← Table of contents
Nietzsche's Philosophie

Note 41 — NIETZSCHE’S INTELLECTUEELE EMANCIPATIE. (1869–1879).

M. François-Merkus translation

Nietzsche zelf geeft ons als volgt de reden van zijn gedrag aan: „Eerst gelooven wij in den wijsgeer, zegt hij naar aanleiding van zijne verhouding tot Schopenhauer. Dan zeggen wij: moge hij die beweringen ook niet geheel juist kunnen staven, zoo blijven de beweringen er niet minder juist om. En ten slotte komen wij tot de volgende overtuiging: die beweringen zijn ons feitelijk onverschillig, maar de natuur van dien mensch weegt tegen honderden stelsels op. Hij moge als onderwijzend leeraar ontelbare malen dwalen, zoo blijft toch zijne eigen persoonlijkheid gelijk hebben en daaraan alleen hebben wij ons te houden. In den philosoof is wat in eene philosophie nooit zijn zal: de oorzaak van vele philosophie, „het genie.”41 Dat paradoxaal aphorisme verklaart geheel juist de groote wijziging in Nietzsche’s gevoelens ten opzichte van Wagner en Schopenhauer. Hij begon met veel voor hunne werken te gevoelen, daarna gingen zijne liefde en achting ook over tot de personen zelve: hij had, hen lief als mensch en als genie, onafhankelijk van hun werken en daarom ontweek hij zorgvuldig elke gevoelige daad, die hun groote vriendschap verstoren kon en onthield hij zich bovenal van elke publieke critiek over al wat in hunne werken niet in zijn smaak viel. Maar ten slotte brak het oogenblik aan, waarin hij erkende, dat het onderscheid tusschen de opvattingen zijner meesters en de zijne te groot was, om daarover in alle eerlijkheid jegens zichzelven te kunnen zwijgen; toen heeft hij met diepe droefheid in het hart gehoor gegeven aan de gebiedende eischen van zijn denkersgeweten en wendde hij zijne critiek tegen zijne opvoeders. Hij zag de dwaling in, waarin hij tegenover hen verkeerde, hij begreep, dat hij in zijn omgang met hen niet getracht had hen naar waarheid te begrijpen, maar daarin zijne eigen „ikheid” wilde leeren kennen. En op die wijze was hij tot een schijnbaar paradoxaal maar eigenlijk geheel logisch resultaat gekomen: in plaats van zichzelf te vormen naar Schopenhauer of Wagner had hij hen daarentegen naar zijn eigen beeld vervormd. Zijn teekening van Schopenhauer gaf van den werkelijken Schopenhauer slechts een onvolkomen beeld en daarentegen beschreef hij daarin met groote juistheid het ideaal van den „tragischen wijsgeer” naar zijne eigen opvatting. Hetzelfde geldt betreffende zijn beeld van Wagner en zijne apologie van „het Bayreuthsch idee”; hij week ook daarin af van de objectieve werkelijkheid om de geidealiseerde figuren van den Dionysischen kunstenaar, eene soort Zarathustra vóór diens wording, te schetsen en reeds vooruit dat „middaguur,” dat later in Zarathustra voorkomt, te beschrijven, dat uur, waarop de uitverkorenen samenkomen en zich aan hunne meest verheven taak wijden. In plaats dus van zijne modellen uit te schilderen, beschreef Nietzsche in hen zijn innerlijken droom.42

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings