← Table of contents
Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte"

1913–1915. (continued 2)

Reading edition

Instrumenten. Voor de plaatsbepaling en karteering was de uitrusting als volgt: 2 tijdmeters (marine), 3 observatiehorloges, 5 chronomètres torpilleurs, 1 theodoliet, 2 boussoles tranche montagne, 1 prismacirkel met stand, 3 sextanten, 2 kookthermometers en 1 hoogtebarometer.

Verder voor den leerling-verkenner: zakkompassen, Smalkalder patentboussoles en een patentniveau.

12 Juni. Onder fellen regen wordt ’s morgens van Batavia bivak vertrokken; het eentonige laagland heeft een nog triestiger aanzien dan gewoonlijk; om drie uur ’s middags wordt Kalong-eiland gepasseerd en de Van der Willigen-rivier opgegaan; ten 4 uur wordt bivak gemaakt, een slecht modderig bivak met myriaden muskieten. Dezen eersten dag beginnen wij met vijf koortslijders.

13 Juni. Zonder bijzonderheden vervolgen wij den tocht tot 4 uur ’s middags; tegen twaalf uur wordt het ontzaggelijk warm op het water, hetgeen afmattend op de roeiers werkt.

14 Juni. De rivier bandjirt; het water is sterk gestegen, de stroom is fel en er wordt zeer veel drijfhout afgevoerd, waaronder complexen van eenige boomen. ’t Opvaren dient omzichtig te geschieden.

Ten 11 uur loopt één der prauwen uit het roer en slaat stuk tegen een boomstam. De inzittenden worden gered, doch de bagage, tenminste het gedeelte, dat niet drijft, gaat verloren, o.a. zeven stormlantarens. De prauw blijkt zoodanig beschadigd, dat van meenemen geen sprake meer is.

Bij het redden van de roeiers onderscheidde zich wederom de mandoer der kettingjongens Si Joesan, een Atjeher, die reeds bij een der tochten op de Noordkust (Biri rivier) met groot levensgevaar een sergeant uit de branding haalde, voor welk feit hem de helft van zijn nog uit te dienen straf werd kwijtgescholden, in casu twaalf jaren.

15 Juni. Op den voormiddag zien wij een prauw met 5 Papoea’s, die voor ons wegvluchten; telkens verdwijnen zij met hun vaartuigje in het riet, dat zich aan de binnenbochten in groote velden uitstrekt (glagah = wild suikerriet). Later volgen zij ons en onder de eetrust, omstreeks 12 uur, komen zij op onze herhaalde uitnoodiging en het toonen van geschenken naderbij. ’t Blijkt een ongunstig volkje te zijn, diefachtig en wantrouwend. De versiering wijkt niet af van die bij Batavia bivak.

16 Juni. Na een half uur te hebben gevaren, weigert de circulatiepomp van den motor; reeds alle vorige dagen hadden wij herhaaldelijk moeten stoppen. Na een grondig onderzoek bleek ons (Stroeve en mij, aangezien de twee Inlandsche motoristen het reeds eenige dagen hadden opgegeven), dat het wit-metaal der circulatiepomp geheel afgesleten was en daardoor de pomp geen ijdel meer verwekte. Goede raad was duur. Na veel moeite gelukte het uit rivierzand een vorm te maken en van de reservekrukasmetalen der machine nieuwe te gieten. Een klein tekort aan gietmetaal werd aangevuld met soldeertin, dat wij in groote hoeveelheden bij ons hadden. Bij het beproeven deed de pomp het prachtig en gaf bij den uitlaat zelfs vrij koel water. ’s Middags om vier uur is de boot weder geheel gereed; wij blijven echter in dit bivak en gaan niet meer verder vandaag.

De eerstvolgende maal in Bataviabivak teruggekeerd, hebben de motoristen alle reserve-witmetalen verzameld en vast vooruit nieuwe reservedeelen voor de pomp gegoten, zoodat wij later nooit meer last van warmloopen van den motor hadden.

17 Juni. ’s Morgens prachtig uitzicht op een hooggebergte in het Zuiden; vrij zeker dezelfde toppen, die zeer vluchtig door de colonne Franssen Herderschee werden bepaald. De meest markante toppen worden gepeild en een panoramaschets vervaardigd; tegen 8 uur verdwijnen deze toppen dan in den regel in de wolken, om ’s avonds tegen zonsondergang weer te voorschijn te komen.

Zien tijdens het varen twee prauwen met vier mannen er in, die echter niet naderbij durven komen; wederom wordt tijdens de eetrust aanraking met hen verkregen; zij blijken dol te zijn op kapmessen; als geschenk brachten zij een pas geschoten kroonduif mede.

Ten 2 uur ’s namiddags bereiken wij de samenvloeiing van de Rouffaer- en Van Daalenrivier en varen de eerste op. Duidelijk opvallend is hier het heldere water der Van Daalenrivier tegenover het zandige, bruine, echte Mamberamo-water der Rouffaerrivier.

Deze laatste wordt nog een uurtje opgevaren en ten 3 uur maken wij bivak op een punt, geschikt om ’s avonds een astronomische plaatsbepaling te nemen.

Nauwelijks bezig met kappen, verschijnen twee groote prauwen met 5 en 8 mannen er in, die ons dadelijk in het bivak komen opzoeken. Zij dragen snor en baard en in het geheel geen versierselen in het haar. Op het voorhoofd zes varkenstanden: 2 stel van drie boven elkaar, met de ronding naar boven; door een koordje van plantenvezel worden de tanden onderling op afstand en op het voorhoofd vastgehouden, links en rechts op het voorhoofd één stel.

Allen hebben eenige banden om de lendenen van varenvezel; de meesten dragen geen schaambedekking; enkelen hebben de op de benedenrivier ook gebruikelijke schouder- en borstbanden van witte en bruine vruchtenpitjes. Door de neusvleugels van onder naar boven gestoken een beenen sprongetje in de vorm van een V, dat schuin naar voren en boven wijst en waarvan de punten ongeveer ter hoogte van de oogen komen.

Zij zijn bewapend met pijl en boog en hebben een geknoopt net als draagtasch op den rug hangen.

Een van deze mannen, met een bijzonder ongunstig uiterlijk, wordt door Stroeve herkend als de aanstoker van relletjes bij zijne eerste verkenning. Wij laten hem duidelijk merken, dat wij hem herkend hebben en toen hij daarna demonstratief met gespannen boog den krijgsdans gaat uitvoeren, wordt aan de anderen, die voor dit ophitsen niet geheel ongevoelig zijn gebleven, de uitwerking van een karabijnschot getoond. Dit, gepaard gaande met het zien van onze kleederen en het ons in het geheel niet bevreesd toonen voor hun pijlen, houdt hen ervan terug, om op den krijgsdans van onzen vriend in te gaan, die dan ook stilletjes afdruipt.

’s Nachts na zonsondergang behoeft men nooit bang te zijn voor een overval, want in het donker durven de Papoea’s, bevreesd als zij zijn voor geesten, niet door het bosch. Zijn zij om den een of anderen reden genoodzaakt ’s nachts door het bosch te gaan, dan nemen zij flambouwen mede en maken zooveel mogelijk lawaai om de kwade geesten te verdrijven. Dan hoort men hen vanzelf aankomen.

Dezen avond en nacht blijft de hemel bewolkt, zoodat wij geen sterren kunnen observeeren.

18 Juni. Passeeren ’s morgens een menigte Papoea’s, die zich allen aan den oever bevinden; zij voeren op het zien van onze colonne gezamenlijk hunne krijgsdans uit; het krijgsgeschreeuw en alarmgeroep is den geheelen dag niet van de lucht. Telkens wordt hun doordringend oehoe-oehoe uit de verte beantwoord en herhaald. Goed opletten is nu geraden, daar wij met het oog op geringen stroom stijf den oever aan de binnenbocht moeten houden.

Het alarmgeroep wordt door onze krijgslustige, dappere Biakkers telkens met gejoel beantwoord.

De rivier houdt hetzelfde aanzien en blijft nog goed bevaarbaar.

’s Avonds astronomische plaatsbepaling.

19 Juni. Dezen dag passeeren wij de nederzettingen der Papoea’s, die in begin Mei de colonne Stroeve bepijlden en waarvan er één werd neergelegd. Het oerwoud langs de rivieroever is vol van onheilspellende geluiden en de houding van de zich vertoonende mannen zegt ons, dat zij niet veel goeds in den zin hebben. Tegen den avond wordt bivak gemaakt, dicht bij een groote nederzetting, waarvoor ongeveer 15 groote prauwen liggen.

Het bergland komt om de Zuid tegen zonsondergang prachtig helder te voorschijn, zoodat wij belangrijke peilingen kunnen nemen.

20 Juni Hoe hooger wij de rivier opkomen, hoe dichter bevolkt zij is; bij elken omgevaren hoek of bocht zien wij weer nieuwe huizen, dorpen en tuinen; menschen laten zich den geheelen dag niet kijken, doch de smeulende vuurtjes in de huizen doen ons zien, dat hunne bewoners eerst kortelings verdwenen zijn. Waarschijnlijk, of liever vrij zeker, wordt ons kort bezoek aan een kampong door vele oogen bespied.

21 Juni. Aan den oever wederom vele kampongs; huizen, kleeding en versierselen worden primitiever. De mannen loopen geheel naakt: zij hebben eenige koorden om het middel van varenvezel of rotan. De vrouwen dragen een kleine schaambedekking; beide seksen dragen kort hoofdhaar; de mannen zonder uitzondering baarden. Hoofdversierselen zijn voor vrouwen zoowel als voor de mannen dezelfde; het reeds vroeger genoemde V-vormige beenen sprongetje door de neusvleugels en een tot driehoek gebogen zwarte casuarispen door de oorlel.

Voor het eerst wordt sinds eenige dagen wederom aanraking met de bevolking verkregen; het zijn vriendelijke, vroolijke lieden, van wie wij een groote hoeveelheid sago en brood vruchten ruilen. Sagopalmen en broodboomen komen langs den oever in groote complexen voor. Het geruilde voedsel vormt een aangename toevoeging aan het eentonige menu van rijst met gedroogde visch of deng-deng (gedroogd vleesch.) Ook de jacht levert vrij veel op; de zandbanken zitten vol met eenden, terwijl in het bosch kroonduiven en gewone duiven in menigte voorkomen. De rivier zelf levert prachtige visch.

’s Middags vanuit het bivak wederom bergpeilingen om de Zuid; ’s avonds een stersobservatie, teneinde de juiste plaats te bepalen.

22 Juni. Zonder verdere bijzonderheden wordt de Opvaart voortgezet.

23 Juni. De rivier wordt soms vrij smal met feilen stroom, dan weer breed, ondiep, met vele zandbanken en eilandvorming. Ten 2 uur 30 min. wordt bivak gemaakt nabij een nederzetting; terwijl de colonne het bivak bouwt, gelukt het Stroeve en mij aanraking met de bewoners te verkrijgen, die door het geven van geschenken op hun gemak worden gesteld.

Totaal hebben wij vanaf Bataviabivak nu langs de rivier 250 K.M. afgelegd.

24 Juni. De zandbanken en ondiepten maken het lastig, de rivier op te varen, zoodat wij besluiten op een geschikt punt het hoofdbivak in te richten. Een eerste vereischte is, dat het bivak ten allen tijde, ook met lage waterstanden, met de motorboot bereikbaar zal zijn, zoodat deze alleen zonder prauwen de communicatie met Bataviabivak kan onderhouden en vivres met alle andere noodige behoeften opvoeren. Ten 11 uur 30 min. vinden wij reeds een geschikte plek op den Noordelijken oever en dadelijk, wordt een begin gemaakt met openkappen van het bosch. Tot vijf uur wordt flink doorgewerkt en vele groote boomen zijn reeds gevallen en opgeruimd door ze in de rivier te doen vallen of rollen, waarna de stroom ze meevoert. Een tijdelijk nachtverblijf wordt opgeslagen.

Bezoek in Motorbivak. Uitzicht op de 1200 meter breede Rouffaerrivier met eenige zandbanken.
Bezoek in Motorbivak. Uitzicht op de 1200 meter breede Rouffaerrivier met eenige zandbanken.

Bezoek in Motorbivak. Uitzicht op de 1200 meter breede Rouffaerrivier met eenige zandbanken.

’s Avonds krijgen wij uitzicht op het machtige Centraal-Gebergte, dat over een sector van bijna 180° te zien is. Meer dan 150 hooge en markante toppen kunnen worden gepeild. ’s Nachts wordt met groote nauwkeurigheid de plaats op lengte en breedte bepaald. Onze tijdmeters en horloges hebben vanaf Bataviabivak zeer mooi geloopen en geven zeer betrouwbare standen.

’s Middags waren Papoea’s, die, op het geluid van het boomen vellen, zich op een zandbank even boven het bivak verzameld hadden, na lang beraad op de vlucht gegaan. Dat was niets, die zouden wel terugkomen.

Dit Hoofdbivak wordt door ons Motorbivak gedoopt; de rivier is hier ongeveer 1200 Meter breed; er bevinden zich zandbanken in, doch met hoog water zijn deze geheel onder.

1e Prauwbivak.
1e Prauwbivak.

1e Prauwbivak.

25 t/m 30 Juni. Er wordt voortgegaan het terrein geheel schoon te maken; verder in het oerwoud worden stammetjes gekapt voor het bouwen der barakken; een ploeg verzamelt en splijt rotan om als bindmateriaal te dienen. Palmbladeren worden tot atap-dakbedekking gevlochten enz., enz.

Het laat zich reeds aanzien, dat dit Motorbivak een goed bivak zal worden. Het terrein is mooi droog; de rivier stroomt er vrij kalm langs, zoodat er goede gelegenheid is om te baden. Verder is het geheel blootgesteld aan bestraling der zon, wat voor een pas opengekapt terrein een eerste vereischte is; geen enkele boom was blijven staan.

Wij treffen het prachtig met het weer; elken morgen en avond hebben wij zicht van het Centraal-Gebergte en wij schieten met het peilingswerk goed op.

Reeds den tweeden dag krijgen wij bezoek van Papoea’s, die met 50 en 60 tegelijk gewapend aan komen zetten; het kost heel wat moeite om onze eigen menschen goed aan het werk te houden, want deze kerels, die vlak bij Motorbivak hunne kampongs hebben, brengen veel sago, pisang en andere lekkernijen mede.

Den 30en Juni is de bivakbouw reeds zoover gevorderd, dat wij ons klaar gaan maken om met de prauwen door te gaan. Het peilingswerk is hier geheel gereed en de bivakdekking, die achtergelaten zal worden, kon kalm het bivak verder voltooien, om de colonne Schultz te ontvangen.

1 Juli. ’s Morgens wordt eerst nog een observatie genomen ter verifieering der tijdmeters, ten 9 uur 30 min. wordt vertrokken met 7 prauwen.

Sterkte: 2 luitenants-ter-zee (Stroeve en ik), 1 inl. verkenner, 7 inl. fuseliers, 30 Biaksche Papoea’s, 7 dwangarbeiders, totaal 47 man.

Als bivakdekking worden achtergelaten een inlandsch korporaal en vier fuseliers, met opdracht het bivak verder af te bouwen.

Wij passeeren vele nederzettingen, waarvan wij vele mannen herkennen, als zijnde reeds op bezoek in Motorbivak geweest. Overal bij de huizen pisang-tuinen. Aan den oever veel pinang- en niboeng-palmen en een menigte broodboomen; langs de rivier zien wij bijna geen sago meer. Voor het eerst wordt hier op de zandbanken fijn grint aangetroffen; de rivier is hier ongeveer 500 meter breed.

Van uit het bivak, dat ten 2 uur 30 min. gemaakt wordt, wordt in noord-noord-westelijke richting bergland gepeild op naar schatting 40 KM. afstand; dit moeten toppen van het Van Reesgebergte zijn, die de meervlakte aan de noordzijde begrenzen.

2 Juli. De rivier vormt vele eilanden, zoodat het kiezen van den goeden arm dikwijls moeilijkheden oplevert, want wij mogen geen belangrijke zijrivier voorbijvaren.

Tegen den middag komen wij aan den mond van een flinke, 200 à 300 m. breede linker zijrivier, die grintbanken bevat en zeer helder water afvoert. Wij besluiten deze linker-zijrivier A eerst samen op te gaan, om te zien of het de moeite waard is de colonne te splitsen.

Deze rivier is zeer dicht bevolkt; overal huizen en tuinen; spoedig krijgen wij vriendschappelijke aanraking met de bewoners en ruilen sago, trossen pisang en ketella voor kleine stukjes blik of een enkele kraal. Heele drommen gewapende mannen snellen in den looppas vooruit, over de banken, onder het geroep van oewà-oewà-oewà-wà-wà, om dan plotseling als op commando keert te maken en als één massa weder op ons los te stormen, ’t Leek vrijwel op een soort krijgsdans, dus hielden wij een oogje in het zeil en waren op eventueel omkeeren van hunne stemming voorbereid.

’s Middags wordt bivak gemaakt op een 20 meter breede, droge strook aan den oever; daarachter begint een diep sagomoeras.

’s Nachts zware regen, de rivier bandjirt sterk en wij hebben handenvol werk om geen prauwen te verliezen.

3 Juli. Gisteren hebben wij reeds gezien, dat de zijrivier A voldoende groot is om de colonne in tweeën te splitsen. Wij willen echter eerst nog bij de samenvloeiing een nauwkeurige plaatsbepaling nemen en de voornaamste toppen, die wij van uit Motorbivak peilden, hier ook nemen, zoodat wij dan reeds een vrij aardig overzicht krijgen van den loop van het bergland en van de richting der ketens.

Ten 8 uur zijn wij reeds ter plaatse en bouwen tegelijk met het bivak op eiken oever in een hoogen boom een stellage, van waaruit wij een goed uitzicht om de zuid hebben. De inl. verkenner wordt met een prauw, 2 fuseliers en 8 Papoea’s uitgestuurd om nog een grooten zijtak te verkennen; dit blijkt echter geen zijrivier, maar een arm van de hoofdrivier te zijn. ’s Avonds astronomische plaatsbepaling.

4 t/m. 6 Juli. De observatiestellingen komen gereed, doch ’s morgens en ’s avonds hebben wij zwaren regen, zoodat wij niets opschieten: den 5en Juli wederom geen uitzicht.

Den 6en begint hetzelfde, doch tegen den middag klaart het op, ’t zonnetje breekt door; dit geeft hoop voor den avond tegen zonsondergang.

Ten twee uur ’s middags worden Stroeve en ik gewaarschuwd, dat een groot aantal gewapende Papoea’s zich verzamelen op een zandbank even boven het bivak. Er bleken reeds ongeveer 100 man te zijn; telkens kwamen nog meer prauwen vol krijgers aan. Voortdurend wordt door hen gezamenlijk de krijgsdans uitgevoerd. Ons bivak wordt gealarmeerd; ongewapende roeiers in het midden geplaatst met alle zeven soldaten er bij, terwijl Stroeve en ik den aanval meer naar voren zouden afwachten. Toen dan ook na circa een kwartier de 150 man sterke troep den aanval begon, vond zij ons gereed en werd zij gemakkelijk afgeslagen.

Tegen zonsondergang prachtig uitzicht op het gebergte, zoodat wij met het peilingswerk gereed komen. Morgen zullen wij ons splitsen in 2 colonnes, Stroeve zal de zijrivier A opgaan, ik de hoofdrivier.

7 Juli 1914. Het eerste vertrekt ’s morgens Stroeve met 3 prauwen uit het ”Splitsingsbivak.” Sterkte: 1 luitenant-ter-zee, 3 inl. fuseliers, 12 Papoea’s, 4 dwangarbeiders, totaal 20 man.

Daarna vertrekt mijne colonne in 4 prauwen. Sterkte: 1 luitenant-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4 inl. fuseliers, 18 Papoea’s, 3 dwangarbeiders, totaal 27 man.

Ten 8 uur 30 min. steekt de laatste prauw af; de hoofdrivier buigt om de zuid en blijft den geheelen dag in zuidelijke richting loopen. Langs den geheelen oever nederzettingen en tuinen; op enkele plaatsen wordt aanraking met de bevolking verkregen en broodvruchten, suikerriet en sago geruild. Ten 12 uur 30 min. breekt de rivier door een heuvelketen heen en zijn wij op den rand der groote meervlakte. In de rivier bevinden zich reeds groote grintbanken. Ten 2 uur wordt bivak gemaakt.

8 Juli. ’s Morgens vertrokken, hebben wij reeds spoedig te kampen met stroomversnellingen. De rivier-, oevers zijn heuvelachtig; de stroom zelf is minstens 1000 meter breed, wordt echter door grintbanken en eilanden dikwijls in vier of meer takken verdeeld. Op de steenbanken bevinden zich al brokken van ½ Meter. Het is opvallend, hoe snel het karakter van de rivier veranderd is. In de versnellingen vinden wij geen nederzettingen aan de oevers meer. Het water is nog altijd bruin en zanderig, het typische Mamberamowater. De begroeiing van den oever verandert eenigszins, glagah (riet) komt niet meer voor; behalve broodboomen, pandanus en pinang, treffen wij in het oerwoud op de heuvelhelling ook een soort naaldboomen en groote boom varens aan. Bij het bivak, dat wij op den achtermiddag maken, vind ik, op de jacht zijnde, een goed beloopen Papoeapad op den rechteroever.

9 Juli. 6 uur 30 min. vertrek; aan één stuk door versnellingen; 8 uur hebben wij een prachtig uitzicht op het Hooggebergte en blijkt, hoe dicht wij dit reeds naderen. Een grintbank wordt als observatiepunt gekozen en theodolietmetingen verricht. Tevens worden panoramaschetsen gemaakt.

Recht in het zuiden is een zwaar, diep ravijn, dat als het ware den ongeveer 3000 M. hoogen O–W. loopenden bergketen loodrecht snijdt. Dit moet vrij zeker de bedding der Rouffaerrivier zijn, zoodat deze dan zijn oorsprong op de Carstenstoppen zal hebben, in aanmerking genomen den grooten waterafvoer op dit punt.

Ten 1 uur wordt een linkerzijrivier B gepasseerd, die helder water afvoert en reeds bij de uitmonding grintbanken en versnellingen vertoont. Deze rivier zal voor later bewaard worden.

De Papoearoeiers doen hun best, maar zijn in dit versnellingterrein niet in hun element. Zeer langzaam gaan zij vooruit.

10 Juli. De rivier blijft breed met groote grintbanken, tot zij zich ’s middags tegen 2 uur plotseling versmalt van 800 M. tot 100 à 150 M.

Dit is het punt, waar de rivier uit het gebergte treedt; de stroom wordt feller en de oevers steil, vaak loodrechte bergwanden, en het laat zich aanzien, dat aan den prauwentocht spoedig een einde zal komen, ’s Avonds en ’s nachts een astronomische plaatsbepaling.

11 Juli. De ware plaats wordt uitgerekend en de bergpeilingen der laatste dagen op de kaart bijgewerkt. Voor de roeiers is het vandaag rustdag.

Motorbivak.
Motorbivak.

Motorbivak.

12 Juli. Wij vorderen nog enkele K.M. om de zuid; de versnellingen worden echter voor de Papoea’s te zwaar, zoodat ik besluit op een geschikt punt het Prauwbivak in te richten. Op een plek, waar langs de steile helling een helder stroompje naar beneden stort, wordt het woud opengekapt en een voorloopig bivak betrokken. Dit heldere water kwam goed te pas, want het water der hoofdrivier is modderiger dan ooit en heeft bijna een chocoladekleur. De rivier is hier ongeveer 60 M. breed.

13 Juli. Bivak verder openkappen en in orde brengen.

14 Juli. Ten 6 uur 30 min. vertrekken in 3 prauwen, terug naar Motorbivak—hetgeen in één dag te halen zal zijn—: 3 inlandsche fuseliers en 13 Papoea’s, totaal 16 man, met bericht aan den Colonne Cdt. van het verloop van de verkenning.

Als bivakbewaking blijven over: 1 luitenant ter zee, 1 inl. verkenner, 1 inl. fuselier, 5 Papoea’s en 3 dwangarbeider, totaal 11 man.

’s Morgens wordt door mij de omtrek verkend, om een geschikt observatiepunt te vinden. Op de helling van een 1300 M. hoogen top, die zich vrij dicht bij den oever bevindt, wordt een boom gevonden, waarin een stelling kan worden gemaakt. Er kan dan om de Zuid en West uitzicht worden verkregen.

De Papoea’s en dwangarbeiders maken het bivak verder gereed.

15 Juli. De Papoea’s bouwen de boomstelling. Verdere bivak werkzaamheden. Het wemelt hier letterlijk van paradijsvogels; den geheelen dag hoort en ziet men hen; soms vliegen zij met vijf of zes tegelijk door het bivak.

16 t/m. 18 Juli. De boomstelling is gereed, doch er is voortdurend slecht zicht en de toppen komen niet uit de wolken.

19 Juli. Prachtig uitzicht. Het peilingswerk komt ’s morgens geheel gereed; op ± 20 KM. om de Z.Z.W. ligt een naar ruwe meting klein 3000 m. hooge top op den linkeroever der rivier. De bergkammen, waarlangs deze top het vlugst te bereiken zal zijn, kan ik prachtig zien en het blijkt mij dat de beste plaats voor het begin der klimpartij is hooger de rivier op, voorbij de eerstvolgende linker zij-rivier. Het is echter de vraag of dit punt met prauwen bereikt kan worden.

20 Juli. Juist gereed zijnde om met een leege prauw en de 5 Biakkers de rivier hooger-op te gaan verkennen, komt van benedenstrooms een prauw in zicht en weldra is het 7 prauwen sterke transport onder een eur. sergeant en met ongeveer 45 man in het Prauwbivak.

Er was een schrijven van den kapitein Schultz, waarin deze mij schreef, met dit transport voldoende menschen en vivres te hebben gezonden, om zoo noodig den tocht dadelijk voort te zetten; doch indien mogelijk, eerst zelf nog in Motorbivak terug te komen om met hem en Stroeve over de te maken tochten besprekingen te houden. Nu, haast was er heelemaal niet; alles was volledig verkend en op een paar dagen kwam het niet aan.

Motorbivak (Rouffaerrivier).
Motorbivak (Rouffaerrivier).

Motorbivak (Rouffaerrivier).

21 Juli. 6 uur 30 min. wordt met 7 prauwen naar beneden vertrokken met bijna alle menschen, alleen de eur. serg. bleef met eenige soldaten als dekking achter. Zooveel menschen werden medegenomen, teneinde de levensmiddelen in Prauwbivak niet noodeloos snel te laten verbruiken. Sterkte: 1 luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4 inl. fuseliers, 18 Papoea’s en 26 dwangarbeiders, totaal 50 man.

Ongeveer 8 uur hoor ik achteruit een geschreeuw. Dadelijk wordt aangelegd, over de grintbank teruggeloopen: een prauw omgeslagen tegen een rots. Bij het appèlhouden bleek, dat een dwangarbeider vermist werd, hij was in de versnelling verdwenen en niet meer boven gekomen. De prauw is zwaar beschadigd en wordt achtergelaten.

4 uur. Aankomst in Motorbivak, waar ik den kapitein en Stroeve aantref; tot laat in den avond blijven wij nog elkaar ons wedervaren vertellen en de toekomstplannen bespreken.

Van af Splitsingsbivak had Stroeve de zijrivier A ongeveer 40 KM. hemelsbreed om de west kunnen opvaren, had op 2 plaatsen uitzicht gekapt en de noodige peilingen verkregen. In het westen had hij een top verkend van ruim 2000 M., behoorende tot het Oost-Weylandgebergte. Vanaf het eindbivak was deze top ± 30 KM. hemelsbreed verwijderd.

Het beklimmen van dezen top zou volledige aansluiting verschaffen met de vroegere tochten op de Oostkust der Geelvinckbaai, zoodat tot dezen tocht besloten werd.

De door mij verkende bergtop van ± 3000 meter, van waaraf vrij zeker door het ravijn der Rouffaerrivier de Carstenszsneeuwtoppen te zien zouden zijn, zou eveneens beklommen worden. De kapitein wilde dezen laatsten tocht medemaken.

22 t/m. 23 Juli. Verdere besprekingen; klarigheid maken voor den tocht. Het Motorbivak was in mijne afwezigheid geheel gereed gekomen en keurig in orde gebracht.

Langs de rivier een aanlegsteiger voor de motorboot en de prauwen, een bad- en waschsteiger en verder benedenstrooms de privaten, ook boven het water.

Er waren reeds in het bivak tuintjes aangelegd en de medegebrachte zaden deden al dienst.

Weinig of geen muskieten, zoodat het werkelijk een genoegen was om er te verblijven. Men hoefde slechts het oerwoud in te gaan om een goed jachtterrein te hebben; de rivier leverde goede visch.

Vele Papoea-kampongs bevonden zich in de nabijheid, zoodat wij over gebrek aan bezoek niet te klagen hadden.

De gezondheidstoestand liet niets te wenschen over, in aanmerking genomen, dat Stroeve en ik met het eerste echelon al bijna 2 maanden van Pionier bivak weg waren.

24 Juli. ’s Morgens vertrekken beide colonnes te zamen en bivakkeeren ’s middags in Splitsingsbivak.

25 Juli. Het eerst vertrekt Stroeve, nadat wij afscheid hadden genomen en ik hem de beste resultaten toe had gewenscht, de zijrivier A op.

Wij gingen daarna opbreken en bereikten na 3 dagen roeien, den 27en Juli, het eerste Prauwbivak.

Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.
Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.

Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.

28 Juli. Rustdag voor de roeiers; den volgenden dag zouden wij trachten nog hooger de rivier op en aan den linkeroever te komen.

29 Juli. De rivier wordt spoedig heel lastig en daar wij niet over geoefende stuurlieden beschikken, verliezen wij al spoedig 2 prauwen, waarna wij op den linkeroever het 2e Prauwbivak inrichten, ongeveer 1 KM. verder dan het eerste.

30 t/m. 31 Juli. Bivak wordt door de soldaten en dwangarbeiders ingericht. De Papoea’s varen in drie prauwen transport tusschen beide Prauwbivaks en brengen in twee dagen alle vivres boven.

Door mij wordt met den inl. verkenner de weg verder verkend.

1/2 Aug. Het kleine zijriviertje, waaraan het bivak ligt, wordt een eindweegs gevolgd, doch spoedig maken zeer groote steenen dit te bezwaarlijk en wordt het ravijn aan den zuidkant beklommen. Zeer steil gaat het omhoog, den weg kappende door een dichte begroeiing. Op het eind van den eersten dag is de kam nog niet bereikt en maken wij bivak op de helling. Water om rijst te koken of te drinken is tot vrij ver in den omtrek niet te vinden, zoodat wij een flinke regenbui noodig hebben, die dan ook gelukkig tegen den morgen komt. Wij behoeven dus niet met een leegen maag op marsch te gaan.

Den 2en Augustus wordt door zwaar terrein doorgeklommen, tot wij den kam bereiken en dezen verder volgen; de bergrug loopt voorloopig om de ZW. tot WZW. Op een geschikte plek wordt ’s middags bivak gemaakt op 880 meter hoogte en hier zal een vivres-depôt A worden ingericht.

3 t/m. 5 Aug. De dragers loopen transport tusschen 2e Prauwbivak en A. Den 4en Augustus kunnen zij door een hevigen bandjir de zijrivier niet oversteken en verliezen zoodoende één dag.

De kapitein en ik zijn met den inl. verkenner en eenige soldaten in het bivak gebleven en kappen deze dagen den weg verder.

7 t/m. 9 Aug. Kappen met de geheele colonne door, voortdurend den kam volgende, die naar het westen en zelfs naar het NW. gaat loopen, dus van het doel af. Wij wisten echter te zeker, dat wij op den goeden weg waren, om ons hierdoor te laten misleiden.

Den 9en Augustus richten wij een 2e depôt B in op 1330 meter. Vooral des nachts is het op deze hoogte al koud. Vanaf het begin van den tocht hadden wij geen spoor van menschen gezien; niets dat op hunne aanwezigheid duiden kan.

10 t/m 13 Aug. Tweemaal wordt transport geloopen van A naar B en in dien tijd door ons de weg verder gekapt. De kam blijkt nu spoedig om de Zuid te gaan loopen.

14 t/m 16 Aug. Kappen den weg verder tot 2000 M. hoogte (Depôt C). De natuur wordt hoe langer hoe mooier. Boomen met dik-bemoste stammen en takken; het mos glinstert van duizende druppels; op den bodem een mostapijt, waarin men wegzinkt. Over heele stukken is het alsof men door mosspelonken loopt.

17/18 Aug. Transportloopen van B naar C.

19 Aug. Rustdag; de dragers marcheeren nu achttien dagen achtereen in dit zware bergterrein en hebben rust noodig. Zieken zijn er betrekkelijk weinig; wel veel voetwonden, waaraan ik veel werk heb, om ze elken middag te verbinden.

20/21 Aug. Kappen door tot 2200 M. hoogte (Depôt D.)

22 Aug. Transport loopen van C naar D. Wij zijn nu langzamerhand zoover gevorderd, dat wij geen depôt meer behoeven te maken, doch den eindtocht kunnen beginnen.

23 Aug. Wordt van depôt D vertrokken met 14 dagen vivres bij de colonne. Op 24 en 25 Aug. wordt door zwaar terrein doorgekapt. De begroeiing wordt toch allengs minder; volgens ons bestek moesten wij dicht bij den top gekomen zijn en inderdaad, den 26en Augustus ten 8 uur 45 min. bereikte ik als eerste den top en zag tot mijn groote voldoening prachtige sneeuwtoppen, schitterend wit afstekend bij de andere van den Centralen keten.

Een werkelijk machtig uitzicht had men hier: den geheelen Centralen keten met twee complexen van sneeuwtoppen, de Carstensz- en Idenburgtoppen; verder het Weylandgebergte in het Westen en het Van Reesgebergte in het Noorden; tenslotte de Meervlakte, die omgeven wordt door deze gebergten en die doorsneden wordt door Rouffaerrivier en Van Daalenrivier met hunne zijrivieren. Men kon geheel volgen, waar de rivieren vandaan kwamen; men zag de waterscheidingen enz.; in één woord: de geheele kaart, zooals die worden moest, lag voor onze oogen.

Het eerste werk van den Kapitein was een plekje te vinden voor het bivak, want hier dacht ik ongeveer een week te blijven. De top was rotsachtig en met lage struikjes en gras begroeid.

Ikzelf had dadelijk mijn theodoliet voor den dag gehaald en was met den inl. verkenner, die de panoramaschetsen maakte, aan den arbeid getogen.

Dit observatiepunt nº. 4 lag 2650 M. hoog zooals bepaald werd door den kookthermometer te gebruiken. De meting van dezen top uit Motorbivak gaf ook dezelfde hoogte. Dat deze observatietop van uit Motorbivak te zien was, kwam goed van pas bij de juiste plaatsbepaling van dit observatiepunt 4. Immers van uit Motorbivak een nauwkeurige astronomische peiling op onzen top; in observatiepunt 4 door observaties van stersdoorgangen en door sterscircummeridiaanswaarnemingen een absoluut juiste breedte; combinatie: de plaats is op breedte en lengte nauwkeurig bekend, onafhankelijk van den stand der chronometers. Met deze zuivere lengte en breedte bepaalde ik een nieuwen stand der chronometers, welken stand ik dan weder gebruikte voor een astronomische peiling op den Oost-Carstensztop. Aangezien toevalligerwijze deze sneeuwtop N. 180° O. rechtwijzend van observatiepunt 4 bleek te liggen, ligt dus de Oost-Carstensztop door 2 astronomische peilingen rechtstreeks in lengte vast op Motorbivak, onafhankelijk van den tijd. Aangezien verder dit Motorbivak vast lag op Batavia- en dus op Pionierbivak, zooals ik reeds vroeger meedeelde, kon de door mij gevonden lengte van den Oost-Carstensztop als juist worden aangenomen. Het was mij dan ook een groote voldoening, later bij de constructie te zien, dat mijn astronomische peilingslijn de vroeger door anderen van af de zuidkust bepaalde plaats van dien top precies sneed, zoodat in dit opzicht van om de noord en om de zuid werkend volkomen aansluiting werd verkregen.

Vanaf observatiepost 4 waren duidelijk zes nieuwe toppen te zien in het Carstenszcomplex en drie in het Idenburgcomplex; op de genomen foto is dit duidelijk waar te nemen.

De dagen gingen langzaam voorbij; ’s morgens bij het lichtworden om half zes, klaar bij den theodoliet, doch tegen acht uur kwamen meestal de wolken reeds uit de dalen omhoog en hulden de toppen in een dichten nevel. Wij leefden dan den verderen dag in een wolk, die somtijds eerst tegen zonsondergang wegtrok. De nachten waren koud; dikwijls windvlagen, vergezeld van regen, die ons in onze primitief opgeslagen tenten herhaaldelijk de nachtrust benamen. Het observeeren van sterren was door de koude ook geen sinecure.

De gezondheidstoestand liet wel wat te wenschen over; behalve eenige hardnekkige malarialijders, waren er twee dragers met zeer zwaar geïnfecteerde voetwonden, aan wie ik handenvol werk had, om hen met geringe hulpmiddelen behoorlijk te behandelen. Verder een dwangarbeider met een zware bronchitis, wellicht longontsteking. Water om te drinken of te koken was nergens te krijgen, zoodat wij hiervoor waren aangewezen op nachtelijke regenbuitjes. Hoeveel misère er ook was, het uitzicht ’s morgens vergoedde ruimschoots alles.

De terugtocht gaat vrij langzaam; de zieken en gewonden bepalen de marschsnelheid, want hen te dragen in dit terrein is practisch onuitvoerbaar. Van dit langzame tempo wordt gebruik gemaakt om van 1400 M. tot 1000 M. orchideeën te verzamelen. Op 2 en 3 September wordt rustig doorgegaan en 4 September zijn wij weder in ons 2e Prauwenbivak aan de Boven-Rouffaerrivier.

Den 5en September zouden wij teruggaan naar Motorbivak, maar stonden echter voor het feit, dat wij nog slechts 6 prauwen over hadden; twee waren er immers opgaande verloren gegaan. In zes prauwen wordt ’s morgens vertrokken; even na het vertrek passeeren wij een versnelling, die door de vier eerste prauwen met moeite en veel water overnemen wordt genomen; de twee laatste prauwen verdwijnen er bijna gelijktijdig in, d.w.z. 15 man te water. Mijn prauw aan den kant brengen en er met alle overtollige menschen uitspringen is het werk van een oogenblik en met alleen drie Papoearoeiers bemand suist mijn prauw de drenkelingen achterna. Zij slagen er in één prauwbemanning te redden en ook de prauw zelf wordt met veel tobben aan wal gebracht en gekeerd. De andere prauw, waaraan zich nog 3 menschen vastklemmen, is reeds om den hoek verdwenen.

De oevers worden afgezocht, appél gehouden; er ontbreken nog eenige menschen. Alles weer in de prauwen en opnieuw stroomafwaarts; hier dient gehandeld te worden. Na circa 10 minuten varen hooren wij van den oever roepen en jawel: twee van de drie vermisten; zij hadden gebruik gemaakt van een oogenblik, dat de felle stroom hen vlak langs een hoek voerde, en hadden een rotspunt kunnen bereiken. Volgens hun zeggen, was de laatste man, die de prauw niet durfde loslaten, om den hoek verdwenen. Enfin, hij moest langs het 1e Prauwbivak komen, waar de kapt. Schultz, die ’s morgens vóór mij was vertrokken met 2 prauwen, op mij zou wachten. Daar zouden zij hem wel zien en helpen.

Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.
Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.

Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.

Bij aankomst in 1e Prauwbivak hoorde ik van den kapitein, dat op de gewone wijze het prauwongeluk zich reeds had aangekondigd door het voorbij drijven van blikken uit de ladingen. Zij waren er op hun qui-vive geweest en hadden den laatsten drenkeling spoedig te pakken gehad. De prauw was echter even beneden het bivak te pletter geslagen. Weer een prauw minder, maar gelukkig geen menschen verloren.

Wij gaan verder terug; het ongeval heeft ons echter te lang opgehouden om nog vóór donker Motorbivak te kunnen bereiken. Wij overnachten in het Oude Splitsingsbivak.

Den 6en September kwamen wij in Motorbivak aan; wij troffen hier een Europeesch sergeant, die het bericht kwam brengen van den Grooten Oorlog en tevens de order om terug te keeren. Hoelang kon het nog duren, voordat wij de bewoonde wereld zouden bereiken? Was er nog communicatie?

Deze sergeant was in een prauw gekomen met een uitgelezen stel van zes Dajaks, de eersten, die in ons Motorbivak kwamen, nadat de voornaamste tochten achter den rug waren.

Het Motorbivak had, wat inrichting en onderhoud aangaat, een zekeren graad van volmaaktheid bereikt, zoodat het werkelijk een lust was, om er een paar dagen te zijn.

Hoewel rust niet overdadig zou zijn geweest, kon hiervan na het ontvangen oorlogsbericht niets komen; 7 en 8 September werden gebruikt om alles gereed te maken voor vertrek en den 9en September 1914 braken wij dan ook op, zooals wij dachten, om er niet meer terug te komen. De groote motorboot lag hopeloos in duigen; het freewheel van de aanzetinrichting was kapot en zou vernieuwd moeten worden. Toch wilde ik haar medenemen en liet de Papoea’s lange riemen maken, zoodat de boot als een galei werd voortbewogen.

’s Morgens reeds om een uur of elf zien wij een prauw aankomen met de bekende Dajakhoeden en weldra bereikt ons een spoedbericht, dat de exploratie kan worden beëindigd, alvorens terug te keeren naar Ambon. Wij waren dus blijkbaar een dag te vroeg vertrokken.

De motorboot kan niet meer mede stroomopwaarts terug, zoodat deze met zijn Papoearoeiers onder leiding van een vertrouwden, geroutineerden sergeant naar Bataviabivak wordt geroeid; voor het gemak geef ik hun een prauw mede. Het zal niet gemakkelijk zijn, dit gevaarte heelhuids in Bataviabivak te brengen, en met eenige bemoedigende woorden nemen wij afscheid van den sergeant en de Biaksche Papoea’s, die weder naar hunne kampongs zullen terugkeeren.

Onze tent in het hooggebergte.
Onze tent in het hooggebergte.

Onze tent in het hooggebergte.

Den 10en September ’14 komen wij in Motorbivak terug; alles, wat wij achtergelaten hadden, is gestolen doch het bivak is geheel ongeschonden.

De kapitein Schultz zal voorloopig in Motorbivak blijven, teneinde de komst van Stroeve en Ilgen af te wachten, die tegen eind September weder hier kunnen zijn. De geheele colonne, die met ons mee is geweest naar observatiepunt 4 heeft rust noodig, zoodat zij ook in Motorbivak blijven.

Er zijn nu echter 11 Dajaks; 11 en 12 September maak ik alles gereed om er met een kleine colonne op uit te gaan. Het doel was te probeeren de linkerzijrivier B der Rouffaerrivier op te gaan en te verkennen.

15 September vertrek ik met een kleine colonne van 23 man, waaronder 11 Dajaks de rivier op, om den 9en October op de meest avontuurlijke wijze van benedenstrooms weder te Motorbivak terug te komen. Zijrivier B werd verkend; de Boven-Rouffaerrivier was met Dajaks slechts ½ K.M. verder op te komen dan ons te voren gelukt was en daarna op zoek naar de door mij waargenomen meren in de Meervlakte, belandde ik met een gedeelte van de colonne aan een vrij groote rivier, die afgezakt werd en in de Van Daalenrivier uitmondde, en zoodoende kwam ik na een kleine maand weder in de Rouffaerrivier, echter een heel eind benedenstrooms van Motor bivak.

9 October. ’s Morgens bereiken wij het Motorbivak waar wij alles in orde aantreffen. Tot mijn groote verwondering waren Stroeve en Ilgen nog niet aangekomen. Met kapitein Schultz bespreek ik de verdere plannen, nu zij er nog niet zijn en wij besluiten, zoo spoedig mogelijk door te gaan met het peilingswerk benedenstrooms van Motorbivak. Dan ontmoeten wij hen van zelf en kunnen de tochten bezuiden Kalongeiland beginnen.

Eenige dagen later braken wij voor goed van Motorbivak op, hetgeen ons allen speet, omdat het zoo’n buitengewoon gunstig gelegen bivak was, voorzien van alle mogelijke rimboegemakken. De dag voor ons vertrek was nog bijna uitgeloopen op een gevecht met de omwonende Papoea’s, die van een bezoek aan het bivak misbruik maakten, door een Dajakschen mandau te stelen. ’t Werd gelukkig gezien en er werd krachtig ingegrepen, maar de goede verstandhouding was weg.

Den volgenden morgen vertrokken wij en maakten bivak op den linkeroever, ongeveer 24 K.M. beoosten Motorbivak. De lengte werd hier als volgt bepaald: ’s morgens een standbepaling in Motorbivak; ’s middags een lengtebepaling in dit observatiepunt 5.

In een hoogen boom nabij het bivak werd een observatiestelling gemaakt en werden metingen verricht. Het weder werkte niet mede. Om de zuid bleven de Centrale ketens verscholen in de wolken.

Den 17en October werden wij plotseling verrast door het geroep: “prauwen in aantocht.” En zeker, van benedenstrooms kwamen minstens 7 prauwen.

Boven-Rouffaerrivier (even boven 2e Prauwbivak).
Boven-Rouffaerrivier (even boven 2e Prauwbivak).

Boven-Rouffaerrivier (even boven 2e Prauwbivak).

Groote vreugde in het bivak. De eerste prauw komt naderbij, tot mijn verwondering zie ik Stroeve er niet in. Ik roep den Europeeschen sergeant toe, waar of deze is; en daarna hooren wij het treurige bericht, dat hij aan den Wapogamond gesneuveld is. Een noodlottig einde voor mijn dapperen makker, die sedert October 1912, alle tochten van het Exploratiedetachement medemaakte.

Een bericht van den Detachements-Commandant bereikt ons, dat luitenant Ilgen ingedeeld was bij de Idenburgriviercolonne.

Tegelijk met het bericht van het sneuvelen van Stroeve ontvingen wij van den 1en luitenant Ilgen een verslag van het verloop van den mooien tocht, die helaas zoo noodlottig moest eindigen.

Laatstgenoemd officier ontving in het begin van Augustus 1914 van den Colonne-Commandant de opdracht om zich, na aankomst in Motorbivak, zoo spoedig mogelijk en met zooveel mogelijk vivres en personeel te begeven naar de zijrivier A van de Rouffaerrivier, waar luitenant ter zee Stroeve exploreerde en blijkbaar moeilijkheden had ondervonden.

Ilgen kwam den 10den Augustus aan de monding van die zijrivier en bereikte de colonne Stroeve den 15en dier maand. Onderweg ontmoette hij een groot aantal inboorlingen, allen ongewapend en in houding zeer vriendschappelijk. Stroeve deelde hem mede, dat hij van een ± 2200 M. hoogen bergtop een groot gedeelte van het omringende bergland had kunnen peilen en ook een groot stuk van de Wapoga, en voornemens was geweest een doorsteek naar die rivier te maken, doch uit gebrek aan voldoende vivres dien tocht had moeten uitstellen. Na de vereeniging der beide colonnes kon thans daartoe worden overgegaan.

Na vermeld te hebben, dat na één dag opvarens van die zijrivier A de prauwen werden verlaten en op den linker (noordelijken) oever werden geborgen, van waaruit den volgenden dag de landtocht aanving; dat na een marsch door een uitgestrekt moeras de uitloopers van de waterscheiding werden bereikt; dat na dagen van vermoeiend klimmen en dalen, langs paden, welke in dichtbegroeid terrein moesten worden gekapt, den 26en Augustus een riviertje werd aangetroffen, door welks bedding men aan de Wapoga kwam; dat deze rivier door hare bedding of langs de oevers verder werd gevolgd, nu en dan van ruwe vlotten gebruik makende, waarbij echter door stroomversnellingen en bandjir een deel der kostbare vivres verloren ging; dat op den tocht slechts enkele inboorlingen worden aangetroffen, die steeds vriendschappelijk hulp verleenden,—schrijft Ilgen in zijn journaal verder:

5 September. “Heden hopen we de nederzetting der jagers te bereiken (die volgens het verslag van den kapitein Ten Klooster van zijne verkenning van de Wapoga en volgens een Papoea-mandoer der colonne, nabij de kust moet zijn gelegen) om daar te fourageeren. Het wordt tijd, want wij beginnen gebrek te krijgen aan de noodzakelijkste artikelen. Zout is er niet meer en ook de gezouten visch is verbruikt.

De op de kaart aangegeven linkerzijrivier der Wapoga moeten we spoedig bereiken; doch als ten 12 uur ’s middags deze rivier nog niet is aangetroffen, krijgen wij de zekerheid, dat wij ons verder van de kust bevinden, dan we vermoedden. Daar de vlotten zoo langzaam opschieten, besluiten wij, dat de luitenant ter zee Stroeve in een der prauwtjes vooruit zal gaan met den Inlandschen fuselier Wagimin en den dwangarbeider Deloesin, om spoediger bij de jagers te zijn en mij, die met de vlotten langzaam zal volgen, prauwen tegemoet te zenden. Zoo het schip, dat wij heden aan den riviermond verwachten, er reeds is, zal hij ons met de motorboot tegemoet komen teneinde voeding aan te voeren en ons vlug naar den riviermond te brengen. Het prauwtje zal ook ’s nachts doorroeien.

Dit plan wordt dadelijk uitgevoerd. Het laatste blik rijst wordt verdeeld, maar blijkt door nat worden een weinig bedorven te zijn. De rijst kan echter nog worden gebruikt en wordt in elk geval verstrekt. De toespijs is reeds vroeger verdeeld. Ieder heeft nog een paar stukjes deng-deng, maar dat is ook al.

Ten 12 uur 30 min. n.m. scheidt zich de patrouille van den heer Stroeve van de colonne. Reeds na een half uur wordt door mij genoemde zijrivier van de Wapoga bereikt. Ik ben dus thans nog ± 60 K.M. van den mond verwijderd.

Ten 6 uur n.m. wordt op den rechteroever bivak betrokken.

Den geheelen dag werd verder geen bevolking of eenige nederzetting aangetroffen.

6 September. Afmarsch 6 uur v.m. Als het schip er is, kan ik volgens mijn berekening tegen 3 uur n.m. de motorboot ontmoeten en kan de patrouille ’s avonds aan boord zijn.

Wij merken echter niets van de motorboot, waaruit ik de gevolgtrekking maak, dat het schip er nog niet is; maar in elk geval zullen wij toch wel de jagers ontmoeten, die, ± 20 K.M. de rivier op, hun nederzetting moeten hebben.

Ten 6 uur n.m. is de nederzetting der jagers nog niet bereikt. Wij krijgen, als gevolg van den vloed, een weinig tegenstroom, waartegen de vlotten niet meer kunnen oproeien, zoodat wij op dat uur in bivak moeten gaan.

Daar hier de vloed reeds merkbaar is, moeten we dus reeds dicht bij de kust zijn. Waar blijft echter de nederzetting der jagers? De mandoer der Papoeasche koelies, die bij de kolonne is, zegt mij nu dat bedoelde nederzetting zich vlak bij den riviermond bevindt. Morgen zullen we er dus in elk geval zijn. Ik verlang er zeer naar, daar het zonder zout toebereide eten bijna niet te genieten is.

Ook heden troffen wij nergens menschen of nederzettingen aan, wat ik vreemd vind, daar er langs de oevers vrij veel sago is te vinden.

7 September. Afmarsch 6 uur. v.m. Aanvankelijk is de vloed uit zee nog zeer merkbaar en komen de zware vlotten bijna niet vooruit. Ondergeteekende, die met één roeier in het kleine prauwtje vooraan gaat, moet telkens uren wachten om de colonne gelegenheid te geven op te sluiten. Later komt de eb wat krachtiger door, en nu gaat het vlugger.

Ongeveer ten 11 uur v.m. wordt het eilandje bereikt dat ± 4 K.M. van den mond midden in de rivier ligt. Vanaf dit punt is de zee zichtbaar en als het personeel op de vlotten hier het einde van den tocht ziet, gaat er een luid gejuich uit hun midden op. De meer genoemde mandoer der Papoea’sche koelies zegt, dat zich op dit eilandje de nederzetting der vogeljagers moet bevinden. Er is echter niets van te zien. Zelfs geen overblijfselen van huisjes. Ondergeteekende krijgt den indruk, dat deze streek in langen tijd niet door jagers is bezocht. Vervlogen is de hoop, hier onzen voorraad vivres te kunnen aanvullen. Van het schip is nog niets te zien. De toestand is niet rooskleurig, want zoo juist verorberden we ons laatste beetje bedorven rijst, sommigen der dwangarbeiders hadden zelfs hun aandeel reeds des morgens vroeg geheel verbruikt.

Ten 1 uur n.m. werd de mond der rivier bereikt. Tot mijn groote verwondering trof ik de patrouille Stroeve niet aan. Ook geen teeken of eenige mededeeling, waarheen de patrouille zich had begeven, werd gevonden; noch waren de overblijfselen van een bivak aanwezig. Een patrouille in het prauwtje uitgezonden, om op den rechteroever te zoeken, komt onverrichterzake terug. Ik vermoed, dat de vermiste patrouille, die evenals wij gebrek aan vivres heeft, misschien weer de rivier is opgevaren, om sago te halen. Het is mogelijk, dat zij zich ter hoogte van het eiland op den rechterrivieroever bevinden. Daar wij links gepasseerd zijn, zouden wij misschien elkaar zijn misgeloopen. Het prauwtje wordt onmiddellijk daarheen gestuurd, maar komt wederom zonder iets gevonden te hebben terug. Ondertusschen is de avond gevallen. Ik maak me hevig ongerust omtrent het lot der patrouille. Wat kan hun overkomen zijn? Zou het prauwtje wellicht bij het varen gedurende den nacht zijn omgeslagen en de opvarenden hier of daar op den oever zitten? Doch neen, dit kan niet, daar zij de colonne dan toch hadden moeten zien passeeren. Een andere veronderstelling is, dat de heer Stroeve, het schip niet vindende, een verkenning heeft gemaakt langs de kust, om te trachten, aldus aan voedsel te komen. Met deze hoop bezield, gaan we zonder eten den nacht in. De stemming onder de menschen is zeer gedrukt. Ik hoop, dat morgen het schip zal komen; men zal er misschien op hebben gerekend dat wij tot en met den 8en vivres hebben en op dien datum het schip zenden; niettemin zullen we toch morgen moeten zien sago te krijgen, daar wij bij langer wachten zoo slap zullen zijn van honger, dat van eenigen spierarbeid geen sprake meer zal zijn.

8 September. Ten 6 uur v.m. worden 4 man in het wrakke prauwtje uitgezonden, om de rivier op te varen voor het bereiden van sago. Het doel is, dat zij een goeden boom zullen uitzoeken en dadelijk met kloppen beginnen. Het prauwtje zal door 1 man worden teruggebracht, waarna ik zelf met 3 dwangarbeiders naar boven zal gaan, om de werkzaamheden te controleeren. Ik hoop dan vanavond een sagomaal te kunnen verstrekken.

Daar ik meen op den anderen oever aan een der boomen een teeken te zien hangen, misschien door de patrouille Stroeve daar voor mij geplaatst, wordt het prauwtje eerst daarheen gezonden, om zich van de eventueele aanwezigheid van eenig bericht te overtuigen. Reeds na een half uur is het prauwtje terug. Inderdaad hebben zij een spoor gevonden en ben ik spoedig ingelicht omtrent het vreeselijk feit, dat zich gisteren morgen hier heeft afgespeeld. De uitgezonden dwangarbeiders vonden op den anderen oever den inl. fus. Wagimin; de man is al zijn wapens en ledergoed kwijt. Hij wordt dadelijk naar het bivak overgebracht en hier hoor ik uit zijn mond, wat er is voorgevallen.

Den 6en kwam de patrouille Stroeve, na den geheelen nacht te hebben doorgeroeid, des morgens omstreeks 10 uur bij den riviermond aan. Daar ook zij de verwachte nederzetting der jagers niet vonden, begaf de heer Stroeve zich dadelijk naar den rechteroever en richtte hier op de uiterste punt van dezen oever een bivakje in. De inl. fus. Wagimin, die versche menschensporen zag, maakte de opmerking, of niet liever op den linkerrivieroever zou worden gebivakkeerd. Hij was mede geweest bij de vroegere exploratie van deze rivier, en meende zich het bestaan te herinneren van de vijandige kampong Aropen. (Vermoedelijk vergiste hij zich met de kampoeng Kai, die ongeveer een jaar geleden getuchtigd werd, maar die ± 70 KM. meer Noordelijk ligt). De heer Stroeve zeide toen, dat zij voorloopig hier zouden blijven, maar morgen (dus den 7den) bij aankomst der geheele colonne zouden oversteken.

Op den 7den, des morgens vroeg, gaf de heer Stroeve opdracht aan den inl. fuselier en aan den dwangarbeider Deloesin, om met het prauwtje nipahvruchten en zoo mogelijk sago te verzamelen. Hij zelf zou, met den karabijn gewapend, een verkenning maken in Noordelijke richting, en trachten eenig wild onder schot te krijgen. Toen Wagimin tegen 8 uur voorm. terugkwam in het bivak, was de heer Stroeve nog niet terug, maar kwam kort daarop aan. Hij had niets geschoten en verzocht om eenige nipahvruchten. Ook hun voedsel was geheel verbruikt.

Nauwelijks had Stroeve eenige vruchten genuttigd, toen hij plotseling op korten afstand van ter zijde werd bepijld. Van het naderen van den vijand had geen van de leden der patrouille iets gemerkt. Vermoedelijk had hij, de sporen van Stroeve volgende, zoo het goed verscholen bivakje gevonden. De ongelukkige officier werd dadelijk door twee pijlen in de zijde getroffen, die hij zich eigenhandig uit het lichaam trok en waarop hij om den karabijn riep. Daar hij bij terugkomst der verkenning dit wapen buiten zijn bereik had neergelegd, kon hij het niet meer grijpen, maar vloog toen naar den dwangarbeider Deloesin, ontrukte dezen den klewang en stormde onvervaard op den talrijken vijand in. Daar de Papoea’s uit deze streken niet voorzien zijn van blanke wapenen, was deze taktiek in deze omstandigheden wel de beste. Inderdaad had de plotselinge aanval aanvankelijk succes, althans alles vlood heen, met uitzondering van één man, die staan bleef en op korten afstand zijn pijl op Stroeve afschoot. Deze pijl trof mijn armen vriend in den buik, waarop hij nederzeeg.

Middelerwijl had de vijand den karabijn in het bivak gevonden, en toen Wagimin en Deloesin dit wapen in handen van den vijand zagen en hun commandant gevallen, vluchtten zij achtervolgd door vele vijanden het bosch in, waar zij zich verborgen. Van de komst mijner colonne, eenige uren later, hadden zij niets gemerkt, daar zij zich niet durfden vertoonen. Aldus hadden zij zich den geheelen nacht verborgen gehouden en in al dien tijd niets genuttigd.

Dit verhaal wordt mij in stukjes en brokjes door den zeer ontdanen fuselier medegedeeld.

Onmiddellijk stapte ondergeteekende met den fuselier en een dwangarbeider, behoorlijk gewapend, in het prauwtje om op den rechteroever een onderzoek in te stellen. Spoedig wordt daar het lijk van den heer Stroeve gevonden op de plaats waar hij gevallen is. Het lijk is niet beroofd en nog voorzien van alle kleederen. Het wordt opgenomen en in het prauwtje gelegd, waarna de oever verder wordt afgezocht naar den dwangarbeider Deloesin, die na eenig zoeken en roepen eveneens in het bosch wordt gevonden. De man is door een pijlschot licht in den voet gewond, maar is er overigens goed afgekomen. De dappere gesneuvelde officier heeft dus hier met zijn eigen lijf het leven gered van zijn twee lotgenooten. Het bivakje is geheel geplunderd. Alle instrumenten zijn door de wilden weggenomen, zoomede het meetboek van onzen tocht, dat de heer Stroeve had meegenomen om eventueele peilingen aan te teekenen.

Mijn dagelijksch ziekenrapport.
Mijn dagelijksch ziekenrapport.

Mijn dagelijksch ziekenrapport.

De verslagenheid van de menschen bij aankomst van het lijk in het bivak is groot. Ook bij mij is de indruk van het gebeurde diep, doch de zorg voor de levenden staat nu op den voorgrond. Het schip is er nog niet, kan misschien nog lang wegblijven en ons voedsel is op. Spoedig wordt het lijk begraven vlak bij ons bivak en daarna ga ik er met drie dwangarbeiders in het prauwtje op uit, om te trachten een sagoboom hierheen te sleepen. Ten 5 uur n.m. zijn wij met een boom terug. De bereiding der sago is echter met deze ongeoefende menschen niet eenvoudig. Niemand weet eigenlijk, hoe de sago moet worden verkregen, maar toch heeft ieder des avonds een weinig van een vies kleverig sagopapje, wrang en bitter van smaak. Een poging om uit zeewater zout te koken mislukt volkomen door het zeer geringe zoutgehalte van het water.

Als het schip niet spoedig komt, zal de toestand zeer hachelijk worden. De stemming onder de menschen is down.

9 September. Gisterenavond werden we opgeschrikt door het geroep van “kapal” (schip). Alles springt op om zich te overtuigen. Helaas, een loos alarm. De post heeft een ster aangezien voor de lichten van het schip.

Hedenmorgen algemeene verslagenheid, omdat het schip er nog niet is. Bij de menschen doen zich, vermoedelijk als gevolg van de slechte voeding, gevallen van nachtverblindheid voor. Met alle middelen tracht ik er bij mijn lotgenooten den moed in te houden, spreek ze toe en doe mijzelf zeer opgewekt voor. De menschen liggen verslagen op den grond en trachten in den slaap hun toestand te vergeten. Met moeite krijg ik hen tot werken om een vischnet te maken. Van avond zullen we trachten wat visch te vangen. De sagovoeding gaat niet erg schitterend. Wel is waar krijgen wij een papje, maar dit is bijna niet naar binnen te krijgen. Ik krijg de zekerheid, dat er iets met het schip niet in orde is. Maar wat?

± 4000 meter hoog (obs. punt C).
± 4000 meter hoog (obs. punt C).

± 4000 meter hoog (obs. punt C).

10 September. Gisterenavond vingen we een klein zoodje visch. Voor elk twee vischjes. Het is wel niet veel, maar het heeft smaak. Daar ik vrees, dat de krachten bij ons zoo zullen afnemen, dat we ten slotte niet meer in staat zullen zijn om sago te halen, ga ik er reeds heden weer op uit om een boom, die echter blijkt absoluut geen sago te bezitten. Hij is blijkbaar te jong. Morgen zullen we een anderen zien te krijgen.

12 September. De 6e dag, dat we zonder behoorlijke voeding zijn; nog steeds geen schip in zicht. Ik vraag me vergeefs af, wat toch de reden der vertraging kan zijn.

Tegen 10 uur v.m. zie ik aan de overzijde een twintigtal menschen loopen. Ik hoop, dat ze een aanval met prauwen zullen wagen. Het zal dan niet moeilijk zijn hun met de drie overgebleven vuurwapens een goede les te geven. Ondergeteekende denkt er over om aanvallend te werk te gaan; er staat echter zoo veel wind, dat een oversteek in ons kleine prauwtje, waar hoogstens 4 man in kunnen plaats nemen, niet mogelijk is. De vijand wordt nauwkeurig waargenomen. Ze maken echter geen aanstalten om over te steken.

Ten 11 uur v.m. meent ondergeteekende een rookwolkje aan de kim te zien, en na een half uur hebben we zekerheid, dat het schip in aantocht is.

Dank zij de welwillendheid van den gezaghebber der “Albatros”, wordt op mijn verzoek het lijk van den gesneuvelden luitenant ter zee Stroeve opgegraven ten einde, via Manokwari, te worden overgebracht naar Ambon.”

Tot zoover het verslag van Ilgen, dat ons de treurige waarheid bracht van het verlies van mijn braven kameraad; bijna twee jaren waren wij samen bij het exploratie-detachement te Manokwari werkzaam geweest.

Er moest nu echter gehandeld worden; voor het karteeren der bergen bezuiden Kalongeiland stond ik thans alleen met nog slechts 2 maanden tijd voor den boeg.

Besloten werd, dat wij zoo spoedig mogelijk zouden opbreken en ik den tocht zou maken. Kapitein Schultz zou naar Bataviabivak teruggaan en mij alle beschikbare menschen en vivres nazenden.

Mijn plan was, eene linkerzijrivier der Idenburgrivier op te gaan (monding op 138° 35′ OL. en 3° 15′ ZBr.) zoover mogelijk, en daar een hoofdbivak te maken; in Z.W. richting te marcheeren en een hoogen top te beklimmen, indien mogelijk meerdere toppen. Zeer dicht bij dit riviertje stonden op de oude kaart reeds toppen van ± 2000 M., bepaald op den tocht van Franssen Herderschee, doch deze plaats verdiende volgens zijn eigen rapport weinig vertrouwen, daar de bergen bepaald werden uit de Van der Willigenrivier door afstandschatting.

Wij zakten de Rouffaerrivier en daarna de Van der Willigenrivier af. Den 2en October waren wij nog een dag van Bataviabivak af en besloten de colonne te splitsen. ’s Morgens 6 uur vertrok de kapitein Schultz met een paar prauwen naar Bataviabivak.

Na zijn vertrek werd door mij alles gereed gemaakt om den nieuwen tocht aan te vangen. Ten 7 uur 30 min. wordt vertrokken met 10 prauwen.

Sterkte der colonne: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 2 eur. sergeants, 1 inl. korporaal, 9 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 35 dwangarbeiders. Totaal 60 man.

Zonder bijzondere gebeurtenissen wordt ten 4 uur 30 min. n.m. onder hevigen slagregen, Kalongeiland bereikt en bivak gemaakt bij de samenvloeiing der Idenburg- en Van de Willigenrivier. Vier koortsgevallen.

21 October. ’s Morgens wordt om de Zuid een hooggebergte gepeild met bijzonder hooge, kenbare toppen. Met zeer veel genoegen slaan wij dit gade, want dit is het terrein, waarheen ik op weg ben.

Nadat ik met de metingen gereed ben gekomen, roeien wij de Idenburgrivier stroomopwaarts; de stroom is gering, de rivier doet denken aan de Van Daalenrivier, wat betreft stroomsterkte, waterkleur en oevers. Het is moordend warm, zoodat ik korte dagen maak, om mijn roeiers niet te veel af te matten. 2 uur 30 min. bivak. Vier koortsgevallen.

22 October. Varen verder de Idenburgrivier op; 2 uur 30 min. bivak. Geen bijzonderheden. Vier koortsgevallen.

23 October. Als gisteren. ’s Avonds passeert op weg naar Bataviabivak een prauw van de Idenburg-rivier-colonne onder bevel van een inl. fuselier. Deze heeft order met het oog op de geringe hoeveelheid vivres ook ’s nachts door te roeien. Spoedberichten heeft hij niet, zoodat ik hem vergunning geef in ons bivak te overnachten en hen den volgenden morgen vóór het vertrek flink van eten laat voorzien. ’t Was een buitenkansje voor hen, want zij waren al vier dagen en nachten op weg.

Onder hevigen slagregen wordt vertrokken, ten 10 uur wordt de linkerzijrivier bereikt en opgegaan. Ten 11 uur klaart het op en krijg ik mooi helder zicht.

In het Zuiden, vrij dicht bij, bergland; om de West echter niets dan laagland. De bergen, waarvan ik reeds sprak, zullen wel verder om de Zuid liggen.

Na 1 KM. te zijn gevorderd, slaat een prauw om; door de snelle hulp van onze Dajaks, die onmiddellijk uit alle prauwen te water sprongen, worden menschen, prauw en bagage gered. Ik heb voor de 10 prauwen slechts 10 Dajaks als stuurlieden en daar een prauw pas vertrouwd bestuurd is met minstens 3 Dajaks, kan dit ongeval geen verwondering baren. Als dan ook ten 2 uur 30 min. wederom een prauw omslaat en eenige barang verloren gaat, besluit ik hier maar mijn “Prauwbivak” in te richten en dan maar wat verder te marcheeren. ’t Was jammer, want de Luit.-ter-zee De Wal kon in 1911 deze rivier ongeveer 10 KM. opvaren, terwijl ik 2 KM. van den mond reeds verplicht ben te bivakkeeren.

Het bivak wordt in orde gebracht; prauwen op het droge gehaald. Een flink vivresmagazijn wordt gebouwd.

Als alles klaar is, laat ik ’s middags de colonne indeelen voor het vertrek op morgen. Daar ik verwacht, vrij spoedig in het bergland te zitten, laat ik warme kleeding en wollen dekens uitgeven; elke man een twist-borstrok en -onderbroek, benevens een wollen deken. De dragers moesten dit stuk voor stuk bij het transport-loopen boven hun gewone vracht meenemen, anders zou mij dit te veel dragers kosten.

26 October. 6 uur 30 min. op marsch, kappen in ZW. richting, aanvankelijk langs de rivier. Een zwaar en diep moeras, daarna droog boschterrein, doorsneden met vele beekjes. Sterkte: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur. sergeant, 1 inl. korporaal, 5 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 33 dwangarbeiders, totaal 53 man.

Als bivakdekking was achtergelaten 1 eur. sergeant met 4 karabijnen.

Ten 3 uur 30 min. wordt bivak gemaakt; heden afgelegd 5½ KM. in 9 uur marcheeren door bijzonder zwaar terrein.

27 October. ’s Nachts harde regen.

7 Uur vertrek; kappen in Z.Z.W-richting; af en toe stukken diep moeras, dan weer stukken boschterrein zonder ondergroei. Even na eetrust, ten 12 uur 30 min. gaan wij den eersten heuvel op en komen na een zware klimpartij op den kam ± 400 meter hoog. Op den kam een goed beloopen Papoea-pad. Dalen in de voorgenomen marschrichting den heuvel weder aan de andere zijde af en maken ten 3 uur bivak aan een helder beekje.

28 October. 6 uur 30. Op marsch. Kappen het pad verder in ZZW. richting; passeeren vele riviertjes, die alle om de West (!!) stroomen. Ten 11 uur zijn wij aan de uitloopers van het gebergte; stijgen zeer steil, om drie uur bereik ik den ± 1100 meter hoogen, zeer smallen bergrug, waar bivak gemaakt wordt. De staart der colonne komt pas om 5 uur aan.

Aangezien deze kam Oost-West loopt en maar 1½ meter breed is, kan hier een prachtig uitzicht om de Zuid worden verkregen, zoodat hier het eerste vivresdepôt A wordt ingericht.

Het transport dragers gaat onder dekking van 1 inl. korp. en 3 karabijnen terug naar Prauwbivak.

Met den eur. serg., 1 karabijn, den inl. verkenner en eenige Dajaks blijf ik achter om hier observaties te doen.

Dezen dag komt uit Bataviabivak aan in Prauwbivak een transport vivres en kleeding, sterk 29 man, zoodat mijn geheele troep nu bestaat uit: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 3 eur. sergeants, 2 inl. korporaals, 15 inl. fuseliers, 1 ziekenverpleger, 10 Dajaks en 56 dwangarbeiders, totaal 89 man.

30 October. Kappen uitzicht en maken een boomstelling, ’s Middags helder uitzicht, dus een begin gemaakt met het peilingswerk. Dit bivak heeft een bezwaar; er is geen water, zelfs niet tot ver in den omtrek. Gelukkig regent het elken nacht en vangen wij dan het water van de tenten op, zoodat wij geen gebrek hebben; het is hier na zonsondergang al vrij koud en wij kunnen onzen deken best velen.

31 October. Peilingswerk; astronomische plaatsbepaling van het bivak.

1 November. Regenachtig; slecht bergenzicht. Laat op den middag komen de Dajaks van het transport aan; deze taaie kerels zijn de verdere colonne een heel eind vooruit.

2 November. Het transport komt aan; 1 europ. serg., 3 fuseliers en 47 dwangarbeiders. Tevens ontvang ik bericht, dat de exploratie tot ultimo Februari kan duren, zoodat kalm doorgewerkt kan worden.

3 November. Transport van 26 dwangarbeiders onder dekking van 1 inl. korp. + 1 fuselier terug naar Prauwbivak.

Mijn peilingswerk is hier nog niet gereed, zoodat ik een colonne laat doorkappen onder leiding van den inl. verkenner, met 1 eur. serg., 2 karabijnen, 10 Dajaks en 22 dwangarbeiders.

Naar Prauwbivak wordt bericht gezonden aan den sergeant-bivakcommandant, om nog een transport van 20 dwangarbeiders naar depôt A te zenden. Daarna, na terugkomst van dit loop-transport, met 4 prauwen transport te gaan varen tusschen Bataviabivak en Prauwbivak, zoodat ik na terugkomst van dezen tocht levensmiddelen genoeg heb om dadelijk weer een nieuwen tocht te beginnen.

Vanaf depôt A houd ik alleen als dragers 10 Dajaks en 25 uitgezochte dwangarbeiders; de rest der 56 dwangarbeiders is door de loop-transporten van Prauwbivak—Depôt A dusdanig in slechte conditie, dat zij verder in dit zware bergterrein niet meer goed bruikbaar zijn. De ziekenverpleger heeft het ook afgelegd, zoodat ik de gewonden verder weer zelf kan behandelen; enfin, dit deed ik al van 3 Juni af.

4 November. Met eenige menschen in depôt A. Geen uitzicht. Mistig en koud.

5 November. Geen uitzicht.

6 November. Er komt een transport van depôt B aan, dat op den bergkam is gemaakt, ± 5 KM. verder om de Zuid; sterk 1 inl. fuselier, 10 Dajaks + 20 dwangarbeiders.

’s Avonds krijg ik om de Zuid mooi uitzicht. Op ± 15 KM. ZZW. van dit punt is een kale hooge top, naar meting ongeveer 4000 M. hoog; duidelijk kan ik waarnemen, dat de kam, dien wij volgden, daarheen voert. Dien top zal ik derhalve beklimmen; het uitzicht vandaar zal loonend zijn, hoop ik.

Hoewel nog niet geheel gereed met het peilingswerk, wordt besloten morgen door te gaan. Transport van Prauwbivak is nog niet aangekomen.

Wij liggen een beetje in duigen: ik zelf en de Eur. sergeant hebben een flinken malaria-aanval, mijn verkenner heeft het in den buik.

8 November. Transport loopen tusschen A en B.

9 November. Met een kleine colonne, waaronder 10 Dajaks en 10 dwangarbeiders, kappen wij den weg verder; het is zeer zwaar begroeid bergterrein en wij schieten per dag niet meer dan 1½ KM. hemelsbreed op. Tegelijkertijd wordt tusschen depôts A en B transport geloopen.

10 November. Kappen door in zuidelijke richting, 1½ KM. zeer zwaar bergterrein met steile hellingen.

11 November. Kappen verder; ten 11 uur komt een transport van 15 dwangarbeiders onder een Eur. serg. mij achterop. Het transport-loopen van A naar B is gereed gekomen. In depôt A is alleen eten achtergelaten, onbewaakt, voor den terugtocht.

Ten 2 uur zijn wij na een stijve klim op een plateau aangekomen, waar een helder stroompje doorloopt. Daar ik volgens mijn kookthermometer hier op 2430 M. hoogte ben aangekomen, besluit ik hier mijn Hoofdbivak te maken en dan van dit bivak uit een tocht naar de 4000 meter, zonder verdere depôts aan te leggen.

12 November. Transport terug naar depôt B: 1 inl. fuselier, 5 Dajaks, 19 dwangarbeiders.

Nacht en dag zware regen.

13 November. Kappen met den inl. verkenner en 5 Dajaks den weg verder.

Ten 2 uur komt onder leiding van een Eur. serg. het transport van depôt B aan. In depôt B heeft hij achtergelaten 3 zieken (1 inl. fus. + 2 dwangarb.).

14 November. ’s Morgens stuur ik 1 Eur. serg., 1 fuselier en 10 dwangarbeiders terug naar Prauwbivak. Zij zijn niet meer noodig en mijn aantal dagen rantsoen wordt hierdoor niet onbelangrijk uitgebreid; de zieken uit depôt B worden tevens medegenomen.

Met 1 inl. verkenner, 1 Eur. serg., 1 fuselier, 10 Dajaks en 15 dwangarbeiders op marsch naar boven. 3 Inl. fuseliers worden achtergelaten als dekking van Hoofdbivak. Na een steilen klim bereiken wij een kam van 3000 meter hoogte.

Legden vandaag ± 2 KM. af.

15 November. Volgen, voortdurend een pad kappende, den kam, die weinig stijgt. Regen en windvlagen.

Onze tenten zijn slecht geworden door het reeds langdurig gebruik, zoodat wij bij regen ’s nachts weinig slapen. En gaat het er niet doorheen, dan waait het wel onder onze afdakjes door.

16 November. ’s Nachts zeer koud; ondanks den wollen deken, slaapt niemand; hout om een flink vuur te maken is niet meer te krijgen.

’s Morgens weer met frisschen moed op marsch en reeds spoedig wordt een 3200 M. hooge top bereikt, die zich uitmuntend leent voor observatie’s. (Observatiepunt B, 3200 M.) Zoo goed mogelijk wordt hier bivak gemaakt.

Obs. punt B. (3200 meter).
Obs. punt B. (3200 meter).

Obs. punt B. (3200 meter).

De begroeiing bestaat uit lage struikjes; ik heb hier een prachtig uitzicht. Het bivak maken gaat er door gebrek aan hout moeilijk. Morgen heb ik nog 7 dagen vivres over; door nu een gedeelte der dragers terug te zenden naar Prauwbivak houd ik minstens 14 dagen levensmiddelen over om van Hoofdbivak weg te blijven. De Dajaks verzoeken om te mogen blijven, ten einde den hoogen top mede te beklimmen.

Het uitzicht is hier schitterend; in het Noorden zien wij duidelijk de samenvloeiing van Idenburg- en Van der Willigenrivier (Kalongeiland), zoodat de lengtebepaling weder zeer nauwkeurig wordt. De breedtebepaling is onafhankelijk van de tijdmeters, zooals te voren reeds is medegedeeld.

In het kort was de werkwijze als volgt:

Magnetische peiling met boussole-tranche-montagne op Kalongeiland; breedtebepaling op sterren. Dit geeft een voorloopige plaats op breedte en lengte. Met deze plaats een standbepaling op de zon ter verifiëering der tijdmeters. Deze nieuwe stand wordt gebruikt om een astronomische peiling te nemen, ter bepaling van één zuivere astron. richting en der magn. variatie; dus tevens wordt hiermede de ware astronomische richting van Kalongeiland bepaald. De juiste ware plaats van observatiepunt B wordt nu opnieuw uitgerekend. Deze geheele verbetering kan men, indien men groote verschillen vindt tusschen voorloopige en ware plaats, nogmaals herhalen.

Vanaf observatiepunt B. was de Wilhelminatop (sneeuw) te peilen, in ongeveer Z. ¼ O. richting. De hoogte van den Wilhelminatop klopte precies, doch de peilingslijn liep er iets langs.

17 November. Transport 1 fus. + 12 dwangarbeiders terug naar Hoofdbivak; vandaar met de dekking door naar Prauwbivak, dus 4 inl. fus. + 12 dwangarbeiders.

Door 5 Dajaks laat ik het pad verder kappen; de weg wijst zich vanzelf en de verkenner en ik hebben het te druk met peilingswerk.

Onze colonne is nu nog sterk: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur. sergeant, 10 Dajaks en 3 dwangarbeiders. Totaal 16 man.

De geheele etappenlijn is nu zonder bezetting, in alle bivaks ligt echter ruim voldoende eten voor den terugtocht.

’s Nachts wordt in een fellen, kouden wind een astronomische plaatsbepaling genomen.

18 November. Astronomische peiling. Standbepaling tijdmeters. De Dajaks kappen het pad verder. Peilingswerk.

19 November. De geheele Centrale keten is nu te zien: Wilhelminatop, Rhumphius keten, enz.

Vandaag kom ik met het peilingswerk gereed.

20 November. Vertrek naar den hoogen top. (Observatiepunt C.)

’t Is een steile klim en ’t valt den verkenner en mij bijzonder moeilijk; wij zijn dan ook al van 3 Juni af, aan één stuk door, op meer of minder zware patrouilles.

Op den Wilhelminatop is de sneeuw duidelijk te zien; groote vreugde onder de Dajaks, voor het meerendeel jonge kerels! Het zien van de sneeuw is voor hen een heele gebeurtenis.

Op 3500 Meter hoogte wordt bivak gemaakt; er is gelukkig een weinig water in de buurt.

Ons bivak staat aan den voet van een uit groote rotsblokken bestaanden steilen top.

21 November, ’s Morgens voor dag en dauw klim ik met den verkenner naar boven; na ruim een uur steil klimmen bereiken wij het hoogste punt, 3810 M. hoog.

Wij hebben hier rondom prachtig uitzicht; zien Carstensztoppen en den Wilhelminatop met de geheele Centrale keten, die er tusschen ligt. Het hooggebergte, dat ik op mijn vorigen tocht in September bepaald had, is van hier weder duidelijk te herkennen, zoodat volkomen aansluiting wordt verkregen.

Een peiling op den Wilhelminatop geeft mij een zeer groote afwijking; een astronomische peiling wordt daarom genomen en de magn. variatie er uit bepaald; dit geeft nu ongeveer 13° verschil met de normale variatie. Zeer waarschijnlijk is dit hier een plaatselijke afwijking.

Den geheelen dag blijf ik met den verkenner boven en pas tegen donker dalen wij weder naar ons bivak af.

± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).
± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).

± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).

22 November. ’s Nachts zwaar onweder en hevige regen; onze lekke tenten laten ons in den steek en de nattigheid gepaard aan de koude belet ons te slapen. In onze dekens gewikkeld, zitten wij maar te wachten, tot de dag weer aanbreekt.

Dadelijk weer naar boven; wij treffen een schitterend uitzicht; in het Noorden zie ik de meervlakte met de rivieren en zelfs duidelijk de randgebergten, die de meervlakte aan de Noordzijde begrenzen, zooals: Van Reesgebergte, Gauthier-, Foja-, Karamoor- en Cycloopgebergte. In het Zuiden en Westen bevindt zich een diep ravijn, waarin een bergrivier naar de meervlakte stroomt.

De hellingen van dit ravijn zijn als bezaaid met huizen en ladangs. Overal zien wij rook uit de huizen komen, zoodat er een vrij groote bergbevolking moet zitten. Typisch is weer hetzelfde verschijnsel, dat zich ook bij de Boven-Rouffaerrivier voordeed: in de meervlakte bevolking; diep in de bergen eveneens; op de uitloopers der bergen naar de vlakte geen spoor van verkeer. Op onzen tocht in het hooggebergte bezuiden de Geelvinckbaai (West-Weilandgebergte) in 1913 daarentegen vonden wij aldaar jachtpaden, strikken, enz. en bleek er ook werkelijk wèl aansluiting plaats te hebben.

Vandaag kom ik gereed met de bergpeilingen, zoodat wij morgen kunnen afmarcheeren. Echter wil ik van observatiepunt B nog enkele bergen nemen.

23 November. Terug naar observatiepunt B. Peilingen.

24 November. Peilingen.

25 November. Terug naar Hoofdbivak.

26 November. In vivresdepôt B.

27/28 November. In depôt A.

29 November wordt van depôt A vertrokken en den 30en vinden wij het Prauwbivak bijna verlaten terug. Er is namelijk in mijn afwezigheid order gekomen, zoo spoedig mogelijk terug te keeren naar Pionierbivak, zoodat de sergeant-bivakcommandant reeds bijna alle menschen en vivres had weggezonden.

