← Table of contents
Nietzsche's Philosophie

Note 14 — NIETZSCHE’S INTELLECTUEELE EMANCIPATIE. (1869–1879).

M. François-Merkus translation

Nietzsche vat het menschelijk bestaan op als een heldhaftigen strijd tegen alle dwaling en illusie. Hij aanschouwt de wereld met den blik van den pessimist: de natuur is in zijne oogen een te duchten en dikwijls kwaadwillige kracht en de geschiedenis komt hem „ruw en zinneloos” voor. Hij weerstaat met de grootste wilskracht de verleiding van het alledaagsch optimisme, wil niet toegeven aan de illusie, waardoor de mensch zichzelf tracht wijs te maken dat alles even goed en schoon is in de wereld en gelooft evenmin dat het leven ons ooit een enkel oogenblik van ware vreugde kan schenken; hij laat zich niet misleiden door den gelukschijn, die den gewonen mensch bedriegt. Volgens hem is dus het doel van den hoogstaanden mensch, zonder genade alles te bestrijden wat „verkeerd” is, alle dwaling te verdrijven, alle valsche of overschatte waarde aan te toonen en onmeedoogend te zijn voor alle zwakheden, laagheden en leugens der beschaving. „Ik veronderstel,” zoo schreef hij, „eene vereeniging van menschen, die alle even besloten en uit één stuk zouden zijn, die geen omzichtigheid zouden kennen en den naam van „vernietigers” zouden aannemen; die menschen zouden alles aan hun oordeel onderwerpen en zich opofferen voor de waarheid. Al wat slecht en onwaar is, moet aan het licht komen. Wij willen niet voor den tijd samenstellen want wij weten niet of wij ooit zullen kunnen opbouwen en of het zelfs niet beter ware nooit op te bouwen. Er zijn luie pessimisten, die zich schikken in het leven, maar tot die categorie zullen wij nooit behooren.”14 Het ideaal, dat hij ons ter bewondering en ten voorbeeld geeft, is „de mensch naar Schopenhauers begrip,” de mensch, die weet, dat het ware geluk onmogelijk is, die het materialistisch en grof welzijn, dat de algemeene menschheid behaagt, verfoeit en veracht en die alles vernietigt wat vernietigd moet worden zonder zich aan eigen leed of aan dat van anderen, zij het ook door hemzelve berokkend, te storen; de mensch, die op zijn droeven gang gesteund wordt door zijnen onomstootelijken wil om tot elken prijs waar en oprecht te blijven.15 Maar in plaats van evenals Schopenhauer daaruit tot de ontkenning van het willen leven te besluiten, bewondert en eerbiedigt Nietzsche met den Dionysischen Griek dien Wil, die eeuwig het leven verlangt en het steeds weet te rechtvaardigen. Hij is weliswaar een pessimist, maar zijn pessimisme brengt hem niet tot de overtuiging dat gelatenheid noodzakelijk is, wel daarentegen heldenmoed, en het ascetisme beschouwt hij niet als een ideaal, maar als een teeken van vermoeidheid en ontaarding. Van dien tijd af zegt hij: „Het pessimisme is praktisch onmogelijk en kan niet logisch zijn. Het nietzijn kan het doel niet wezen.”16 Dientengevolge predikte hij niet zooals de pessimist, dat de mensch zich los moet maken van het leven en alleen naar het Nirvàna moet verlangen, maar vindt hij alles „goed” wat in den mensch den wil tot leven helpt versterken en een doel of een belang te meer geeft aan het bestaan, kortom alles, wat het leven meer waarde geeft. Evenals de Grieken uit den tragischen tijd was Nietzsche in den grond individualist en aristocraat: hij bewonderde de Helleensche beschaving vooral, omdat zij zoovele superieure menschen heeft voortgebracht, want daarin was immers voor hem het eigenlijk doel van het leven gelegen. De tragische held, de mensch naar Schopenhauer’s idee, is niet alleen de hoogste en schoonste vorm van het bestaan, neen, hij is tevens het doel van dat bestaan. Evenals Flaubert of Renan beweert Nietzsche dat een volk slechts als hulpmiddel dient aan de natuur om een dozijn groote mannen voort te brengen en stelt hij als beginsel vast, „dat de menschheid verplicht is hare krachten steeds te wijden aan het scheppen van geniale individuën; dat is haar doel en geen ander.”17 De opvoeding der jeugd zal dus moeten strekken tot het aankweeken van het genie en men zal haar slechts op één enkel doel moeten wijzen: dat is het ontstaan en de ontwikkeling van den wijsgeer, den kunstenaar en den heilige te bevorderen en zoodoende mee te werken aan de hoogste volmaking der natuur. „Men moet den jongeling leeren zichzelf als een gebrekkig voortbrengsel der natuur te beschouwen, maar tevens achting te gevoelen voor het kunstgenie en het schoone doel van die onvermoeidbare arbeidster en haar met al zijne macht te helpen een volgend maal haar doel nader te komen. Hij zal dan begrijpen, dat de kennis van zijne eigen persoonlijkheid met de daaruitvolgende onvoldaanheid de basis vormt van alle cultuur, en hij zal zeggen: „Boven mij zie ik iets verheveners, iets menschelijkers dan ik zelve ben; helpt mij allen dit ideaal bereiken zooals ik hèm zal helpen, die denkt en lijdt evenals ik, opdat éénmaal de mensch geboren worde, die volkomen en oneindig zal zijn in kennis en liefde door bespiegeling en scheppingsmacht; de mensch, die in de volheid zijns wezens leeft te midden der natuur en die de rechter en de maatstaf aller dingen zal zijn.”18 Niet langer mag aan het toeval de zorg worden overgelaten om uit de middelmatige menigte het geniaal individu te verwekken; de menschheid moet daarentegen in hare volle zelfbewustheid door keuze en juiste opvoeding een heldengeslacht kweeken. „Zoo is het mogelijk,” zegt Nietzsche, „om door eene gelukkige vinding geheel andere en veel machtiger typen van groote mannen te verwekken dan dìe, welke tot nog toe door toevallige omstandigheden ontstonden. De redelijke aankweeking van den hoogstaanden mensch dus—dat is het veelbelovend wereldvooruitzicht!”19

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings