omlijst door wapperende haren en met een langen knevel, waarboven de oogen fonkelen, tot de plechtige manier van loopen, de groote physieke kracht en de wijze, waarop ze de wapens dragen, die ze nooit afleggen. Te Kyparisso, te Alika, in alle dorpen die ik doorreis, kijkt men mij vast aan, zonder nieuwsgierigheid, zooals een man zijns gelijke aanziet, en dat is iets, waar mijn reizen mij niet aan aan hebben gewend, sedert ik in Griekenland ben.
Wij houden stil om te ontbijten aan den rand van die groote hoogvlakte, die zich uitstrekt van de kaap tot den voet der bergen, en terwijl ik mijn blik laat weiden over het azuur van de golf van Koroni, in de verte eindigend in kaap Gallo, die met haar zusters, kaap Matapan en kaap Malée de laatste vormt van de drie vingerspitsen dier grove hand, die de Peloponnesus is, herinner ik mij alles, wat de heer Mavromichalis mij heeft verteld van zijn woeste kiezers. Ze zijn dapper en trouw en hebben opgehouden, onder elkander, zooals ze eertijds deden, bloedige gevechten te leveren; maar de politieke strijd neemt nog onder hen een zoo heftigen vorm aan, dat men zich midden in een barbaarsch land waant, zoodra de tijd der verkiezingen is genaderd. In hun wezen rebellisch, wars van alle gezag, verdragen ze slechts met moeite het stelsel van den verplichten militairen dienst, en de afstammelingen van die helden uit den vrijheidsoorlog hebben de grootste moeite, zich te schikken naar de tucht, hoe weldadig die ook zij, van het regiment. Met den geest nog vol van het heidensch bijgeloof, gelooven ze aan de godheden van de zee, aan die Nereïden, die hun holen en grotten bewonen, aan de orakelspreuken, door de rookende ingewanden van dieren gegeven, en als er een der hunnen sterft, laten ze nooit na, onder in zijn doodkist, met proviand voor de sombere reis, ook het kleine geldstukje te leggen, dat Charon van hen zal eischen aan den oever van de Styx.
Hun zeden hebben de oude zuiverheid behouden, en de deugd der vrouwen is enkel te vergelijken bij haar strenge schoonheid. De overspelige vrouw wordt gedood door haar man, en haar medeplichtige wordt door het volk met den dood gestraft. Wee dengene, die de vrouwen hier te nadrukkelijk aanziet, wee hem, die een jong meisje compromitteert! Hij moet haar onmiddellijk trouwen en als hij verdwijnt, zonder de zaak in het reine te brengen aan het eind van de enkele weken, die de gewoonte hem toestaat, is het met het ongelukkige kind gedaan, dat door de ouders koelbloedig wordt gedood, liever dan dat ze haar schande haar laten overleven. En zou men zich hier niet in de tijden van het oude Sparta terugdenken, als men de moeders gevoelloos en met wilde gebaren ziet in de tegenwoordigheid van de lijken van haar bij de vendetta’s gedoode zoons, als die laatste niet in de borst zijn getroffen?
Als ik dan ook, na Pyrgos te zijn voorbij gereisd, in den laten namiddag aan de poorten van Areopolis kom, waar de geheele bevolking met den burgemeester aan het hoofd is samengeloopen, om mij welkom te heeten, en die brave lieden meen te moeten doen begrijpen, dat ik als een goed Franschman hun edel en trotsch karakter bewonder, dat ik een vijand ben van list en leugen, eindig ik mijn toespraakje, dat ik met behulp van het woordenboek zorgvuldig had voorbereid, met de geheiligde formule: “Evcharisto, adelphoi, zito Areopolis! Dank, broeders, en leve Areopolis!” Toen weerklonken er eindelooze kreten en toejuichingen, roode mutsen vlogen in de lucht, er werd geestdriftig in de handen geklapt, het kruit liet zich hooren, en de scherper stemmen van de vrouwen, die ik op mijn woord slechts tersluiks heb aangekeken, mengen zich onder die der mannen, en duizendmaal herhaald klinkt het vol enthousiasme: “Zito o Gallos, zito i Gallia! Leve de Franschman, leve Frankrijk!”
Men ziet, dat de afgevaardigde uit de streek, meer nog dan de minister van Binnenlandsche Zaken, het is geweest, die mijn doortocht heeft aangekondigd, want ik kan geen voet verzetten, zonder dat oogenblikkelijk een sympathiek gestemde menigte op mij toesnelt; men ziet mij nieuwsgierig aan; in de herberg, waar ik ben binnengegaan, om een glas ouzo, nationalen brandewijn, te drinken en eenige olijven te gebruiken, zie ik de kinderen lachen en elkander aanstooten, toen ik in uitstekend Grieksch om kafé kai loucoumia vraag, de geparfumeerde olijven, die lang niet zoo lekker zijn als die uit Konstantinopel.
Het is overal ongewoon druk; groepjes in feestkleedij verzamelen zich aan de deuren; de vrouwen hebben haar beste kleeding aangetrokken, haar boezelaars, met schitterende kleuren geborduurd, haar witte tunica’s of de lange mantels zonder mouwen, die de armen laten zien en een gedeelte van de borst; ze hebben het hoofd bedekt met mutsjes, waar gouden versierselen op zijn aangebracht, meestal in penningen bestaande, op de borst dragen ze allerlei zilveren en koperen sieraden, en om den hals is een lange gazen sluier geslagen.
De mannen in de fustanella, schitterend van witheid, hebben hun crêmekleurig buis aangehouden en de pantoffels met de rozetten van blauwe wol, de vesten vol bonte arabesken en de gordels, waar degens en patroontasschen aan hangen; of wel ze hebben gele laarzen van leder aangedaan, met gouden figuren bestikt, die passen bij de versierselen van hun overkleed. Er wordt mij verteld, dat een notabele gisteren zijn dochter heeft uitgehuwelijkt; naar grieksche gewoonte is de pope laat in den avond aan het huis der bruid gekomen, waar een voorloopig altaar is opgericht; driemaal is de trouwring van de hand des bruidegoms aan die van het jonge meisje gestoken; ze hebben van hetzelfde brood gegeten en uit hetzelfde glas gedronken, om aan te duiden, dat voortaan alles voor hen gemeenschappelijk moet zijn, en, gekroond met oranjebloesem, zijn ze om het altaar heengegaan, gevolgd door de bruidsmeisjes en de bruidsjonkers, terwijl de priesters en de ouders, geknield in een kring, over de jonggehuwden de zegeningen des hemels hebben afgesmeekt. En de bevolking heeft aan het feest deelgenomen; ze is naar het hoogste deel der stad gegaan, waar er schapen voor hen geslacht zijn geworden en waar wijn en confituren zijn uitgedeeld; er is toen den geheelen nacht gedanst op de tonen van allerlei liederen.
Een rijstsoep, die nog al lekker is, olijven in pekel en een stuk rhalva, soort van honingkoek met saffraan en anijs, vormen het menu van het uitstekende maal, dat mij op een hoekje van een wankele tafel wordt voorgezet door een zeer mooi meisje van het land, wier haren, sierlijk in het midden gescheiden, op de schouders hangen. En dan word ik naar mijn kamer gebracht, ditmaal in het geheel niet van een bed voorzien, en waar dit meubel, dat men voor onontbeerlijk zou houden, is vervangen door wat stroo, op den grond uitgespreid. In mijn deken gewikkeld en doodop door de afschuwelijke duwen en stooten, waarop mijn muildier mij zoo ruimschoots had getracteerd op de plaatsen waar de wegen slecht waren, denk ik er slechts aan, nieuwe krachten in te zamelen, om even dapper als vandaag de groote vermoeienissen van morgen te verdragen.
Reeds om vier uur opgestaan, want ik moet ten einde des avonds in Sparta te zijn, vijftien uren per muildier rijden, verlaat ik het gastvrije plaatsje Areopolis, en terstond aan de zee den rug toekeerend, begin ik de hellingen van den Taygetos te bestijgen, waar een diepe insnijding mij een weg door zal banen naar Marathonisi. Voor de laatste maal groet ik het schoone land, dat mij zulke nieuwe en schoone indrukken heeft gegeven en verdwijn in de woeste kloof, waar ik afwisselend eikenboschjes tref, hooge rotsen aan steile afgronden, voetpaden, die nauwelijks te onderscheiden zijn in het rotspuin, en bergwanden, die wonderlijk mooi verlicht zijn en in trotsche majesteit verrijzen. Zoo bereik ik het dorp Karyopolis en zijn ellendige hutten, in het bergland verloren. De menschen hier loopen in lompen, en ik vraag mijzelven af, waar ze van leven op dezen grond, waar de bebouwbare lagen ver te zoeken zijn. Maar ik heb geen tijd, een economisch probleem te doorgronden; nog een paar inzinkingen en daar is de zee weer, daar is het dal van de Vardoenia en spoedig daarna Marathonisi.

Misthra met de oude cypressen.
Het is tien uur; ik neem, niet zonder eenige ontroering, afscheid van mijn braven gaïdoeri en mijn beide metgezellen, die natuurlijk bij de gewisselde handdrukken een toespraakje houden. En op een anderen muilezel, geleid door een nieuwen agoyaat, begeef ik mij enkele oogenblikken later weer op weg naar Sparta en het dal der Eurotas.
