← Table of contents
Nietzsche's Philosophie

Note 34 — NIETZSCHE’S INTELLECTUEELE EMANCIPATIE. (1869–1879).

M. François-Merkus translation

Nietzsche zegt in eene zijner voorreden, dat de meeste zijner geschriften niet de gevoelens van het oogenblik, waarop hij die schreef, weergaven, maar bovenal die gevoelens, die reeds uitgeleefd waren en plaats hadden gemaakt voor nieuwe ideeën. Vandaar ook dat zijn geschrift: „Schopenhauer als Erzieher” tot een tijd behoorde, waarin hij reeds niet meer aan pessimisme of aan Schopenhauer geloofde. En evenzoo was „R. Wagner te Bayreuth” eigenlijk „eene dankbare hulde aan een moment uit mijn verleden, aan een der schoonste oogenblikken van mijn „geluk” en tevens aan het gevaarlijkste van mijn bestaan … het was in werkelijkheid een breuk en een vaarwel.”34 De nieuwe documenten, die van de laatste jaren dateeren en ons in staat stellen Nietzsche’s oorspronkelijke gedachten tot in de kleinste bijzonderheid te volgen, bevestigen niet alleen zijn gezegde, maar bewijzen bovendien ongetwijfeld, dat Nietzsche, ten tijde dat hij zorgvuldig vermeed in zijn uit te geven geschriften een enkel woord te zeggen, dat niet tot Schopenhauers of Wagners lof strekte, ver weg was van zijne gedachten zonder voorbehoud aan die beide meesters over te geven, maar daarentegen ijverig trachtte zich los te maken van hun overheerschenden invloed. Zoo week hij reeds in den beginne van Schopenhauer af op het punt van hoofdstellingen. Van af 1867 geeft hij zijn twijfel te kennen omtrent de fondamenteele hypothesen van het geheele stelsel, omtrent de eigenschappen die Schopenhauer aan den wil toekent, omtrent den wil als zijnde het eigenlijk wereldwezen, en omtrent het bestaan als een op zichzelf staand iets35. En reeds vroeg weerlegt hij de pessimistische gevolgtrekkingen, die uit Schopenhauers systeem voortvloeien; hij wil geen philosophische onderwerping of nihilisme en zijn scepticisme gaat zoover, dat hij peinst „over waarheid en leugen uit een extra-moreel oogpunt beschouwd”, en het einde zijner overpeinzingen is, dat hij de philosophie van de „wanhopige wijsheid” veroordeelt, die philosophie, die tot elken prijs waarheid verlangt, ook zelfs daar, waar zij het bestaan der menschheid aan de wetenschap zou moeten prijsgeven, en dat hij de „tragische wijsheid” ophemelt, die na alle methaphysiek ontkend te hebben, „de kennis ten dienste van den schoonsten levensvorm stelt”, aan de kunst alle rechten weergeeft, die de wetenschap haar wilde ontnemen, en eindigt met het voor den mensch noodzakelijk te vinden, „illusie te willen.”36 Nietzsche’s oordeel over Wagner was niet minder vrij. In 1866 vond hij, dat in de Walküre groote fouten stonden tegenover wonderbaar schoone momenten37 en in den loop zijner voorbereidende studieën voor „Die Geburt der Tragödie”, schetste hij ter verklaring der tusschenkomst van het koor in Beethovens IXe symphonie, eene theorie, die regelrecht tegenover die van Wagner stond;38 een andermaal wierp hij tegen de Wagneriaansche opvatting van het muzikaal drama eene zienswijze op, die daarvan geheel afweek; volgens hem moest de zanger in het orkest afdalen, waardoor op het tooneel niets meer over zou blijven dan de enkele handeling; de menschelijke stemmen en het orkest moesten die in gebaren weergegeven actie verklaren; dan zou het zijn als vroeger in de oorspronkelijke tragedie: de scenische verwezenlijking van een apollinisch vizioen van het koor, dat door den Dionysischen geest in vervoering wordt gebracht.39 Nietzsche’s twijfel nam toe, toen hij werkte aan zijn „R. Wagner te Bayreuth” en in zijne schetsen vindt men reeds tal van ideeën,40 die hij later in „Der Fall Wagner” uitwerkte. Hij zegt daarin wat hij het bovenmatige acht in Wagners karakter en gaven, en dat hij in Bach en Beethoven „eene zuiverder natuur” vindt; hij laat zich gaan tot eene strenge beoordeeling van Wagners politiek leven, van zijne verhouding tot de revolutionnairen en den koning van Beieren, ook van zijn anti-semitisme; hij twijfelt zeer aan Wagners waarde, niet als „integraal” kunstenaar, maar wel als specialist, als musicus, dichter of dramaticus, zelfs als denker; hij ontdekt „reactionnaire elementen” in hem, zooals zijne sympathie voor de middeleeuwen en het Christendom, zijne bouddhistische neigingen, zijne voorliefde voor al wat wonderbaar was, zijn Duitsch patriotisme, en hij is sceptisch gestemd ten opzichte van den reëelen invloed, dien Wagners hervorming op Duitschland kan uitoefenen. Om kort te gaan, op hetzelfde oogenblik, dat Nietzsche Wagner openlijk lof toezwaait, blijkt hij, ondanks zijn bewering dat hij aan Wagners muziek „zijn meest zuiver en helschitterend geluk verschuldigd is”, niet meer of minder dan een ketter in het Wagneriaansch geloof te zijn. Hoe die schijnbare dubbelhartigheid te verklaren?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings