Note 25 — NIETZSCHE’S INTELLECTUEELE EMANCIPATIE. (1869–1879).
M. François-Merkus translation
Dit overdreven opvoeren van de beteekenis der geschiedenis sleept daarenboven nog een noodlottig gevolg mee: het begunstigt den ergerlijksten vorm van het optimisme, den eerbied voor de ruwe daad, de bewondering van het succes. De historicus meent in de „universeele evolutie” het spoor van een of andere hoogere rede te vinden en zoekt tot hoofdbrekens toe, hoe die evolutie ontstaan is en waarheen zij leiden moet. Maar de mensch is alleen groot geweest naarmate hij de noodzakelijkheid heeft weten te weerstaan en tegen het blind en dom toeval heeft gestreden—om kort te gaan, naarmate hij zichzelf is geweest en zoo is dan ook de ware geschiedenis niet de geschiedenis der menigten, maar die der geniale individuen: „Er zal een tijd komen, zoo besluit Nietzsche, dat men wijselijk niet langer een plan van de „universeele evolutie” of van de „geschiedenis der menschheid” zal schetsen; een dag waarop men niet meer uit een algemeen gezichtspunt met de massa’s rekening zal houden, maar daarentegen met de alleenstaande individuen, wier serie als het ware een brug vormt over de woeste wateren der wording. Zij volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven: de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”25