’t Was wel jammer; de tocht, dien ik mij voorgesteld had te maken bezuiden de Van der Willigenrivier, teneinde de rivier en het ravijn te bereiken, waar ik van af punt C dichte bevolking had waargenomen, kon nu niet meer doorgaan.

1–3 December wordt gereedheid gemaakt voor het vertrek naar Bataviabivak.

4 December varen wij de groote motorboot achterop, die door de Idenburg-riviercolonne in gebruik is genomen en weer eens in duigen ligt. Ik kan nu niet helpen, maar beloof den djoeroemoedi (stuurman), hem van uit Bataviabivak de kleine motorboot tegemoet te sturen.

5 December. Aankomst in Bataviabivak, alwaar voor mij bericht is van den Detachements-command. kapt. Oppermann, om de beide motorbooten door de vallen weder naar Pionierbivak te brengen.

6 December. 3 Prauwen met den verkenner, de sergeant en 10 Dajaks naar Pionierbivak met alle instrumenten, meetboeken en verdere waardevolle voorwerpen, ’s Morgens stuur ik de kleine motorboot uit om de andere, groote te gaan zoeken; zij ontmoeten elkaar even boven Bataviabivak en komen op eigen kracht aan.

7–8 December. Proefstoomen met de booten, want het wordt een gevaarlijk tochtje. Het hulproer van de groote motorboot, door Dajaks gemaakt, bevalt mij niet; het wordt nagekeken en hersteld, waarna nogmaals wordt proefgestoomd.

9 December. Op weg met beide booten; reeds bij het binnenloopen van de Batavia-versnellingen slaat het roer der groote boot er geheel af. De andere komt te hulp en tracht de boot uit de kolken te sleepen. Als dit niet lukt, worden snel alle menschen overgenomen en de groote boot aan zijn lot overgelaten. Alleen één Dajak vertikte het om de boot te verlaten en tolt alle versnellingen door. Benedenstrooms wordt de boot weer opgepikt en naar de vroegere Etappepost IV gesleept. Ik laat hier de boot achter met bemanning, 4 Dajaks en dekking, met order voor de Dajaks om een stevig noodroer te maken. Met de kleine boot komen wij vandaag in Post II bij de Edivallen.

10 December komt de kleine boot behouden in Pionierbivak aan en eenige dagen later verschijnt ook plotseling de groote.

In Pionierbivak, waar ik nu bijna 6½ maand achtereen vandaan was, tref ik de kapiteins Oppermann, onzen Detachements-commandant en Schultz, mijn colonne-commandant. Alleen Langeler is nog op patrouille naar de bronnen van de Idenburgrivier; Dr. Thomsen is hem achternagestuurd, om hem terug te roepen.

De tochten zijn voor mij nu afgeloopen en met den kapitein Schultz zal ik dan ook spoedig naar Manokwari vertrekken, waar onze huizen staan en waar ik dan een begin maak met het teekenen van de kaart.

Den 25en December brengt het G. ss. “Albatros” ons met mijne laatste colonne naar Manokwari.

Alvorens dit hoofdstuk te eindigen, zal nog een en ander worden meegedeeld over de bevolking in het stroomgebied der Rouffaerrivier.

De oevers der Rouffaerrivier zijn vanaf het punt, waar zij uit het hooggebergte treedt tot aan hare samenvloeiing met de Van Daalenrivier bewoond. De bevolking is er voor Nieuw Guinee zeer talrijk en wordt langs de rivieren op circa 10 000 zielen geschat; dit getal werd bepaald uit gegevens, verkregen door het tellen der mannen in de kampongs. De zijrivier A is zeer dicht bevolkt, evenals de zijrivier D der Van Daalenrivier.

Dat de bevolking verdeeld is in stammen komt mij vrij zeker voor; in kleeding en versierselen is weinig of geen verschil te bemerken; in den aard der lieden echter wel.

Bevolking. De mannen zijn over het algemeen zeer forsch gebouwd, hebben echter allen slecht gevormde beenen. De eenige uitleg hiervoor is het bijna voortdurend loopen op de randen der zandbanken, waar zij tot over de enkels inzakken; zware liesbreuken komen ook algemeen voor.

De vrouwen zijn klein van postuur en goed geproportioneerd; het maakt den indruk, dat zij zeer spoedig verouderen. Onder de jongeren ziet men er velen, die niet van Papoesche bekoorlijkheid ontbloot zijn.

Kleeding en versierselen. De mannen dragen om het middel eenige dunne gordels van varenvezel, zooals ook aan den Mamberamo gebruikelijk is; echter zeer weinige, hoogstens 4 of 5 gordels, terwijl sommigen zich met één tevreden stellen. Sommige mannen dragen een schaambedekking, alsdan bestaande uit een kort, smal stukje geklopten boombast, dat vóór op den buik door een der gordels wordt gehaald en dan dubbel afhangt.

De versierselen der mannen bepalen zich bijna alleen tot hoofdtooi; tatoeage werd nimmer opgemerkt. De mannen laten op de kruin een plukje haar staan, waaromheen een krans van casuarisveeren wordt gewonden; de manier waarop dit geschiedt, is verschillend met die aan de Mamberamo. De veeren krans staat nl. nagenoeg recht overeind op het hoofd en hangt naar buiten over. Hiervóór worden over het hoofd, nabij het voorhoofd, eenige dunne banden gelegd, gemaakt van witte en bruine vruchtenpitjes. Op het voorhoofd een versiering van gepolijste varkenstanden, meestal drie stel boven elkaar. Door de neusvleugels van onder naar boven gestoken een soort haarspeld van been, door het neustusschenschot een horizontaal stukje hout.

Door den oorlel, eenige tot een △ gebogen casuarispennen, de △ wordt gemaakt door het dunne uiteinde van de pen in het dikke te steken.

Alle mannen dragen een staart van bladeren. Soms ziet men kruisbanden over borst en rug. Nooit verlaat hen de geknoopte draagtasch, dien zij in alle soorten bezitten. De groote tasschen zijn versierd met koppen en pooten van vogels.

Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.
Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.

Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.

De vrouwen dragen ook eenige gordels met schaambedekking van boombast. De schaambedekking wordt tusschen de beenen doorgehaald en voor en achter aan de gordels vastgemaakt. Zij zijn zeer smal en kort, zoodat zij net toereikend zijn, en niet, zooals elders gewoonte is, met een breede lap voor en achter afhangen. De hoofdtooi der vrouwen bestaat alleen in neus- en oorversierselen, zijnde deze dezelfde als bij de mannen.

Op den bovenloop der zijrivier A dragen de vrouwen ook geen schaamlap.

Wapens. Hun bewapening bestaat uitsluitend uit pijl en boog; op de Beneden-Rouffaerrivier werden eenige beenen messen gezien. De bogen zijn van niboenghout met rottan pees; zij zijn versierd met kroonveeren van kroonduiven en met casuarisveeren en tusschen deze versierselen rood geschilderd (kleurstof uit boomwortels). De pijlen zijn uitsluitend voor den strijd tegen den mensch en voor de jacht op groot wild. Vischpijlen, slangenpijlen en vogelpijlen werden niet gezien.

Voedingsmiddelen. Hoofdvoedsel is sago, die overal in geweldige hoeveelheden voorkomt; voor zoover was na te gaan, geschiedt de bereiding gelijk als in andere streken. De sago wordt bewaard in ruwe houten bakken zonder eenige versiering; wanneer de sago geheel gereed is, wordt zij verpakt in pandanbladeren of stukken van geklopten boombast.

Varkens- en casuarisvleesch, wijders allerlei soorten vogels.

De tuinen leveren pisang, suikerriet, keladi, oebi en tabak. De laatste wordt gerookt, gerold in een boomblad.

Aan de Beneden-Rouffaerrivier, dicht bij de Van der Willigenrivier, werden groote tabakspijpen gebruikt, gemaakt uit een grooten knoest hout; men gebruikt daar die pijpen ook bij wijze van trompet.

Vaartuigen. Deze zijn overal gelijk van vorm met die aan de Van der Willigenrivier; ze zijn log van vorm, doch liggen licht op het water, zoodat zij zelfs tegen stroom in hard kunnen opschieten. Vóór in den platten overhangenden boeg is een rond gat, waardoor een boomstok wordt gestoken, tot in den rivierbodem, teneinde afdrijven te voorkomen.

Als boomstok wordt gebruikt de middenbladnerf van den sagopalm, terwijl, wanneer er geroeid wordt, een kort stuk sagobladnerf als pagaai dienst doet.

Jacht. Voor de jacht op groot wild wordt gebruik gemaakt van pijl en boog; men beduidde ons, dat de vogels ook hiermede werden geschoten. Waar de inboorlingen echter geen speciale vogelpijlen bezitten en in aanmerking nemende het groote aantal vogeljachttrofeeën, is er reden te veronderstellen, dat zij een veelvuldig gebruik van strikken maken.

Pionierbivak.
Pionierbivak.

Pionierbivak.

Nooit hebben zij veeren van paradijsvogels, die daar zooveel men wil te schieten zijn. Toen hun er een vertoond werd, keken zij elkaar aan en deden erg geheimzinnig, wilden den vogel echter niet hebben.

Vischvangst. Veelvuldig kwamen voor een soort aalkorven, van rottan of van doorntakjes vervaardigd.

Ook zijn er groote hoepelnetten, waarmee de vrouwen schijnen te visschen. Men vindt verder op den oever van takken en bladeren gemaakt kleine schuttingen (een soort sero’s) ± 3 dM. hoog. Wanneer de rivier bandjirt, loopt de oever onder; dan de sero geplaatst, en bij weder gevallen water is de buit voor het grijpen. De plaats van deze sero’s gaf ook een aardigen kijk op het onderwaterloopen der meervlakte in den bandjirtijd.

Werktuigen. Alleen steenen bijlen, die zeer primitief zijn. Wanneer men deze bijlen heeft gezien, begrijpt men, dat de Papoea’s fel waren op alles, wat maar op een parang (kapmes) leek; in onze nabijheid was het woord saroo (= parang? ijzer?) niet van hun lippen. Met deze steenen bijlen kappen zij hun ladangs schoon en maken hun prauwen.

Huizen. Mannen, vrouwen en kinderen wonen samen in één huis. De huizen zijn gelijk als die aan de Van der Willigenrivier; aan den bovenloop van zijrivier A wordt aan den bouw meer zorg besteed; dit gaat gepaard met beter verzorgde tuinen.

In verschillende huizen treft men menschenschedels aan. Er is geen twijfel, waarom zij worden bewaard, zij hangen bij de jachttrofeeën, en liefst op nonchalante wijze tusschen de varkensschedels. Dat het koppensnellen hier op groote schaal voorkomt, komt echter niet waarschijnlijk voor.

Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.
Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.

Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.

VII.

De Exploratie der B-rivier.

Den 20en October afmarsch tot het doel in den titel van dit hoofdstuk vermeld. Er was gewacht moeten worden op nieuw menschenmateriaal, dat den 16en der maand per “Albatros” werd aangebracht.

In den tusschentijd regelen van particuliere en exploratie-zaken.

Pionierbivak was een mooi, afgewerkt dorp geworden. Aan den oever, waar oorspronkelijk ons barakje had gestaan, waren drie groote “gebouwen” verrezen: de groote goedang, het nieuwste (derde) officiershuis en het Dajak-huis. Mooie foto’s waren door onzen dokter gemaakt om het Pionierbivak, dat reeds van alle kanten astronomisch vastlag, ook fotografisch vast te leggen.

Commentaren op deze afbeeldingen zijn vrijwel overbodig. Men ziet op den voorgrond het derde officiershuis (×) met den grooten omgehakten, doch niet te water geraakten boom er voor; rechts daarvan den linkervleugel van het Dajak-huis en links, verscholen achter het loof van den eenigen “sierboom”, dien men in het bivak had laten staan, de goedangs; verder de mandikamers en aanlegsteigers en een klein “zootje” oude prauwen en sloepen. Bovenstaande foto geeft het groote bivak van den achterkant met het derde officiershuis (×) en het tweede idem (•) thans onder-officiersverblijf.

Onze nieuwe woning komt beter uit op blz. 195, terwijl de 2e foto eenigen van ons in de voorgalerij vereenigd doet zien; als een aardigheid werden de drie doodskoppen links erbij gefotografeerd. (ethnografica!)

Of wel zij zaten onze kippen na, die vrij in eenigszins verwilderden staat rondliepen; ons kippenhok toch was reeds lang verlaten, sinds er op een goeden nacht een slang in gesnapt was, die zich aan eenige kippen had volgegeten en bovendien een groot aantal had gedood. Sindsdien liepen alle kippen vrij rond, zij zaten op de boomen en overal. Als het “kip” was, trok de oudste der bedienden er met een oud jachtgeweer op uit en werden eenige neergelegd. Dat we onder die omstandigheden weinig van eieren zagen, was geen wonder, vooreerst waren ze moeilijk te vinden en àls er gevonden werden, zal het meestal wel “bij toeval” door dwangarbeiders geweest zijn.

Ook koeien hadden we een korten tijd in het bivak gehad, met de bedoeling het eeuwige blikkenvleesch eens door versch vleesch te vervangen; daar het echter veel te duur uit kwam (Manokwari-prijzen!) bleef het bij een proefneming. Men vertelde mij hoe Papoea-bezoekers over deze dieren verstomd hadden gestaan; men kan zich dat indenken, als men zich herinnert dat de grootste afmetingen op het gebied van viervoeters op Nieuw-Guinee in het wilde varken worden gevonden.

De vivresopvoer ging altijd nog zijn gewonen gang, de voorraad in Bataviabivak werd bijgehouden. Ongelukken kwamen zelden meer voor, het aantal prauwen was vrij stationair; Dajaks en huur-Papoea’s, de eersten als leiders, bedienden de transportlijn.

