← Table of contents
Mijnheer Snepvangers

HOOFDSTUK II

Reading edition

LIEFDE EN ANDERE ONRUSTIGHEID.

De familie Snepvangers woonde weer in de stad. Het renteniershuisje in de Hobokenstraat was kraakzindelijk. Het geveltje, frisch in de verf, was versierd met kolommetjes en grillig loofwerk, op het balcon prijkte een lange vlaggestok en op de witgeschilderde deur blonk de geelkoperen naamplaat. Binnen hielden Madame, Marieken en de werkvrouw met dagelijksche zorg alles helder aan kant en vrij van stof. In de achterkamer stond de piano, in de veranda, die als huiskamer diende, kefte een zwart spitsken, het salonneken aan de straat werd slechts voor vreemden geopend.

Het tuintje, een voorschoot groot, bood Snepvangers en zijn dochter gelegenheid tot tuinieren. Het geurde en fleurde er met bonte bloemen en riekende kruiden, terwijl een sappige wijngaard zijn ranken schoot onder het glazen afdak.

's Morgens vroeg stond Snepvangers op den drempel der woning zijn pijp te rooken, liet het hondje zijn ochtendwandeling doen; wanneer de melkboer kwam, nam hij het pannetje aan, trok dan aan de huisbel om Madame en Marieken te wekken. De dames kwamen gekleed beneden, want na het ontbijt ging Madame in de buurt winkelen en speelde Marieken piano, terwijl de werkvrouw den boel in orde bracht.

Snepvangers knutselde in het tuintje, las andermaal de gazet van den vorigen avond, kleedde zich dan voor de wandeling. Zijn barometer gunde hij geen blik meer, in de stad was dat overbodig, en daarbij nam hij, uit louter voorzorg, haast altijd zijn zijden regenscherm mee. Elken dag had hij zijn afwisselende stamlokalen waar hij een pintje of een borreltje dronk en over de stadsnieuwsjes en het weer redekavelde. In de buurt bezocht hij "De Koning van Spanje", "Het Zwart Paard", "De Paardenwei", "Sint-Jacob", "De drij Kauwkens", verder in de oude stad "De Klok", "Het Gulick", "Het Koningsken", "Het Nachtlicht", "De Boer van Tienen", "De Wildeman", "Het Schuttershof", "De Oude Sint-Jan", "De Gouden Kroon", De Kolkoensche Haan", "De Zeven Provinciën". In de week dronk hij garsten, 's Zondags, in de buurt van het station, verkoos hij uitheemsche bieren.

Klokslag één was hij thuis voor het middagmaal, ving dan een uiltje, ging daarna naar de roepzaal, waar hij, bij gelegenheid, nog een paar centen verdiende, trof er zijn vriend aan, den verdierenpikker. Samen keuvelden zij dan over eigendommen, gronden en centjes verdienen. Rond acht uur kwam hij voor het avondmaal. Madame vertelde van menschen die zij ontmoet had, van koopjes en buurtnieuws, Marieken verslond de feuilleton en zalig genoot Snepvangers. Later las hij de gazet, terwijl zijn vrouw kousen stopte en Marieken weer piano speelde. Op Vrijdag en Zaterdag gingen de vrouwen niet op boodschappen uit, er werd gekuischt en geboend en Snepvangers ging, na het avondmaal, kaarten in "De Klok."

Maar de Zondag werd, naar ouden trant, bijzonder gevierd. De familie trok de beste kleeren aan en 't was vette keuken. De schrale Madame in haar ruischende zijde stapte links van haar dikken echtgenoot naar de kerk. Op zijn buikje bengelde de zwaar gouden ketting en zijn zijden hoed stond achterover in den nek. Zijn hoogroode, gladgeschoren tronie glom van zelfvoldaanheid. Marieken, naar de mode gekleed, ging aan zijn rechterkant, in stille bewondering voor haar papa. Hij was zoo'n tegenstelling van mama, hij was een klein vetzakje, een joviaal rentenierken, dat veel menschen kende en groette. Doch zij geleek veel aan mama, was sprietmager, hetgeen haar ergerde en soms verbitterde.

Na de hoogmis wandelden zij naar de bloemenmarkt op de Groenplaats, zagen het volk uit Onze-Lieve-Vrouwekerk door de spitskar trekken, volgden mee, langs de Schoenmarkt en de Meir, door de Leysstraat, naar de De Keyserlei. Daar dronk men ergens een pot Münchener, waarbij Mijnheer de bekenden groette en de dames critiek uitoefenden over kleeding en menschen. Na deze eerzame en onschuldige uitspanning ging men eten, wat dutten, trok dan weer op wandeling, kwam thuis om te avondmalen, keerde opnieuw om te luisteren naar het concert in den Dierentuin of bezocht men de feesten en vertooningen in den Burgerskring, waar de vrouwenrollen ook door mannen werden vervuld.

Aan deze ordelievende, deftige levenswijze brachten de seizoenen met wind en regen soms lichte afwijkingen, zoodat de dames thuis bleven, geen onderhoudende en opwekkende critiek konden voeren, en Mijnheer alleen zijn stamlokalen bezocht.

Het leven was schoon in zijn effen uitzicht, zonder ontroering, zonder slag of gebeurtenis. Alleen Marieken had vlagen van droefgeestigheid, wanneer zij dacht aan getrouwde vriendinnen. Dan was zij onhandelbaar, had scherpe woorden. Mijnheer zorgde dan dat het hondje niet onder de voeten liep. Madame peinsde, terwijl zij de dampende potten in de keuken bestaarde, aan de kennissen die als schoonzoon welkom hadden kunnen zijn. Marieken ging naar de dertig.

Zekeren avond in de lente had het echtpaar een belangrijk gesprek in de slaapkamer.

—Marieken heeft weer leelijk haar kuren!

—Ja, mama, bevestigde Snepvangers bekommerd.

—Snepvangers, zei Madame besloten, ik heb er lang over nagedacht ... Marieken moet trouwen.

—Ja, mama, gaf hij onderdanig toe, maar met wie?

—Dat weet ik juist niet, zuchtte zij: wij moeten uitzien naar 'n treffelijken burgersjongen!

—Ja!

—Gij kent zooveel menschen....

—Ja!

—Ik zal mijn best doen, beloofde Snepvangers, terwijl hij in de echtkoets stapte.

—Hij nam den verdierenpikker in zijn vertrouwen, die de zaak niet te zwaartillend onderzocht. De beste koeikens zoekt men op stal, maar toch moeten de liefhebbers ze weten staan. Hij zou eens rondzien, maar nu had hij Snepvangers over iets gewichtigs te onderhouden.

—'t Is geen politiek en toch politiek, Snepvangers.... Tegenwoordig is alles politiek om de kiezers te lokken en stemmen te winnen. Katholiek en liberaal, uit schrik voor de socialisten, houden het werkvolk tot vriend... alles voor den werkman, en de burgers worden vergeten.... Dat kan niet blijven duren, dat mag niet? Wij willen het hekken aan den ouden stijl houden, de belangen der neringdoenden behartigen....

—Wie zijn wij?

—Wij? De bond der neringdoenden!... Wij willen ons woordje te zeggen hebben in het Bestuur.... Wij zijn onpartijdig in ons belang, liberaal en katholiek en democraat kan meedoen wanneer zij het goed meenen met de belangen der kleine burgers en neringdoenden! Wij strijden tegen cooperatieven en naamlooze maatschappijen, willen de nering bevorderen, ons beschermen door goede wetten.... Recht door zee, willen wij; de neringdoenden zijn den politieken winkel beu.... En nu vraag ik u of ge meedoet.... Ge zijt een onafhankelijk man, een rentenier, en zoo'n mannen hebben wij noodig, wij, handelaars, wij, ambachtslieden en eigenaars!

—Ik heb me nooit met politiek bemoeid, opperde Snepvangers, ik ben van den ouden eed en ga naar de kerk.

—Dat is geen beletsel.... Wij zijn met veel goede katholieken, maar wij vergeten ons belang niet.... Het is geen geuzenbond, maar eene vereeniging om onze stoffelijke—ja stoffelijke, dat is het woord van den President—belangen te verdedigen.

—Zijt gij reeds lang lid?

—Ik? Een paar weken, maar op de vergadering werd het zoo klaar uiteengezet. Er zijn knappe bollen bij, mannen die het goed kunnen zeggen, en 't staat allemaal in de gazet De Noodkreet. Ik heb seffens aan u gedacht!... Dat was nu iets voor Snepvangers, iemand die zelf affaire heeft gedaan, bij een notaris gewoond heeft en dus al de knepen kent, onafhankelijk is! Den President heb ik over u gesproken en hij vond dat wij mannen van uwen aard noodig hebben voor den gemeenteraad en voor den provincieraad!...

—Hm! Te veel eer; ik ben maar 'n simpele burger, geen advokaat, meende de gevleide Snepvangers.

—Wij willen juist geen advokaten, maar mannen van ons... geen praatjesmakers, maar mannen waarop wij rekenen kunnen.

—Lid wil ik wel worden... maar de rest blijft onder ons... ik kan dat niet aannemen, ik houd van de rust, ik houd veel van de rust... dat moeten jonge mannen doen, die van den spanaard gesneden zijn.

—Snepvangers, ik bedank u namens den Bond voor uwe bijtreding, die wij hoogschatten, zei de verdierenpikker langzaam en plechtig, laat er ons nog een pint op drinken; maar één ding zeg ik u: met snotters en tafelspringers zijn wij niet gediend, wij willen ernstige mannen!

Na dit vekwikkelijk gesprek keerde Snepvangers mijmerend huiswaarts. Geheimzinnig hmde hij aan tafel, liet soms zijn vork zakken om zich even in zijn toekomstdroomen te verdiepen.

—Papa, wat scheelt er toch? ondervroeg Marieken, wier kuur weer voorbij was.

—Och, kind!

—Awel ja, Snepvangers, ge doet zoo vreemd, wat is er gebeurd?

—Och, mama, nu willen ze mij met alle geweld naar den gemeenteraad zenden!

—Zijt ge zot, Snepvangers? Daar zenden ze andere kleppers, die daar iets kunnen vertellen!

—Dat weet ik niet, mama; ik ben onafhankelijk, ik ken veel menschen, ik ben zoo geen wauwelaar van een advocaat, maar ik heb veel ondervinding en er zetelen er anderen dan Snepvangers.... De neringdoenden willen mij absoluut, verklaarde hij behagelijk.

—Och Papa dat zal aardig zijn als ze bij u komen bellen voor plaatskens op 't stadhuis, en als we gevraagd worden op de feestjes...

—Ja, maar zoo ver zijn we nog niet!

—Pas maar goed op, de politiek kost centen en ik geloof daar nog niks van dien gemeenteraad, waarschuwde Madame.

—Och ik weet nog niet of ik aannemen zal!

—Maar Papa toch!

—Ja, als ik den Bond en de President daarmee een plezier kan doen, en als de leden er dan erg aan houden, dan zal ik mij nog eens bedenken...

Van dat oogenblik af werd het leven voor Snepvangers vol belangrijke vraagstukken en tijdroovende bezigheden. Madame kon alleen over de kuren van haar dochter nadenken en het heilmiddel opsporen. Spoedig was hij zijn propagandavocabulaar meester, en met den verdierenpikker was hij een ijverig ronselaar voor nieuwe partijgenooten. Menigmaal gebeurde het nu dat de zachtmoedige, vredelievende Snepvangers in geweldige herbergtwisten gemengd werd. Drukker bezocht hij zijn herbergen en wanneer hij dan, een beetje zwaar van bier, rook en welsprekendheid naar huis toog, kwam soms wel zijn rustig gemoed in opstand, doch telkens dacht hij aan den gemeenteraad.

Om in breederen kring de aandacht op "zijnen" Bond te vestigen liet hij zich als eerelid opnemen in de onpartijdige fanfarenmaatschappij "De Broedermin". Een paar dagen later werd hij eerevoorzitter van een Vogelpikvereeniging in de buurt "De Lustige Pikkers" en van de tonmaatschappij "De Moedige Spelers", nam het voorzitterschap aan van "De Gezworen Spaarders", liet zich afgevaardigde kiezen van een duivenkring in het "Algemeen Verbond" en ondervoorzitter der liefdadige vereeniging "Nood baart Troost".

