Mijnheer Apollo en de menschen in Beötië.
Reading edition
I.
Hier begint de waarachtige historie van mijnheer Apollo, den wonderbare, en hoe hij aankwam in Beötië.
't Was maar eene zeer gewone herberg. Het uithangbord was vroeger op prachtige wijze donkerblauw geschilderd, en te midden van dien blauwen grond schitterde weleer eene zon van echt verguldsel. De tijd had de kleuren veel kwaad gedaan, de zon was koperrood geworden, en scheen steeds op het punt van onder te gaan. Duidelijkheidshalve schilderde men er weleer nog bij: In de Zon, opdat niemand zich vergissen mocht. De herberg was van meer opschriften voorzien. Eene witte plank met zwarte letters riep den voorbijganger toe: Logement en Stalling, Wed. F. C. van der Zwaag. Het Logement had maar eene verdieping, met een soort van opkamertje boven den hoofdingang. Toch was het een groot huis met zeer ruime kamers, stallen en een grooten tuin. Bovendien was de Zon de eenige fatsoenlijke herberg van Oosterwolde, een soort van klein stedeke in het Noorden van ons vaderland.
Voor de deur van dit logement stond bij 't vallen van de duisternis eens guren November-avonds van het jaar 1849 een reiziger met eene groote menigte bagage. Eene kar, door vier sjouwers onder veel geschreeuw en gemor voortgeduwd, droeg voornamelijk eene enorme houten kist, die hoog opstond en door een paar solide koffers in evenwicht werd gehouden. Een fraai valies, een reisdeken en andere kleinigheden verrieden, dat de reiziger een zeer welgegoed man was. Met zeker ongeduld trok hij aan den koperen belleknop van de glazen deur. Eene lange vrouwelijke gestalte opende weldra.
„Kan man dat hierein brengen?”—vroeg de reiziger met uitheemsch accent.
„Wat 'n groote kist!”—antwoordde de gestalte.—„Droag 'm moar in 't veurhuus!”
Dit was tot de vier sjouwers gesproken, die met tragen spoed de koffers naarbinnen brachten, en eindelijk onder toezicht van den reiziger ook de kist van den wagen tilden. Verscheidene malen riep de vreemde heer iets in zijne taal, terwijl hij angstig de kist ondersteunde; eindelijk plaatste hij haar met behulp zijner mannen in het breede voorportaal. De vrouwelijke gestalte had een koperen blaker met walmende vetkaars ontstoken, en deze verspreidde een zwak licht in 't ronde. Daarna stonden de sjouwers stil met de hand aan de pet. De vreemdeling tastte snel naar geld, en gaf ze een gulden. De mannen zagen elkaar even snel aan. De kleinste van hen riep:
„Doar ken' wie 't nijt veur doun!”
Een ander voegde er bij:
„Twij kwartjes de man!”
De vreemdeling tastte wederom snel naar geld, en gaf nog een gulden. De vier sjouwers klompten de gang uit, en de vrouwelijke gestalte met den blaker schudde deftig het hoofd, 't was „veul te veul.”
Intusschen werd eene groote dubbele deur in de gang geopend, waardoor een stroom van licht naar buiten golfde. Onze reiziger richtte zich aanstonds naar dat licht. Hij trad eene ruime kamer binnen, welke de genius loci met den naam van „jachtweide” bestempeld heeft, anders gezegd: de gelagkamer van 't logement. Aan den open haard brandde een vroolijk turfvuur. Met opgewektheid trad hij naar 't vuur, en strekte zijne voeten uit, die verstijfd schenen, hoewel de hooge reislaarzen met bont gevoerd waren. Het gezelschap in de „jachtweide” gluurde met groote, eenigszins schichtige nieuwsgierigheid naar den nieuw aangekomen gast. Dit gezelschap bestond vooreerst uit de vrouw met den blaker, die ook binnengetreden was, en op een soort van buffet aanliep, waar zij met een koperen domper haar licht uitbluschte. 't Was eene groote, vrij deftige matrone, geheel in 't zwart gekleed, met een breed wit voorschoot, waaronder zij nu hare handen en armen verborg, terwijl zij tegen het buffet, aldaar „tapkast” genoemd, aanleunde. Opmerkelijk was in deze figuur een gouden hoofddeksel of oorijzer met „stiften”, waarover eene fijne kanten muts, die met plooien naar de schouders afdaalde. Vervolgens waren er twee jongere vrouwen, evenals deze gekleed, maar met grijze of bruine kleedjes zonder voorschoot, terwijl ook oorijzer en kanten muts twee bolronde, blozende gezichtjes omlijstten. Eindelijk zaten er aan een tafeltje, ter zijde van den haard, drie mannen in zwarte jassen van een everlasten stof, zwarte vesten, zwarte dassen, zonder linnengoed en met lompe vetlaarzen. Zij bliezen allen dikke rookwolken uit lange Goudsche pijpen en hadden wijn in flesschen en glazen voor zich.
Allen hielden het oog onafgebroken op den reiziger. Niemand sprak. Het voorwerp van hunne oplettendheid scheen zich weinig om hunne tegenwoordigheid te bekreunen. Hij warmde zijne voeten, daarna zijne handen, geeuwde een paar malen zeer luid, en wreef zich in de handen. Bij het turfvuur kon men duidelijk de ringen zien flonkeren aan zijne vingers. Daarna zag hij vluchtig in 't rond, wendde den rug naar 't vuur, en sloeg zijne blikken naar de vrouwen. Hij droeg een ruimen pels met grijs bont en op zijne borst schitterde een groote diamant in eene das van donkerblauwe zijde. Al de personen in de „jachtweide” schenen den blik des vreemdelings te willen ontwijken, want ieder keek schuchter voor zich.
De man met den grijsbonten pels liep nu langzaam naar de „tapkast”, en bleef voor de vrouw in 't zwart staan.
„Wed'we van der Zwaag, nicht waar? Kan ik eene goete kammer bekommen?”
„As meneer blieft! Wil meneer de koamer zijn?1) Hillegie steek den bloaker op!” Dit laatste was tegen een der bolronde gezichtjes gezegd. Deze prevelde, of men eerst „de kachel op meneers koamer nijt most anleggen,” en de vreemdeling, die haar scheen te begrijpen, riep:
„Ja schön, etwas heitzen!”
Daarna keerde hij tot het vuur terug. De weduwe van der Zwaag, die niets van 's mans taal verstond, gaf evenwel order, dat de kachel op de logeerkamer zou worden aangelegd, zij had den toon van zijne stem begrepen. Hillegie, eene gewestelijke verhaspeling van Hillegonde, verliet de „jachtweide”. De man met den grijsbonten pels zag nu naar het andere bolronde gezichtje, en, terwijl hij flauw glimlachte, streek hij de blanke vingers met fonkelende ringen door zijn lang en prachtig krullend zwart hair. Hij poogde haar aan te zien, doch zij keek zeer bedaard naar het fijne en witte zand, dat over den planken vloer der „jachtweide” was uitgestrooid. Daarom deed hij opnieuw twee stappen naar de „tapkast”, en vroeg, ditmaal aan het jonge meisje:
„Hept ihr ook cognac?”—met den dubbelen nadruk op de eerste lettergreep van het woord cognac.
Het jonge meisje zag hare moeder aan, en deze nam een karaf van wit glas, waarop met sierlijke gulden krulletters „Cognac” te lezen stond. Toen de weduwe daarna een zeer klein glas van grof maaksel nauwelijks gevuld had, bracht hare dochter het den voornamen heer. Deze zag het aardig gezichtje zeer genadig aan, glimlachte met zijne schitterende blauwe oogen, en nam het glaasje met een zwierigen zwaai. Eenigen tijd keek hij naar het vocht in het glas, daarna goochelde hij het vliegensvlug naar binnen. Niemand sprak intusschen een woord, de drie rookers en drinkers bleven met drieste verbazing rondzien, de vrouwen bleven onbeweeglijk bij de „tapkast”.
Eindelijk kwam Hillegie terug. De kachel brandde. De weduwe van der Zwaag nam nu andermaal haren blaker, en ging den vreemdeling voor naar zijne kamer. Zij had er eigenlijk maar eene, maar die was allerkeurigst. Zij moest er zelve de eer van ophouden. Nauw waren zij beiden vertrokken, of de drie drinkers bij den haard zagen elkander deftig aan. De dikste van het drietal blies eene reusachtige rookwolk uit, en riep:
„Zeker zoo'n mofsche koalhans!”
De derde eindelijk blies rookwolken weg, en dronk tevens zijn glas uit, terwijl hij wederom na eene poos opmerkte:
„Pas moar op, Hillegie! moak, dat je de kerel zien centen kriegt!”
„Doar bin' wie nijt bang veur, meneer Jellemoa! Veur 't brengen van zien koffer hettie twij gulden geven!”
„En nou vraagt meneer om een karaf vol cognac met woater en suker! Gauw wat!”—riep de weduwe, die met zekere haast binnenstoof.
II.
Hier begint de vestiging van meneer Apollo, den wonderbare, in Oosterwolde en zijne eerste kennismaking met de Beötiërs.
Halfelf in den voormiddag. De vreemde heer, die den vorigen avond in de Zon is komen logeeren, heeft luid gebeld. De weduwe van der Zwaag is nog ontoonbaar in haar morgengewaad en zonder oorijzer, maar hare jongste dochter Géésien, eene verminking van Gesina, „het de muts al op.” Met zekere nieuwsgierigheid wipt de vroolijke deerne de trappen op, die naar het boven den hoofdingang gebouwde pronkvertrek leiden. Na een zacht tikken op de deur, treedt ze haastig binnen en vraagt:
De reiziger knikt allervriendelijkst ja. Hij staat van zijne tafel op, waar de rest van zijn ontbijt valt waar te nemen. Hij is nog ruim zoo zwierig gekleed als den vorigen avond.
„Ik woude u etwas vragen, mijn liebes kind!”—zegt hij.—„Geeft het bij u ook een groote vertrek, waar damen en heeren versammelen? Voor concerten, ballen, theaterstukken....”
„Veur 'n bal? Joa, meneer! Bi ons!”
„Bij u? Ach zoo! Dat is kostlich!”
„'s Winters heb' we drij bals van de groote sociëteit en twij van de burgers! Zummers heb' wie mit peerdemarkt en mit harddroaverij nog twijmoal bal....”
De zwierige reiziger loopt even zijn vertrek op en neer. Hij glimlacht steeds even aanmoedigend. Daarna blijft hij in eene schilderachtige houding bij de tafel staan, beide armen over de borst kruisend. Gesina gaat intusschen voort met hem op te sommen hoevele voortreffelijkheden zich in de Zon vereenigen. De slotsom is, dat er beneden eene groote zaal is, waarin gedanst wordt, en zeer zelden ook een concert wordt gegeven. Meneer behoeft niet te twijfelen, of de zaal groot genoeg is, want in den vorigen winter hebben zelfs de „komedianten” uit X, de hoofdstad van de provincie, er gespeeld. Gesina glimlacht even, en voegt er bij:
„Moar meneer is toch zeker nijt bi de komedianten?”
„Gewis, niet, mijn liebes kind! Aber.... wie is toch ihr naam?”
„Géésien!”
„Gretchen! Ach zoo! Das is een prachtvolle naam! Al onze schönste jonkvrauwen heeten Gretchen! Nu, Gretchen....”
De reiziger deed twee stappen van de tafel, en roerde even op zachte wijze de vingertoppen van „Gretchen” aan. Daarna zag hij haar met zijne helderblauwe schitterende oogen zoo innemend aan, dat het jonge meisje, vuurrood van verlegenheid, tevergeefs poogde eenige stugheid aan den dag te leggen. Meneer wilde beneden de zaal zien. Snel springt Gesina vooruit, meneer ijlt haar na, maar heeft haar toch eerbiedig de hand gedrukt. Beneden loopt het „liebes kind” zoo vreeslijk snel door de gang, dat haar grijs kleedje aan de groote kist blijft haken. Doch ze getroost zich liever een goeden winkelhaak, dan dat meneer met zijne drieste oogen haar komt helpen. Zoo is ze een tweetal trappen opgevlogen, heeft de deur geopend, en staat nu boven. Meneer volgt haar, en treedt haar ter zijde in een zeer ruim vertrek, dat vrij wel op een bal- of concertzaal zou gelijken, indien het niet veel te laag van verdieping ware.
In gedachten wandelt hij dit vertrek op en neer. Gesina leunt tegen een biljart, 't welk met een wit stofkleed is overdekt, meneer gluurt een raam uit naar den zonderlingen, spitsen toren met blauwe leien, die een der sieraden van Oosterwolde uitmaakt. Daarna zegt hij:
„De kammer is kostlich, Gretchen! Voortreflich! Hept u niet een paar kerl', om mijn te helfen an die groote kist hier te bringen?”
„Gretchen” denkt even na. De vreemde heer wil een kist brengen op de groote zaal, waar de „Heeren” om halftwee sociëteit houden—kan dit? En wat zit er in die kist? Als er zich moeilijke gevallen, of onoplosbare vragen voordoen, neemt Gesina als brave dochter altijd het advies van moeder. Snel loopt ze naar de deur en roept:
„Meneer blieft even wachten! Ik zel even zijn!”
De vreemdeling blijft alleen. Hij plaatst zich weder bij een venster. Het volle daglicht schijnt over zijne rijzige gestalte. Niemand kan met recht volhouden, dat hij wezenlijke knapheid en innemendheid mist. Zijne trekken zijn fraai, zijn gelaat in rust heeft bijna eene edele uitdrukking. Het hooge, blanke voorhoofd, de fijne gebogen neus, de purperen lippen, waarom een glanzig zwarte knevel krult, de zeldzaam lange, fijne en behaagziek verwarde hairlokken, die, meestal achter het oor weggestreken, naar de schouders golven, dit alles vormt hem tot een knap man. Zijne oogen zijn wel fraai blauw en schitterend, maar de uitdrukking mist waardigheid. Zij werpen wat al te vrijmoedige blikken in 't rond, daar blaakt een vuur in van zinnelijke driestheid en ijdel zelfvertrouwen. Meestal evenwel is dat vuur getemperd door de half gesloten oogleden en den allereerbiedigsten lach, die elk zijner woorden vergezelt.
Voor het stedeke Oosterwolde is hij veel te zwierig gekleed. Zijn keurige sluitjas van donkere kleur doet maar een zeer klein deel van het hooge sneeuwwitte vest en der lange blauwe zijden das te voorschijn komen. Genoeg evenwel, om de kolossale diamanten speld te doen fonkelen, waarnaast een helder groen en rood lint in zijn knoopsgat schittert, eene ridderorde van den Vorst van Lichtenstein.
Geruime poos staat hij aan het venster te turen. Eene breede straat, half plein, half rijweg, strekt zich voor hem uit. Huizen van ééne verdieping, zonder eenig bijzonder kenteeken, maar kleinsteedsch van de grondvesten tot aan de daksparren, een paar lindeboomen boven een tuinmuur, de spitse toren, een paar kwajongens op groote houten klompen, een paar boeren met drie runderen, een paar kippen, die ijlings wegvluchten, dit is het tafereel, 't welk zich aan onzen Lichtensteiner Ridder voordoet.
„Philister, und noch einmahl Philister!”
Terwijl hij dit met zekere bitterheid binnensmonds prevelt, naderen snelle voetstappen. De weduwe van der Zwaag met Hillegie en Géésien, allen in oorijzer en kanten muts, treden de zaal binnen.
„Wol meneer de kist in de zaol brocht hebben?”—vraagt de kasteleines.
„Ach ja! Laat maar een paar kerl kommen!” Doch zoo snel ging de weduwe niet tot het ontheiligen van hare zaal over. Met een vloed van woorden betoogde ze, dat de „Heeren” er sociëteit hielden en of de kist niet in de gang kon blijven. Zij was verbijsterd over het schoone kostuum en de voorname manieren van haar gast, maar vroeg toch luide, wat er dan toch eigenlijk in die kist was.
„Mijn klavier!”—zei de vreemdeling snel.
Moeder en dochters zagen elkander aan, en begrepen de zaak maar half. Met een voornamen glimlach voegde hij er thans bij, dat zijn „klavier” moest ontpakt worden, dat het niet veel plaats innam en zeer „famos” was. Maar spoedig, zeer spoedig. De kasteleines had dikwerf hooren verhalen, dat voorname vreemdelingen, vooral Engelschen, de eene of andere zonderlinge liefhebberij aankweeken, en daarom meende ze nu, dat deze niet zonder zijn „klavier” zou kunnen leven. Fluisterende met hare dochters, werd er nu besloten den staljongen en den tuinman te laten roepen. Haar gast was intusschen reeds in het voorportaal en poogde de pianokist van den muur te schuiven. Met groote voorzichtigheid, terwijl nog twee keukenmeiden, wier zilveren oorijzers en zwarte kousen—zij hadden hare klompen op hoog bevel achtergelaten—een zweem van glimlach bij den klavierman deden ontstaan, op het ijverigst medehielpen, werd nu de groote en zware kist, naar de zaal gedragen. De Lichtensteiner Ridder gaf allerlei bevelen in zijne moedertaal, die niemand recht begreep, doch de kist stond weldra zonder ongeval bij een der vensters. In een ommezien had hij zelf de planken losgemaakt en ontdekte nu voor de verbaasde lieden uit de Zon eene fraaie pianino. Met groote bedrijvigheid deed hij de houten bekleedselen wegbrengen, had hij het instrument geopend en liet hij plotseling een stroom van luide en grillige akkoorden door de zaal galmen. Het stuk was wat ontstemd, weldra had hij er de vergulden luchters afgelicht, de pianino van voorwand ontbloot, en een stemsleutel ter hand genomen. Hierop ving hij ijverig aan te stemmen.
De kasteleines, de meisjes, de keukenmeiden, de staljongen en de tuinman bleven op eerbiedigen afstand staan luisteren. Misschien was er in geheel Oosterwolde maar één piano, die met deze kon wedijveren, bij den Burgemeester. En die hadden de meeste hunner nooit gezien. Als de vreemdeling soms eensklaps met beide handen de volle kracht van zijn stuk liet doorklinken, zagen zij elkander vol verbazing aan. Weldra was de zuiverheid van toon hersteld. Zonder naar zijne hoorders om te zien, wier tegenwoordigheid hij evenwel had opgemerkt, ving hij aan met eene vlugge, aangename melodie te doen hooren. Plotseling viel hij in met eene vrij zwakke, doch dragelijke tenorstem een Duitsch lied aan te heffen. De kasteleines en hare huisgenooten hielden den adem in. De beide jonge meisjes volgden met vroolijke blikken den zanger. Dat hadden ze nog nooit zoo gehoord! Zoo mooi kon juffer Martha van den Burgemeester niet zingen! Hoor, hij zwijgt. Twee forsche akkoorden, alles is stil. Meneer rijst op, en sluit de pianino. Het publiek deinst af, en verdwijnt met groote overhaasting uit de zaal.
III.
Hoe Mr. Willem Snijders in den kring der zijnen gewoon is aan de koffietafel te regeeren.
Oosterwolde was een plattelandsstadje met een drieduizend inwoners, eene arrondissements-rechtbank, beroemde veemarkten, een weinig nijverheid en veel ongetrouwde meisjes. Men was er uren ver van alle groote of grootere steden. Al het verkeer met de omliggende plaatsen werd levendig gehouden door een paar goedaardige trekschuiten. Een telegraafkantoor werd door niemand gehoopt, en ieder Oosterwoldenaar van geboorte begreep, dat er nooit eenige de minste kans voor een spoorweg zou komen opdagen. Het stedeke had daardoor een zeker vast karakter verkregen, waarom elk eenigszins buitengewoon voorval aanstonds de algemeene belangstelling wekte. Men zag er niemand vreemds, dan de boeren en boerinnen uit den omtrek, de eersten met ouderwetsche hoeden en zilveren tabaksdoozen, de laatsten met gouden hoofdijzers, „stiften” en lompe oorhangers. De doortocht van een man met een draaiorgel, of van een troep nomadische Duitsche horenblazers, maakte eene geweldige gebeurtenis uit. Al wat Oosterwolde aan straatjongens bezat, schaarde zich rondom het vreemde verschijnsel op de straat, terwijl de vaders der gezinnen met al hun personeel op de stoep hunner woningen post vatten.
Eene zekere stoffelijke welvaart was in Oosterwolde evenwel niet te miskennen. De handel in vee en landbouwvoortbrengselen, waarvan de stad meer en meer stapelplaats werd, bracht veel vertier aan. Winkeliers, logementhouders en procureurs deden er schoone zaken, 't welk zich zichtbaar aankondigde in de netheid en frischheid der meestal kleine huizen. Heerenhuizingen van twee verdiepingen vond men er wel, maar die behoorden tot de uitzonderingen. Eene der aanzienlijkste lag juist aan 't eind der breede straat, die het heerenlogement de Zon onder hare sieraden telde. Dit huis lag, een eind van de andere woningen in den omtrek verwijderd, in de schaduw van twee reusachtige kastanjeboomen. 't Was stevig en hecht gebouwd, maar de architect had bijzonder weinig goeden smaak aan den dag gelegd. Goede smaak was in 't algemeen in Oosterwolde zeer duur. De huizing nu, met de kastanjeboomen als wachters voor den ingang, was bij ieder bekend en beroemd, daar woonde de Burgemeester.
Mr. Willem Snijders, van beroep advocaat en notaris, had met koninklijk goedvinden de eereplaats in de Oosterwoldsche magistratuur bezet. Op het oogenblik, waartoe onze waarachtige historie thans genaderd is, vinden wij hem in zijne vroolijke en welingerichte huiskamer. De familie gaat koffie gebruiken. Bij de zilveren kan treffen we mevrouw Snijders aan, eene zeer bedrijvige en drukke, maar extra vroolijke en gulle dame van diep in de veertig met zeer ongehoorzaam lichtbruin hair, 't welk ze voortdurend met eene snelle beweging onder de muts wegschuift. Voorts ontmoeten we nog twee jonge dames, Martha en Mina, die al onze aandacht waard zijn. Martha is eene beroemde schoonheid, Mina had te grooten neus, om voor mooi door te gaan. Martha was eene flinke, lief glimlachende jonkvrouw met ongemeen fraaie blonde, lange krullen. Mina was niet zoo mooi, maar ieder hield bij uitstek van haar. Zij was mevrouw Snijders plaatsvervangster in alle huiselijke zaken van gewicht, en de afgod van hare talrijke jongere zusters en broers. Een deel van dezen zit ook aan de koffietafel, rondwangige meisjes met lange witte schorten, en twee mannetjes met blond krullend hair en inkt aan de vingers.
Voorzitter was daar evenwel de Burgemeester zelf, Mr. Willem Snijders in eigen persoon. Deze brave magistraat was zeer klein, had kleine vlugge, grijze oogen, een klein kaal voorhoofd en kleine grijze bakkebaarden. Hij was even levendig als zijne vlugge gade, sprak niet zoo rad, maar daarom te gewichtiger. Hij achtte zich zelven zoo gelukkig en tevreden, als een zeer rijk man in Oosterwolde maar eenigszins zijn kan. Hij had geld genoeg, om in Amsterdam of Den Haag equipage te houden, maar zijne familie en die zijner vrouw behoorden tot de Oosterwoldsche patriciërs, en daarom had hij geen het minste denkbeeld naar de Heerengracht of den Vijverberg te verhuizen. Eerzucht had hij in zekere mate: bij alle dingen, die zijn huis en familie betroffen, moest solide weelde en onbesnoeide ruimte heerschen. Voor 't overige bemoeide hij zich met niets, zelfs niet met de politiek. Eene candidatuur voor de Tweede Kamer had hij van de hand gewezen, alles, wat hij misschien van dien aard wenschen mocht, stond in betrekking tot zijn maagdelijk knoopsgat.
't Had juist twaalf geslagen. Mevrouw Snijders schenkt de dampende koffie in, Mina snijdt een stuk koek voor de meisjes en knaapjes, die heel stil moeten blijven zitten, want vader leest de „oprechte” Haarlemmer. De mooie Martha heeft een boek naast haar kop koffie, en werpt er ter sluik een blik in. Zij leest eene verbazende hoeveelheid romans in 't jaar, meest alle uit het Engelsch vertaald en vol brave helden en heldinnen.
Mr. Willem Snijders legt de krant neer, en zegt:
„Geen nieuws vandaag! Uit Leeuwarden wordt veel gepocht over een groot concert!”
„Dat mag wel! Concerten zijn heel prettig in Leeuwarden!”—zegt Martha, die den vorigen winter in Frieslands hoofdstad heeft gelogeerd.
„Litholf en nog zoo'n snuiter!”—vervolgt de Burgemeester.
„Hier is nooit eens concert!”—antwoordt de dochter.
„Kom, kom!”—valt moeder in.—„Hier is het Nut, en bals en allerlei pretjes! Ik zou er niet voor in Leeuwarden willen zitten!”
„Ja, mama dweept met Oosterwolde, dat weet ik wel!”
De mooie Martha had dit met eenig humeur gezegd. Opmerkelijk was het ook, dat mevrouw Snijders eene andere uitspraak van hare moedertaal bezigde, dan hare dochter. Mama sprak eenigszins in den trant der kasteleines uit de Zon, en Martha had de uitspraak van een duur kostschool in Gelderland, waar zij drie jaren was „gesoigneerd.”
De Burgemeester vond het niet aangenaam, als er verschil van meening was onder de zijnen. Hij hield veel van zijne knappe dochter, hij pronkte graag met haar in bijeenkomsten van het Oosterwoldsche publiek, maar de zienswijze van zijne vrouw en de liefde voor zijne stad deden hem elke minachting van deze laatste ernstig tegenspreken.
„Hoor eens, Martha! Ik vind het niet aardig, dat je zoo van Oosterwolde spreekt! Jij bent de dochter van den Burgemeester! En wat de concerten betreft....”
Juist werd de deur geopend, en bracht de „kamermeid” Stientje een kaartje aan den Burgemeester. De heer Snijders zag het onverschillig in, maar maakte plotseling eene beweging van verwondering.
„Daar heb je het al!”—riep hij uit.—„Hoor eens, welk bezoek wij ontvangen:
Prof. Maximilian Brandt von Hohenburg, Fürst. Hofpianist und Director des Fürst. Theaters zu Lichtenstein-Vadoetz.
„Stientje!”—gaat de Burgemeester voort,—„laat meneer in de voorkamer! Deksels een professor! En ik in mijne grijze ochtendjas! Dat kan onmogelijk! Ik vlieg, om mijn rok aan te trekken!”
De Burgemeester was niet gewoon dagelijks vele professoren in Oosterwolde te ontmoeten, en dan zoo'n aanzienlijk man! Intusschen gevoelde hij genoeg van zijne burgemeesterswaardigheid, om zich niet bedremmeld voor zijn bezoeker te vertoonen. Zijn rok en witte das, welke laatste hij dagelijks droeg, stonden hem in dit goede voornemen bij, zoodat hij uiterst deftig de deur van zijne voorkamer ontsloot, en den diepbuigenden professor een stoel aanbood.
„Professor Maximilian Brandt von Hohenburg, de Lichtensteiner Ridder met de pelsjas, thans resideerende bij de weduwe van der Zwaag in de Zon, heeft de eer zich bij den „genadigen” heer Burgemeester te vervoegen met tweeërlei doel. Hij reist voor zijn genoegen door het westen van Europa, en bezoekt thans Nederland. Zijne vorstelijke genade, de Vorst van Lichtenstein, heeft hem deze kunstreis opgedragen, om zich van de tegenwoordige ontwikkeling der toonkunst in het westen van Europa een helder denkbeeld te vormen. Vorst Johan II is een zeer verlicht Maecenas, waarvan Herr von Hohenburg slechts de nederige dienaar is.
Maar Herr von Hohenburg beoefent ook in alle nederigheid de kunst. Hij is professor aan de vorstelijke kunstacademie van zijne vorstelijke genade. Hij is vorstelijke hofpianist en directeur der muziek van de vorstelijke opera te Lichtenstein-Vadoetz. Het is zijn voornemen in alle plaatsen van Nederland, die hij bezoekt, bij uitzondering één concert te geven. Als de „genadige” heer Burgemeester denkt, dat een klavierconcert in zijne stad eenigen bijval mocht verwerven, dan....”
Herr von Hohenburg heeft dit alles in zeer vloeiend en hoffelijk Duitsch gesproken. De Burgemeester van Oosterwolde houdt zich ferm, maar is lang niet op zijn gemak. Duitsch spreken is volstrekt zijne gewoonte niet. Een gek figuur maken kon een man van zijne waardigheid nog veel minder, vooral tegenover zulk een diplomatisch kunstenaar als de heer von Hohenburg, zeker een edelman, en dan met zoo iets roods en groens in zijn knoopsgat.
„Vergun me, meneer de Professor, dat ik in mijne moedertaal u antwoorde....”
„Bitte, bitte, gnädige Herr!”
„Ik geloof, dat er hier in Oosterwolde een zeer dankbaar publiek voor pianomuziek zou gevonden worden, en we hebben een vrij goede zaal in de Zon bij vrouw van der Zwaag.”
Herr von Hohenburg beaamt de woorden van den „genadigen heer Burgemeester”, daar hij echter Duitsch blijft spreken, en geene moeite doet zich in hetgeen hij Hollandsch noemt uit te drukken, zullen wij hem hier als tolk ter zijde staan.
„Ik zou u echter raden, meneer de professor, om vooraf eene lijst bij de notabele ingezetenen rond te zenden, men is zoo zeldzaam in de gelegenheid iets goeds te hooren!”
„Ach! ik vraag duizendmaal om verschooning, genadige heer! Ik moet u nog iets mededeelen! Ik behoor niet tot de zoodanige artisten, die concerten geven voor geld. Mijne kunst heeft edeler doel. Ik laat een entrée betalen, om na aftrek van de noodzakelijke kosten het batig saldo in de armenkas te storten!”
Mr. Willem Snijders, die tot nog toe met het denkbeeld, dat de Duitsche professor voor geld concerten gaf, zich zelven een riem onder het hart had gestoken, gevoelde nu, dat alle bewustheid van meerderheid hem ontzonk. Hij glimlachte nog vriendelijker dan te voren, en verzekerde meneer den professor dat hij zijne komst in Oosterwolde op hoogen prijs stelde.
Herr von Hohenburg had gebogen, gelachen, en de kamer rond gezien. Bij het ontdekken eener pianino had hij met onweerstaanbare losheid zich naar het stuk begeven, het geopend en als gedachteloos een paar akkoorden gegrepen. Plotseling weer naar zijne stoel terugsnellend, riep hij uit:
„Ik vraag duizendmaal om verschooning, genadige heer! Ik heb de slechte gewoonte, als ik een klavier zie, aanstonds naar de toetsen te grijpen....”
„Integendeel! Ik hoopte reeds, dat u ongemerkt zou hebben doorgespeeld!”
De beide heeren putten zich van weerszijden uit in tallooze hoffelijkheden. De slotsom was eindelijk, dat de beroemde professor von Hohenburg zich nogmaals voor de pianino plaatste, en na onder menigte van sierlijke zwenkingen met hoofd, lichaam en armen, een stroom van luidklinkende melodiën door het pronkvertrek van den Oosterwoldschen Burgemeester deed ruischen. Mr. Willem Snijders was geheel verrukking. Hij wist niet hoe hij zijn voornamen gast zou danken. Hij verhaalt, hoe zijne oudste dochters beiden wat aan muziek doen. Intusschen phantaseert Herr von Hohenburg verder. De Burgemeester zou waarlijk, als meneer de professor er niets tegen had, zoo gaarne mevrouw Snijders en zijne oudste dochters.... De professor vraagt duizendmaal verschooning voor de hooge eer.... De Burgemeester heeft gebeld. Weldra verschijnen de drie dames, die in de aangrenzende kamer geene noot van de muziek verloren hebben.
Zoo spoedig zij de kamer binnentraden, had Herr von Hohenburg zijne sierlijkste en innemendste buiging gemaakt. Met een snellen blik had hij het mooi gezichtje van Martha waargenomen en in stilte een paar Duitsche woorden gemompeld, die zeer plat, maar zeer vleiend voor de dochter des Burgemeesters waren. Beide meisjes hadden echter eene te schuchtere natuur, om in het eerste oogenblik veel op den schitterenden heer te letten, door haar vader met veel omhaal van naam en qualiteiten deftig aan haar voorgesteld. Herr von Hohenburg vroeg eenige duizenden malen om verschooning, aan de „gnädige Frau Bürgemeisterin” en aan de „gnädige Fräulein.” Hij had maar even aan de pianino geraakt, en het was zijn noodlot, dat hij onwillekeurig bleef spelen. Mr. Willem Snijders wilde vrouw en dochters gaarne op de hoogte brengen van al de verdiensten des vreemden professors, en voerde hem weder naar het klavier terug.
Toen speelde de bereidwillige en edelmoedige kunstenaar eene uitvoerige phantasie met gedruischmakende fortissimo's, en zwenkte hij allerbevalligst heen en weer op de lage pianotabouret. Martha volgde hem oplettend, en was in diepe aandacht verzonken. Het knappe gelaat van den Duitscher, de geniale wijze van het hoofd te buigen, terwijl zijne linkerhand soms plotseling de over zijn voorhoofd vallende zwarte hairen wegwierp, het merkwaardig uitheemsche, 't welk zijne geheele gestalte een soort van tooverglans schonk, dit alles maakte op haar eenvoudig, maar stil dwepend gemoed een zeer diepen indruk. Daarbij kwam, dat zij het niet bijster ver in de muziek gebracht had, en vol verbazing de vaardigheid van den vreemdeling waarnam. Deze eindigde nu snel zijn woesten storm van tonen, en stond glimlachend naast de dames. Ieder zweeg met dankbare waardeering. Herr von Hohenburg begreep, dat hij het best deed onder dezen indruk te vertrekken. Hij sluit de fraaie pelsjas over al de pracht van zijn uitgezocht kostuum, en greep de coquette parelgrijze handschoenen.
De Burgemeester uitte een stroom van vriendelijke dankbetuigingen, hij had niet vermoed, dat er zulk een schat van fraaie geluiden in zijne pianino verborgen was.
„Ach zoo!”—antwoordde de schitterende professor.—„Ik vraag duizendmaal om verschooning, maar uw klavier is zeer zwak van toon! Hollandsch fabrikaat, geloof ik, zeer middelmatige instrumenten. Neen, dan hebben we er beter in Duitschland.”
„Maar ik ben met mijne piano zeer tevreden!”—viel Martha plotseling met haar kostschool-Duitsch in.—„Wij zijn in onze kleine stad niet zoo scherp van gehoor! Bovendien de piano is pas nieuw, en uit de fabriek van Schulz te Leeuwarden!”
„Ik waag het niet u tegen te spreken, mein gnädiges Fräulein! Maar ik hoor, dat u kunstenares is, en men heeft recht op het edelste en schoonste, zoodra men zulk eene bekoorlijke kunstenares is, als u.... Ik vraag duizendmaal om verschooning! Duizendmaal! Genadige Vrouw! Genadige heer Burgemeester! Genadige Freules!”
Herr von Hohenburg boog met onbeschrijfelijke bevalligheid. Terzelfder tijd bleef zijne houding edel en waardig—zoo streefde hij vooruit, en de nu werkelijk een weinig bedremmelde heer Snijders volgde hem onder het uiten van overvloedige beleefdheidsbetuigingen.
Toen deze daarna bij vrouw en dochters terugkwam, riep hij luide:
„Geen kwakzalver, hoor! Een edelman! Hij geeft concerten, om de plaatselijke armen te bevoordeelen! Verduiveld royaal! Onze piano is slecht!”
IV.
Hier verrukt Phoebus Apollo al de Beötiërs op een na.
Vijf dagen achtereen reeds is het stedeke Oosterwolde in rep en roer. Van den Burgemeester tot den minsten straatjongen is ieder bezig zich te bemoeien met den voornamen vreemdeling, die in de Zon logeert. De Faam geeft verschillende voorstellingen van zijn persoon. De meest algemeene lezing luidt, dat hij een schatrijk Duitsch Prins is, die belangeloos zijne kunst doet bewonderen, en uit grilligheid heel de wereld doorreist. De Burgemeester heeft hem op de sociëteit voorgesteld, waar hij het middelpunt eener goedhartige en lastige bewondering vormt. De bewoners van Oosterwolde onderscheiden zich hierin voornamelijk van de overige Nederlanders, dat zij onbegrijpelijk stug en terughoudend tegenover landgenooten, maar buitengewoon eerbiedig en vriendschappelijk tegenover vreemdelingen zijn. Herr von Hohenburg had er de dagelijksche ervaring van. Een enkel woord van hem deed het heele gezelschap in de sociëteit schateren, den tweeden avond van zijn verblijf had hij zeer vriendschappelijk in den huiselijken kring des Burgemeesters doorgebracht, den derden dag had hij bij den kantonrechter, die ongetrouwd was, met de bloem der Oosterwoldsche jeunesse dorée gedineerd, en men had er eene onbegrijpelijke hoeveelheid flesschen wijn en champagne verbruikt. Herr von Hohenburg had echter gezorgd, dat de heeren meer dronken dan hij. Hij was volkomen waardig gebleven, en had geen enkelen gewaagden volzin gesproken, een euvel, waarvoor hij zeer voorzichtig op zijne hoede was. De lijst van het concert, 't welk nu aan den avond van den vijfden dag zou plaats grijpen, was bijna door al de notabelen van de stad met ijver geteekend. Herr von Hohenburg had den prijs zeer hoog gesteld voor Oosterwolde. Niet dikwijls wilde men daar voor eenig kunstgenot ƒ2.50 betalen, de „komedianten” uit X**** lieten zich bewonderen voor 75 centen, maar boven aan de lijst van den Duitschen professor prijkten de woorden: Ten voordeele der algemeene armen, welke, gevoegd bij de tooverkracht, die in zijne persoonlijke verschijning verborgen was, de koorden van ieders beurs hadden losgemaakt.
In Oosterwolde leefde echter één persoon, die zich niet bij de algemeene beweging aansloot. Hij had wel niet bijzonder veel invloed, maar telde toch mede onder de notabelen. Er bestond namelijk in het stedeke eene zeer oude instelling, die niemand vergat onder de merkwaardigheden der plaats te noemen: eene Latijnsche school. Rector van deze school was sinds een paar jaren een jongmensch, pas gepromoveerd, vreemd in het stadje, maar blijde, dat hij zijne loopbaan aldaar beginnen mocht. Het personeel der leeraren werd door hem alleen vertegenwoordigd, terwijl het getal zijner leerlingen tusschen de vijf en zeven bleef. Zijn naam was Dr. Herman Warmenhuizen, hij was gezien bij de meeste fatsoenlijke families, doch men vond hem steeds wat vreemd. Twee groote voordeelen had hij aan zijne zijde: hij was ongetrouwd, en hij wist in gezelschap tamelijk wel piano te spelen. De oude en jongere dames waren nogal op zijne hand, de heeren mochten hem niet—hij was te wijs en te stil. Hij was geen ware sociëteitsman, hij biljartte niet, hij maakte geene partijtjes, hij rookte geene Goudsche pijpen. Zijne beschaafde Nederlandsche taal maakte hem bij de Oosterwoldsche bachelors verdacht, en zijne politieke meeningen bij de père-nobles. De predikant, de burgemeester en de kantonrechter hadden echter een zekeren eerbied voor hem, 't welk al de overigen in bedwang hield.
Dr. Herman Warmenhuizen had van den beginne niet in de algemeene koorts gedeeld, die na de verschijning van Professor von Hohenburg heel Oosterwolde had besmet. Hij had den beroemden man op de sociëteit gezien en gesproken. Hij verklaarde, dat hij nimmer iets van eene Lichtensteinsche hofhouding gehoord had—dat zulk een voornaam man als de professor al een zeer zonderling figuur in zulk een klein plaatsje als Oosterwolde maakte. Doch hij deed alleen een koor van lofredenaars voor den vreemden kunstenaar ontstaan, die hem even warm tegenspraken, als zij den Duitscher prezen. Vele oordeelden het volkomen ongepast en bespottelijk pedant van den Latijnschen „schoolvos”, dat hij zich zulke opmerkingen veroorloofde. Zelfs bij de familie Snijders, waar hij met gulheid ontvangen werd—men mompelde soms iets van eene geheime verloving tusschen hem en mejuffrouw Mina—zelfs bij de Snijdersen, moest hij zwijgen tegenover de opgewonden lofredenen des Burgemeesters, de uitroepingen van mevrouw en de zachte opmerkingen van mejuffrouw Martha.
Onder deze omstandigheden was het bijna met zekerheid te voorspellen, dat het concert een ongehoorden bijval zou winnen. Dr. Warmenhuizen voorzag het, en trok kwartier voor zeven van den bewusten avond naar het welbekende vereenigingslokaal der weduwe van der Zwaag. Ongewone drukte en levendigheid heerschte alom in de Zon. De veldwachter stond in pontificaal bij de voordeur, en oefende naast zijn eigen, ook nog het beroep van bureaulist uit. In de „jachtweide” blonk alles nog eens zoo luisterrijk als gewoonlijk—het vuur was eens zoo hoog opgestapeld en de „tapkast” zuchtte onder de reusachtige menigte flesschen van allerlei gehalte. De kasteleines met hare beide dochters vertoonden zich in groot gala, zwarte zijde, oorhangers, bloedkoralen halskettingen met eerbiedwaardige vierkante gouden sloten en armbanden. Zij zweefden onophoudelijk heen en weer van de „jachtweide” naar de concertzaal. Daar was alles even luisterrijk en feestelijk ingericht. Al de koperen hanglampen blonken of ze van goud waren en brandden zoo helder, als ouderwetsche olielampen immer hebben kunnen branden. Het biljart was weggenomen. De ledige ruimte was met tafeltjes en stoelen bezet. Op eene kleine verhevenheid zag men de gesloten pianino des professors met waskaarsen verlicht, terwijl twee tafeltjes met groene kleeden nog tal van luchters en waskaarsen naast het klavier vertoonden. Men moest den kunstenaar kunnen zien!
Reeds lang vóór zeven uren was het publiek bijna voltallig, daar het te laat komen in Oosterwolde niet tot de goede manieren behoorde. Men zag er de bloem der ongetrouwde jonge meisjes met hare moeders meestal te zamen, terwijl de heeren en jongelieden op den achtergrond der zaal afzonderlijke groepen uitmaakten. De familie van den Burgemeester had zich zonder aarzelen op den voorgrond bij de verhevenheid met de pianino geplaatst—al de vriendinnen in 't ronde fluisterden met Martha en Mina over den Duitscher. Von Hohenburg was allerbeleefdst—niets trotsch, hij was onvermoeid in 't spelen, en hij zong goddelijk! Verbeeld je, hij had voor Martha allerbeleefdst de muziek omgeslagen, toen zij de Judith van Bordese gezongen had, je weet wel:
„Sur les remparts de Béthulie Holopherne a conduit ses infames soldats!”
En aangenaam was hij in gezelschap, voor iemand van zooveel talent was het toch waarlijk niet veel als hij Martha of Mina hoorde spelen, maar met het grootste genoegen, hoor! Zoo sprak mevrouw Snijders. En de echo ging de zaal rond, tot zij aankwam bij den jongen Rector Warmenhuizen, die met teleurstelling zijn hoofd schudde, en veler verontwaardiging opwekte.
De held van den avond wachtte intusschen naar een geschikt oogenblik, om op te treden. Juist was de „jachtweide” ledig, daar allen in gespannen verwachting naar de zaal waren gesneld, en er dien avond niet voor het publiek „getapt” werd. Herr von Hohenburg droeg een prinselijken blauwen rok met gouden knoopen, twee fraaie ridderkruisen glinsterden in zijn knoopsgat, zijn witte das en vest vormden een wonder van blankheid en pracht. Voor den schuins hangenden spiegel schikt hij nogmaals de zwart blinkende hairen. Een tred klinkt achter hem.
„Ach zoo! ben jij daar Gretchen!”—roept hij uit.
Gesina kwam eene stoof halen voor eene jongedame, die wat koude voeten had. In de vijf dagen van des Duitschers verblijf is ze wat vriendelijker geworden jegens den voornamen heer, van wien ieder met lof spreekt. Wel lacht hij altijd even familiaar, wel drukt hij hare hand somtijds, of vat haar schertsend om hare leest, maar anders is hij een recht hupsch heer, een knap heer, een royaal heer—Gesina is niet meer zoo kinderachtig bevreesd, als dien eersten morgen. Herr von Hohenburg treedt op haar toe, met eene uitdrukking van ongeveinsde bewondering ziet zij hem aan.
„Ik denke nu' mal an te vangen, Gretchen!”
„De klok het al lang zeuven sloagen, meneer!”
„'t Is gerade tijd! Is de kammer vol, Gretchen?”
„Der kennen nijt meer ien, meneer!”
„Alzoo! Das geht los!”
Herr von Hohenburg glimlacht zoo vriendelijk mogelijk tegen het jonge meisje, trekt zijne witte handschoenen zoo nauw mogelijk aan zijne vingeren, en blijft naast haar staan. Zij draagt de stoof met beide handen. Plotseling slaat hij zijn arm om haar midden en drukt een vluchtigen kus op haar mond. Daarna verdwijnt hij bliksemsnel langs eene zijdeur, die uit de „jachtweide” naar de verhevenheid in de concertzaal voert—het entrée des artistes. Een daverend bijvalsgejuich weergalmt tot in de „jachtweide.” Gesina is wel wat ontsteld, maar niemand heeft het gezien—en dan zoo'n knap heer.... Zij haast zich, ook bij het concert te zijn.
Professor Maximilian Brandt von Hohenburg is voor het geachte publiek opgetreden. Zijne buiging heeft de algemeene geestdrift gewekt. Hij opent zijn klavier, ziet rechts en links, trekt langzaam zijne witte handschoenen uit en legt ze op een der lichtdragende tafeltjes. Daarna zit hij recht als eene kaars, bemerkt, dat het publiek onder hooge inspanning wacht, en begint met een grillig forto zijn eerste concertstuk. Er zijn programma's gedrukt—iets geenszins alledaagsch in Oosterwolde. Het eerste stuk heette: Souvenir de l'Opéra: Il Trovatore de Giuseppe Verdi. De componist van dit souvenir was de heer von Hohenburg zelf. Eene volkomen stilte heerschte in de zaal. Ieder vond zich zedelijk verplicht de muziek onvergelijkelijk mooi te vinden, en op aller gelaat vertoonde zich een glimlach van stille tevredenheid. De Rector Warmenhuizen glimlachte ook, maar uit.... medelijden.
't Zou eene te zware taak zijn, het schitterend succes des Duitschen professors in al zijne volheid te verhalen. Zoo ras zijne voordracht van eenig stuk eindigde, maakte hij zich onzichtbaar te midden van oorverdoovend gejuich. In de eerste afdeeling van zijn concert genoten de Oosterwoldenaren nog de Nocturne van Döhler en Rondo capricioso van den heer von Hohenburg zelven. Bij de laatste maten van dit laatste stuk scheen men het op den vloer der weduwe van der Zwaag te hebben gemunt—de kunstenaar werd teruggeroepen, de pauze begon. Met dit gewichtig onderdeel voor alle feestelijkheden daar ter plaatse, kwam er gewoonlijk eenige meerdere losheid onder het publiek. De dames en de heeren zagen de grenslijnen hunner verschansingen overtreden door sommige vermetelen. Men wisselde eenige woorden over de muziek. De meeste heeren waren in de gelagkamer verdwenen, die nu voor koffiekamer gold. De voorname dames schikten zich aan tafeltjes en ontvingen bezoeken van bekenden. Mevrouw Snijders zat met hare dochters in een wolk van vrienden.
„'t Is verrukkelijk!”—riep de kantonrechter.
„Onnavolgbaar!”—meende de ontvanger.
„Zoo iets hebben we hier nooit gehad!”—sprak Martha fluisterend.
„Ik hoop niet, dat de dames het mij kwalijk zullen nemen!”—zei de Rector Warmenhuizen.—„Ik vind dien Hohenburg zeer middelmatig. De muziek van Verdi is aardig, meer niet—en die Rondo is een duidelijk plagiaat!”
„Meneer Warmenhuizen is moeilijk te voldoen!”—merkte mevrouw Snijders op.
De andere heeren zwegen. Martha lachte achter haar zakdoek. Mina zag den jongen Rector snel aan, en knikte hem zoo deelnemend en vriendelijk toe, dat hij er van af zag, nog iets in 't midden te brengen.
De bewierookte professor had zich in de pauze uit de „jachtweide” verwijderd, toen hij de heeren rookers en drinkers zag naderen. Hij zocht eene toevlucht op zijne kamer. Hij neuriede zeer tevreden, toen hij de deur sloot. De maan keek helder door het groote venster naar binnen. Herr von Hohenburg wreef zich in de handen, en trok plotseling luide aan de bel. Aanstonds bijna vloog de gedienstige Gesina binnen, en bleef op den drempel staan, om meneers orders te vernemen. 't Was om eene flesch Rijnschen wijn. Even spoedig was zij terug met het gevraagde, en terwijl zij glas en flesch nederzette, greep zij naar een kurketrekker. De beleefde kunstenaar nam haar echter dit werk uit de handen, en had in eene seconde zijn glas gevuld.
„Kom, Gretchen! Doe mij dat vergenoegen, en drink een glas op de concert!”
„Meneer wordt vrundelijk bedankt—ik heb geen tied!”
Maar Gesina meende het zoo erg niet. Met eenige aarzeling voldeed zij aan het beleefd verzoek. Toen schonk de knappe heer zich zelven in, en zag haar zoo aardig lachend aan, dat zij zelve moest meelachen.
„Gij zijt nicht boos, Gretchen?”
„Och Heere mien tied!”
De uitroep gold geheel iets anders, dan wel de vraag van den vriendelijken professor. Hij had de knappe deerne vast om hare leest gegrepen, en poogde haar weder te omhelzen.
Een luid kloppen op de deur klonk plotseling. Gesina vloog naar eene zijdeur, en nauw was zij in 't donker verdwenen, of de veldwachter vertoonde zich, om Herr von Hohenburg een zak met honderdachtenvijftig rijksdaalders aan te bieden.
V.
De Burgemeester van Oosterwolde maakt gebruik van eene voordeelige geldbelegging, en geeft een feest aan zijne vrienden.
De opgewondenheid heerschte voortdurend in Oosterwolde. Het concert won zulk een reusachtigen bijval, dat men er den geheelen volgenden dag in huizen en straten over sprak. Het tweede deel had nog meer applaus verworven dan het eerste. Het laatste nummer was eene verrassing geweest. De heer professor had met indrukwekkende stem een „Heimath-Lied” van eigen maaksel voorgedragen, en toen was er aan het bravo-geroep geen einde geweest. Tevergeefs had Herr von Hohenburg zich bescheiden aan het algemeen gejuich onttrokken. De Burgemeester zelf had hem in den kring der zijnen gebracht—nu het concert toch geëindigd was. Er werd champagne gedronken, en bij eene aanspraak des heeren Snijders vernam het geëerde publiek, dat de armen van Oosterwolde dien avond drie honderd gulden rijker waren geworden. Er kwam geen eind aan den lof des edelmoedigen kunstenaars. Deze had zich onder de dames gemengd, en zat fluisterend te spreken met Martha. Daarna had hij tot steeds klimmend genoegen van het publiek op buitengewonen aandrang een vroolijk air uit Mozart's Zauberflöte gezongen, enz. enz. Het was zeer laat geworden. De Burgemeester had een aantal uitnoodigingen gedaan voor den volgenden avond ten zijnent. Ook had hij een lang particulier onderhoud met den Duitschen professor gehad, en zeer opgewonden met zijne vrouw gesproken over het gunstig rapport, 't welk von Hohenburg in Duitschland zou maken, en dat men nooit kon weten, waarvoor zoo iets goed was.
't Was misschien om deze reden, dat des Burgemeesters woning thans zich zoo luisterrijk tooit. De pronkkamer is door de geopende deuren met de huiskamer als suite tot feestzaal ingericht. De muziekavond zal om halfacht beginnen. Niemand is nog aanwezig. De dames des huizes maken groot toilet. Het lustig branden van de beide open haarden en het rustig tikken van eene kostbare doch smakeloos vergulde pendule verbreken de stilte. Nu wordt de deur der huiskamer zacht geopend. Mejuffrouw Martha zweeft naar binnen. Hoe bevallig staat haar dat lichtgroene zijden kleed. Zij heeft werkelijk goeden smaak—en dit is althans het gevolg van haar kostschool-verblijf. Voor het overige heeft Martha geene schadelijke invloeden ondergaan bij het „acheveeren” harer „educatie”—de kloosterachtige afsluiting en de belachelijke vormdienst hebben alleen hare verbeelding wat al te sterk gevoed en haar soms wat droomerig gemaakt. Zij heeft zich in dit uur gehaast spoedig gereed te zijn—en toch toont haar uiterlijk, dat zij dien avond de koningin van het feest wil zijn. Hare donkere oogen schitteren van ongewonen gloed, zij stelt zich buitengemeen genot voor. Natuurlijk bedoelt zij kunstgenot, als Herr von Hohenburg zijne uitstekende gave zal doen bewonderen, maar er is ook nog iets anders..... een levendige belangstelling in den persoon des kunstenaars. Gisteravond, na het concert, hadden ze samen in 't Duitsch gedweept met muziek.... en Duitsch is zulk eene lieve taal, als men een beschaafd man vloeiend en fraai hoort spreken. Zeker fluistert Herr von Hohenburg zoo intiem met haar alleen, omdat zij zijne moedertaal verstaat, en er hem in antwoordt. Die anderen zijn ook zoo bang, om een woord Duitsch te zeggen! Maximiliaan heet hij.... aardige naam: Maximiliaan!
Hier verandert plotseling de stroom harer denkbeelden door eene buitengewone omstandigheid. Zij merkt, dat er twee piano's zijn. In de huiskamer en in de pronkkamer beide prijkt een klavier. Daar heeft zij niets van gehoord. Die in de huiskamer is de hare, de Leeuwarder. Maar in de voorkamer staat eene vreemde, eene fonkelnieuwe! Heeft haar vader dit als eene verrassing dus beschikt! Misschien is het ook, dat de Duitsche professor zijn eigen klavier wil behouden.... Daar wordt de deur toevallig geopend.
„Zoo, Martha, kind!”—klinkt de stem van den Burgemeester—„wat zeg je er van? Is dat geene verrassing?”
„Die nieuwe piano?”
„Nieuwe! Zeg eenige, zeg onvergelijkelijke! Met veel moeite heb ik von Hohenburg overgehaald. Je weet wel, dat die van Schulz weinig deugt. Daar heb je er een van Laurent, een der beste fabrieken uit Parijs. Ik sprak er gisteren over met onzen professor, en vroeg hem raad voor een goed stuk—want je moet een door en door goede piano hebben, Martha! geen knoeiwerk! 't Was zeer moeilijk een wezenlijk goed instrument te verkrijgen—men moest er kenner voor zijn. Hij had voor deze ƒ800 gegeven—maar wilde haar voor geen ƒ900 weer missen! Eindelijk, nadat ik duidelijk te kennen gegeven had, dat ik hem zijn stuk benijdde, was hij edelmoedig genoeg het mij aan te bieden! Zonder winst natuurlijk voor ƒ800—maar het was een dienst. Wij zijn er uitstekend mee geholpen, en zie je, onze Duitsche vriend zal er niet over zwijgen in zijn vaderland, dat hij hier in Oosterwolde zoo goed is ontvangen en dat kan geen kwaad, kind!”
„En heeft meneer von Hohenburg nu geen klavier meer?”
„Je begrijpt, dat hij met zijne kennis spoediger een ander vindt dan wij. Hij zeide me dit zoo even nog confidentieel, toen ik in de Zon met hem afrekende!”
„En hoe komt de pianino hier zoo gauw?”
„Dit heb ik alles met mama maar in stilte geschikt, om ons feest van avond luisterrijker te maken en ook om je eens te verrassen, kind!”
Martha had de tranen van erkentelijkheid in de oogen. Zij omarmde haar goeden vader met een vroolijken blos. De Burgemeester legde met trots de hand op hare zijzachte glinsterende lokken, en gevoelde zich volkomen gelukkig.
Met luid lachende stemmen stormden nu de kleine Snijdersen in galagewaad binnen en hadden het ontzettend druk over de mooie piano, die Martha weldra voor hunne gauwe vingertjes moest sluiten. De drukke mevrouw Snijders kwam nu pratende aanhollen, en berichtte, dat de dominé en zijne vrouw al in de gang stonden. Zij was buitengewoon feestelijk gedost door eene menigte juweelen en had meer verdriet van haar struikerig en verwilderd kapsel, dan in gewone dagen. Na den predikant kwamen de meeste gasten en daaronder het grootste deel van het concertpubliek des vorigen avonds. Ook de Rector Warmenhuizen was natuurlijk gevraagd en gekomen. Hij had zich niet weder over den held van den dag uitgelaten—zijn gelaat droeg echter de sporen van ernstige bekommering, toen hij den Burgemeester begroette.
Professor Maximilian Brandt von Hohenburg maakt zijne opwachting bij de genadige vrouw „Burgemeesterin” en buigt voor al de heeren en dames met bevalligen zwier. Zijn kostuum verschilt niet veel van het concert-gala—zijn linnengoed en witte das zijn echter nog weidscher, er blinken meer ringen aan zijne vingers. Er is een oogenblik stilte in de feestzaal. De groote man weet zeer geschikt gebruik te maken van de algemeene aandacht op zijn persoon, om zijn gesteendrukt portret met loftuitend onderschrift den Burgemeester aan te bieden. 't Was eene belofte van den vorigen avond. Algemeene uitroepingen van bewondering deden aanstonds eene levendige beweging ontstaan. Had de Burgemeester geweten, dat hij de tweede was in zijne stad, die zulk een portret ontving, zijne geestdrift was wellicht minder groot geweest. De eerste begiftigde was Gesina van der Zwaag.... die toevallig op „meneers koamer” was verschenen, toen het geschenk voor den burgervader gereed werd gemaakt.
Intusschen bewezen de levendigste gesprekken, dat de algemeene stemming zeer vroolijk was. Een paar jongedames, dochters van den ontvanger, speelden op de nieuwe piano, wat wij nog niet anders gewoon zijn te noemen, dan een „quatre-mains.” Ieder sprak, de meisjes haastten zich aan het eind te komen, daarna volgde een beleefd, maar flauw handgeklap. Mejuffrouw Martha trad nu met een zangstuk op. Herr von Hohenburg accompagneerde zelf. Nieuwe uitroepingen van bewondering. De zwakke, doch lieve stem van Burgemeesters oudste dochter bezong de eeuwenheugende:
„Fleuve du Tage.”
Von Hohenburg improviseerde eene schitterende finale, en de geestdrift brak met onstuimigheid los. Thans werd de stemming voortdurend feestelijker. Stientje en de veldwachter, die nu als huisknecht optrad, brachten wijn en warme dranken. Ieder was voldaan. Misschien maakte de jonge Rector Warmenhuizen eene uitzondering. Hij hield zich uiterlijk zeer onbezorgd, maar volgde den Duitscher voortdurend met de oogen. In den loop van den avond trof hij de tweede dochter des huizes, die geene muziek maakte, maar aan alles dacht, 't welk hare bedrijvige en drukke moeder vergat, een oogenblik bijna alleen in de huiskamer.
„Luister, Mina!”—fluisterde hij snel.—„De zaak gaat verkeerd. Die kwakzalver strooit je beste ouders zand in de oogen, en is druk op weg je zuster 't hoofd op hol te brengen.”
„Stil, Herman! zeg het toch niet! Je zult onaangenaamheden krijgen. Ze gelooven je niet! Weet je al, dat vader die piano van den professor gekocht heeft voor ƒ800!”
„Dat 's knap van den kerel! Daar wint hij ƒ400 of ƒ500 mee! Maar ik kan het zoo niet langer aanzien....”
„Je kunt er niets aan doen, Herman! Vader heeft nog moeite gehad, om het ding voor dat geld te krijgen. Hij is in de wolken—en moeder in de wolken—en Martha in de wolken! Ons heele huis zweeft!”
„Boven den afgrond, misschien. Maar wees gerust, Mina! Wij zijn er ook met ons tweeën! Wij moeten handelen, melieve!”
„Maar wat te doen?”
„Wil je me één ding toestemmen, Mina?”
„Och, Herman! Je meent vader te spreken....”
„Juist! Beloof me dat eene! Als het mij gelukt dien zwendelaar te verjagen, mag ik dan tot belooning uw vader over onze liefde spreken!”
„Ik laat het aan je over, Herman!”
„Uitmuntend! Hier is mijne hand! Ik verklaar je met den meesten ernst, dat ik zeer spoedig met dien professor zal afrekenen.... nu je dit zegt!”
„Op welke manier?”
Het oorverdoovend handgeklap, 't welk een lied uit den Don Juan door Herr von Hohenburg beloonde, maakte des Rectors antwoord onverstaanbaar. De verschijning van eenige gasten belette de voortzetting van het gesprek.
Een half uur later greep er een ander gesprek plaats bij de pianino, 't welk eene geheel verschillende kleur droeg. De gasten woelden druk door elkander heen. Men maakte met onbekrompenheid gebruik van 's heeren Snijders voortreffelijken wijn. Ieder verdiepte zich met buurman of buurvrouw in een hoog opgeven over het uitstekend muzikale genot. Mejuffrouw Martha zou eene aria zoeken uit den Robert, en bladerde in een prachtig gebonden muziekboek. Herr von Hohenburg stond achter haar stoel en boog zich zoo nabij haar oor, dat zijn zwart haar hare blonde lokken aanroerde. Zij spraken Duitsch.
„Er komt een oogenblik in ons leven,”—zeide hij—„dat ons de oogen geopend worden. Het onbestemde, het nevelachtige ideaal onzer ziel wordt werkelijkheid! Toen ik het eerst dit vertrek binnentrad voor weinige dagen, zweefde mij maar eene onduidelijke voorstelling voor oogen, wat liefde was! Ik heb al dien tijd in een droom geleefd, toen is het licht geworden!”
Martha bedekte haar blos met het muziekboek. Ze ziet even op, haar voorhoofd raakt de lippen des sprekers, die zich schielijk opheft, en met den vinger op de muziek wijzend, vervolgt:
„De liefde is de waarachtige melodie van het leven, schooner dan al de melodiën van al de maestro's te zamen. Maar zij is een duet, waarbij de krachtige slag van het beminnend hart het tempo aangeeft. Mijn hart is allegro.... o Martha!”
Martha verstaat den knappen man, en lispt:
„Ik kan u niets antwoorden.... u heeft goed gesproken, Herr von....”
„Noem mij toch Max, mijn eenvoudige naam, waarmee mijne moeder mij riep! Dat klinkt mij zoo weemoedig en gemoedelijk in 't oor!”
„Ik mag dit niet, Max....”
„Waarom niet?”
„Binnen weinige dagen zul-je vertrekken, dan zie ik je nimmer weer, en je vergeet aanstonds het opgewonden gesprek van het onbeduidende landmeisje.”
De eenvoudige Max bracht zijn hoofd weder aan haar oor, en fluisterde:
„Ik vergeet u nooit! Ik heb niemand lief dan u alleen! Maar u.... Martha?”
Martha boog het hoofd en scheen een moeielijke maat op het muziekblad te ontcijferen. Snel zag zij daarna op en verzekerde met dien blik alles, wat de professor durfde te droomen.
„Ik vertrek niet uit deze stad. Ik blijf, Martha! Mijn besluit staat vast. Wij kunnen nu niet langer fluisteren. Die lange jongen, dien je Rector noemt, bespiedt ons. Kan ik u morgen tien minuten zonder getuigen spreken?”
„Kom om tien uren hier, dan is papa op zijn bureau, en mama nog niet klaar! Je maakt een bezoek, eenvoudig! Niemand kan er iets op aanmerken!”
VI.
Hier eindigt de geschiedenis van mijnheer Apollo, den wonderbare, tot verbazing van alle Beötiërs.
Des morgens na de soirée bij den Burgemeester waren er verschillende personen in het stedeke Oosterwolde, die min of meer de naweeën van twee feestavonden begonnen te ondervinden. De dochters van den ontvanger vonden, dat Burgemeesters Martha wel wat al te vrij met dien voornamen heer omsprong, en de ontvanger vond, dat het aankoopen van zoo'n duur stuk wel wat al te kwistig was. In de Zon was de stemming niet zeer vroolijk. De kasteleines had vreeselijk tegen Géésien uitgevaren, dat kind wist niet meer wat ze deed, alles liep in de war, ze bleef soms een kwartier weg, als meneer boven schelde. Ze mocht niet meer naar boven, Hillegien zou het wel waarnemen, en na dat oogenblik zwierf Géésien met rood beschreide oogen door de „jachtweide.” Bij de Snijdersen was tevens zekere afgematheid waar te nemen. Mevrouw had hoofdpijn, en hield hare kamer. Meneer had zijne bezigheden der twee vorige dagen nog af te doen, en mocht niet gestoord worden in zijn bureel. Mina zweeg, en scheen bekommerd, alleen Martha was opgewekt en in een keurig morgengewaad aan 't lezen gegaan.
Groote bedrijvigheid heerschte er bij den Rector. Omstreeks negen uren had de post hem een drietal zeer belangrijke brieven gebracht. 't Was gelukkig Zaterdag en dan had hij geene lessen. Ontbijten en zich klaarmaken was zeer spoedig gedaan. Maar de Burgemeester kon hem nog niet ontvangen, meneer werd verzocht over een uur terug te komen. Warmenhuizen schikte zich in dezen tegenspoed en begaf zich naar de Zon, waar hij met de weduwe van der Zwaag een zeer lang en gewichtig gesprek had, terwijl de beide dochters van tijd tot tijd werden geroepen en geraadpleegd.
Juist had het tien uren geslagen, toen Stientje aan den Burgemeester kwam zeggen, dat de „vremde heer van guster oavend in de veurkoamer was.” Niemand was gereed om hem te ontvangen, dan alleen Martha. Mina zou vader en moeder waarschuwen, Martha zou hem wel zoolang aan den praat houden. Toen zij de deur van de pronkkamer achter zich sloot, gevoelde Martha eene hevige hartklopping. Maximiliaan kwam met snelle schreden haar verwelkomen. Zij wist er zich geen rekenschap van te geven, maar zij rustte weldra aan de elegante borst van den knappen vreemdeling, terwijl stilzwijgend eene lange, vurige omhelzing volgde. Maar Martha ontwaakte, en hoog blozend zette ze zich in een armstoel neder. Herr von Hohenburg volgde haar met hoffelijke onderdanigheid, en knielde aan hare voeten.
„Wat is de tijd mij lang gevallen, mijne dierbare engel!”—fluisterde Max in zijn fraaiste Duitsch.—„Ik had den heelen nacht geen rust! Allerlei treurige gedachten deden mij waken! Een vreeselijke angst, dat dit heerlijke geluk mij weldra zou ontstolen worden, maakte mij kinderachtig week en bang!”
„Maar waarom”—antwoordde Martha, die haar hoofd aan zijn schouder vlijde en zijn arm om haar leest gevoelde.
„Ach, denk eens, Martha mijne! Uwe ouders zullen immers nooit toestemmen in onze vereeniging? Ik ben een vreemdeling, mijne roeping is in mijn vaderland. Ik moet eenmaal naar Duitschland terugkeeren, en jij zelve, zul-je ouders en zusters vaarwel kunnen zeggen om mij te volgen?”
Martha antwoordde niet. Allerlei aandoeningen overstelpten haar. Haar hart klopte heviger. Max raakte eerbiedig aan hare gulden lokken en drukte ze daarna vol hartstocht aan zijne lippen. Twee dikke tranen biggelden over Martha's bleeke wang.
„Je spreekt niet!”—vleide de Duitscher verder.—„Ik heb een stout, een gevaarlijk plan! Liefde is sterker dan de dood. Liefde trotseert alles! Uwe ouders zullen ons dwarsboomen! Maar wij moeten overwinnen! Martha! je zult mij volgen immers, waar ik ga? Welnu, hedenavond met het vallen van de duisternis zal een rijtuig klaar staan even buiten de stad bij het logement: de Posthoorn. Als je dan komt, zal niemand ons meer scheiden!”
Martha hief zich plotseling van haar stoel op.
„Neen”—snikte ze,—„mijne lieve ouders bedriegen.....”
Doch Max trok haar opnieuw tegen de blauwe zijden das met diamanten speld en overdekte haar voorhoofd met zachte kussen.
„Heb ik je dan kwalijk verstaan, melieve? Heb je mij geen liefde beloofd?”
Martha zag met de oogen vol tranen naar den knappen spreker, en sloeg toen plotseling de armen om zijn hals, onstuimig snikkende....
Daar wordt de deur der kamer heftig geopend. De Rector Warmenhuizen en de Burgemeester Snijders treden ijlings binnen. Met bliksemsnelheid heeft Martha zich in den armstoel doen zinken. Herr von Hohenburg heeft een album met platen ter hand genomen. 't Was te laat. Hij was verrast en betrapt. De beide heeren bleven een oogenblik verbijsterd staan, toen trad de jonge Rector vastberaden naar de tafel.
„Herr Heinrich Brandt, ik zoek u!”—sprak hij met een kalme stem.—„De commissaris van politie te Zwolle vraagt mij om uw adres!”
De man, die nu Heinrich Brandt genoemd werd, scheen plotseling van gedaante te verwisselen. 't Was of hij kleiner werd. Hij greep zijn hoed van 't tapijt en zag met een boosaardigen glimlach naar de deur. Daarna zeide hij tot den Rector met schorre stem:
„Ik versta u niet! Ik heb niets met u te maken!”
„Maar wel met mij, vervloekte schurk!”—viel Mr. Willem Snijders in.—„Valsche oplichter! Weet je wel, dat je in mijne macht bent! Dat je geen professor, geen directeur en wat nog al meer zijt, dat je met valsche ridderkruisen pronkt....”
Heinrich Brandt knoopte zijn pels toe.
„Dat je onder een valschen naam reist, schoft! Dat je te Zwolle en te Kampen dit spel evenzoo hebt beproefd! Dat je den notaris van Leek eene oude pianino voor ƒ700 hebt verkocht, zooals je mij bedrogen hebt met dat vod, valsche reiziger in oude pianino's! Had de Rector mij niet gewaarschuwd, God weet, welke schande nog over mijn huis zou gekomen zijn. Maar ik ben Officier van Justitie en ik zal je schadeloos maken!”
„Ach Jesus Maria! Das sollte mein Verderben sein!”
Heinrich Brandt prevelde deze woorden met trillende lippen. Doch de jonge Rector had een medelijdend oog geslagen op Martha, die wezenloos naar den grond bleef staren, en viel op strengen toon in:
„Ik heb nog iets aan onzen reiziger in oude pianino's te zeggen. Hij is niet alleen een beurzensnijder, hij is ook een vrouwenbederver. In de Zon, waar alles vroeger vrede en vroolijkheid ademde, is nu groote verslagenheid. Hij heeft vrouw van der Zwaags mooiste dochter het hof gemaakt, op zijne kamer gelokt, zijn portret geschonken, het arme kind het hoofd op hol gebracht....”
„Nicht weiter!”—viel de verslagen Duitscher in.—„Das Gretchen hat nichts Böses erfahren!”
„Ik hoop, dat je niet liegt....”
De Rector zweeg. Martha was doodsbleek opgestaan, had zich bevende aan haar vader vastgeklemd, en toen plotseling zulk een kreet van diepe ellende en smart uitgegild, dat ieder de oogen naar haar heenwendde. De Burgemeester weende in stilte, en hief haar liefderijk op. Door de openstaande deur vlogen nu mevrouw Snijders en Mina binnen. Niemand sprak. Het zachte snikken der bedrogen jonkvrouw klonk alleen in het vertrek.
„Waar is de schoft?”—riep plotseling de Burgemeester.
Allen zagen op. De pseudo-professor was verdwenen. Zeer stil had hij zich uit de voeten gemaakt. De jonge Rector fluisterde den Burgemeester iets in, 't welk deze aanstonds toestemde.
Te twaalf uren bij de koffie waren de Snijdersen al wat hersteld van den schok. Martha's gezichtje was treurig bleek, maar zij sloeg de oogen toch op. Hare natuurlijke trots begon reeds te zegepralen over eene al te onvoorzichtige gevoeligheid. Dr. Herman Warmenhuizen deed een uitvoerig verhaal van zijne handelingen. Hij had aanstonds achterdocht gevoeld, toen hij den schitterenden vreemdeling had zien verschijnen. Hij had naar twintig verschillende plaatsen aan vrienden en bekenden geschreven en gelukkig, dat althans een drietal hem had geantwoord. Hij oordeelde het beter de zaak te laten rusten, voor de eer der familie. De menschen in Oosterwolde zouden er toch genoeg van spreken, al hield men alles nog zoo geheim.
„Ja, Rector!”—antwoordde de Burgemeester.—„Ik ben je veel verplicht, maar gelukkig weet ik een middel, om je mijne dankbaarheid te toonen. Is het niet zoo, Mina?”
De jongelieden lachten en waren onhandig verheugd, want de stille verloving van beiden was een soort van openbaar geheim in de familie.
Martha verliet stil het vertrek.
„Eene voorwaarde maak ik er bij,”—zei mevrouw Snijders.—„Jelui hebt de zaak al zoo lang geheim gehouden, laat het nu niet bekend worden voor het volgend voorjaar. 't Is om onze Martha. Overmorgen gaat ze naar Leeuwarden, om er een prettigen winter bij eene vriendin door te brengen. Daarna zal alles wel vergeten zijn!”
„Mijn brave Herman wil juist wat moeder wil!”—zei Mina blozend, en legde zachtjes hare hand in de zijne.
Des avonds te acht uren van dezen gedenkwaardigen dag trok meneer Ex-Apollo over de Pruisische grenzen.