Note 1 — VI. Siberië. De Straffen.
S. J. Bouberg Wilson translation
Dit is een der trekken van de groote schildering, welke de goede generaal Kopec, metgezel van Kosciusko,1 voor ons heeft ontworpen van Oostelijk Siberië, bij de punt van Kamschatka, waarheen hij was verbannen. Niets kan treffender zijn dan de mémoires van dezen eenvoudigen man. Geen grooter verschil dan met die van zijn voorganger in dezelfde streken, den Pool Beniowski.2 Deze, ontembaar, woelziek, vermetel speler en nog vermeteler soldaat, eigent zich in één oogenblik de wildernis toe en wordt koning in het oord van zijn ballingschap. Hij herwint zijn fortuin, vindt een tweede vrouw, vervolgt zijn vervolgers, verslaat zijn bewakers, en in plaats van gevangene te blijven in Kamschatka, voert hij haar meê, scheept hij zich met haar in.—Kopec wendt zich tot God; hij voelt zich in het hart getroffen, te zeer gewond om dergelijke avonturen te wagen. Zonder studie of opleiding, alleen door zijn ongeluk gevormd, legt hij in zijn onopgesmukt verhaal de teedere en vrome melancholie van de ziel der Lithauers. Zijn boek geeft getuigenis van een zedelijke omwenteling. Polen is in zijn wezen veranderd, het heeft de gaaf der tranen ontvangen.