INHOUD.
Reading edition
Bladz.
Voorrede V–XII
HOOFDSTUK I.
De verbreiding van den Islâm. Inzonderheid in den Oost-Indischen Archipel.
De Islâm kwam eerst na volledige ontwikkeling van zijn stelsel in den Archipel 1
Karakter van Mohammeds godsdienst 2
Beteekenis der Hidjrah 3
Gewelddadige islamiseering van Arabië 4
De Islâm wil de geheele wereld aan zich onderwerpen 4
Noch missionaire arbeid noch economische oorzaken bewerkten de macht van den Islâm 5
De godsdienstige factor gaf den stoot en geweld was het voorname middel 7
Het systeem van den Islâm getuigt hiervan 7
Gebied van den Islâm en gebied van den oorlog 8
Nederlandsch-Indië gebied van den Islâm 8
De heilige oorlog 9
De leer van den heiligen oorlog berust niet op misverstand 9
De schriftgeleerden en de volksmassa zijn het hierover eens 11
De andere opvatting is ver in de minderheid 12
Geweld als bekeeringsmiddel in het Christendom en in den Islâm 12
Zachtere methoden van bekeering worden ook toegepast 13
De bekeering uiterst gemakkelijk gemaakt 14
Geene priesterschap noch geordende heidenmissie 15
Leekenpropaganda 15
Moslimsche propaganda vergeleken met Christelijke 16
Aan de geestelijke opvoeding van de massa der Moslims is weinig gedaan 17
Het oude heidendom blijft overal voor een goed deel de cultuur beheerschen 18
In Oost-Indië drong de Islâm vreedzaam binnen 19
De verbreiders kan men niet met Christelijke zendelingen vergelijken 19
De Regeering bevordert de propaganda als Zij Mohammedaansche ambtenaren in heidensche streken invoert 20
Eenmaal gevestigd, breidde de Islâm zich ook in Oost-Indië gewelddadig uit 21
De eerste invoerders waren Indiërs; Arabische invloed begon pas later te werken 21
Samenvatting 22
Het leven overal in slechts geringe mate naar het stelsel hervormd 23
De graad van het in de autoriteiten van den Islâm gestelde vertrouwen beste maatstaf voor de Moslimsche belijdenis 23
De graad van bekendheid met leer en wet vormt geenen maatstaf 24
De Regeering kan Hare taak geheel vervullen zonder schending der godsdienstvrijheid 25
HOOFDSTUK II.
Kenschetsing van het stelsel van den Islâm.
Aanpassing van den Islâm aan de cultuur der door hem veroverde volken 26
De vreemde elementen met behulp van fictie bij de voorschriften van den Profeet ingelijfd 27
De leer van de onfeilbaarheid der Moslimsche gemeente 28
Belangrijke ontwikkeling van het stelsel na de derde eeuw der Hidjrah zoo goed als uitgesloten 28
Het stelsel spitst zich in geloofsleer en wet 30
De dogmatiek na hare vaststelling van ondergeschikt belang voor de practijk 31
Alleen enkele eschatologische voorstellingen verwekken soms beroering 31
Het staatsgezag en de uitlegging der wet bleven niet lang in ééne hand 32
De wet theoretisch erkend, practisch veelszins terzijde gesteld 33
Onderscheid in waardeering van de verschillende deelen der wet 33
De zuiver godsdienstige bestanddeelen 34
Voor de practijk weinig beduidende bestanddeelen 34
Bepalingen, die als moreele voorschriften werken 35
Ontduiking van voorschriften bewijst niet, dat zij kracht van wet hadden 36
Werkelijk geldende hoofdstukken der wet 37
Personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht 37
Vrome stichtingen 38
Geloften 39
Voorschriften over de rechtspraak 39
Bepalingen over de verhouding tot niet-Mohammedanen 40
De ontwikkelingsgeschiedenis der wet verzet zich tegen codificatie 40
Qoerân en Soennah 41
Losmaking der wet van hare bronnen 42
De onfeilbare gemeente heeft geen vast orgaan 42
Poging tot codificatie in Algerië 43
De adviezen zijn minder gunstig dan zij schijnen 44
Ten onrechte beroept men zich op voorgangers 45
Codificatie onder niet-Mohammedaansche leiding bovendien verdacht 46
De toepassing der wet volgt methoden, die van de Westersche afwijken 46
Sommige Fransche adviseurs achten codificatie daarenboven ongewenscht 47
Ook in Nederlandsch-Indië werd de wensch naar codificatie vernomen 47
Bij de overige bedenkingen komen nog gemoedsbezwaren 48
Codificatie zou den invloed van volksrecht verminderen 49
Beteekenis der mystiek in den Islâm 49
Hervorming van het stelsel is van de mystiek niet te verwachten 50
De mystieke broederschappen 51
HOOFDSTUK III.
De Nederlandsche Koloniale Regeering en het stelsel van den Islâm.
De Nederlandsche Regeering kan niet buiten Islâmpolitiek 53
Jegens het dogma en de zuivere godsdienstige voorschriften der wet moet zij neutraal zijn 54
Ook ten aanzien der bedevaart zou belemmerend ingrijpen onverstandig zijn 56
Politieke beteekenis van den hadj 58
Economische gevolgen van den hadj 59
Het huwelijks-, familie-, personen- en erfrecht van den Islâm eischt eerbiediging 59
De Regeering houde echter den weg ter evolutie wijd open 61
Codificatie derhalve ongewenscht 62
De instelling der priesterraden op Java en Madoera was eene fout 62
Bemoeienis der Regeering met zulke onderwerpen principieel gewenscht 63
Moskeefondsen 63
Mohammedaansche huwelijken; godsdienstonderwijs 64
Hoe de rechtspraak der priesterraden te verbeteren 65
Waarom wij de aandacht vooral bij Java en Madoera bepalen 66
Uit staatkundig oogpunt belangrijke bestanddeelen 67
De chalief bestuurder der Mohammedanen, geen kerkvorst 68
Geen vorm van panislamisme aannemelijk voor eene Europeesche mogendheid met Mohammedaansche onderdanen 69
Vrijheid van godsdienst voor Mohammedaansche onderdanen met afwijzing van elke vreemde inmenging 70
Wie de geestelijke leidslieden der Indonesische Moslims waren 71
Bestrijding der kunstmatige verlevendiging van eschatologische verwachtingen 72
Vermijding van al hetgeen naar inbreuk op de godsdienstvrijheid zweemt 72
Ongunstige beoordeeling der Nederlandsche Islâmpolitiek in de panislamitische pers 73
Klachten der in Oost-Indië gevestigde Arabieren 74
Ongunstig oordeel van sommige zendingsvrienden over de Islâmpolitiek der Regeering 75
Slotsom 76
HOOFDSTUK IV.
Nederland en zijne Mohammedanen.
De dusver bereikte slotsom leidt niet tot positieve resultaten 78
Opvoeding en onderwijs zijn in staat, de Moslims van het Islâmstelsel te emancipeeren 79
Gunstige voorwaarden voor de werking dier middelen in Oost-Indië, vooral op Java 80
Gebrek aan krachtige leiding van den gunstigen stroom 80
Voorbeelden van betreurenswaardige onbeslistheid 81
In associatie der Inlanders aan onze cultuur ligt de oplossing der Islâmquastie 83
De openbare meening in Nederland behoort in die richting krachtig te spreken 83
De eenigen, die blijk geven het te beseffen, zijn de zendingsvrienden 84
De Moslimsche Inlanders wenschen wel politieke en nationale, geen religieuze associatie 85
Hoe ver kan de associatie gaan? 85
Bezwaar tegen gesubsidieerde Christelijke scholen met gedwongen deelneming aan het godsdienstonderwijs 87
Ons onderwijs en onze opvoeding moeten vooreerst de hoogere klassen der Inlandsche maatschappij in het oog vatten 89
De onlangs opgerichte desascholen 90
Studie van begaafde Inlanders in Nederland 91
Europeesch onderwijs voor Inlanders, die tehuis blijven 91
Opvoeding buiten de school 92
De zending zou hiertoe kunnen medewerken 92
De Inlandsche vrouw en hare opvoeding 93
Aan hooger ontwikkelde Inlanders moet een belangrijk aandeel in den staatsdienst verzekerd worden 94
Kleinmoedige bezwaren tegen de associatie 95
Stuiting der beweging niet mogelijk 96
Samenvatting onzer beschouwingen 96
De associatie der Inlandsche maatschappij aan onze cultuur ontneemt aan het panislamisme alle kracht 99
Andere heilzame gevolgen der associatie 100
Weerlegging der bezwaren tegen nationale associatie 100
HOOFDSTUK V.
Duitschland en de heilige oorlog.
De godsdienstvrijheid volgens Turksche intellectueelen 102
Contrast dier meening met de wet van den Islâm 103
De grondslagen van het program van den heiligen oorlog 104
Middeleeuwsch karakter van dat program 105
Wijziging der beschouwing onder vreemden invloed 106
Chalifaat en Djihâd 108
Het chalifaat der Turksche soeltans 109
Beteekenis van den chaliefentitel voor de Osmanen 110
Panislamitisch streven van Abdoelhamied 111
Geene organisatie van het panislamisme 112
De chalief geen kerkvorst 113
De Turksche omwenteling en het panislamisme 113
Djihâd en heilige oorlog 115
Duitsche vlugschriften over de houding van Turkije. Hugo Grothe 116
Misverstand bij Grothe 116
Betrekkingen tusschen Duitschland en Turkije 117
Duitschland de redder van Turkije 118
De door Grothe gewenschte Djihâd 119
De fetwa over den heiligen oorlog 120
Het manifest van den Soeltan 122
De groote demonstratie 122
Becker’s voorstelling der zaak 123
De aard der Duitsche vriendschap voor Turkije 125
Duitschland en zijne Mohammedanen in Afrika. 126
De thans door Duitschland gewenschte verhouding komt neer op het protectoraat over Turkije 127
Duitsche oordeelen over Turkije en den Islâm voorheen en thans: Marquart, Hartman, Becker 128
Becker’s recente wijziging van inzicht. Bezoeken van Keizer Wilhelm aan Turkije 131
De rede op het graf van Saladijn 132
Oorzaak der poging van Duitschland tot wederopwekking van Moslimsch fanatisme 134
Nederlandsch-Indië en de heilige oorlog 136