Note 5 — NIETZSCHE’S INTELLECTUEELE EMANCIPATIE. (1869–1879).
M. François-Merkus translation
Te meer ook wilde Nietzsche gaarne zijn leven wijden aan de philologie, omdat hij vast besloten was in die wetenschap niet uitsluitend ijverig en zonder persoonlijk oordeel te werk te gaan en zich niet te verliezen in de pragmatieke, micrographische studie van het kleine om daaruit eigen nieuwe gevolgtrekkingen te maken; hij wilde zich evenmin tevreden stellen met een onvruchtbare verzameling van nuttelooze en doellooze opmerkingen, maar als philosoof en artiest de philologie bestudeeren. Zijn vaste overtuiging was, dat het klassiek ideaal een onsterfelijk model blijft, ook voor onze dagen, en dat geen industrieele vooruitgang, geen voortreffelijke schoolregeling of politieke opvoeding van de menigte ons ooit zouden kunnen weerhouden van den terugkeer tot een lageren graad van beschaving, zoodra wij geen eerbied en bewondering meer gevoelen voor den edelen eenvoud en de groote, stille waardigheid der Grieksche kunst. En bovendien had hij de overtuiging dat die Helleensche kunst, die door de beijveraars van den wetenschappelijken vooruitgang en van moderne ideeën zoo diep veracht werd, in werkelijkheid verre boven de onze stond, dat de Grieken het raadsel van het bestaan beter hebben begrepen dan wij en dat zij daarom niet alleen in smaak, maar ook over het algemeen in de kunst van leven in den waren zin, ons hebben overtroffen. Zoodoende werd in Nietzsche’s oogen de taak van den philoloog buitengewoon grootsch en schoon, want het was hem niet te doen om eene of andere tekst uit te pluizen of om nieuwe gissingen op te werpen, maar wel om den ouden Griekschen geest te doen herleven, om te leeren hoe die geest zich heeft weten te verheffen tot de volkomenheid, die uit de nagelaten werken spreekt. Het was hem te doen om de physieke toestanden, de godsdienstige begrippen, de politieke en maatschappelijke regeling, zelfs de ethnologische of de klimaatinvloeden te bestudeeren, die de Grieksche natie in staat hebben gesteld zulk een hooge ontwikkeling te bereiken, die de Helleensche geschiedenis eene zoo hooge plaats hebben doen innemen in de evolutie van de Europeesche beschaving en haar nog tot een voorbeeld doen stellen aan den tegenwoordigen tijd. Toen Nietzsche professor werd aan de Universiteit van Basel stelde hij zich den grootschen taak voor, door eene grondige studie van de ziel der oudheid, de eeuwige vragen der menschheid te onderzoeken. „De philologie,” zoo besloot hij zijne inauguratie-rede, „is geen Muze of Gratie, maar een Goddelijke bode; en evenals vroeger de Muzen afdaalden tot de bedroefde en klagende landlieden van Beotië, zoo gaat nu de Godsbode tot een wereld van sombere kleuren en droeve beelden, vol diep, ongeneeslijk leed, en geeft ons troost in de schoone, heerlijke figuren van een wonderbaar licht, ver en gelukkig oord, die zij door hare verhalen ons voortoovert.”5