Note 20 — NIETZSCHE’S INTELLECTUEELE EMANCIPATIE. (1869–1879).
M. François-Merkus translation
Nietzsche houdt stand tegenover alle gevolgtrekkingen uit zijne leer, zelfs tegenover de hardste en wreedste. Hij weet dat het voortbrengen van éen aristocraat een geheel leger van slaven meesleept en zonder eenige aarzeling beaamt hij dat. „De slavernij behoort onvermijdelijk tot alle hooge beschaving,” zegt hij, „en dat is zeer zeker eene waarheid, die alle verdere illusie omtrent de absolute waarde van het leven uitsluit; het is als de gier, die aan den lever van den hedendaagschen Prometheus, den kampioen der beschaving knaagt. De middelmatige, gewoon voortgroeiende menschheid zal nog veel meer moeten lijden om het enkelen olympischen genieën mogelijk te maken groote kunstwerken voort te brengen.”20 Zoo kan dus de cultuurvooruitgang niet in het minst het lot van den minderen man verzachten. De werklieden, die tot de XIXde eeuw behooren, zijn niet gelukkiger dan de slaven uit den tijd van Pericles en wanneer op onze wetenschappelijke en optimistische beschaving een tijd van tragische cultuur volgde zooals Nietzsche die eigenlijk verlangt, zou het lot der werklieden en der misdeelden er niets beter om worden. In plaats van uitgezogen te worden door eene categorie van kapitalisten, die geen grootheid of zielenadel kennen, zouden zij een roemrijk keur van genieën doen leven, maar zij zouden er niettemin slaven om blijven. De tragische mensch heeft dus niet alleen de wraak en den haat der onderdrukten, der paria’s van de beschaving te duchten, maar hij moet een veel gevaarlijker vijand overwinnen, hij moet zich losmaken van het medelijden, dat zijn eigen hart verscheurt en dat hem wanneer hij daaraan gehoor gaf, aan het stoffelijk welzijn der menschheid zijne cultuur zou doen opofferen. Hij stuit dus tegen de onverbiddelijke wet, die het heelal beheerscht en hem, die leven wil, of beter nog, gedoemd is tot leven in deze wereld vol lijden en dood, er toe dwingt in zich die innige en smartelijke tegenstrijdige waarheid te gevoelen, die het eigenlijk wezen van alle leven en alle wording is: „Elk oogenblik verslindt het voorgaande; elke geboorte sleept den dood van eene ontelbare hoeveelheid wezens mee—derhalve zijn voortbrengen, leven en vermoorden slechts één. Men zou dus de cultuur, die zegeviert, kunnen vergelijken bij den overwinnaar, die terugkeert van zijne zegetochten, druipend van bloed en eene bende overwonnenen en slaven achter aan zijne zegekar meeslepend.”21