Ik hoorde ook het lot van een Europeesch sergeant van de Idenburgcolonne. Tijdens onze groote opvaart was hij op de Idenburgrivier teruggezonden, daar hij de verschijnselen van beri-beri voelde. In Bataviabivak aangekomen, had hij zoo’n haast om naar beneden te gaan, dat hij denzelfden dag nog doorging in een transportprauw met zieken; terwijl hij een dag later met Dajaks van het vivrestransport had kunnen varen. Zijn haast kwam hem duur te staan: in de Bataviaversnellingen raakte hij het hoofd kwijt, gaf aanwijzingen links en rechts, zoodat de prauw omging en twee menschen verdronken. De overigen redden zich op den oever, werden deels later mee teruggenomen door het voorbijvarend vivrestransport, bereikten deels uitgeput Bataviabivak. De sergeant zelf had zich aan de prauw vastgeklemd en is met haar stroomafwaarts gedreven, ging in den nacht door den Edi-val, waar zijn angstgeroep doorklonk tot Post II, vervolgens door de Marinevallen en strandde ten laatste een eindweegs beneden die laatste versnellingen. Hier werd hij door Papoea’s gevonden en bijgebracht; zij brachten den armen, geheel getroubleerden kerel in Pionierbivak, vanwaar hij ten spoedigste werd geëvacueerd.

Een dergelijk geval strekt wel tot leering.

De gezondheidstoestand in het bivak was steeds zeer goed; wie er bleven voelden er zich in den drogen tijd behagelijk. Die tijd liep nu echter op zijn einde en hierin vond ik wel een prikkel om zooveel mogelijk spoed te betrachten en ten minste ons Prauwbivak te bereiken vóór de groote was begon. Hoe laag de waterstand was geweest ziet men op blz. 196 en 197, dit was geweest Juli-Augustus; een verschil van 7 M. met den hoogsten winterstand was toen gevonden. Het was zeer ongeriefelijk geweest: de doorstrooming onder W.C.’s en mandikamers was verdwenen en een vette modderbank, vol rottend afgekapt hout en oude blikken, was te voorschijn gekomen; prauwen en sloepen waren op het droge geraakt. In dien tijd ging een Dajak-prauw in 2 à 3 dagen van hier tot Bataviabivak.

De kleine motorboot, met zooveel moeite boven gekregen, lag nu voor Pionierbivak, dupe van den eersten alarmkreet over den Grooten Oorlog. Zij verving hier de stoomsloep bij het maandelijksch transportsleepen van af den Gouvernementsstoomer naar den oever van het bivak; die stoomsloep n.m. was gezonken naast het schip, naar het heette door den fellen stroom, waarschijnlijk echter door de zorgeloosheid van den stuurman, die binnenboord was geloopen, nadat hij de sloep naast het schip had vastgelegd. De sloep was op een gegeven moment scheef gaan liggen, volgeloopen, en de vanglijn, niet meer bij machte om den grooten druk uit te houden, was geknapt; de inzittenden hadden zich reeds ijlings binnen boord geborgen. Doch dit was gebeurd eenige maanden geleden.

Over de groote motorboot hoorde ik de gunstigste verhalen, o.a. dat zij 3 ton vivres bergen kon. Ik hield reeds een oog op haar voor de tweede opvaart; kon echter niet vast op haar rekenen, daar Doorman haar misschien op dit moment gebruikte.

Bij de voorbereiding van dezen mijnen laatsten tocht hield ik rekening met alle tot nu toe opgedane ervaring. Zooals daar was:

Indekking. Uitsluitend tentdoek van het katoen- lijnolie- vaseline-procédé; voor mijzelf mijn kleine Wittich-tent.

Vivres. De benoodigdheden voor den troep, ruim naar den tijd en precies naar het aantal menschen in kilo’s nauwkeurig berekend; hierboven 10% als reserve voor bederf. Geen enkele “schatting” alzoo. De blikken alle door mij persoonlijk geinspecteerd, opdat niet een klein lekgaatje mij 15 K.G. rijst door vochtbederf onbruikbaar zou maken. Het vleesch in bundels van 4 blikken bij elkaar gepakt; de verstrekte bundels van 6 toch zijn in de prauwen onhandig en te groot. Katjang idjoe, hoewel ik die wilde laten slippen, moest op order van Kapitein Oppermann (en een zeer begrijpelijke order) mede; ik liet er echter evenveel blikken rijst voor thuis, fourageerde daarna elke week een deel van de katjang tegelijk met de rijst op.

Diversen. Per prauw 6 man; 7 is te veel, 5 te weinig gebleken. De eindpatrouille van af Canobivak plus de bezetting van dat bivak, tezamen 33 man, en vivres voor 4 maanden, bezwaarde mij met circa 4000 rantsoenen; dit aantal, gedeeld door het rendement eener prauw na de reis van Bataviabivak tot Prauwenbivak, gaf mij het benoodigde aantal prauwen en roeiers. De geheele patrouille van af Bataviabivak eischte ± 7000 rantsoenen. Ik rekende ook met de mogelijkheid dat ik de groote motorboot zou kunnen krijgen, maakte dus verschillende schema’s.

Eén onderofficier; na vertrek van Canobivak geen.

Eén verpleger, eveneens slechts tot Canobivak.

Daar ik na Canobivak de verkenning in 4 prauwen wilde doen met 24 man, waaronder mijzelf, rekende ik op 8 Dajaks, per prauw 2, één voor, één achter. Verder op 1 verkenner en de rest, dus 9, dwangarbeiders.

Officiershuis in Pionierbivak.
Officiershuis in Pionierbivak.

Officiershuis in Pionierbivak.

Voor den opvoer langs de Idenburgrivier (behalve op 1 onderofficier, 1 verpleger en deze 22 menschen) uitsluitend op Papoea’s onder Oscar, den “onderkoning.”

Een blik ruilartikelen, hoofdzakelijk ijzer, dus parangs en bijlen.

Veel werk, pek en spijkers, want boven Canobivak moesten eerst prauwen gemaakt worden; overigens is er steeds prauwenreparatie onderweg.

Zooveel mogelijk tijdmeters: 3 van het groote (Marine-)model, 5 chronomètres-torpilleur.

Vischlijnen en haken in ruime hoeveelheid.

De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.
De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.

De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.

V.l.n.r. Dr. v. Steenis, luit.-t.-z. Langeler, kapt. Schultz, kapt. Oppermann (zittend), dr. Thomsen.

Lichte ijzeren haken, door de Dajaks gesmeed en door hen “kait” genoemd; dienden om, aan een gallah gebindseld, de prauwen aan het oevergeboomte bij bandjir voort te trekken; hadden aan den onderkant een klein voetje om het afglijden van den stok te beletten; gaven verbazend veel gemak. Lectuur, waartoe zich prachtig leenden een twintigtal exemplaren van de “Petite Illustration”; immers, wanneer men zonder aanspraak is, zijn observaties en vivresrekening heeft uitgecijferd en zijn patrouillekaart heeft bijgewerkt, dan komt de verveling en dat mag niet.

Voor mijzelf nam ik geen andere dan troepvoeding; alleen een viertal 1 pondsblikken boter voor de jachtopbrengst en een tiental blikjes gecondenseerde melk. Overigens rekende ik op de ziekenkost, hopende dat ik geen zieken zou krijgen.

Fuseliers, dwangarbeiders en Dajaks waren allen zooveel mogelijk door mij uitgezocht uit de oude, beproefde garde; de dwangarbeiders uitsluitend riviermenschen uit Djambi en Palembang, flink en handig. Velen, die de vorige patrouille hadden meegemaakt, vonden het niets leuk, dat ze zoo gezond waren, doch daar was niets aan te doen.

Behoef ik nog te zeggen: geen stoomsloep?

Alzoo 20 October afmarsch. In drie prauwen slechts. Een dag of 3 te voren was een groot periodiek prauwentransport reeds naar boven gegaan; daar waren alle door mij gereserveerde prauwen bij, gemerkt, de beste die ik in Pionierbivak krijgen kon. In 3½ dag was ik in Bataviabivak; het was een aangename tocht door het van ouds bekende Van Reesgebergte; doch met Dajaks en met fuseliers en dwangarbeiders die na een jaar aan het spel met den Mamberamo gewend waren, kon het ook niet anders dan voor den wind gaan.

Bij aankomst in Bataviabivak aan den sergeant-majoor-bivakcommandant mijn verlangenslijstje opgegeven. Alles werd den volgenden morgen apart gezet, soort bij soort; de prauwen apart gelegd; daarna de menschen aan het werk gezet om de vleeschblikbundels van zes op vier terug te brengen, een werk waar heel wat rottantouw voor noodig was.

Van den kapitein Schultz, dien ik hier ontmoette, kreeg ik toestemming om de groote motorboot te gebruiken. Dit was dus de groote meevaller, waar ik op gehoopt had. Doorman exploreerde bezuiden Kalongeiland, was met een klein prauwentransport gemakkelijk op vivres-sterkte te houden.

Nadat ook alle Papoea’s voor het transport definitief waren aangewezen, werden de motorboot en 13 prauwen volgeladen, tezamen circa 5000 kg., de motorboot nam benzine in voor 21 dagen en veel vet. De sterkte van den troep was ruim 80 man, van wie ruim 50 Papoea’s.

Toen werd den 26en October de tocht begonnen.

Laag water voor Pionierbivak.
Laag water voor Pionierbivak.

Laag water voor Pionierbivak.

Bij lagen waterstand en met mooi weer legden wij in 16 dagen den afstand tot Prauwenbivak af, een record, dat wij evenwel niet zonder zorgen haalden. Die zorgen kwamen natuurlijk van de motorboot en wel meer speciaal van de pomp. Ik hield haar steeds in de gaten, overwegende dat, waar zij ons in den steek liet, ik mijn vivres moest deponeeren om die later te doen ophalen. Elke dag, dat dit dichter bij Prauwenbivak geschiedde, was mij een dag winst. Ikzelf bleef dan ook steeds in de motorboot, waar ik wel een vrij ruim, doch ook een vrij lastig verblijf had. De boot stikte nl. van de muskieten, die er ook kalm bleven zitten en beurt om beurt op een gelegenheid wachtten om zich even vol bloed te zuigen. De matrozen en de motoristen, die bovendien op bloote voeten werkten, waren nog het minst hierover gesticht en zij vervloekten den Mamberamo, waar ze tegen hun zin werden vastgehouden.

Prompt elken morgen half zeven was het bivak opgebroken en zat het volk in de prauwen, wachtende op het sein voor vertrek. Ik liep dan nog even het verlaten kamp rond om te zien of niemand iets had laten liggen en daarna stak alles van wal. Gewoonlijk lag de motorboot dan een minuut of wat te brommen voor er water was, daarna haalde ik mijn transport stuk voor stuk in en liet meestal half elf stoppen en den geheelen waterloop nazien en schoonmaken. Tegen een uur of half twaalf kwam dan de eerste prauw aanzetten, tegen twaalf uur de laatste. Daarna werd er een half uur rust gehouden om te eten. In den middag werd hetzelfde herhaald; de motorboot hield ten 3 ure stil voor een tot bivak geschikte plek, tusschen vieren en half vijf verschenen de prauwen. Na aankomst in den middag werd opnieuw de geheele pompbeweging nagezien en gereinigd, klaar voor den volgenden dag.

Tusschen Dajaks en Papoea’s was de eerste dagen een wedijver, wie het meeste met de dajongs zouden presteeren; op glad water toch, zooals hier op de vlakterivier, waren de Papoea’s in hun element en bij het vertrek en lang daarna waren zij gewoonlijk ver vooruit. Doch de Dajaks roeiden kalm en zeker door en geleidelijk haalden zij de Papoea’s in; de eerste prauwen, die des middags tegen vieren verschenen, waren steeds de twee, met Dajaks bemand.

Dit kwam mij ook best van pas zoo. Mijn beste houtkappers had ik nu het vlugste bij de hand; het eerste wat ik in orde liet maken was steeds mijn eigen bed en tent en de Dajaks stelden er ook een eer in, dat dit zoo vlug en zoo goed mogelijk in orde kwam; mijn jongen, Noer, een dwangarbeider van Palembang, had hierbij het oppertoezicht. Daarna maakten de Dajaks hun eigen barakje, dat ze steeds van de anderen apart hielden; vervolgens zette ik ze aan het kappen voor het nachtonderdak voor de rest van den troep, doch dat stond ze minder aan.

Notes in this chapter

Note 1 · De gezondheidtoestand der roeiers blijft uitstekend: sporadisch komt een koortsgeval voor. De laatste vier dagen hadden wij eiken nacht hardNote 2 · Den 26en Juni wordt de motorboot teruggestuurd naar Bataviabivak onder dekking van 1 eur. sergeant + 4 karabijnen24, met opdracht, daar te wNote 3 · Den 1en September was ik geheel gereed met de metingen en aanvaardden wij den terugtocht. Even voor wij den top verlieten, ontdekten wij ploNote 4 · Verder vonden wij een bericht van Stroeve, dat zijn tocht naar 2200 M. schitterend geslaagd was26; dat hij om de N.W. de Wapoga had verkend Note 5 · Mocht het blijken, dat deze rivier over een belangrijken afstand op te varen zou zijn, dan kon de circa 3000 M. hooge kam be-Z.W. observatieNote 6 · Ik zal hier het uittreksel overnemen, indertijd in het Tijdschrift van het Kon. Ned. Aard. Gen. verschenen en ontleend aan het journaal van Note 7 · De 17en Augustus werd de tocht aangevangen; men rekende er op, zonder groote bezwaren den 5en September aan de monding der Wapoga te kunnen Note 8 · Zoodra de riviermond zichtbaar is, krijgen de moeilijk te besturen vlotten order den linkeroever te houden, om het gevaar van in zee drijvenNote 9 · Een gejuich van “sekarang hidoep”32 gaat er op onder de leden van de patrouille en ieder maakt klaar om te embarkeeren, hoewel het zeker nogNote 10 · 7 November. Onder harden regen op weg: 1 luit.-t./zee, 1 karabijn,33 10 Dajaks + 16 dwangarbeiders; ten 1 uur 30 min. in depôt B, een goed bNote 11 · Zoodra de stroomversnellingen beginnen, maken de bewoners geen gebruik meer van prauwen. Er loopen langs den oever zeer goede paden, waarvanNote 12 · De grond van het bivak, langzamerhand met klein struikgewas en onkruid begroeid, zag er vroolijker uit dan in den regen- (= modder)tijd. HieNote 13 · Geneesmiddelen. Veel “buikdrank”,36 kinine en asperine; voldoende verband en perubalsem; veel zalf. Alles ging in twee blikken, na Canobivak
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings