Note 1 — OVER VRYEN-ARBEID IN NEDERLANDSCH INDIE.
Reading edition
Ik had meer recht op wat lofs over m’n zwygen. Ik zeg dit in vollen ernst. In veel geschryfs is veel dwaasheid. ’t Is lichter honderd boekdeelen te vullen, dan de aandoeningen die honderd boekdeelen vullen zouden, te bewaren tot het juiste oogenblik, of—zoo noodig—ze te smoren tot er de dood na volgt. Hebt ge wel eens overwogen, lezer, hoeveel geestkracht er noodig was voor my, om niet optetreden voor m’n veertigste jaar? Ge kunt nagenoeg weten hoe ik menschen en zaken beschouw. Ge kunt weten “dat ik het leven niet ben doorgegaan zonder de indrukken optevangen die ’t my aanbood.”1 Welnu, ik heb deze indrukken opgezameld voor myzelf, voor m’n allernaaste omgeving, vreezende dat ze niet ryp waren, dat ik morgen zou moeten terugnemen wat ik heden gaf, dat er gebrek aan harmonie wezen zou tusschen jeugd, mannelyken leeftyd en ouderdom. In één woord: Ik heb gespaard, en waarmede ik vrygevig moge geweest zyn of verkwistend, met m’n denkbeelden was ik nooit verkwistend of vrygevig.