Note 24 — NIETZSCHE’S INTELLECTUEELE EMANCIPATIE. (1869–1879).
M. François-Merkus translation
In het tweede deel der „Unzeitgemäszen” valt Nietzsche niet één enkel mensch of eene klasse menschen aan, maar hij verzet zich daarin tegen eene volgens hem gevaarlijke dwaling in de moderne beschaving, tegen het misbruik der historische studie. De geschiedenis is een weldoende factor in alle beschaving zoolang zij ten dienste van het leven strekt en leert of helpt beter leven. De „monumentale” geschiedenis plaatst den werkzamen mensch voor de onsterfelijke werken van het verleden en spoort zijne scheppende werkkracht aan door in hem het verlangen op te wekken de groote mannen van het verleden waardig te worden, de overlevering hunner glorie voort te zetten en niet slechts voor het alledaagsch en middelmatig genot van het tegenwoordige te leven, maar het ideaal der menschheid steeds verder en hooger te voeren. De „traditioneele” geschiedenis, die achting en liefde voor het doode, verre leven inboezemt, is een onwaardeerbare weldaad voor alle menschen en volken, die door de omstandigheden tot de weinig begunstigden behooren of aan een onbarmhartig bestaan onderworpen zijn, want voor hen verfraait zij het tegenwoordige door op het verleden te wijzen en over hun bescheiden of moeilijk, hun donker of gevaarlijk bestaan verspreidt zij een zacht troostend licht van poëzie. De „critische” geschiedenis, die het verleden voor de rechtbank der rede roept, het nauwkeurig onderzoekt en het ten slotte veroordeelt, omdat al wat is, waard is te verdwijnen en dientengevolge te veroordeelen is, die soort geschiedenis is een sterk wapen voor hen, die door den zwaren last van het verleden verdrukt worden en zich daarvan moeten bevrijden, willen zij voortleven. De geschiedenis wordt echter eene misdadige en te duchten macht, zoodra zij zich voordoet als eene wetenschap, die onafhankelijk van het leven is, die zich vermeet in zichzelve eene absolute waarde te zien en tot leus aanneemt: fiat veritas, pereat vita. Dan wordt zij een stervensbeginsel in plaats van een levensbeginsel; dan vult zij den mensch met eene hoeveelheid onvruchtbare kennis, die hem tot een encyclopedisch woordenboek maakt in plaats van hem tot het daadwerkelijke te voeren en daarenboven houdt zij de ontwikkeling zijner persoonlijkheid tegen, want zij verwekt in hem het neerdrukkend gevoel, dat hij een epigoon, een nakomer is, die de geschiedenis wel leeren kan, maar die zelf geen geschiedenis kan maken. Toch, zoo zeggen de voorstanders der historische cultuur, heeft de geschiedenis, zij haar ook alle andere waarde ontzegd, deze verdienste, dat zij ons menschen en zaken met objectieve billijkheid leert beoordeelen. Maar Nietzsche antwoordt: „Dat is niet zoo. In werkelijkheid noemt men dien historicus „objectief”, die het verleden waardeert naarmate de vooroordeelen van zijn tijd het hem doen begrijpen en „subjectief” noemt men hem, die van de heerschende denkbeelden afwijkt; zoo ook heeft het geen nut, dat de historicus „onpartijdig” blijft of wel als belangeloos toeschouwer voor het probleem staat, dat hij bestudeert, maar integendeel: hij alleen is waard de geschiedenis te schrijven, die het best meewerkt aan den opbouw van het tegenwoordige; „slechts de mensch van ervaring, de hoogstaande mensch kan geschiedenis schrijven. Hij, die in zijn bestaan geen momenten telt, waarin hij grooter en verhevener is geweest dan alle anderen, zal nooit de grootheid en de verhevenheid van het verleden begrijpen. De geest der vervlogen eeuwen blijft steeds een orakelspreuk en gij zult die nooit leeren kennen, zoo gij niet tot de bouwmeesters van de toekomst, tot de „zieners” van het tegenwoordige behoort.”24