Gytheion vertoont op twee tweelingheuvels zijn wankelende stukken muur tot aan den rand van den weg, die nauw wordt ingesloten tusschen de zee en de bergen. Niet ver van daar springt een bron, waarvan het gemurmel over de steenen mij heerlijk toeschijnt. Het is in Griekenland zulk een zeldzaam schouwspel, dat ik er mij een poosje ophoud, om mijn door de heete middagzon gloeiend hoofd af te koelen, terwijl de agoyaat een rietstengel afsnijdt, om er een fluitje van te maken. Dan volgt het in puin liggende fort Khaki-Skala, en dan begint de weg de hellingen van den Taygetos te bestijgen, namelijk het voorgebergte Vardoeno Khoria, waar de Eurotas, die uit de vlakte van Sparta komt, zich een weg doorheen moet banen.
Weldra onttrekt een eerste pas Marathonisi aan ons oog en we gaan verder met stijgen door boschrijk bergland, van waar de vlakte van Helos te overzien is en waar Cytherae zich aan den zuidelijken horizon vertoont. Nog een laatste stijging, en bij het dorp Levetzova begint de daling naar de vlakte van Sparta, die daar voor mij ligt in een goudgeel waas van rieten daken. Een rij laurieren en platanen wijst den loop van de Eurotas aan, die hier en daar fonkelend straalt langs den prachtigen muur van den Parnon, terwijl de hooge keten van den Taygetos zijn reeks van indrukwekkende toppen tegen de lucht afteekent.
Hoewel de zon snel begint te dalen, is het in de diepte van de kom ondragelijk warm; de bleeke olijven, de vijgeboomen en de moerbeiboomen met hun donker groen, dat ongelukkig onder een laag stof schuil gaat, de oranje- en citroenboomen, met gouden vruchten beladen, omringen de velden, waar reeds het zaaisel voor het volgend jaar is uitgestrooid. Dit is Laconië, een mooie en rijke provincie met veel landbouw, waar sierlijke dorpen zich in het groen verbergen en op den achtergrond waarvan zich in den vallenden avond achter de acropolis van Amyclae de heuvels van Sparta in flauwe omtrekken vertoonen, waar ik eindelijk om acht uur in den avond aankom, uitgeput van warmte en vermoeienis.

Sparta’s stille straten en de Taygetos.
Door tuinen omringd, liggen de witte, lage huizen van de moderne stad, die door koning Otto in den loop van zijn kortstondige regeering werd gesticht, tegen een heuvel aan, waar broodboomen en heide den grond bedekken. Ze waren reeds verdroogd door de zon, wat ik opmerkte toen ik den volgenden morgen een tocht ondernam door de breede, rechte en eentonige straten aan den voet van den kolossalen Taygetos. Groote zwarte cypressen, ook al weer onder een laag stof, rezen er ten hemel. Onder luifels etaleerden de winkels van den bazar op gevlochten rietmatten de mooie vruchten van Laconië, meloenen en fluweelige vijgen, en boeren, gekleed in een lang, rood gewaad, met een koord om het midden, loopen af en aan onder het gehinnik van hun paarden, de sandalen door touwen vastgebonden aan hun gebronsde enkels. Ik ontmoet vrouwen in ruime hemden, met mooi, laag voorhoofd, energieke kin, en terwijl ik moet erkennen, dat ze waard zouden wezen door haar physiek de afstammelingen te zijn der oude Spartanen, kom ik over een grasvlakte bij de plek, waar enkele overblijfselen de plaats der antieke stad aanduiden; resten van graven, fondamenten van muren, ruïnen van een schouwburg, die naar de strenge wetten van Lycurgus alleen bestemd was voor lichaamsoefeningen. Hier, beweert men, is het overblijfsel van Leonidas’ graf, het stadion, waar de jongelieden zich in wedloopen oefenden, en wat verderop, een door de Eurotas gevormd eilandje, waar de rivier zich splitst, een boomgroep, waar de moderne Lacedemoniërs hun openbare wandelplaats hebben aangelegd. Het is de Platanistas, waar men onder het oog der grijsaards oudtijds de kinderen sloeg, om ze aan pijn te gewennen, waar de jongelieden elkander geregelde gevechten leverden en zonder een klacht in den dood gingen. En ik bereik weer de nieuwe stad door moerbeiboschjes en denk aan al die ruwheid uit het verleden, aan de woeste geestkracht, die hier aan den dag werd gelegd, aan die ruwe zeden, die aan de Spartanen, met de verachting van den rijkdom, tevens een diepe minachting inboezemden voor de onsterfelijke kunstwerken.