Note 4 — NIETZSCHE’S INTELLECTUEELE EMANCIPATIE. (1869–1879).
M. François-Merkus translation
Bovenal ook trok hem het inactueele, het „Unzeitgemäsze”, (eene uitdrukking aan Nietzsche eigen) in de philologie aan. De alledaagsche mensch verwijt doorgaans den oudheidkenner dat hij zijn tijd verknoeit aan de studie van verre, doode en onnutte zaken in stede van zich aan de vragen van zijn tijd te wijden; Nietzsche daarentegen is dankbaar dat de philologie geen practisch nut beoogt, maar tot het veld van den aristocraat, den mandarijn van den geest behoort; hij is dankbaar dat hare aanhangers bovenal de behoefte gevoelen aan overpeinzing, stilzwijgen en een verstandig, geduldig, langzaam werken, dat de menschheid van ons tegenwoordig luidruchtig, druk en oppervlakkig bestaan niet meer kent. „De philologie,” zegt hij, „is eene schoone kunst, omdat zij hare aanhangers dwingt in de eerste plaats zich af te zonderen en zich tijd te gunnen; eene kunst, die hen stilzwijgendheid en geduld leert. Zij is de kunst van den edelen bewerker en kenner van het „woord”, die elk stukje fijn, bedaard, kortom lento moet bearbeiden om tot het gewenschte resultaat te komen. Daarom ook is de philologie juist nu zoo noodig en trekt en lokt zij ons te meer in deze dagen van „drukken arbeid” of beter gezegd van haastigen, onverkwikkelijken drift, waarin het alleen geldt zoo spoedig mogelijk met alles af te doen en met oude zoowel als nieuwe werken klaar te komen. De philologie daarentegen kan nooit snel iets ten einde brengen, wat het ook zijn moge; zij leert juist lezen, langzaam en grondig, van alle zijden overwegend, diepdenkend en voorzichtig in hare gevolgtrekkingen; zij leert lezen met eene fijnvoelende hand en een scherp oog.”4