Note 30 — NIETZSCHE’S INTELLECTUEELE EMANCIPATIE. (1869–1879).
M. François-Merkus translation
De hedendaagsche mensch, zegt hij, zoekt zichzelf, en om nu uit te vinden wat zijne ware natuur, zijne ware ikheid is, kan niemand hem beter helpen dan een goede meester, d.w.z. niet een meester, die hem voorschrijft dezen of genen bepaalden weg te volgen of hem meer uitgebreide arbeidsmiddelen ten dienste stelt, maar een opvoeder, die hem van alles bevrijdt, wat hem belemmert in het doordringen tot die ikheid, die diep in ons aller aard verscholen ligt. Dien meester vond Nietzsche in Schopenhauer. In hem zag hij dadelijk den philosoof, die intellectueel volkomen rechtschapen en in al zijne geschriften geheel oprecht was. „Schopenhauer spreekt tot zichzelf, of, wil men hem een toehoorder toedichten, zoo zij het een zoon, die door zijn vader onderwezen wordt. Zijne woorden klinken vrij, flink en welwillend; zij zijn blijkbaar gericht tot een toehoorder, die met liefde naar hem luistert. Zijne redevoeringen, waarin zich een sterke ziel openbaart, eene ziel, die zeker is van zichzelve, boeien ons van af het eerste woord; het is ons alsof wij in een dennenbosch komen; in lange teugen ademen wij de lucht in en een plotseling welzijn doet zich gevoelen. Zoo zijn wij ook bij Schopenhauer als in een oord, waar men steeds dezelfde opwekkende lucht inademt en waar die eenvoud en die onnavolgbare natuurlijkheid heerschen, die het bijzonder voorrecht zijn van hen, die zich meester gevoelen van hun eigen weelderig thuis.”30 In Schopenhauers school leerde Nietzsche de werkelijkheid inzien, zooals zij is in al hare leelijkheid en met al het leed, dat zij meesleept; en tevens leerde hij begrijpen, dat het genie tegen zijn tijd moet strijden, wil het tot volle zelfbewustheid komen en dat hij in den strijd tegen de vooroordeelen, de zwakheden en de zonden zijner tijdgenooten in werkelijkheid zijn eigen individualiteit reinigt door alle vreemde elementen en parasieten, die van buiten af tot hem zijn gekomen, te verwijderen en het zuivere goud van zijn genie te ontdoen van alle slakken en alliage. En ten slotte vond Nietzsche in Schopenhauer de verklaring van het tragische leven, zooals ook hij die begreep: „Een gelukkig leven is onmogelijk: het schoonste dat de mensch geven kan is een heroïsch bestaan, een bestaan dus, waarin hij, na zich aan eene zaak gewijd te hebben, die tot eenig algemeen welzijn strekken kan en na ontelbare moeilijkheden te hebben overwonnen, ten slotte overwinnaar blijft, doch slechts ten halve of in het geheel niet beloond wordt. Dan staat hij bij de ontknooping van dat bestaan als de prins in Gozzi’s Re Corvo, versteend, doch in eene edele houding en met een grootsch gebaar. Zijn nagedachtenis blijft leven en als een held wordt hij gevierd en zijn wil, die gedurende zijn geheele leven door beproevingen en zorgen, door miskenning en ondankbaarheid der menschen geteisterd werd, sterft in het hart der nirwana.”31 Nietzsche meende dus in Schopenhauer de philosophische en moderne uiting der Dionysische wijsheid, die hij bij de Grieken zoozeer bewonderde, gevonden te hebben.