Dat kostte slechts pinten, goede woorden en centen. De uitslag was schitterend. Madame, die niet erg ingenomen was met de nieuwe levensinrichting, werd overbluft en stormenderhand gewonnen.

Bij fakkellicht werd het nieuwe eerelid door zijn fanfare een serenade gebracht, en afgevaardigden van de verschillende vereenigingen, hiertoe door den verdierenpikker aangezet, brachten complimenten en bloemen. Madame was ontroerd door het onverwachte.

Marieken gloeide van trots en Snepvangers stond met milde eenvoudigheid te genieten van dit voorsmaakje der toekomstige glorie. Hij trakteerde op wijn de afgevaardigden die zich in het salon en de eetkamer verdrongen, liet de muzikanten in de kroegen der buurt drinken op zijn kosten. Redevoeringen prezen zijne liefdadigheid, zijn zin voor kunst en muziek, zijn burgerdeugd en zijn liefde tot het volk, zijn vaderschap en zijn goedheid.

Tegen zooveel beeldsprakige ophemeling voelde hij zich niet bestand, het verteederde hem en hij geloofde in zijn eigenwaarde. Hij gaf een wenk aan den President van den Bond en aan den verdierenpikker die de glazen volschonk als trouwe regisseur van het spel.

"Mijne heeren, zei hij, het glas beeft mij in de hand bij zooveel sympathie die mij betuigd is geworden... Ik kan het niet zoo met stadhuiswoorden zeggen, maar 't komt uit mijn hart, onze stad heeft onafhankelijke mannen noodig om te strijden tegen bazars en cooperatieven, tegen Tietz en bakkerijen die het brood stelen uit den mond van den neringdoende!...

"Ik verklaar volmondig fier te zijn als lid van den Bond der neringdoenden waarvan de President mij de eer aandoet aanwezig te zijn op deze betooging die niet mij, maar onze heilige princiepen treft... Dank, vrienden, dank... 't Is een steun in den strijd die mij zal aanzetten om nog meer te vechten... Ik bedank u allemaal uit den grond van mijn hart, vooral den vriend die ik jaren ken en die mij den weg gewezen heeft naar den Bond!... Mijne heeren, nog eens op de gezondheid. Leve de neringdoenden! Leve de burgerij."

Uitbundig werd hij toegejuicht tot buiten de Brabançonne weerklonk.

—Hij heeft het goed gelapt, fluisterde de President tot den verdierenpikker, 't is een schoone propaganda-avond. Toen in de verte de muziek wegstierf en het rumoer in de straat opgehouden had, zat de familie nog, stil van opgetogenheid, te luisteren onder het gaslicht. Madame kloeg niet eens over het bevuild tapijt noch over den mildgeschonken wijn. Marieken kwam het eerst tot de werkelijkheid terug, draaide de overbodige lichten uit, nam de glazen weg.

—Wij moeten den President onze klandisie gunnen, oordeelde Madame.

—Ja Papa, steunde Marieken.

—Maar wij hebben niks noodig, de dakgoten zijn in orde!...

—Wij moesten een bad koopen, een bad hebben al de rijke menschen.

—Een bad?

—Een bad, herhaalde ook de verbaasde Madame, en voor wat? Wat zullen wij daarmede aanvangen, en waar zullen wij het zetten?

—Wel, Mama toch, op de kamer boven de keuken.

—Maar wat zullen wij met een bad doen? Pleitte Snepvangers.

—Wel, ons wasschen, Papa!

—Ik wasch me alle dagen kind, maar in een bad, denk eens na!

—Een toekomstig gemeenteraadslid die geen bad in huis heeft... de menschen moesten het weten.

—Ja daar is toch iets voor te zeggen, Snepvangers.

—Maar Mama, dat kost veel geld.

—Die over den hond kan, kan over den staart... Wij zullen eens naar den President gaan kiezen.

's Anderen daags trokken de moeder en de dochter naar de Melkmarkt, De President was niet thuis, maar zijn vrouw, een pronte, zwaarlijvige en praatlustige vrouw ontving. De serenade was haar stokpaardje. Haar man had er niet kunnen over zwijgen, en Craen was niet makkelijk. Zij kende de dames van in de Zoologie te zien, en Marieken had ze altijd zoo'n aardig meisje gevonden. Het gezellig gesprek werd in den winkel gevoerd. Madame Snepvangers zat in een ziekenstoel, Marieke op een tentoongesteld porceleinen kuipje met mahoniehouten deksel. Madame Crean leunde tegen een badkuip en zag zich weerkaatst in den ovalen spiegel van een lavabo.

Toen het onderonsje gestoord werd door winkelbezoek had men nog geen badkuip gekozen, niet eens bekeken. Volgens afspraak zou men den volgenden Zondag op koffievisiet komen met Snepvangers. Er was geen haast bij, en de man moest maar meekiezen.

De familie Snepvangers genoot de ongewone ontroeringen van nieuwe betrekkingen en verrassingen. Het leven had gebeurtenissen. De politiek bood zeer aardige uitzichten, ook voor de dames. Slechts een ding werd opgeofferd op het altaar der neringdoenden: het prettig kuieren en winkelen bij Tietz.

Zij togen dus naar de Melkmarkt en werden luidruchtig verwelkomd door den stevigen loodgieter en zijn gade. De President voerde het gezelschap in het salon boven den winkel, waar men op rood-fluweelen stoelen rond de koffietafel plaats nam. Terwijl men boterkoekjes en krentenbroodjes naar binnen werkte en ontelbare kopjes koffie dronk, zoodat de meid tweemaal moest opschenken, vertelde Madame Craen haar levensloop. Zij waren kleintjes begonnen. De President deed toen zelf de karweikens op de daken, maar 't was hen mee gevallen, hun eenige zoon hadden zij in een floreerende zaak geplaatst nadat hij gestudeerd had voor apotheker-drogist. Zij bleven maar in d'affaire uit gewoonte en uit schrik dat zij het rentenieren niet zouden gewoon worden.

—Ja, dat hebben wij ook ondervonden... en wij waren naar buiten gaan wonen.

—Spreek mij van geen buiten. Madame Snepvangers, ik ben er bang 's avonds.

—Wij waren ook blij terug in de oude buurt te zijn, en voor Marieken was het ook te triestig!

—Natuurlijk, een jong meisken!... Seffens komt onze jongen een goedendag zeggen, en dan is er zoo wat jonkheid bijeen... In zijn affaire kan hij zoo moeilijk weg ... ge weet wel De Gaper, op de Torfbrug, bekend om het vliegenpapier ...

—Och zoo, dat is uw zoon! Marieken, daar koopen wij onze borstels en opneemvodden.

—Ja, onze jongen is werkzaam en braaf, maar ... zoo'n toonbeeld moest een vrouw hebben, ook voor d'affaire. Maar hij zegt geen tijd te hebben om er een te zoeken, dat hij nog jong genoeg is ... hij is nu drie-en-dertig.

Nu de dames zwegen en peinsden na, luisterden naar de mannen, die in politiek verdiept, eikaars vernuft en wijs inzicht waardeerden.

—Zouden wij niet eens in den winkel gaan zien? stelde Madame Snepvangers voor.

Gedwee volgden de mannen, doch staakten geen oogenblik het onderhoud. Madame Craen noemde prijzen van badkuipen, waterketels, lavabos, gemakken, raamde de kosten van plaating.

De belangrijke mededeeling werd onderbroken door de komst van den drogist, een mager jongmensch met bleek gelaat. Hij had een scherpen neus, waarop een gouden bril zijn flauw-grijze oogen beschermde.

—Dat is nu onze Antoine..., het eenig kind dat over bleef van de vier .... Antoine, dat is de familie Snepvangers, waarover wij gesproken hebben.

De drogist zei hoe aangenaam het hem was te mogen kennismaken met de familie, pluisde onderwijl aan zijn vlasblond geitenbaardje.

De badkuip werd vergeten. Antoine had zijn winkel gesloten en bleef in den familiekring die, in het salon, den wijn van den President proefde. Marieken, na lang pramen, bespeelde de piano die anders nooit geopend werd. Het was er zoo gezellig dat de familie niet weigeren kon te blijven avondmalen. Men was reeds als thuis tusschen oude vertrouwde vrienden. De oude heeren zaten in hun hemdsmouwen, en hun hoogroode, glimmende gezichten knikten elkaar mild toe onder het gaslicht.

De drogist zong nu, begeleid door Marieken, met lichte tenorstem een paar fransche romancen. Plots gaf hij zijn Vlaamsch gezindheid lucht:

Zij zullen hem niet temmen, Den fieren Vlaamschen leeuw, Al dreigen zij zijn vrijheid Met kluisters en geschreeuw...

Het begeesterd gezelschap zong het refrein mee. Maar na den ernst kwam de losgelaten leute, die de ouderen lang vergeten strophen in het geheugen riepen uit den tijd toen zij ook nog zongen of luisteren gingen naar de zangers in de zanglokalen aan de Werf. De president viel in met:

"Vaarwel, schoon lief, de tambour slaat,

vaarwel, ik word soldaat."

Snepvangers kende slechts

"Er is gebeurd bij den pastoor van Heylen,

een wreede moord, een groote schelmerij."

Madame Craen zong sentimenteel

"Wat was zij schoon, de blonde maagd,

in 't blanke balgewaad."

en Madame Snepvangers won den bijval met het guitig-onfatsoenlijke:

"Want Sint-Nicolaas dat is een man

Die al de meiskens troosten kan

Hij brengt voor ieder verdriet of geluk

Maar ieder meisken krijgt heur stuk!"

Verhit danste men hand aan hand rond de tafel en keelde

"Waar kan men beter zijn,

dan bij de beste vrienden."

's Anderendaags was Marieken zeer teruggetrokken, en Madame voelde zich katterig, wat zij toeschreef aan de gebakken aardappelen en de te vette hesp!

Beiden waren een beetje verlegen met hun ongewone, dwaze luim van den vorigen avond.

Alleen Snepvangers gebaarde van niets, deed zijn dagelijkschen propagandatocht door de herbergen. Hij had andere katten te geeselen, werkte voor de partij die reeds met de aanstaande verkiezingen in het strijdperk zou treden. De loodgieter had hem nu zelf de stellige verzekering gegeven dat hij kandidaat zou gesteld worden.

Veertien dagen later ontving men het tegenbezoek, dat even prettig afliep. De President loofde de keuken van Snepvangers; nooit had hij zoo smakelijk Konijn gegeten. Antoine bleef in Mariekens nabijheid aan de piano. Madame Craen achtte Snepvangers een wijnkenner. Een lichte roes woog op allen en gaf het leven een rozig-leutig aanschijn.

—Ik heb onzen Antoine nog nooit zoo gezien, fluisterde Madame Craen.

—En Marieken dan... dat is de jonkheid, zuchtte Madame Snepvangers.

—Waar is onze tijd gebleven! treurde de loodgieter.

—Och, wij zijn ook nog kleppers, blufte Snepvangers, en klopte zijn zich verwerende vrouw op de knie.

Ook ditmaal liet de opwinding een beetje haarpijn achter, en Madame streek suf over de platte blessen. Zij was blij toen alles weer opgeredderd was en een kalmer uitzicht bood. Marieken liep neuriënd en bedrijvig rond en de rustelooze Snepvangers was reeds vroeg de baan op.

De zomerconcerten in den dierentuin brachten de vrienden geregeld samen. Het was een meer ingetogen verzet; de mannen hielden eindelooze redenaties over de verkiezingen en de middelen om De Noodkreet overal te verspreiden; de vrouwen fezelden over het huishouden en over de menschen die rond hen zaten. Antoine en Marieken zwegen, luisterden aandachtig naar de muziek die versmolt met het geruisch der voetstappen van de rondwandelende meisjes over den kiezelgrond.

—Dat zoekt allemaal 'n vrijer, meende Madame Craen, dat loopt in de spitskar om zich te laten zien.

—Dat heeft Marieken nooit gedaan, weerde zich Madame Snepvangers.

In de pauze gaf Antoine zijn muziekbeschouwingen ten beste, de vaders bestelden een nieuw glas en vonden het lekker zitten onder de boomen. Na het concert werden de Snepvangers door hun vrienden naar huis gebracht. Antoine en Marieken liepen voorop, soms wel gearmd, gevolgd door de moeders, en op afstand door de politiekers.

Zoo liep de maand Juni ten einde. Doch toen gebeurde het dat Antoine aan Marieken voorstelde een eindje op te wandelen. In de oogen der ouders glom de nieuwsgierigheid al hielden zij het gesprek aan gang. Marieken voelde haar hart feller kloppen toen zij, onder de donkere boomen, waar een geur van wilde beesten en bloemen aanluwde, de helverlichte kiosk uit het oog verloor. Nabij de leeuwenzaal gingen zij op een bank zitten. Treinen floten langgerekt, de roofvogels krijschten in de verte en de woestijnkoningen brulden vervaarlijk in hun hokken.

Antoine plukte aan zijn geitenbaardje, wierp zijn sigaar weg, keek naar het stukje nachthemel dat zichtbaar was. Marieken had de handen in den schoot gevouwen,

—Marieken, aarzelde hij, wij zijn geen kinderen meer... Onze ouders zullen er niets tegen hebben... wij zijn van den zelfden stand... 'k heb 'n goede affaire en nog te verwachten, gij zijt een eenige dochter van welhebbende menschen en... ik zie u gaarne!

—Antoine!

In de verte begon de muziek opnieuw te wiegelen. Zij waren beiden bedremmeld.

—Ja, ik zie u gaarne, maar ik wist niet hoe ik het u zeggen moest ... ge zijt zoo 'n deftig meisken.

—Antoine toch!

Hij schoof nu dichter bij, lei zijn arm over haar schouders. Zij liet het hoofd tegen hem aanleunen, rilde alsof zij koorts had.

—En ziet ge mij ook gaarne? fluisterde hij, het gelaat dicht bij het hare zoodat de krullende haarkens boven de slapen zijn wang kittelden.

Haar oogen glansden, en zij voelde zijn warmen adem over haar wezen. Eindelijk was het gekomen waarvan zij als jong meisje gedroomd had.

—Ja, Antoine!

Hij zoende haar en zij kuste terug zonder nog te denken aan fatsoen. In zijn armen vergat zij ouders en concert.

---En wanneer trouwen wij?

—Als Papa in den Gemeenteraad zit... Dat zal de menschen niet weinig doen biskeeren.

Het publiek trok reeds weg toen zij de geduldig-wachtende ouders vervoegden.

—Awel jongen, wat hebt gij Marieken toch zoo te vertellen gehad? wierp de loodgieter op.

—En in den donkeren nogal, plaagde Snepvangers die het minst argwaan had.

—Dat zal ik seffens bij Mariekens' ouders verklaren, zei de drogist gewichtig.

—Maar 't is al zoo laat, Antoine, wacht tot morgen.

—Neen Mama!

In de eetkamer der Hobokenstraat deed Antoine aanzoek naar de hand van Marieken Snepvangers.

Madame schonk een glas wijn. Madame Craen zei nu haar levensdroom vervuld te zien, Craen toastte en Snepvangers zat verwezen te kijken naar de wondere Teniersmannekens op de deuren der eikenhouten buffetten uitgestoken. Nooit had hij dat zoo nauwkeurig bekeken. En Marieken ging trouwen zoohaast hij in den Gemeenteraad zou zetelen. Zijn kind ging zijn hhui verlaten, een eigen gezin vormen! Op haar beurt zou zij kinderen krijgen, misschien ziekten en tegenslag kennen! Maar Antoine was een goede jongen en kleinkinderen zouden een vreugd zijn voor hun levensavond.

Madame was blij dat zij niet langer moest nadenken over Marieken. Haar kuren zouden nu voorbij zijn, en de rust zou in huis heerschen. Het hoofd zou men neerleggen zonder angst dat het kind alleen achterbleef. Was Snepvangers nu maar wat minder ongedurig!

Onder het verteederd toekijken der ouders namen de verloofden afscheid.

Om het bedekt en openlijk vrijen der kinderen bekreunde Snepvangers zich niet.

De weken vergingen in bezoeken, vergaderingen, bijeenkomsten en herberggetwist. De strijd was reeds volop aan gang, in den Bond strijd om voorrang, buiten den bond strijd tegen de partijen. Onvermoeibaar stond hij op de bres van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Zijn persoonlijke meeningen had hij zoo goed het ging in een manifest uiteengezet. Antoine had het verbeterd, een sierlijken vorm gegeven zoodat het nu gerust kon gedrukt worden in De Noodkreet. De avond vóór de algemeene vergadering, waarop de kandidaten zouden worden aangeduid, verzekerde hem de President dat hij gerust mocht zijn over den uitslag. De verdierenpikker had de mannekens van de fanfare bewerkt, de vogelpik- en tonspelers, de spaarders en de vrienden van den armen gesproken. De echte neringdoenden zouden stemmen voor den onbaatzuchtigen rentenier.

Toch baande Snepvangers zich slechts met beklemd gemoed een weg door de propvolle zaal naar de tafel, waarachter het bestuur geschaard zat. De President knipoogde. Hij hield zijn gelaat in effen plooi om de inwendige ontroering te kunnen verbergen, maar hij zoog smakkend op zijn sigaar, en zijn blikken gleden over allen en zagen niemand. Hij luisterde niet naar het lezen van het verslag van den secretaris, naar de woorden van den voorzitter, naar de losgelaten welsprekendheid der andere kandidaten, die een voor een zich bij hun medeleden kwamen aanbevelen. Zijn zekerheid was hij kwijt, de vaste grond zakte onder hem weg en hij voelde zich hulpeloos tegenover de menigte in de zaal. Van zeer verre klonk het hem eindelijk uit den rook: Het woord is aan M. Snepvangers! Zijn aanhangers juichten hem toe. Dat stak hem een hart onder den riem. Met een woesten ruk wipte hij recht naar het verhoog, schonk zich een glas water, dronk, en toen weer stilte heerschte, sprak hij met gloeiende overtuiging:

"Medeburgers!

"Op dit plechtig oogenblik dat gij komt te kiezen tusschen uw mannen die uw belangen zullen gaan verdedigen in den Gemeenteraad, zal ik zeer kort zijn en geen lange redevoeringen uitspreken... Ik ben geen advokaat, maar ik weet wat de burgerij en de neringdoenden toekomt. Wat ik in het verleden geweest ben dat zal ik ook in de toekomst zijn! Ik ben tegen bazars en coöperatieven, ik wil ze belasten zoodat de kleine burger niet meer failliet zal gaan met te willen concureeren. Uwe belangen zijn zoo treffelijk als die van het werkvolk, waar zooveel voor gedaan wordt. Ik wil mij opofferen voor de zaak! Als onafhankelijk man zal ik uw intresten verdedigen. Ge kunt lezen wat ik in De Noodkreet geschreven heb... Bij mij is het niet te doen om op de kussens te zitten, mijn princiep is: Leven de Neringdoenden!"

Onder uitbundig gejuich verliet hij het podium, drukte handen, ontving gelukwenschen. Van dat moment af en voor altijd wist Snepvangers wat hij voor had op den gewonen sterveling: hij was een spreker! Hij was direct vergeten dat zijn hart geen boontje groot was vóór de begeestering over hem kwam! Het baarde hem geen verwondering, met groote meerderheid, te worden aangeduid naast acht andere kandidaten. De partij zou met een onvolledige lijst optreden, berekend naar de omstandigheden en naar de stemming onder de kiezers. 's Morgens aan de koffietafel feliciteerde hem Marieken.

—Nu zullen de geburen het gauw weten, Papa.

—Het kan niet anders, kind, oprecht, ik ben niet rap content over mezelf, maar ik heb gisteren avond goed gesproken.

—Snepvangers, zei Madame, ik heb er over nagedacht, nu ge kandidaat zijt, zult ge uw rang moeten ophouden.

—Dat spreekt!

—Ja, en daarom zoudt ge maar alle dagen uwe redingote moeten dragen, dat staat zoo deftig!

—En 's Zondags dan?

—Ge laat er 'n nieuwe maken bij een anderen kleermaker... dat zijn weeral stemmen.

—En 'k zou mijn buis maar dragen, Papa.

—Alles behalve dat... zij is voor 's Zondags en blijft voor 's Zondags... maar ge moest nog eens aan het bad denken dat, met al die stroebeling, in den vergeethoek is geraakt.

—Ja, Papa.

Drukke dagen volgden. Met den verdierenpikker, de leden van het bestuur en de andere kandidaten schreven zij adresbanden om De Noodkreet te verzenden, bezochten winkeliers, herbergiers, beenhouwers, bakkers, kleermakers en andere neringdoenden, menschen die niet bij den bond waren aangesloten. Ook onder de leden zelf moest het heilig vuur onderhouden worden, want de tegenpartijen vielen hen reeds aan in eigen kamp.

Snepvangers vermagerde zichtbaar van inspanning, onrust en slapeloosheid. Laat duurden de vergaderingen waar plakkaten en vlugschriften werden opgesteld, kiezerslijsten uitgeplozen en stemmen berekend. De secretaris, een gewezen onderwijzer, wiens ambt betaald werd, gaf uitleg over de kieswet, leerde hen wat zij te doen hadden als getuige in de kiesbureelen en cijferde de ingewikkelde kansen na om de kandidaten gekozen te zien.

Toen Snepvangers hun lijst op de aanplakplaatsen in de stad zag prijken, en zijn eigen naam en al zijn voornamen las, toen oordeelde hij de kansen gunstig. De lijst hing naast de roode der socialisten, de blauwe der liberalen, de driekleurig omkranste der katholieken.

De politieke strijd begon thans voor goed. Meetings zouden zij niet houden, vermits zij niet op de massa maar wel op de eigen standgenooten steunden. De dagbladen mengden zich in 't gevecht met al de klem en de kracht van het gedrukte woord. Snepvangers las alles en raakte soms de kluts kwijt, werd haast wanhopig onder de aantijgingen tegen menschen die, al waren zij niet van den bond, hem toch eerbiedwaardig schenen. Zijn simpele ziel duizelde onder het schelden en bezwadderen, hij had nooit zooveel kwaad in de wereld vermoed, en hij begreep niet dat journalisten zoo wat durfden te schrijven. De mannekens der eigen partij werden opgehemeld, alle deugden en bekwaamheden hun toegeschreven. De verdierenpikker moest hem steunen in zijn moedeloosheid.

—Dat is politiek, Snepvangers, politiek, anders niks... Geloof niet dat zij dat zelf meenen... Zij zijn er voor betaald juist gelijk onzen sekretaris... Als de kiezing voorbij is spelen zij weer samen smousjes op 't Groenkerkhof in hun café, en de mannen die in den gemeenteraad zitten van de verschillende koleuren zijn dan weer dikke vrienden.

—Neen, maar zoo versta ik het niet!

—Gij zijt 'n brave vent, Snepvangers, en neemt dat veel te serieus op... Ze spelen allemaal komedie in de politiek... Trek het u vooral maar niet aan wanneer ge vandaag of morgen door 't slijk gesleurd wordt.

—Ik doe een ongeluk als er een het hart heeft mij zoo te affronteeren!

—Doe liever niks, anders wordt gij nog veroordeeld tot schadeloosstelling en de kosten, en de menschen zullen met u lachen omdat ge niet meer van de politiek verstondt en toch kandidaat hebt willen zijn. Een kandidaat moet tegen alles kunnen; als zij schrijven dat ge 'n dief zijt, dan moet ge er nog uw botten aan vagen... Om kandidaat te wezen, moet ge 'n filosoof zijn. Wacht maar, uw beurt komt wel. In de Gazet van Allen beginnen ze portretten te geven van de mannen der "nief partie". Bakker Janssens hebben ze vandaag uitgekleed, ze noemen hem 'n vermomden geus en doen verstaan dat hij zich rijk gestolen heeft met te pooteren op het gewicht!...

Dag aan dag verschenen nu portretten der medekandidaten in het frutkrantje, dat overal gratis verspreid werd. Morgen werd het nu zijn beurt; hij was de laatste om afgetakeld te worden. Heel de stad zou het lezen, velen zouden er een heimelijk plezier in hebben of het voor waarheid verslijten. Ja, men moest filozoof zijn om dat alles te verdragen voor zijn overtuiging! Vooral niks toonen, waardig doen gelijk iemand die het gewoon is, porde hij zich zelf aan.

Hij hoorde de gazettenleurders toeten en gillen in de straten, toen hij aan het lokaal van den Bond kwam. Nauwelijks zat hij tusschen de strijdmakkers, of de deur vloog geweldig open en President en verdierenpikker verschenen in zeer opgewonden toestand. Zij hielden de gazet in de vuist geklemd.

—'t Is schandalig, Snepvangers!

—Trek het u toch vooral niet aan. Snepvangers, 't is te gemeen!

—Laat maar eens zien, zei de kandidaat zoo bedaard mogelijk; die dat geschreven heeft, is toch een tienstuiversgast!

Hij nam het dagblad, keek nog eens naar den President, die rood zag van oprechte verontwaardiging, naar den verdierenpikker, die hem met zeemzoet mededoogen aankeek, en voelde aller oogen—die der medekandidaten—vol nieuwsgierigheid op zich gevestigd. Taai blijven! Hij las:

De Baaskens der Nief Partie!

"Nu gunnen wij onze lezers het plezier kennis te maken met den laatste der fameuze pateekens, die gaarne in den raad zouden zitten en er niet bekwaam voor zijn.

"Een dezer vermomde geuzen is Snepvangers, die de neringdoenden zal gaan verdedigen, precies alsof wij dat niet altijd hebben gedaan.

"Deze framasson stinkt van pretentie en is zijnen tijd vergeten toen hij bij Notaris Boeykens de deur mocht open en toe doen, of korenten verkocht in "De Zoutkeet".

"Hij is rijk geworden met den strooman te spelen in de Roepzaal voor geuzenaffaires die het daglicht niet mochten zien.

"Hij is bekend in al de garstencafés, waar hij stoeft alsof hij reeds gekozen was.

"Het eerste deel van zijn naam is snep, en die beesten hebben gaarne een natten bek. Het tweede deel, vangers, beteekent dat hij de kiezers zou willen vangen, maar de kiezers zijn allemaal geen jongens uit "De Gaper"!

"Moest hij gekozen worden, wat de verstandige kiezers wel zullen beletten, dan wordt de Gemeenteraad herdoopt in Sneppenraad! Wij willen serieuse menschen!

"De kiezers mogen lachen, maar zich niet voor den aap laten houden door de vijanden van den godsdienst of door anarchisten! De deftige kiezers stemmen onder nr 1!"

Snepvangers hield zich kranig onder de mokerslagen. Zoo iets monsterachtigs schreef men tegen een deftigen burger, die altijd, naar behooren, zijn kerkelijke plichten vervuld had. Wat al leelijke aantijgingen, wat vuige beschuldigingen door een naamlooze uitgekraamd! Hij moest de stilte verbreken, toonen dat Snepvangers door zoo iets niet in zijn eer kon gekrenkt worden.

—Ik een framasson, zei hij schouderophalend, ik weet niet eens wat een framasson is!... Het kunnen misschien heel deftige menschen zijn. Als zij denken Snepvangers bang te maken, dan zijn zij er nog niet half... Ik ben onafhankelijk en niemand kan mij deren!... Zij zijn bang van ons.

—Wij moeten onze mannen verdedigen, schreeuwde de President.

-Ja! Ja!

—Tegen dat janhagel verdedigt men zich niet, verklaarde Snepvangers kalm, maar inwendig kookte hij van machtelooze woede.

—Ik ben zeker dat het van dien fijnen jezuiet komt, die op den Kauwenberg woont en secretaris is van de spaarmaatschappij, meende de verdierenpikker, hij schrijft in de gazet.

De vergadering duurde laat in den avond. In den frisschen herfstnacht ging Snepvangers alleen naar huis. De volle maan lei een zilveren glans over de stad. De gewogen Snepvangers, verstrikt in het geharrewar van de politiek, kwam in de stille haast tot bedaren.

Uit de eenzame Keizerstraat klonken stappen en een lange slungel scheerde hem voorbij. De man groette.

—Halt! vriendje, riep Snepvangers en greep den man stevig vast aan zijn ondervest, gij hebt mij dus dat affront gebakken, gij leelijke, lange slingeraap! Ik ben dus 'n framasson, 'n zatlap en 'n stoeffer!

—Wat wilt gij, Mijnheer Snepvangers, ik begrijpt u niet, verweerde de slungel angstig.

—Wij zijn nu onder vier oogen, niemand ziet ons, span nu maar een proces in zonder getuigen, deugniet, sjamfoeter, vuile jezuiet!

Snepvangers moest telkens opwippen om met zijn vuist te kunnen bonken op de tronie van den lange. Jammerend probeerde deze zich los te rukken, maar de kandidaat hield wraakgierig vast, wipte maar en bokste op neus en oogen tot hij hijgend niet meer kon. De slungel griende.

—Zoo tem ik de gazettenmannekens, triomfeerde Snepvangers, zeg na maar gerust aan de andere sloebers wat zij van mij verwachten kunnen, en zeg dat ik mijn botten vaag aan die smeerlappekens! En als zij niet oppassen dan wordt ik nog framasson! Slaap wel en droom van zoetekoek! Maar in de spaarmaatschappij vliegt ge zeker buiten ...

Hij liet zijn slachtofter in den steek. Niemand had het gezien en niemand kon getuigen! 't Zal morgen 'n schoone jongen zijn, peinsde hij. Zegevierend kwam hij thuis waar de vrouwen, die ook de gazet gelezen hadden, angstig op hem zaten te wachten. Aan zijn kneukels kleefde bloed.

—Arme Papa, kreet Marieken, en hebben zij u daarbij nog willen vermoorden!

—Maar Snepvangers toch!

—Ik heb den deugniet zijn zaligheid gelezen achter den hoek, morgen loopt hij gelijk 'n karnavalzot met twee blauwe oogen, en hij kan mij niks, want hij heeft geen getuigen! 't Is de secretaris der spaarmaatschappij die mij dat gelapt heeft.

—Maar, Snepvangers, wat zullen de menschen denken van zoo in de gazet te figureeren, en dan nog vechten op den koop toe...

—En dan over De Gaper, snikte Marieken.

—Van 't vechten zal hij wel zwijgen en dan weet niemand iets... en de gazet dat is politiek, dat is maar comedie!... In de politiek moet ge filosoof zijn, en 't is niet zoo gemakkelijk om in den Gemeenteraad te komen.

—'k Wou dat de kiezing maar voorbij was!

—Ik ook, beaamde Marieken en zij dacht aan haar huwelijk.

—Ik ook, zuchtte Snepvangers terwijl hij zich het bloed van de hand wiesch.

De verdierenpikker en de President, in het geheim der tuchtiging ingewijd, verkneuterden zich van plezier. In hun brieventesch bewaarden zij het uitknipsel der gazet. Zij herlazen menigmaal het relaas van het voorval verschenen onder de rubriek Stadsnieuws:

"Gisteren avond was onze getrouwe medewerker A.S. het slachtoffer van een bandietenaanval. De lafaard mishandelde en kwetste onzen vriend zoodanig dat hij er bedlegerig van is. Politie was natuurlijk weer niet in den omtrek. Onder de regeering der mannen van "licht, immer licht" heeft onze stad niets meer te benijden aan Parijs en zijn apachen. De kiezers moeten er paal en perk aan stellen!"

Terwijl de kiesstrijd in volle hevigheid woedde, zorgden de dames voor den uitzet der kinderen. De mannen waren niet te spreken zoodat de moeders vrij waren alles naar eigen smaak te bedisselen. Antoine en Marieken gingen vrijend wandelen in den valavond, zoohaast de winkeldrukte voorbij was. In den loop van den dag wipte Marieken, dikwijls, onder een of ander voorwendsel, in De Gaper binnen. Zij was verzot op drop, snoepte regelmatig aan den bokaal "jappekens", in de buurt als de beste befaamd. De reuk der specerijen, gedroogde kruiden en verfstoffen was haar haast reeds een behoefte geworden, en zij snuffelde in kasten en schuiven, in bakken en vaten. Den winkel, den aantrekkelijken winkel wou zij leeren, zij telde de dagen af die haar nog van het oogenblik gescheiden hielden dat zij de klanten zou te woord staan. Zij liet de moeders maar betijen; wanneer zij eenmaal bazin in De Gaper was, dan zou zij alles wel naar eigen zin inrichten. In zijn drogerij was Antoine ernstig, een bijdehandsche winkelier.

Den vooravond der verkiezingen werden de laatste woorden aan de kiezers per post verzonden of nog in de brievenbussen gestopt. Een kort en bondig woord: "Wie zijn eigenbelang bemint en de groote concurrentie wil kapot maken, stemt onder Nr. 3!" De teerling was geworpen. Dien nacht sliep Snepvangers niet. Zeer vroeg stond hij op, trok zijne nieuwe redingote aan om zijn burgerplicht te gaan vervullen. Overal waren de muren bedekt met plakkaten, op de voetpaden nabij de kiesbureelen waren de strijdcijfers geschilderd, aan de deuren stonden de reclamedragers met een "Stemt onder Nr..." Na zorgvuldig zijn kiesbriefjes bewerkt te hebben ging hij een pintje drinken.

De roes der laatste weken viel weg wanneer hij zoo rustig achter eene herbergtafel zat. Ja, hij was vermagerd onder de zenuwachtige opwinding, en voor geen geld wou hij de geschiedenis opnieuw beginnen. Zou hij nu gekozen zijn? In geval het hem tegenviel zouden zijne vijanden niet weinig lachen! Anders kwam er weer een serenade met brabançonne, dan het huwelijksfeest, daarna de vergadering van den Gemeenteraad waarin hij den eed zou afleggen. Aan tafel praatte hij opgewekt en onbekommerd met Antoine en Marieken, met Madame Craen en zijn vrouw. Maar de tijd viel hem lang. Hij verlangde naar en vreesde de komst van den President om den uitslag te kennen, 't Werd avond en de stemming een beetje gedrukt. Dan klonk de huisschel onzeker, 't Is mis, peinsde Snepvangers. Beschroomd stonden President en verdierenpikker voor hem. Hun begrafenisgezichten waren welsprekend.

—Wij zijn helaas geklopt, fluisterde de President.

—Wij moeten den volgenden keer herbeginnen, beweerde de verdierenpikker, de kiezers werden misleid, zij hebben hun belang niet begrepen... En de anderen hadden gazetten!

—De kiezers zijn stommerikken, oordeelde Snepvangers die zijn luchtkasteelen zag ineenstorten, er is niks mee aan te vangen... en daar heb ik mij voor opgeofferd, mijn tijd, mijn centen en mijn ambitie in gesteld, mij door de goot laten sleuren! ...

—Ja, wij hebben er ons voor opgeofferd, getuigden ook de vrienden.

—Schreeuw niet, Marieken, 't is allemaal niks... ik vaag er nu toch mijn botten aan... 't Is nu gedaan met de politiek... Ik trek er uit... Ik geef mijn ontslag aan al de maatschappijen... dat zij het karreken maar zelf kruien, ik ben het beu... ik zet geen voet meer op de vergaderingen... ik ga rusten en van het leven profiteeren... 'n mensch is zot zich muug te maken voor al die vodden... De politiek is een smerige komedie, en ik wil geen komedie spelen in mijn ouden dag!... Ik ben er mager van geworden... Wij gaan nu samen een lekker glas wijn drinken in familie, om te toonen dat wij niks geven om hunnen Gemeenteraad... Antoine, jongen, als ik u 'n goeien raad mag geven, doe dan nooit aan politiek... 't Is puur zottigheid! De wereld wil bedonderd worden, awel voor mij is 't ook goed... En, Marieken, dat bad wil ik ook niet meer in mijn huis... ik heb mij nooit in een bad gewasschen en ik zal het zeker nu nog niet doen, ik geef het u cadeau in uw huishouden... en ik blijf van den ouden eed en wasch mijn voeten in een tobbeken!... Mama, haal maar een lekkere flesch op, ik ben blij dat alles voorbij is!... Niemand sprak de wrevelige rede tegen, vrucht van ondervinding en ontstemming.

En zoo werd de verloving nogmaals gevierd, en de rust gehuldigd, die voortaan in het gezin zou heerschen.

Wanneer de gasten uitgeleid werden en in leutige opgewektheid afscheid namen, hoorden zij in de verte schorre stemmen weergalmen. Hij voelde zelfs geen bitterheid meer bij het kiesliedje der overwinnaars: "Van 't ongediert der papen, verlost ons vaderland?"

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings