Note 3 — NIETZSCHE’S INTELLECTUEELE EMANCIPATIE. (1869–1879).
M. François-Merkus translation
De voornaamste reden was zijn verlangen om een meester te worden op het een of ander zeer bepaalde gedeelte van het groote veld der wetenschappen, want Nietzsche was zelf al te zeer overtuigd van het gevaar, dat de drang naar algemeene ontwikkeling, die hem juist zoo eigen was, in zich sloot; hij begreep te goed, dat het zoeken naar alle richtingen, het veroveren van eene oppervlakkige, algemeene kennis zonder het voldoend zelfbedwang te bezitten om die universeele nieuwsgierigheid te beheerschen, noodzakelijk eindigen moest in dilettantisme en juist zijn innig nauwgezet en fijnvoelend geweten had geen voldoening kunnen vinden in onvolmaakte en halve kennis. Reeds in zijne jonge jaren gevoelde hij een steeds toenemenden afkeer van „den vertegenwoordiger der moderne beschaving,” den journalist, „den litterator, die niets is en toch bijna alles vertegenwoordigt, die den rol van den kenner speelt en in alle bescheidenheid ook diens geld, roem en eer inoogst.”3 De kennis, waarnaar hij streefde, was de ware, grondige kennis van den „meester” in de wetenschap, van hem, die door in een beperkten kring geduldig en nauwgezet te arbeiden, tot bepaalde resultaten komt; zijn doel was een nuttig arbeider te worden op een of ander gebied van het ruime veld der wetenschap; en, van dat punt uitgaande, gevoelde hij zich aangetrokken tot de philologie om de strenge methode, de nauwkeurigheid aan hare kleinste onderzoekingen verbonden, juist dus door het droge en dorre, dat dien tak der wetenschap voor het groote publiek ongenietbaar maakt.