Jonker Leopold van Zonshoven aan Mr. Willem Verheyst. (continued 8)
Reading edition
“Eindelijk!” juichte ik, en drukte den eersten kus der liefde op hare lippen.
Het spreekt vanzelf dat wij te laat kwamen om aan het luncheon deel te nemen; maar wij hadden er ook geen behoefte aan.
Wij hadden in het teruggaan elkaar zooveel te zeggen gehad, dat wij er geene woorden voor hadden gevonden, en alleen zwijgend naast elkaar waren voortgegaan, zij leunende op mijn arm, of zij behoefte had aan steun; wij liepen langzaam, altijd meer langzaam, hoe meer wij het kasteel naderden, als kinderen die uit spelen zijn en geen haast hebben om thuis te komen. En zoo was het werkelijk. Francis vooral scheen daar tegen op te zien. Toen wij reeds de oude brug in ’t gezicht hadden, werd haar tred zoo slepend en aarzelend, dat ik haar vroeg of zij vermoeid was?
“Ik geloof ja!” sprak zij, “ik zou nog wel wat op dat mos onder dien grooten eik willen rusten, eer wij de vesting weer binnengaan. Het wordt mij angstig om het hart; het is mij of alles wat daar ginds mij tergt en drukt nu weer in volle zwaarte op mij neervalt. Ik kan zóó nog niet scheiden van mijn geluk!”
“Wij zullen rusten, liefste, en ik gevoel mee iets van ’t geen waar gij tegen op ziet; maar het moet niet te veel zijn; ons geluk gaat ontluiken, er is nu geen kwestie van scheiding, dan voor een korte poos; welhaast zult gij de Werve met gansch andere oogen aanzien!”
“Och, Leo! ik wenschte dat wij er niet meer moesten binnengaan; ik wenschte, dat ik nu zóó met u kon wegvluchten, en dat er niets of niemand zich meer stellen kon tusschen u en mij!”
“We zullen wegvluchten, allerliefste dweepster; maar er moeten eerst eenige formaliteiten plaats vinden, die ons het recht geven met opgeheven hoofd te keeren.”
“Dat is wel jammer, want ik zie tegen dat alles op als tegen een onbeklimbaar rotspad. Al die convenances waar gij zoo aan hecht en die men in ’t oog moet houden....”
“Ik hecht er waarlijk niet zooveel meer aan dan gij. Formalisme is gansch mijn zwak niet, maar toch.... men mag zekere vormen niet al te zeer in het aangezicht slaan; juist in ons geval....”
“En dan al die laffe en valsche menschen, die met gehuichelde glimlachjes hunne felicitaties komen mompelen, terwijl zij in stilte uwe dwaasheid bespotten, dat gij Majoor Frans uwe hand durft reiken.”
Ik liet haar niet toe dien laatsten volzin uit te spreken.
Zij moest boete doen met een kus voor die lasterlijke onderstelling.
“Wij zullen het zoo eenvoudig aanleggen als gij maar wenschen kunt, Francis! maar wij moeten voldoen aan de eischen van ’t sociale leven, en naar mijne innigste overtuiging ook aan de eischen der consciëntie. Een verbond voor het leven van zulken ernstigen aard, als het huwelijk moet niet gesloten worden zonder kerkelijke wijding.”
“Dat ben ik volkomen met u eens en zelfs zal ik u bekennen, dat ik mij altijd geërgerd heb aan die mannen en vrouwen die zoo luchtig en lichtzinnig over die plechtigheid spreken, die er mee kunnen railleeren of het alleen een representatie pro forma gold, eene exhibitie van prachtige toiletten. En toch, de vrouw brengt daarbij en voor altijd een onmetelijk offer; het offer van haar naam, van haar wil, van zich zelve, een offer, waartegen ik, zoolang ik u niet heb gekend, steeds heb opgezien als iets onmogelijks voor mij.”
“En nu?” vroeg ik, in het mos aan hare voeten neerknielend om haar beter in de levendige sprekende oogen te kunnen zien, die nu van geest en gevoel tintelden.
“Nu zie ik daar niet meer tegen op,” antwoordde zij met een zachten glimlach. “Maar ik bid u, Leo! blijf niet in die houding voor mij; het is eene onwaarheid en action en zal het meer en meer worden; ik voorzie dat, want ik voel nu, gij zult mijn heer en meester zijn. Ik ben niet als de ‘dames,’ die laf en oneerlijk als ze zijn, in haar for intérieur glimlachen over den eed van trouw en gehoorzaamheid, dien zij bij het huwelijksverbond uitspreken, terwijl zij reeds bewijs geven dien niet te zullen houden, eer nog de bruidsbouquet verwelkt is. En de mannen, die bij het huwelijksformulier de schouders ophalen, als hechten zij gansch geene beteekenis aan hunne rechten, zijn evenzeer in hun for intérieur besloten, eenmaal af te dwingen, wat hun niet uit besef van plicht wordt geschonken. In de wittebroodsweken knielen zij aan hare voeten, zooals gij daareven aan de mijne, al was dat met anderen zin, en stellen zich aan of zij hun leven lang de onderdanige dienaren zullen blijven; maar als de vrouw hen bij ’t woord vat, leert zij ’t anders; dan steekt de binnenlandsche oorlog op, de strijd over ’t meesterschap. De schranderen en behendigen onder ons zoeken door list te veroveren wat ze niet door geweld hebben kunnen verkrijgen, en meenen gewonnen te hebben als die toeleg haar is gelukt. De anderen bukken als overwonnelingen, maar die te ieder stond tot rebellie gereed zijn. Dit maakt den huwelijksband tot eene zware keten, waaraan beiden beurtelings rukken en die ieder voor zich met onwil torst, tot men zich eindelijk uit afmatting resigneert, als men zich resigneert.”
“Gij maakt mij haast ongerust, Francis!” viel ik glimlachend in.
“Neen, gij behoeft niet ongerust te wezen, want wij zullen anders beginnen. Gij hebt mij geen oogenblik in ’t onzekere gelaten omtrent uwe intentiën, en ik zal woord houden als ik eene belofte heb gedaan. Ik zei u dit alleen om u te bewijzen dat Majoor Frans de ‘heeren en dames’ goed in de kaart heeft gekeken, terwijl zij over haar de schouders ophaalden, en dat ik mij zelve aan hen leerde spiegelen en het vaste voornemen vatte mijne onafhankelijkheid te bewaren, tenzij ik den man vond, dien ik zóó kon achten en liefhebben, dat hij geen recht en geen wet behoeft te laten gelden, omdat mijn hart hem als mijn meerdere heeft erkend.”
“En van wien gij wel gelooven zult, Francis! dat zijne belofte van liefde en trouw hem diepe, heilige ernst zal zijn.”
“Ja, Leo! dat geloof ik van u. Gij zult noch een tiran, noch een slaaf wezen, en ik, dit moet ik u bekennen, ik zou nooit de slavin kunnen zijn van een man.”
“Slaafschheid van zin is, bij mannen en vrouwen beiden, grootheid van ziel, ontwikkeling en volmaking van ’t karakter in den weg. Ieder onzer moet zichzelf blijven en in elkaar zich zelf eeren en liefhebben. Het moet tusschen ons zijn als Tennyson zegt:
Sit side by side, full summed in all their powers
Self reverend each and reverencing each Distinct in individualities; But like each other even as those who love.”
“Dat is ’t juist, dat is ’t!” juichte zij, in verrukking mijne hand vattend en die aan hare lippen brengende. “Maar nu, dearest! Laat ons gaan, want anders slaan ze alarm in het kasteel!”
Die gissing bleek waarheid. Rolf en Frits stonden met angstige gezichten naar ons uit te kijken toen wij aankwamen; maar de generaal was niet uit zijn humeur, zooals wij vermoed hadden; integendeel hij was druk bezig met zijne papieren toen wij binnentraden; arm in arm, zooals Francis het gewild had, om hem terstond op de hoogte te brengen van onze verhouding. Maar hij lette daar niet op; hij gunde ons den tijd niet om hem iets te zeggen.
“Francis!” riep hij, een brief in de hoogte houdende, met stralende oogen en een gelaat of hij verjongd ware. “Waarom zijt gij toch zoo lang uitgebleven, nu ik u zulk goed nieuws heb mee te deelen.”
“En ik u, grootpapa! Maar wat is er? Gij ziet er zoo triomfantelijk uit, en dat midden in die deftige akten! De erfenis van tante Roselaer is toch niet gekomen?”
“Dat scheelt niet veel, mijn beste kind; althans het komt op hetzelfde uit. De erfgenaam van tante Roselaer vraagt u ten huwelijk. Het blijkt dat hij er door haar testament toe verplicht is, maar ik twijfel er niet aan, of het is eene verplichting waaraan hij van ganscher harte voldoet.”
De generaal zag mij aan; ik glimlachte en knikte hem toe, maar ik vond toch dat Overberg en van Beek zich wel wat veel gehaast hadden om die zaak zoo officieel te behandelen. Ik ware liever zelf de eerste geweest om haar met deze mededeeling te verrassen. Zij liet mijn arm los, en den generaal naderend, sprak zij luid en vast:
“Het spijt mij, grootvader! dat ik u teleurstellen moet, omdat het u zoozeer schijnt te verblijden; maar die mijnheer komt te laat, want ik wilde u juist vertellen dat ik mijn woord gegeven heb aan mijn neef Leopold van Zonshoven.”
“Nu, kindlief! zooveel te beter, want de erfgenaam van tante Roselaer, de heer van den Runenberg, zooals hij in deze akte wordt genoemd, en uw neef Leopold van Zonshoven zijn een!”
“Dat is niet waar! Zeg dat het niet waar is, Leo!” riep zij in heftige ontroering, mijn arm vattende.
“Dan zou ik eene onwaarheid zeggen, Francis!” sprak ik lachende, “want het is niet anders, die gelukkige ben ik. Het verschil voor u is alleen, dat gij uw woord gegeven hebt aan een armen drommel, en dat hij als de betooverde prins in het sprookje optreedt als millionair! Mij dunkt, dat verschil kan geene onaangename verrassing zijn voor u.”
“Geene onaangename verrassing voor mij!” riep zij uit met bliksemend oog en hooggekleurde wangen. “Als ik verneem, dat gij mij zóó lang een masker hebt voorgehouden, dat ik voor uw gelaat nam! Gij hebt mij achting weten in te boezemen door die fiere waardigheid, waarmede gij uwe armoede wist te dragen, door dien nobelen zin, die werkzaamheid en de zware worsteling met het leven koos boven laagheid! En zoozeer kunt gij u in mij vergissen, dat gij meent mij eene aangename verrassing te bereiden als gij zegt dat dit alles maar vermomming is geweest en dat de bedelaarsmantel slechts den betooverden prins heeft verborgen tot de comedie aan de ontknooping was. Fair! fair indeed!” ging zij voort met smartelijke bitterheid, terwijl er tranen opwelden in de fonkelende oogen. “En dat is nu een edelman, een man onder duizenden, dien ik meende gevonden te hebben, dien ik mijn meerdere achtte, dien ik mijn onbegrensd vertrouwen heb geschonken.... en die doet mij dit aan! En gij meent dat ik het luchtig zal opnemen. Gij hebt u vreeselijk misrekend, jonker Leopold van Zonshoven! Ik heb mijn hart gegeven aan den jonker zonder fortuin, in wiens eerlijkheid en oprechtheid ik geloofde als in mij zelve, beter dan in mij zelve, want ik rekende op zijne vastheid en kalmte om mijne woeste en ongeregelde schreden te besturen. Maar voor den schatrijken erfgenaam van tante Roselaer, een intrigant, die eene erfenis accapareert en daartoe de vrouw trouwt die men hem aanwijst, voor dezen heb ik niets dan..... mijne verachting.”
Ik had er wel niet op kunnen bedacht zijn, dat zij het zóó zoude opvatten, dat zij in mijne handelwijze zou zien, wat ik met de hand op het hart kon verklaren, dat ik er niet in had gelegd. Maar nu zij het zóó opnam, kwam het mij het beste voor, haar alles wat er in haar omging te laten uitspreken. Ik wist immers dat ik mij zegevierend kon rechtvaardigen als ik haar slechts den brief van tante Roselaer voorlegde; ik wist dat het mij niet al te zwaar zou vallen mijn not guilty te pleiten; alleen, dit was het oogenblik daartoe niet. Maar er was wat te hoog kon loopen en wat mij die zelfbeheersching kon doen verliezen, die ik juist zoo noodig had. De gloed der bitterheid, der verontwaardiging steeg ook mij naar het voorhoofd, toen ik dat laatste woord hoorde.
“Uwe verachting, Francis! Bezin u, eer gij zulke uitdrukkingen bezigt tegen mij! Ik weet het, gij zijt heftig in uwe opvattingen en hartstochtelijk in uwe uitingen; ik weet ook, dat zij u diep berouwen als gij er later van terugkomt; maar toch, wees voorzichtig en bedenk u wel, eer gij den man dien gij uwe liefde hebt geschonken benamingen toevoegt, die nog wel nimmer op hem zijn toegepast en die hij niet voornemens is van wie ook straffeloos aan te hooren.”
“Straf mij, als ik u bidden mag, met een aanzoek in te trekken dat ik toch moet afwijzen,” sprak zij hoonend. “Als er kwestie is van beleediging, dan ben ik de beleedigde; want gij hebt mij bedrogen; gij hebt gehuicheld; gij zijt hier binnengeslopen als een spion; gij hebt uw goochelspel zoolang voortgezet tot gij zeker waart van uwe prooi, in den onzinnigen waan dat ik niet zou kunnen, niet zou durven terugtreden, als gij mij eens tot de bekentenis mijner zwakheid hadt gebracht. Gij zijt slim geweest, jonker van Zonshoven en behendig op uwe wijze, en toch verbaast mij uwe verblinding, dat gij zoo weinig inzicht hebt gehad van mijn karakter. Eene misleiding vergeef ik nooit.”
“Ik heb u niet willen misleiden, Francis!” sprak ik op zachten, bedaarden toon. “Ik heb alleen de waarheid verzwegen, omdat ik uw persoon, uw karakter wilde leeren kennen eer ik mij uitsprak. Ik heb uwe liefde willen verwerven eer ik het officieel, het beslissend aanzoek waagde, ziedaar alles!”
“Gij zijt valsch geweest, gij hebt voorgewend dat gij mij liefhadt; dat geloof ik niet meer. Gij kwaamt hier een zaak doen, dat is alles! Gij kwaamt de hand zoeken die u een millioen moest aanbrengen. Het is waar, ik heb u mijne achting, ik heb u mijne liefde geschonken; maar niet aan u, zooals gij daar nu voor mij staat. Dit alles berust op een valschen grond, en nu die tooneeldecoratie wegvalt, stort ook al het overige mee in, en, ik herhaal het, gij zijt voor mij te dieper gevallen, naarmate ik u hooger heb gesteld. Wees zeker, dat ik niet over mijne hand laat beschikken, door anderen, dooden of levenden, en, versta mij wel.... gij zijt afgewezen! Afgewezen! afgewezen!” herhaalde zij, telkens luider en scherper; en toen zij het laatste “afgewezen!” bijna gillend had uitgeroepen, viel zij bleek als eene doode in een armstoel neer.
Ik zelf stond gedurende dit tooneel tegen een stoel te leunen, een steun dien ik hoog noodig had om niet te wankelen. Levenslang zal het mij heugen, wat ik doorstond in die vreeselijke ure, en toch is het mij onbeschrijfelijk; ik kan alleen zeggen, dat ik eene gewaarwording had of mijn hart verkilde, en of het daar binnen in mij doodsch en ledig werd op eenmaal. Ik ook had mijne smart wel willen uitgillen zooals Francis, maar ik moest mij zelven beheerschen, ik moest het. Mij dunkt, zooals het mij ging, moet het den soldaat gaan in den slag, onder den kogelregen, bij ’t gebulder der kanonnen. Hij weet dat hij staande moet blijven en strijden, of verachtelijk vluchten; en zij mocht mij verachtelijk noemen, verachtelijk zijn in hare oogen wilde ik niet. De goede Rolf had zich teruggetrokken op den achtergrond van ’t vertrek en had tranen in de oogen. De goedhartige ziel, die van haar alles kon verdragen en het lakoniek langs zich neer liet glijden, sidderde van angst dat ik het zou opnemen zooals het klonk. De generaal, wien het angstzweet op het voorhoofd parelde, zat handenwringend van schrik en spijt in den armstoel waaruit hij niet kon oprijzen.
“Francis, Francis!” viel hij nu in. “Laat u toch niet zoo ver vervoeren in uwe dwaze gekrenktheid. Sla uw eigen geluk, óns aller welvaart niet zoo roekeloos onzinnig den bodem in, nu gij het in uwe macht hebt. Bedenk, dat de Werve verhypothekeerd is tot den laatsten steen, dat de renten in de laatste zes maanden onbetaald zijn gebleven, dank zij de tusschenkomst van jonker Leopold die Overberg heeft gesust; dat het kasteel bij een publieken verkoop niet een derde zou opbrengen van de schuld waarmee het bezwaard is, en dat wij het alleen danken aan de edelmoedigheid van onzen neef van Zonshoven, als er van zoo iets geen sprake zal zijn. Hij wil de Werve met al hare bezwaren van mij overnemen, en mij daarvoor een vast jaarlijksch inkomen toestaan, dat mij een rustigen ouderdom waarborgt, maar.... gij moet zijne vrouw worden, anders valt dat gansche plan in duigen; begrijpt dat toch en beleedig den man niet, die het zoo goed met ons voorheeft! Ons lot is geheel in zijne handen, en gij werpt hem verwijtingen naar het hoofd, die bijkans onvergefelijk zijn. Toch zal hij nog kunnen vergeven, indien gij niet volhardt bij uwe onzinnige afwijzing, ik ben er zeker van, want hij heeft u lief, ik heb dit lang geraden. Maar wij hebben hier niet alleen met hem te doen, wij hebben te doen met een uitersten wil, met executeurs, met een procureur, met alle eischen en vormen die de wet voorschrijft. Hier is een ernstig, verstandig antwoord noodig en kan men niet volstaan met invectieven en exclamaties. Wat zal ik aan den heer Overberg schrijven?”
Francis had zeker maar half naar zijne toespraak geluisterd; zij was hem alleen niet in de rede gevallen, omdat zij nog worstelde met hare eigene aandoeningen, die zij trachtte te bekampen; nu echter, gesommeerd tot eene beslissing, rees zij op en sprak met eene stem die eenigszins dof en schor klonk, maar die helaas geene vastheid miste:
“Mij dunkt, grootvader! daar is maar één antwoord. Schrijf aan dien Overberg, dat freule Mordaunt hare hand niet laat weggeven bij testamentaire dispositie van wie ook; dat zij zich zelve te hoog schat om voor een millioen verkocht te worden, en dat zij het aanzoek van jonker van Zonshoven formeel heeft afgewezen.”
Ik wil u wel bekennen, Willem! dat ik mij in dien oogenblik zóó gekrenkt en geschokt voelde, dat ik er aan dacht haar bij het woord te vatten; maar op eens viel het mij in, met wie ik te doen had, dat zij nog altijd Majoor Frans was, die in zekere gevallen alleen zoude zwichten voor plus fort qu’elle; daarbij, er lag in hare weigering zelf eene grootheid van karakter, eene waardeering van het mijne, al miskende zij mijne handelwijze in dit oogenblik, die mij wel moed gaf op de toekomst, wel moed om tot het uiterste te volharden zooals de overledene van mij had verlangd, zooals bovenal het hart mij ingaf, dat nog voor haar sprak. Ik begreep, dat ik al wat er beleedigends was in hare uitingen langs mij moest laten neerglijden, tot zij in staat zou zijn mijne handelwijze uit een ander oogpunt te beschouwen. Ik twijfelde er niet aan of ik zou haar eenmaal daartoe brengen. Ik wist mij niet vrij van alle schuld; ik had meer openheid moeten gebruiken, waar zij zelve zooveel rondborstigheid had getoond; maar, ik wist mij toch vrij van de schuld die zij mij toedichtte, ik wist niets gepleegd te hebben wat haar tot minachting recht gaf.
“Francis!” sprak ik met al de kalmte en de vastheid die ik bemachtigen kon over mijne innerlijke geschoktheid, “gij doet mij onrecht, grootelijks onrecht; maar gij zijt nu niet in een gemoedstoestand om dat in te zien; ik zal mij over zeker gebrek aan openheid met u verantwoorden, als ik u in staat acht zulke verantwoording met kalmte aan te hooren; ik zal mij echter nooit verlagen zulke betichtingen als gij daar even uitspraakt op te vatten of te weerleggen. In een gewoon geval zou zulke afwijzing als de uwe voldoende zijn om een man af te schrikken voor altoos, en zoo wij zeker gesprek niet hadden gevoerd op de heide bij onze eerste ontmoeting, zou eene enkele weigering afdoende zijn geweest voor immer; maar ik moet u herinneren aan mijne verklaring, dat ik voor geene hindernissen zou terugwijken, als ik mij voorgesteld had zeker doel te bereiken; het geschil liep toen reeds over het verkrijgen van uwe hand.... ik liet u mijn ernst als scherts opvatten, want ik kon in dienzelfden oogenblik eene dame die geene dame wilde zijn, eene jonkvrouw die zich zonder spijt Majoor Frans liet noemen, niet zonder nadere kennis mijne hand bieden. Ik ook, freule Mordaunt, heb achting genoeg voor mij zelven, om niet zoo roekeloos eene verbintenis voor het leven aan te gaan. Ik wilde zien, zien uit eigene oogen, en niet in den blinde rondtasten.
“Als gij het bespieden noemt, naar uw zin, naar uw aard, naar uw verleden te vorschen, ja dan heb ik u bespied; maar het is niet geweest dan met het oog op uw geluk en op het mijne. En nu, ik heb de zekerheid gekregen, dat gij mij liefhebt, zooals ik u, dat wij elkander waardig zijn, dat onze verbintenis voor ons beiden eene levenskwestie is; gij hebt mij geen uur geleden vrijwillig en met blijdschap uw woord gegeven; zoo acht ik uwe afwijzing voor een uitval waaraan ik mij niet zal storen, want ik zal niet dulden, dat gij door eene verkeerde opvatting in een oogenblik van drift baldadig dàtgene verbreekt, dat gij zelf uw levensgeluk hebt genoemd, en waaraan ook het mijne hangt. Ik heb de zekerheid uwer liefde, ik heb uw woord! Ik houd u bij dat woord, ik zal u dwingen gelukkig te zijn. Generaal! schrijf aan Overberg, aan van Beek, dat Freule Mordaunt mij hare hand heeft toegezegd, en dat de overdracht van de Werve kan doorgaan.”
“Daarvoor is mijne toestemming noodig,” sprak Francis, die bleek maar roerloos met strakken blik en onbewogen trekken naar mij had zitten luisteren. Maar dat is niet juist; zij had zich afgewend, als ging datgene wat ik sprak haar niet meer aan. Nu eerst toonde zij weer deelneming in ’t geen er voorviel, maar om ons tegen te staan.
Ik was vast besloten den strijd niet op te geven.
“Volstrekt niet, Freule,” beet ik haar toe. “Uw grootvader is de eenige rechthebbende op het kasteel, en zijn testament, dat u zijne rechten overdraagt, is niet van kracht bij zijn leven!”
“En dan nòg,” verzuchtte von Zwenken. “Och! of zij den toestand inzag als ik....”
“Welaan, Oom! laat u niet door haar weerstand afschrikken; schrijf aan die heeren zooals ik u opgaf, en stoor u niet aan al het overige; gij weet te goed wat er volgen gaat, zoo gij het tegendeel deedt.”
“Hij geeft u leugens in de pen, hij hecht aan zijn millioen, dat is duidelijk!” riep Francis tergend.
“Zoo doe ik, Freule!” hernam ik, haar fier en vast in de oogen ziende, “en allermeest om u. Gij zijt mijne verloofde en wij hebben geen tweeërlei belang.”
“Francis! Francis!” vermaande de generaal, wien het hachelijke van den toestand tot een ongekende hoogte van moed opvoerde, “gij raast tegen een man die de edelmoedigheid zelf is, die ons allen in het verderf kan storten en die niets wil dan ons redden, als gij de reddende hand maar wilt aangrijpen.... Vergeet het niet, hij kan de Werve laten verkoopen, als wij die niet bij vrijwillige overeenkomst in zijne handen stellen.”
“’t Is mogelijk! ’t is mogelijk, dat hij in ’t geheim de macht heeft weten te verkrijgen om ons als bedelaars van de Werve te verjagen, maar hij kan mij toch niet dwingen zijne vrouw te worden,” voegde zij hem toe.
Och, zij was toch verschoonlijk; allerlei smart en teleurstelling trof haar tegelijk; twijfel aan mij en de zekerheid dat haar grootvader haar bedrogen en geruïneerd had! Moest een karakter als het hare niet tot woestheid toe geprikkeld worden? Maar zoo mild en verschoonend toonde ik mij niet aan haar in dien oogenblik.
“Dat zullen we zien!” antwoordde ik vast, en zeker wat forscher dan ik zelf had gewild, want zij liep op mij toe met een drift, die waarlijk erger dan snerpende woorden te duchten gaf.
“Dwang, dwang! Mij dwang aandoen?” riep ze heftig en forsch; maar toch trad zij terug voor den blik dien ik op haar richtte, die blik waarvan men mij gezegd had, dat hij mij op den tempelheer gelijken deed.
“Gij, Leo!” mijn naam ontsnapte haar als een diepe weeklacht; zij deinsde af tot in den uitersten hoek van het vertrek en bleef staan zoo stijf gedrukt tegen het goudleeren behangsel, of zij zich daarmee vereenzelvigen wilde.
Ik wist dat ik haar verslagen had, maar zij was daarom niet verzoend.
“Dwang, Francis! als het moet,” hervatte ik; “maar ik ben er zeker van, er zal geen andere dwang noodig zijn dan die van uwe eigene consciëntie, die u zeggen zal, dat gij mij voldoening schuldig zijt. Vaarwel! ik ga heen om u rust te laten tot kalm beraad, maar toch, bedenk u niet te lang, want.... ik ben maar een mensch en mijne lankmoedigheid is, vrees ik, niet grenzenloos. Gij hebt mij in mijn eergevoel gekwetst; gij hebt mijn hart gewond; laat die wonden niet te lang bloeden; want ze zouden ongeneeslijk kunnen zijn.”
Ik wierp nogmaals een blik op haar, nu met zacht verwijt, maar zij zag mij strak en wezenloos aan, of zij niets meer begreep. Ik schudde den generaal de hand, die zwijgend het hoofd boog met tranen in de oogen, en ging langs Francis voorbij, zonder meer naar haar om te zien.
Rolf liep mij na en smeekte mij, niets van alles wat Francis mij aangedaan had ernstig op te vatten, en bovenal het kasteel niet te verlaten.
“Zoo is zij, als er eens iets bij haar inslaat,” sprak de goede stakkerd; “maar over een uur zal zij berouw hebben, ik ben er zeker van; de bui was te hevig om lang aan te houden.”
Doch mijn besluit was genomen. Ik beval aan Frits, die mij met stomme verbazing aanstaarde, het wagentje van de Pauwelsen te laten voorkomen, en ging naar mijne kamer om mijn koffer te pakken, langzaam en werktuigelijk, dat beken ik, en altijd luisterend of ik ook een welbekenden stap de trap hoorde opkomen, of niet een driftige tik op de deur mij Francis zou aanmelden, berouwvol en gereed ter verzoening. Maar die hoop werd deerlijk teleurgesteld; zij kwam niet; zij was nog niet ontnuchterd uit den roes, want bij haar was in waarheid de toorn eene kortstondige dronkenschap.
Zoo de hoop mij niet eenigszins opgericht had gehouden zou ik verpletterd zijn geweest. Het was ook schrikkelijk, in de haven te zijn en nòg schipbreuk te lijden! Zóó wakker geschud te worden uit den zaligsten droom der liefde; neen! geen droom, de werkelijkheid werd verdrongen, in het uiterste contrast met de liefelijke beloften der eerste. Wie mij dat een uur te voren geprofeteerd had, zou ik helder hebben uitgelachen! En toch, dat was dezelfde vrouw, dezelfde die als aan mijne voeten had geknield, en mijne hand had gekust in de verrukking der liefde, zij die nu als eene furie tegen mij woedde en mij zoo onbarmhartig verstiet.
En dat was geene coquette, die met valsche teederheid mijn hart had verwonnen, om het met koele wreedheid te vertreden in hetzelfde uur. Neen! zij was waar in de overgave der liefde als in de wilde smart van haar toorn; zij leed zelve; zij leed mogelijk meer nog dan ik; zij was ondanks alles achtenswaardig in hare verontwaardiging, al berustte die ook op eene misvatting. Bij later, kalmer zelfonderzoek moest ik bekennen, dat ik rechter, opener weg had kunnen gaan, bij een karakter als het hare, dan dien ik had ingeslagen; maar toen ik den eersten stap deed moest ik ook bij haar nog in den blinde tasten en voorzichtig zijn, en later volgde uit de eerste schrede iedere andere. Ik heb dit alles geboet met bittere zielesmart, met een lijden, dat ik nu niet meer herdenken of beschrijven wil.
Ik wist wel hoe ik op staanden voet hare achting had kunnen herwinnen: met afstand te doen van de erfenis; en ik beken u, dat ik er eene wijle aan dacht; maar beter beraad zeide mij dat het een don Quichotisme zou zijn, waardoor niemand ware gebaat en dat ons allen aan armoede en ellende prijs gaf. Zeker is het, dat alle schatten van tante Roselaer mij niet zooveel geluk kunnen aanbrengen als Francis alleen, zoo zij zich eindelijk gewonnen geeft; maar even zeker is het, dat zij die fortuin niet ontberen kan, als zij voldoen moet aan alle verplichtingen, die zij nu eenmaal onafwijsbaar acht. Zij heeft gezond verstand genoeg om dit zelve in te zien als zij kalmer zal zijn; daarom is het noodig dat zij den geheelen toestand en mijne handelwijze daarin helder kan overzien. Daartoe zond ik haar, zoodra ik te Z— was aangekomen en mij eenigszins had hervat, den brief van tante Sophie, dien ik kieschheidshalve had willen terughouden. Ik voegde er slechts enkele woorden bij, overtuigd dat de waarheid voor zich zelve zou spreken. Zij kon er ten minste uit leeren dat ik zoomin om de erfenis had geïntrigeerd als zij, en dat zoo de testatrice de middelaarster was geweest van onze kennismaking, het verkrijgen van hare hand voor mij niet was het middel om in ’t bezit der erfenis te geraken, en dat mijn volharden tot het uiterste geschiedde om harentwil en om dien van haar grootvader, geenszins uit lage belangzucht waarvan zij mij zou moeten vrijpleiten.
Daar het omslachtig schrijven van Tante R— een pakket vormde dat te zwaar was voor de post, vertrouwde ik het aan den kellner om het met den vrachtrijder mee te geven, die elken dag geregeld op de Werve verscheen. Gerust op de bezorging, gaf ik mij over aan de hoop op een goede uitkomst en verkeerde dien dag in eene vreeselijke spanning, die met ieder uur klom en, toen er tegen den avond noch brief noch bode verscheen, mij alle verwisseling van hoop en vrees tot volslagen wanhoop deed doorgaan. Ik bracht den bangsten nacht van mijn leven door, en toen de morgen daagde, en een deel van den middag verliep zonder dat er eenig bericht van de Werve kwam, overviel mij eene gewaarwording van leegte en onverschilligheid; de uiterste graad van mismoedigheid; in dien toestand had ik maar één verlangen: te Z— alles af te doen wat nog door mij verricht moest worden, en naar den Haag terug te keeren.
Overberg wilde met alle geweld dat ik nog blijven zou. Ik weet niet of hij iets begreep van mijn toestand, maar ik verzweeg hem mijn échec en wendde voor, dat ik om eene dringende zaak naar huis moest. Om hem te voldoen teekende ik alle stukken, die hij mij voorlegde, gaf hem de volmacht die hij begeerde en nam afscheid met de verzekering, dat ik terug zou keeren zoo ras de aangelegenheden in den Haag het mij vergunden.
Inderdaad riep er mij niets dan mijn eigen verlangen en die onweerstaanbare begeerte om thuis te zijn, als men zich onwel gevoelt. Zoodra ik maar weer terug was in mijne eigene rustige kamer, zou ik beter worden, en alles zou goed gaan, stelde ik mij voor; desnoods zou ik weer werken om mij te retrempeeren! nam rijtuig tot aan het eerste station, en kwam in den laten avond waar ik zijn wilde, waar ik genezing hoopte te vinden.
Z— Juni 186....
“Als gij mij schrijft, Willem, na de ontvangst van mijn laatsten, adresseer dan uw brief te ’s Hage aan het gewoon adres, want ik ga reizen; ik weet vooreerst nog niet waarheen ik zwerven ga, en ik heb mijn appartement aangehouden als een pied à terre in de residentie.
In plaats van in mijn sweet home de kalmte te herwinnen die ik zocht, werd ik ernstig ziek, reeds den eersten nacht van mijn thuiskomst. Het was eene zenuw-zinkingskoorts, die mij zeker reeds door de leden woelde, toen ik zoo onstuimig, zoo ondanks alles naar de rust van mijne eigene kamer verlangde; maar die zich eerst in volle kracht openbaarde, toen ik daar eenzaam nederlag.
Wat er verder met mij gebeurd is, weet ik niet; ik weet alleen, omdat mijne hospita, die mij trouw heeft opgepast, het mij heeft verteld, dat er nog weer veertien dagen verliepen, eer ik het tijdperk van convalescentie intrad. Ik hoorde van haar dat tal van vrienden naar mij waren komen vragen en kaartjes hadden afgegeven. Ik vond er zelf een van mijn oom den minister, die in persoon naar mij was komen informeeren, en die de juffrouw op het hart gedrukt had mij toch trouw te verzorgen en moeite noch kosten te sparen; hij stond voor alles in, de edelmoedige!—het gerucht dat ik millionair was geworden had zich heinde en ver verspreid. Toen ik weer lust had de brieven in te zien die er voor mij gekomen waren, vond ik allerlei berichten en bescheiden van Overberg en van Beek, die mij reeds wee maakten bij den eersten oogopslag en die ik met walging ter zijde schoof; maar ik schrikte toen ik een strikt beleefd, maar zeer officieel briefje vond van Willibald, die mij het overlijden meldde van mijn oud-oom von Zwenken, en uitnoodigde om den overledene de laatste eer te komen bewijzen. Uit de dagteekening berekende ik, dat het nu al ruim drie weken geleden was. Hoe was het intusschen Francis gegaan?
Zeker was zij nog altijd tegen mij ontstemd; zij scheen niets van mijne ziekte te weten, dat zij mij dit verzoek liet doen; en ik.... ik had haar geen woord van troost en bemoediging kunnen toespreken. Wat moest zij van mij denken? Wie weet hoe die mannen van de wet haar intusschen gekweld hadden en.... ik had niets kunnen verhinderen! Ik wachtte het bezoek van mijn dokter, ik wilde hem vrijheid vragen naar Z. terug te keeren. Daar hoorde ik gehaspel op de trap, de juffrouw die iemand wilde tegenhouden, die blijkbaar doorging, haars ondanks en de kamer binnenstormde zonder complimenten. Ik schrikte, ik vloog op, den komende te gemoet.
Rolf stond voor mij, zelf ontdaan en blijkbaar wat verlegen dat hij mij zoo overviel. Ik dacht aan niet anders dan aan de zekerheid dat hij tijding kwam brengen van Francis. Wij drukten elkander de hand, beiden met tranen in de oogen.
“Moeten wij elkander zoo weerzien, mijn goede kapitein?” begon ik, hem een stoel wijzende.
“Mijn generaal overleden,” snikte hij, “in mijne armen; Francis was er niet eens bij.”
“En uw Majoor?” vroeg ik, om hem weer op dreef te brengen.
“Och spreek er niet van....”
“Spreek Rolf, zij is toch wel?”
“O, ja! wat de gezondheid aangaat dat schikt nog al, zij is sterk, zij kan wat verdragen; overigens....”
“Wat dan! hoe gaat het tegenwoordig op de Werve, dat gij hier zijt?”
“Zoo slecht als het maar gaan kan. Ik ben hier omdat zij mij weggejaagd heeft!”
“Weggejaagd, Rolf! Ik dacht niet dat zij tot zoo iets in staat was.”
“Zij heeft mij ook niet verjaagd uit boosheid, maar omdat zij zelve toch ook niet blijven kon.”
“Niet blijven kon? Is zij dan niet meer op het Kasteel?”
“Neen, zij is zoolang bij de Pauwelsen....”
“Hoe lang? waar wil zij heen?”
“Dat weet ik niet, dat weet ze denkelijk zelve niet; mij althans heeft ze ’t niet willen zeggen.”
“Ze gaat zeker haar intrek nemen bij Willibald!”
“Neen, dat geloof ik niet; want dien heeft ze laten wegtrekken zonder hem iets te zeggen; daarbij, die is majoor geworden, en zijn garnizoen is in Noord-Brabant. Neen; die is er buiten.”
“Maar ik bid u, vertel mij geregeld wat er gebeurd is.”
“Och! de generaal heeft niet den moed gehad het tegen haar vol te houden en zoo decisief aan de heeren Overberg en van Beek te schrijven als gij dat hadt aangeraden. Daar alles dus zoo wat in ’t ongewisse bleef, en er ook geen antwoord kwam op hunne brieven aan u, ik begrijp nu wel waarom, schenen die praktizijns niet langer geduld te willen nemen, en heeft Overberg, zeker daartoe door den Utrechtschen collega opgezet, zich rechtstreeks tot de freule gewend om te weten of zij zich al dan niet met u verloofd achtte? Gij begrijpt jonker, wat haar antwoord is geweest; ik heb het zelf voor haar overgeschreven, want zij had het zoo wild en ruw gekrabbeld, dat het onleesbaar was. Het was zeer droog en kortaf, maar er kwam geen woord in voor om u te blameeren, dat kan ik u verzekeren.”
“Ben ik dan nu gerechtvaardigd in hare oogen?”
“Dat zou ik niet kunnen zeggen; ik weet alleen dat zij zich zelve bittere verwijten doet, en dat het uitgekomen is zooals ik zeide, reeds denzelfden dag.”
“Reeds denzelfden dag nadat zij mijn pakket heeft ontvangen?”
“Zij heeft niets van u ontvangen, dat weet ik zeker.”
“Dat is vreemd!”
“Neen! dat is niet vreemd, want alles is bij ons zóó in de war geraakt op dien noodlottigen Vrijdag! maar.... ik zie daar sherry staan, mag ik zoo vrij zijn?”
“Welzeker, kapitein! schenk u zelven maar in, en ga dan voort als ik u verzoeken mag.”
“Nu dan, toen gij weg waart is zij flauw gevallen, en dat is haar leven lang nog nooit gebeurd! Ik schaamde mij haast over mijn cordaten majoor; maar zij had u zoo lief; ze heeft het mij later onder tranen bekend; en toen wij haar hadden bijgebracht en meenden dat zij wat uitrustte in hare kamer, is ze stillekens ontsnapt, naar de Pauwelsen geloopen, heeft haar Tancred laten voorkomen en is uitgereden! Uren ver, naar wij dachten; maar dat kwam toch anders uit.”
“Zulke wijze van zich te hervatten lijkt op haar.”
“Niet waar? zoo is ze; maar wij werden vreeselijk ongerust toen ze niet aan tafel verscheen; nu, wij hadden zelven ook geen eetlust, de generaal en ik; maar toen het begon te schemeren, en toen de jonge Pauwels kwam waarschuwen dat Tancred alleen thuis gekomen was, schuimbekkend en zonder zadel....”
“Een ongeluk!” viel ik in; “zeg eerst hoe zij er afgekomen is.”
“Nogal zoo erg niet, Jonker! een verstuikte voet en schrikkelijk in de war toen wij haar vonden bij den grooten eik dicht bij ’t kasteel, waar zij naar toe gekropen was om op het mos uit te rusten.”
“O! ik ken dien boom!” riep ik smartelijk; “ik voel zoo hoe het dáár geweest moet zijn.”
“Heel slecht, zooals ik zeide; zij riep ons toe dat wij haar dáár moesten laten sterven, en dat wij het u moesten zeggen.”
“Zij heeft mij nóg lief!” juichte ik.
“Wat dat betreft, jonker, dat’s maar al te waar, en dat is erg genoeg na alles wat er verder gebeurd is. Het bleek dat zij in een wilden galop voortgejaagd had tot dicht bij de stad; dat ze toen van richting was veranderd en door het bosch heen naar huis had willen rijden, maar dat ze Tancred wat te forsch heeft aangezet, of wel de teugels in hare mijmering heeft laten vallen, zij weet het zelve niet meer; genoeg, dat het brave beest, aan haar vaste en ferme hand gewoon, zijne meesteres niet meer herkend heeft in hare beurtelings woeste en achtelooze luim; ’t is hem gaan vervelen, en hij heeft het naar zijn eigen zin op een loopen gezet; zij, uit den zadel gevallen, schijnt een tijdlang bewusteloos gelegen te hebben, gelukkig niet al te ver van huis. Pauwels en ik beurden haar op en brachten haar in ’t salon op de canapé. De chirurgijn verklaarde het geval voor niet heel beduidend maar het hield haar toch verscheiden dagen aaneen op diezelfde plek geboeid.”
“En waarom mij dat niet terstond bericht?”
“Hm! zóó als gij vertrokken waart.... eigenlijk ik wilde wel, en zij ook, ja; ik mag het niet zeggen, maar zij heeft u een briefje geschreven.”
“Dat mij niet bezorgd is?”
“Neen, want de jonge Pauwels was belast het in uwe eigene handen te geven, en toen hij te Z— aankwam, werd hem gezegd dat gij reeds vertrokken waart, en dat alle brieven en berichten voor u bij Overbeek moesten bezorgd worden, maar daartoe had Pauwels geen order; hij kwam met het briefje terug.”
“Te laat!” sprak Francis met een bitteren lach. “Ik dacht wel dat het zoo zijn moest; ik heb niet beter verdiend; nu is het uit!” en zij verscheurde het biljet.
“O, had ik dat alles kunnen voorzien!” riep ik, de handen voor de oogen houdend; ik wilde nog mijne zwakheid verbergen.
“Ik had u geraden te blijven; waarom zijt gij ook zoo spoedig weggevlucht?”
“Ik voelde dat ik ziek zou worden, ik was al ziek; ik ook had haar een pakket gezonden en verbeeldde mij, dat zij terstond antwoorden zou op dat schrijven, of nooit. Het duurde tot den derden dag; ik kon het niet langer uithouden.”
“En gij zegt dat het haar goed gedaan zou hebben als zij dien brief las?”
“Zij zou er ten minste uit geleerd hebben mij met andere oogen te zien.”
“Die verwenschte verwarde boel bij ons, toen zij eens van de been was, is er oorzaak van dat zij ’t niet gekregen heeft. Frits legt maar stompweg alles bij de papieren van den generaal.”
“Die zou het haar zeker overhandigd hebben.”
“Neen; want hij zelf zat als verlamd in zijn armstoel, en hij gromde als de post of de bode iets van brieven of pakketten aanbracht. Frits durfde hem met niets meer aankomen. Daarbij was hij vergramd op de freule en had bijkans geen deernis met haar ongeval. En toen zij nog maar even weer op de been was, begon dat lieve leventje met die verduivelde practizijns, die tegen den generaal begonnen te ageeren en met executie dreigden. Toen moest hij wel kennis nemen van deurwaardersexploiten en al dat gerei, en, helaas; de freule ook, want haar ongelukkige grootvader was al bij den eersten schok door eene herhaling van de vroegere attaque overvallen en lag er nu toe. Francis moest voor alles staan en had er volstrekt geen verstand van en ook geen geduld. Dit alles heeft mijn armen vriend den dood gedaan, en ik, ongelukkige brekebeen, ik kon niets verhinderen!”
De kapitein vergat te zeggen, wat ik later vernam, dat hij, door zijn vriend een glas ouden cognac toe te dienen om hem moed te geven, het zijne bijgedragen had tot den snellen afloop.
“Het weinigje dat ik bezit in den zinkput te werpen van al die schulden, zou eene stommiteit zijn geweest, en die beging ik ook niet. In ’t kort, toen wij, Willibald en ik, met nog een paar oude krijgsmakkers den generaal de laatste eer hadden bewezen (wij hadden op u al niet meer gerekend, schoon gij voor den vorm waart uitgenoodigd), toen moest er nog weer een andere bureaurot worden ingehaald: de notaris uit Arnhem, die het testament van den generaal onder zijne berusting had en die in ’t eerst aan Francis raadde, geene concessies te doen aan den erfgenaam van freule Roselaer, die als eerste en voornaamste crediteur opkwam; maar na ampele discussies tusschen hem en Overberg kwam hij weer met een ander advies voor den dag en raadde haar, de minnelijke schikking aan te gaan, die opnieuw werd voorgesteld; maar gij begrijpt wel hoe weinig zij daarin konde treden, te eer daar alles wat men tegen haar grootvader had gedaan geschiedde als uit uw naam, door uw last.”
“Ik ongelukkige, die bewusteloos op mijn ziekbed neerlag.”
“Dat wisten die farizeën ook wel, maar zij hadden zooals bleek, uwe volmacht, en Francis kon niet anders denken dan dat men haar vervolgde met uwe voorkennis, naar uwe bedoeling. Dat juist was haar onverdragelijk. “Dit is nu die dwang waarmee hij mij gedreigd heeft;” sprak zij met bitterheid; “en hij meent, dat hij mij daardoor zal overwinnen! Nooit! Hij kan mij alleen dwingen van mijn ouderlijk erfdeel afstand te doen en hem het veld ruim te laten.”
Haar notaris sprak wel van den boedel te aanvaarden onder benefice van inventaris, maar zij had daar geen ooren naar; zij wilde goed en kort van alles af zijn en de praktizijns onder elkander laten haspelen en stukken opmaken zooveel zij wilden. Eén oogenblik heb ik haar zwak gezien. Dat kantoorvolk was gekomen om alles op te schrijven wat er in huis te vinden was. Ik schaamde mij innerlijk om het armelijk boeltje, maar de freule bleef kalm, waardig en laatdunkend, zooals zij zijn kan als zij hare koppige buien heeft, en alles ging goed totdat wij aan de groote logeerkamer naderden. Toen zag ik haar bleek worden (de kapitein werd zelf bleek en schonk zich weer een glas sherry in om zich op te frisschen) en zij wierp mij de sleutels toe, terwijl zij mij toefluisterde: “Ik kan daar niet meer binnen gaan!” en ze liep ijlings heen.
“Zooveel teerheid van gevoel!” verzuchtte ik, “en toch....”
“Zoo uitvallen als zij eene opvatting heeft, niet waar?” viel hij in. “En dat tegen u, die anders zoo goed met haar terecht kon! Jammer, eeuwig jammer dat het misverstand niet terstond weer is bijgelegd.”
“Het zal nog bijgelegd worden, ik verzeker het u.”
“Ik vrees dat het nu te laat zal zijn.”
“Zeg dat niet! Dat kan ik niet hooren, dat wil ik niet gelooven.”
“Ik wil ’t ook liever niet gelooven, maar ik vrees toch dat wij het zullen zien; zij is zoo koppig als zij hare onverzettelijke buien heeft, en zoo slim daarbij. Wilt gij weten hoe zij ’t aangelegd heeft om mij met een zacht lijntje te verwijderen?”
“Heel graag!”
“Rolfie!” zei ze, want ze weet je zoo te vangen als ze wat met je voorheeft; “Rolfie! biecht nu eens eerlijk op: heb je niet het grootste deel van je erfenis met mijn grootvader doorgebracht?”
“Wis en zeker niet, ma .... freule!” mocht ik zoo zeggen. “Wat we samen verteerd hebben was maar een sommetje, dat ik er zoo stilletjes voor apart hield en dat mij om zoo te spreken in den schoot was geworpen; want het kwam van een gelukkig lot in de loterij. Jammer dat het maar een achtste was en dat wij het nog met ons beiden hadden, de generaal en ik. De generaal beproefde of hij met zijn deel niet nog betere zaken kon doen, wat hem helaas nooit is gelukt. Ik koos de partij om van het mijne samen maar eens goed te leven.”
“En de erfenis was dus maar een fabeltje?” vroeg zij streng.
“Wel neen, freule! Die bestaat in eene kleine boerderij in ’t Noordbrabantsche, waar ik de rente van trek en waar ik mij dacht te retireeren als de freule eens.... ik durfde niet meer zeggen: kwam te trouwen; ik zei dus: als de freule mij niet meer gebruiken kan.”
“En kunt ge daar dan goed leven kapitein?”
“Dat zal heel wel gaan; mijn pensioen er bij.... Mocht de freule nu maar besluiten kunnen daar met mij heen te gaan, dan zouden wij al een heel lief leventje kunnen hebben samen.
’t Is in die streken nogal goedkoop, en al is het geen kasteel, daar zou nog wel een goede kamer zijn voor de freule.”
“Dank je hartelijk, brave kapitein! maar zoo is ’t niet gemeend. Als gij het er maar vinden kunt voor u zelf is het genoeg. Maak dan maar gauw dat ge er komt.”
“Maar freule! van u scheiden! U hier alleen laten?”
“Ik blijf hier ook niet, en bij ’t geen ik te doen heb zoudt gij mij maar in den weg zijn.”
“Maar wat wilt gij dan doen?”
“Waar vraagt gij naar? Als ik het zeggen wilde wist gij het immers al! kreeg ik toen, en of ik hoog of laag sprong, zij wilde mij kwijt zijn en ik moest gaan.” En de karaf met sherry werd nogmaals aangesproken om het verdriet te verzetten dat maar al te duidelijk op zijn vervallen gelaat te lezen stond. “En zóó ben ik heengegaan,” ging hij voort; “maar ik dacht zoo bij me zelve: ik zal den weg nemen over den Haag, toen ik hoorde dat de jonker ziek was en mogelijk van niets wist.”
“Een mooie omweg, beste kapitein!”
“Het doet er niets toe, ik heb zoo’n haast niet. Zij had haast om mij weg te zenden, en dat beduidt niets goeds.”
“Dat vrees ik ook. Weet gij wat gij doet, Rolf?”
“Neen, jonker! Wat raadt ge mij?”
“Dat ge hier nog een uurtje uitrust en dan ijlings naar de Werve terugkeert.”
“Maar zij is er denkelijk niet meer, en die verfoeielijke praktizijns zijn er nu zeker al de baas.”
“Ja, maar ik ben er meester, en ik zal u een brief meegeven, om hen te doen berusten in ’t geen ik verlang. Gij zijt commandant van de vesting tot nader orde, en Frits moet er ook blijven.”
“Ja, die is er nog als huisbewaarder.”
“Ik volg zelf morgen of overmorgen, als ik het met mijn dokter kan vinden. En gij maakt er intusschen werk van om dat pakket terug te krijgen.”
“Het zal met al de papieren en brieven van den generaal bij Overberg zijn beland.”
“Informeer u daarnaar en houdt Francis in ’t oog; zie haar naar de Werve terug te lokken, maar zeg niet dat ik kom, dat mocht haar afschrikken. Ik ga daarbij weer te Z. logeeren.”
Ik had nog niet uitgesproken of mijne hospita meldde zich aan met een telegram, waarvan ik het reçu had te teekenen. Het was van Overberg en van den volgenden inhoud:
“Tegenwoordigheid onverwijld noodig: geene schikking te treffen. F. M. kasteel verlaten.”
“Daar heb je ’t al,” zei Rolf, terwijl hij zijn laatste glas sherry ter zijde zette.
“Weet gij wat, kapitein! ik zal mijn dokter vóór zijn; hij mocht mij eens de reis niet toestaan. Help mij maar wat pakken, en we gaan samen.”
Onder die reisaanstalten werden wij toch overvallen door mijn Esculaap, die wel wat voorzichtigheid raadde, maar toch begreep, dat er toestanden zijn waarin de zwakheid des lichaams vergeten moet worden voor den aandrang des harten. Ik had hem wel iets van mijn hartsgeheim moeten opbiechten.
In het logement te Z. aangekomen, vond ik een briefje van Rudolf, die nog altijd in de provinciën Gelderland en Overijsel rondreisde met zijn gezelschap en nu te L., waar het kermis was, eenige representaties gaf. Hij scheen te onderstellen dat ik niet weg geweest was en dat alleen de brouille met Francis mij van de Werve terughield in de laatste weken. Hij schreef mij het volgende:
“Zoo gij Francis terughouden wilt van de grootste dwaasheid, die zij nog heeft begaan, zorg dan morgenochtend omstreeks negen uur met mij samen te treffen in het logement te Halfweg tusschen L. en Z. Gij zult daar vernemen wat zich moeielijk laat schrijven.
R.”
Ik had dien avond nog eene entrevue met Overberg, die mij op de hoogte, ik zou eigenlijk moeten zeggen op de laagte, bracht van den gang dien de zaken hadden genomen. Daar was geene overeenkomst met Francis te treffen, die daarenboven de Werve verlaten had zonder een adres op te geven. Men moest volgens van Beek tot den publieken verkoop van dat kasteel overgaan, maar Overberg, die mijn tegenzin in dit geweldig middel kende, had de hand daartoe niet willen leenen vóór mijne herstelling en zonder mijne definitieve toestemming. Ik deed hem inzien, dat er nog geene haast bij was, en na wat over en weer sprekens deelde hij mijne zienswijze, Tante Roselaer had wraakzuchtige intentiën gevoed tegen den generaal, maar geenszins tegen Francis, en nu deze alleen overbleef was er geen reden om haar te verontrusten en te verdrijven. Aan de eischen der wet moest voldaan worden, aan het voorschrift der testatrice evenzeer; eene beslissing moest er genomen worden; dat is alles waar, maar ik zag niet in, waarom men haar geene maanden zou geven terwijl men haar nauwelijks weken had gegund. Overberg stemde dit toe. Blijkbaar had de oude freule het goed met haar gemeend. De collega dien van Beek had gebruikt om het testament te maken, waarin hij als executeur werd bevoordeeld, had aan Overberg kennis gegeven, dat het nog een codicil bevatte, één dag voor haar dood er bijgevoegd, waarbij aan freule Francis Mordaunt na het overlijden van den generaal, en voor ’t geval dat haar huwelijk met jonker van Zonshoven niet doorging, een jaarlijksch inkomen werd verzekerd van drie duizend gulden, haar door den erfgenaam uit te keeren levenslang, zelfs al zij trouwde, onder de eenige voorwaarde dat zij geen huwelijk zoude aangaan zonder het goedvinden van haar neef jonkheer Leopold van Zonshoven. Zeer zeker had de schrandere vrouw dit correctief bedacht om Francis te weerhouden van een onberaden huwelijk, waarvoor zij haar in staat achtte. Bij de onwaarschijnlijkheid dat zulk een geval zich zou voordoen, vond ik de conditie voor haar niet te hard; maar ik belastte Overberg er mee, haar daarvan officieel kennis te geven. Zij zou dat bericht dan vinden als zij naar de Werve terugkeerde. Zij zou er ook mijn pakket vinden, dat werkelijk in handen van den procureur was geraakt, met de papieren van haar grootvader, en waarvan hij het adres had erkend als van mijne hand. Hij had het terstond na die ontdekking naar het kasteel opgezonden, maar zij zelve was er toen reeds niet meer.
“Het heeft zoo moeten zijn, jonker!” sprak hij, de schouders ophalend, nadat ik hem medegedeeld had, dat ik zeer op den inhoud van dat pakket rekende om hare stemming jegens mij te veranderen; maar ik verzweeg hem zorgvuldig de samenkomst die ik met Rudolf moest hebben. Er was sprake van eene dwaasheid die Francis stond te begaan, en ik was wat bang voor de Z—sche praatjes.
Tegen het aangewezen uur liet ik mij den volgenden dag naar het zoogenaamde huis te Halfweg brengen, eene uitspanning waar des zomers buitenpartijen worden gehouden en waar men des middags gaat theedrinken, maar niet eigenlijk een logement, en waar het in dit morgenuur bijzonder stil was. Ik noemde volgens Rudolfs opgave mijn naam, en vroeg of de heer gekomen was dien ik spreken moest.
“Ja, de heer en de dame zijn al boven; als mijnheer de trap maar blieft op te gaan, en dan de deur rechts; schellen als de heeren van iets gediend blieven!” gaf de man ten antwoord, die het op zijne aanwijzingen liet aankomen zonder mij geleide te geven. Zij waren dan ook niet gecompliceerd, en ik vond zelfs de deur aanstaan. Ik bevond mij in een zaal met witte muren en houten met zand bestrooide vloer, waar zeker voor veertig menschen, en meer, ruimte was om aan verschillende tafeltjes plaats te nemen; maar in ’t eerst zag ik er niemand, en ik moest langs een hoop opeengestapelde stoelen voorbij eer ik Rudolf bemerkte, die aan het uiterste einde der zaal stond, waar een tribune was opgericht voor een orchest. Hij was niet alleen, hij was in een druk gesprek met Francis!
Zij stonden met den rug naar mij toegewend, en ik moest mij een oogenblik op den achtergrond houden, om mij te herstellen van den schok dien dat plotseling weerzien bij mij teweegbracht. De uitroep dien ik had willen slaken stokte mij in de keel; zoo moest zij mij niet zien. Ik ging wat zijwaarts af en kon als verscholen blijven achter de pyramide van stoelen.
De stem van Rudolf klonk schetterend door de zaal toen hij sprak:
“Nonsence, Francis! ik die er nogal zoo iets van weet zeg u, dat het een radeloos beginnen is; gij kent dat leven niet, dat gij u voorstelt als het ideaal van vrijheid en levenslust. Het is integendeel de gebondenheid zelf, met de zweep er achter! Meent gij misschien dat de chambrière bij ons alleen gebruikt wordt voor de paarden? en dat men er de vrouwen spaart omdat men ze ten aanzien van ’t publiek met galanterie in den stijgbeugel helpt? Gij vergist u deerlijk, arm kind!”
Al sprekende had Rudolf zich even omgekeerd en mij opgemerkt; snel bracht hij den vinger aan den mond om mij het zwijgen aan te bevelen, en hij ging voort: “Wij worden gestraft in onze beurzen en aan den lijve, van den geringsten staljongen af tot Madam Stonehorse toe, aan wie zelve zoomin eene fout gepasseerd wordt als aan ons. En onder dien troep zoudt gij willen zijn, gij! een kruidje-roer-mij-niet op het punt van kieschheid en fijngevoeligheid! Ik zou, op mijn woord, geen slechter métier weten uit te denken voor iemand als gij zijt; en ’t is alleen omdat gij er niets van weet, dat het denkbeeld daaraan in u kon opkomen.”
“Er is geen ander waar ik voor bekwaam ben! Ik kan met paarden omgaan; maar ik kan geene gouvernante van kinderen zijn; ik kan schermen en exerceeren, en ik zou beide evengoed te paard kunnen doen als te voet; maar ik kan niet voor gezelschapsjuffrouw spelen bij eene dame, en ik ben veel te onhandig in ’t naaien en borduren om daar mijn brood mee te verdienen. Zelfmoord is eene zonde die ik niet wil begaan; ik heb daarbij plichten die mij gebieden te leven, al is het leven mij niets meer dan eene marteling; dus schiet mij niets anders over, dan dàt wat ik u verzocht voor mij te bemiddelen.”
“Maar zottin! waarom ziet gij het eenige voorbij dat u wezenlijk past! Waarom verzoent gij u niet met uw neef van Zonshoven? dan hebt gij alles ineens wat gij maar wenschen kunt; uw kasteel terug, de fortuin, en een man die u liefheeft, daar verwed ik mijn hoofd onder!”
“Ja, een loyaal man inderdaad! dat’s gebleken,” antwoordde zij met een doffe stem, waaruit mij onbeschrijfelijke bitterheid toeklonk.
“Bah! hij is op zijn ergst een klein weinigje onoprecht geweest; dat is eene peccadille, die gij hem licht kunt vergeven; een leugentje om bestwil zondigt niet, en ik sta er voor in, dat hij u om bestwil zoo wat om den tuin geleid heeft. Hij zal u ook wel eens wat te vergeven hebben; gij hebt hem immers naar uwe eigene getuigenis grof behandeld; gij hebt u zelf bij mij aangeklaagd, dat gij hem onrecht hebt gedaan! welnu! zeg hem dat, val voor hem in de schuld, en alles zal goed zijn.”
“Dat is onmogelijk, ik heb het immers al gezegd,” hernam zij met ongeduld; “dat is nu te laat.”
“Waarom te laat, Francis?” sprak ik, nu snel vooruittredende, “als ik u verzeker dat het nog tijd is!”
“Leo!” riep zij doodsbleek, en als ineenkrimpend onder hare smartelijke aandoeningen, viel zij op een stoel neer en bedekte zich het gelaat met beide handen.
“Francis!” hervatte ik zacht, terwijl mijne ontroering in de stem trilde, “er is nog niets tusschen ons veranderd ik zie nog altijd in u mijne verloofde.” Al sprekende had ik even mijne hand op de hare gelegd. Het was of die aanraking haar pijn deed. Als met een schok sprong zij weer op, nu met hooggekleurde wangen en onnatuurlijk fonkelende oogen.
“Uwe verloofde! ik heb dat begrepen uit de wijze waarop uwe handlangers met mij geleefd hebben.”
“Het grieft mij meer dan ik zeggen kan, Francis, dat men u lastig is gevallen, maar wijt dat niet aan mij; ik was ziek, ik was afwezend, en zoo men u verdriet heeft aangedaan, is dat wel zeer tegen mijne bedoeling geweest.”
“Zooals het tegen uwe bedoeling geweest is, mijn grootvader den schok toe te brengen, die hem den dood heeft aangedaan!”
“Zeer zeker is dat tegen mijne bedoeling geweest, en ik heb tot het uiterste volhard om dat te voorkomen, maar gij, gij zelve hebt niet gewild, en daarna heb ik niets meer kunnen verhinderen. Het was de toepassing van een uitersten wil, dien ik niet bij machte was te wijzigen. Zoo de vervolging, waarmee hij bedreigd werd, werkelijk den dood van uw grootvader, heeft verhaast beschuldig mij dan niet het eerst, Francis! maar tast in uw eigen boezem, en mij dunkt, gij zult bevinden, dat ik het met hem en met u beter gemeend heb dan gij zelve, die om een misverstand, dat bij eenig kalm nadenken zoo licht uit den weg ware geruimd, u zelve en hem in ’t verderf hebt gestort en mij zoo groote smart aangedaan. Gij hebt willen volharden bij uwe miskenning! gij hebt onverzoenlijk willen zijn; gij zijt het nóg; zoo wijt de gevolgen van het onheil dat gij hebt aangericht niet aan anderen, niet aan mij, die u nòg toeroept: het is niet onherstelbaar.”
“Niet onherstelbaar! o, Leo! Leo! hoe ver staan wij reeds van elkander, dat gij dit zeggen kunt,” sprak zij diep neerslachtig. “Gij hebt mij met dwang gedreigd en gij hebt mij werkelijk dwang aangedaan; gij hebt het in uwe macht gehad mij tot zulk een uiterste te brengen, dat de bestgezinde van uwe praktizijns telkens zijne omslachtige vertoogen besloot met denzelfden raad: een huwelijk met den erfgenaam van freule Roselaer; ik heb dien zoo dikwijls gehoord dat ik er van walg, en ik weet dat ze gelijk hebben uit hun oppervlakkig, materieel oogpunt gezien, maar, gij Leo; gij die weet hoe ik denk, hoe ik in onze verbintenis die vereeniging zag, waar liefde, waar hoogachting de vrije aan den vrije bond uit volle overgave van het hart, hoe kunt gij zeggen, dat er niets onherstelbaar is, waar het noodigste verloren is gegaan; waar gij het met uwe zaakgelastigden zóó ver hebt gebracht dat het huwelijk met u mij door den nood zou worden opgelegd. Als ik dàt huwelijk kon aangaan, Leo! meent gij dan, dat ik niet aan de keten zou schudden tot die ons beiden te zwaar werd, tot zij brak?”
“Gij hebt gelijk, Francis! als gij het zoo beschouwt; als gij mij niet met andere oogen kunt zien dan die van uw vooroordeel, dan is het uit, dan geef ik u dat woord terug, dat gij niet meer kunt houden, dan zijt gij vrij!”
“Mooi zoo, Francis! daar hebt gij wat gij gewild hebt; nu zijt gij losgelaten en vogelvrij, zooals ik, en dat’s voor eene vrouw als gij zeker wel het ergste waarmee God haar straffen, en Leo zich wreken kon.”
“Gij vergist u, Rudolf! Daar is geen sprake van wraakneming. Ik heb mijne verloofde haar woord teruggegeven, maar mijne nicht Francis Mordaunt blijft onder mijne bescherming.”
“Ik waardeer de bedoeling,” sprak Francis, zonder mij aan te zien met trillende stem, “maar ik heb een stap gedaan, die mij voorgoed van mijn verleden scheidt. Ik wanhoopte aan uwe edelmoedigheid, die mij de vrijheid zou geven; daarom heb ik het onmogelijke willen stellen tusschen u en mij. Ik heb eene overeenkomst gesloten met master Stonehorse, die reeds hier moest zijn, en master Smithson is gekomen om mij aan hem voor te stellen.”
“Uw oom Rudolf is hier om het uit alle macht af te raden, my dear! en als gij op master Stonehorse rekent, kunt gij lang wachten,” viel Rudolf uit.
“Alweer geen woord gehouden!” riep Francis hem toe met verontwaardiging. “Maar ik heb die teleurstelling verdiend, met nog eens op u te rekenen.”
“Ziet gij mij aan voor zoo dom of zoo slecht Francis! dat ik de hand zou leenen om u zulk een coup de tête te helpen volvoeren?”
“Zoo hebt gij mijn briefje niet aan uw directeur overhandigd?”
“Waarachtig niet! ik heb wat beters gedaan; ik heb Leo gewaarschuwd dat gij op het punt stond eene dwaasheid te begaan, die u onredbaar in ’t verderf zou storten.”
“Een komplot! dat is het wèl wat van lieden van uwe soort is te wachten. ’t Is genoeg! ik zie wel, dat ik op niets of op niemand meer rekenen kan dan op mij zelve, zoo weet ik wat mij te doen staat.”
“Stupid! Zij hecht er nog aan!” riep Rudolf met ergernis.
“Zoo doe ik, en sinds gij mij uwe bemiddeling weigert zal ik alleen naar L. rijden, waar master Stonehorse nog wel te vinden zal zijn.”
“Zij verdiende voor den duivel dat men haar haar gang liet gaan. Probeer het maar, doordrijfster! Als gij eens in zijne handen zijt, zult gij het levenslang met bloedige tranen beschreien; en het ergste is, dat je niet eens schreien moogt! Je moet lachen, lachen onder het snerpendste wee.”
“Welnu, ik zal lijden wat er te lijden valt; zoo zal ik boete doen voor ’t geen ik mij te verwijten heb.”
“Juist, eigenwillige boete! dat is in uw geest. U zelve niet sparen en eindelijk bezwijken van smart over het leed dat gij u zelve en anderen hebt aangedaan,” voegde ik haar toe.
“Niemand heeft zich meer om mij te bekommeren; ik ben immers vrij!”
“Maar niet om uw naam en afkomst schande aan te doen en u zelve dus weg te werpen.”
“Ik ben de laatste van mijn naam, en wat mijne afkomst betreft: ik ben de nicht van master Smithson.”
“Zijne waardige nicht, dat moet ik zeggen!” sprak deze met ironie, “maar die nu voorgoed het recht verloren heeft met zooveel minachting op mij neer te zien, sinds zij, en niet door den nood gedrongen, even groote dwaasheden begaat als ik.”
“Niet door den nood gedrongen!” sprak zij, en haalde met onwil de schouders op.
“Neen, Francis! niets verplichtte u de Werve te verlaten.”
“Ik zie niet hoe ik er had kunnen blijven, jonker! Gij zijt er meester par droit de créancier. Moest ik wachten tot uwe procureurs en deurwaarders mij kwamen verdrijven?”
“Dat zou niet geschied zijn, dat zal niet geschieden, juist omdat ik er meester ben. Gij zijt een verkeerden weg ingeslagen, Francis! geloof mij, toen gij die veilige schuilplaats verliet. Maar niets verhindert u er terug te keeren.”
“Niets meent gij?” riep zij hartstochtelijk: “alles, alles! De muren grimmen mij aan in die eenzaamheid. Voelt gij dat niet? Maar neen, hoe zoudt gij dat voor mij voelen! Er is niets dan misverstand tusschen ons, niets meer!”
Daar lag een weeklacht in dien toon van verwijt, maar die terstond werd overstemd door de vastheid waarmee zij voortging:
“Daarom wil ik mijn eigen weg gaan; ik wil het, verkeerd of niet: ik hoor niemand toe; ik zal over mijn eigen lot beschikken.” Reeds wendde zij zich om.
“Dat zult gij niet!” sprak ik met gezag, haar in den weg tredende. “Nu de generaal dood is en Rudolf zich onmogelijk heeft gemaakt, ben ik uw naaste bloedverwant, en ik zal niet toestaan dat gij u zelve in den vollen bloei des levens in een afgrond werpt, waaruit niets u meer zou kunnen redden. Ik stel ééne voorwaarde op de vrijheid die ik u teruggaf, deze: dat gij haar niet misbruikt tot uw bederf.”
“Maar zeg dan wat ik doen moet!” sprak zij gejaagd en toch onderworpen.
“Naar de Werve terugkeeren, waar de eenzaamheid u niet zal aangrimmen, want gij zult er een vriend vinden die alles in orde heeft gebracht om u te ontvangen.”
“Een vriend!” herhaalde zij, met een strakken, verwonderden blik.
“Ja! Rolf, die er tot nadere order blijft; en gij kunt er ook blijven. Gij hebt niet noodig onberaden stappen te doen om mij te ontvluchten, want ik ga reizen.”
Ik sprak dit laatste koel en met vastheid, want ik zag dat het haar verraste en trof, en ik wilde geen zwakheid toonen.
“Naar de Werve terugkeeren!” herhaalde zij langzaam als in zich zelve, deed daarop haastig eenige stappen met gebogen hoofd, keerde zich toen om, zag mij aan met een veelbeteekenende blik en sprak, terwijl er iets anders in de stem trilde dan toorn en trots:
“Gaat gij reizen, Leo? ik.... zal.... blijven.... Vaarwel!”
En de deur viel achter haar toe.
“Zou ik haar niet volgen tot zij de Werve bereikt heeft?” vroeg Rudolf, toen wij den hoefslag van haar paard hoorden. “Als zij nu toch eens haar eigen zin deed?”
“Neen! ik vertrouw op haar woord; wantrouwen zou haar beleedigen.”
“Zij is in eene ongewone stemming en zoo roekeloos in het rijden; zij heeft laatst ook nog een ongeluk gehad.”
“In ’s Hemelsnaam, rijd haar dan achterna! Maar als gij zelf herkend wordt?”
“Dat heeft nu geen nood meer, ik zie er immers uit als de eerste burgerheer de beste.”
Dat was zoo. Zijne kleeding was eenvoudig en passend; zijn haar en baard waren donker zwart geverfd.
“Zooals gij mij nu aanziet,” ging hij voort, “ben ik herhaaldelijk naar de Werve gekomen in de laatste ziekte van mijn vader. Ik heb hem nog de hand gedrukt, en hij schonk mij zijn zegelring. Zie toch! ik draag hem niet aan den vinger, uit voorzichtigheid, maar hier, aan een zijden koord op de borst; en Francis! Francis!” sprak hij met zegevierenden glimlach, “is er toch toe gekomen; zij heeft in die bange dagen mijne hulp aangenomen. Ik heb mijn satisfactie, al ziet zij mij nog zoo boos aan.”
“Maar ga dan toch!” drong ik, want ik begon mij zelf ongerust te maken dat Francis hem te ver vooruit zou zijn. En.... wij namen afscheid voor het leven.
“Als de L—sche kermis afgeloopen is, verlaten wij de provincie en het land en ik kom er nimmer weer,” sprak hij met weemoed, terwijl hij mij voor het laatst de hand drukte.
Te Z. aangekomen, vond ik Overberg reeds in mijn logement. Hij had een pakket ontvangen aan het adres van Francis, dat uit Engeland scheen te komen, veel port kostte, en dat de oude Frits in hare absentie niet had willen aannemen; men had zich tot den procureur gewend, die met de zaken van den generaal was belast. Ik verzekerde hem dat de freule Mordaunt voorgoed naar de Werve was teruggekeerd, en hij zond onverwijld zijn klerk naar het kasteel, om het pakket aan haar zelve te overhandigen. Zij moest er reçu voor teekenen; zoo zou ik tegelijk in den kortst mogelijken tijd vernemen of zij goed en wel op de Werve was aangekomen. Ik liet hem in mijn wagentje derwaarts rijden en beloofde den voerman een dubbele fooi, om zijn paard wat aan te zetten.
De klerk kwam in het kortst mogelijke tijdsverloop terug en bij mij. Zij had het reçu geteekend, Goddank! Alles was in orde. Maar dat pakket, haar waarschijnlijk toegezonden door vrienden of verwanten uit Engeland, lag mij zwaar op het hart. Wat bracht het haar? Mogelijk volstrekte onafhankelijkheid en onze scheiding. Maar ik kende haar nog niet geheel.
Des anderen daags in den voormiddag hield het bekende wagentje van de Pauwelsen voor mijne deur stil. De oude Frits stapte er uit en bracht mij een biljet van zijne meesteres. Zij had hem bevolen het aan niemand dan aan mij zelf over te geven en op antwoord te wachten.
Ik zond hem naar de groote zaal om zich te verfrisschen, terwijl ik mijn antwoord schreef.
Ik kon een biljet van haar (het eerste!) niet lezen in iemands bijzijn. Ziehier wat ik las toen ik met bevende vingers de enveloppe had verscheurd.
Neef Leopold!
Ik moet u nog eenmaal zien en spreken vóór gij reizen gaat. Zoo er geen Rudolf tusschen ons gestaan had, zou ik u veel gezegd hebben dat ik nù moest terughouden. Gij hebt mij eens verzekerd, dat gij altijd bereid waart tot dienstvaardigheid voor eene vrouw, die het privilege harer sexe liet gelden. Zoo doe ik thans. Mag ik hopen dat gij mij niet zult weigeren naar de Werve te komen om nog een laatste onderhoud te hebben?
In plaats van te schrijven ware ik liefst onverwacht bij u komen oploopen, maar ik heb de eerste ingeving, al was het mogelijk eene goede, niet gevolgd, uit vrees u ergernis te geven. Laat mij door Frits weten welken dag en op welk uur ik u wachten moet.
F. M.
Er was voor mij maar één antwoord mogelijk op dit briefje: instappen en met Frits naar de Werve rijden. Onder welke wisseling van hoop en van vrees, kan ik u niet beschrijven. Alles draaide mij voor de oogen toen ik de oude brug over, de poort weer doorreed. Op het perron vond ik Rolf staan, die met zijne muts zwaaide, ten teeken van blijdschap over mijne komst. De dubbele deur stond wijd open; hij wees mij zwijgend naar het groote salon, dat ik schielijk binnentrad.
Francis zat op de oude bekende sofa als in elkaar gedoken, de handen gevouwen in den schoot. Zij droeg nu niet die amazone, die mij hatelijk geworden was, maar een eenvoudig rouwgewaad, dat hare bleekheid sterk deed uitkomen.
“Francis, daar ben ik! Wat hebt gij mij nu te zeggen?” riep ik haar toe.
Zij rees haastig op en kwam naar mij toe.
“Wees gedankt, Leo! dat ge zoo schielijk gekomen zijt; maar ik wist dat gij komen zoudt; ik rekende op uwe edelmoedigheid.”
“Ik ben dan niet meer zoo verachtelijk in uwe oogen? Gij hebt dus mijn pakket ontvangen, den brief van tante Sophie gelezen!”
“Ik heb alles ontvangen, alles gelezen; maar ik had zooveel niet meer noodig om mij schuldig te voelen, om mijne schuld te bekennen; en nu ik dit doe, nu ik erkennen wil voor heel de wereld dat ik u onrecht heb gedaan, zult gij mij nu alles vergeven? alles, zonder bittere bijgedachte?”
Zij legde beide handen op mijne schouders, als om uit mijne oogen te lezen wat zij weten wilde.
“Dat weet gij wel, Francis! Maar gij moet niet weer aan mij twijfelen, nooit meer!” sprak ik zacht maar ernstig, en mij wat afkeerend, om mij aan haar onderzoek te onttrekken, want ik voelde mijne oogen vochtig worden. Zij liet de armen zinken, bleef een oogenblik zwijgend voor mij staan, en sprak toen: “Nooit, nooit meer!”
Zij drukte met innigheid mijne hand, die ik haar reikte ten teeken van verzoening. Maar toch, er was iets in hare houding, dat mij terughield haar in mijne armen te drukken; er was nog iets tusschen ons, dat voelde ik met innerlijke onrust.
“Leo! wees zoo goed te gaan zitten!” sprak zij, een armstoel aanschuivende. “Nu wij verzoend zijn, nu ik in mijn eenigen bloedverwant weer mijn trouwsten vriend mag zien, heb ik uw raad te vragen.”
De patiënt ging zitten. De preliminairen bevielen hem gansch niet. Zij legde het pakket met de Engelsche postmerken geopend voor mij neer.
“Lord William is overleden,” sprak zij. “Zie hier een schrijven aan mij, dat hij bij zijn testament heeft gevoegd. Wees zoo goed het te lezen.”
Ik had daartoe nauwelijks de noodige kalmte; maar toch voldeed ik aan haar verlangen.
Het was een kort maar ernstig woord, dat van eene vaderlijke teederheid getuigde; maar ik las tusschen de regels door, dat het hem strijd had gekost, nà hare bekentenissen het tot deze kalme genegenheid te brengen. Hij was van haar weggegaan met de pijl in het hart. Hij eindigde met eene roerende bede voor haar geluk en den wensch, dat zij nog eenmaal een echtgenoot vinden mocht harer waardig, en het verzoek om de dotatie aan te nemen, die hij haar in zijn testament had toegedacht, opdat zij door geene materiëele overwegingen zou gedwongen worden tot eene andere keuze dan die van haar hart. De familienaam waarmee hij zijn brief had onderteekend was een in de geschiedenis der wetenschap en in de staatkundige wereld zeer bekende en hooggeëerde.
Nu volgde een brief van den neef en erfgenaam, die haar de afschriften toezond en haar de verzekering gaf van zijne bereidwilligheid om aan de opgelegde verplichting te voldoen.
Er werd haar levenslang een jaarlijksch inkomen van drieduizend pond sterling toegekend.
Zwijgend legde ik de geschriften neer, na er kennis van genomen te hebben.
“Moet ik aannemen, Leo?” vroeg zij, mij aanziende met een onzekeren, onderzoekenden blik.
“Mij dunkt, gij kunt niet weigeren, Francis!” antwoordde ik met al de kalmte die ik bemachtigen kon. “Volkomen onafhankelijkheid naar het materieele is altijd uw vurigst verlangen geweest: die is u noodig zelfs en die wordt u bij dezen door eene vriendenhand gewaarborgd.”
“Gij hebt gelijk, Leo! ik zal uw raad volgen, ik zal aannemen. Nu behoeft mijne fierheid niet langer te strijden tegen mijn hart. Nu behoef ik geen huwelijk aan te gaan door den nood opgelegd, en zoo ik mij een echtgenoot kies, zal niemand mij verdenken dat ik mij uit belangzucht gewonnen gaf! En zou ik nu rijk genoeg zijn om de Werve los te koopen?” viel zij op eens in op geheel anderen toon, eene mengeling van schalkheid en ernst, die geruststelde dat hare vroegere opgeruimdheid nog niet verloren was gegaan onder het lijden.
“Neen, Francis! En al ware dat, de Werve is in handen, die haar tot geen prijs zullen overgeven. Om vrijvrouwe van de Werve te worden moet gij wat anders bedenken.”
Toen rees zij op en ging voor mij staan. “Leo! gij zegt dat onafhankelijk te zijn altijd mijn vurigste wensch is geweest, dat placht zoo te wezen; maar ik heb nu begrepen, dat het mijn hoogste geluk zoude zijn afhankelijk te worden van den man dien ik liefheb. Leo! tante Roselaer heeft mij een jaargeld toegekend, dat ik niet aanneem, zooals vanzelf spreekt; maar zij heeft het goed met mij gemeend, dat erken ik; en haar raad neem ik wèl aan. Zij heeft mij voorgeschreven, geen huwelijk aan te gaan dan met uwe toestemming, Leo!” en zij zonk onder eene gemoedsbeweging die haar geheel overmeesterde, op de beide knieën voor mij neer. “Leo! ik wensch mijn neef van Zonshoven tot echtgenoot; hebt gij daartegen?”
Ik antwoordde alleen door haar op te heffen en in mijne armen te sluiten.
Zij schreide aan mijne borst. Ik schaamde mij niet dat ook mijne oogen vochtig waren. Wij hadden elkander zóó lief, en toch, wij hadden zooveel door elkander geleden!
Wat zal ik u verder zeggen! Ik bracht dien dag door op de Werve. Wij zochten onze lievelingsplekjes, wij leefden in herinneringen, wij maakten onze plannen voor de toekomst. Wij moesten van Beek c. s. bericht geven dat wij het eens geworden waren en wij stelden onder prettig gekibbel een deftig vormelijk epistel aan de wetgeleerden op, die verder niets meer te doen hadden dan hunne rekeningen in te leveren en het onder hen berustende te verantwoorden. Van Beek, die geroepen werd ons huwelijkscontract op te maken, was niet weinig verwonderd te vernemen, dat de bruid een jaarlijksch inkomen van drieduizend pond sterling had, waarover zij de volle vrije dispositie behield. Onder ons gezegd, lord William heeft mij een onschatbaren dienst bewezen, dat hij Francis op die wijze over hare aarzelingen heeft heengeholpen.
De rouw over den generaal was ons voorwendsel om in alle stilte te trouwen, zooals wij beiden wenschten. Een van mijne vrienden, die in een naburig stadje als predikant stond, zegende ons huwelijk kerkelijk in. Ds. N. voelt zich over die preferentie wat gekrenkt en wil zijn emeritaat nemen. Ik zal zorgen dat hij er geldelijk niet onder lijdt. De gemeente smachtte reeds lang naar verandering. “Ze waren dominé wel niet zat, maar toch....”
Wij zijn op reis gegaan! Francis moest zich na haar lang isolement weer aan de wereld en de menschen gewennen. De Werve wordt intusschen gerestaureerd, en Rolf heeft op zich genomen de vesting te commandeeren in onze afwezendheid.
De kleine Harry Blount is uit de handen zijner grootmoeder in die van de Pauwelsen overgegaan. Francis heeft tot hare onuitsprekelijke verlichting de zekerheid gekregen, dat Gijsje Jool hersteld is en met haar kind bij de Pauwelsen inwonen gaat. Wij voorzien, dat ze eenmaal als dochter in dat gezin zal worden opgenomen.
Wat mij betreft, ik heb heel wat doorgestaan sinds de zware last van die erfenis mij op de schouders is gelegd, maar ik heb veel geleerd in mijne worsteling om het levensgeluk, en beiden, Francis en ik, zijn vast besloten de zuur veroverde schat met vereende krachten vast te houden en er alle schadelijke elementen buiten te sluiten.
Wij hebben ons voorgenomen goede rentmeesters te zijn van ons groot fortuin, en Francis is het geheel met mij eens, dat een leven voor ons zelven alleen geen leven zou zijn, dat er eene groote verantwoordelijkheid op ons rust, maar dat het zielevreugde moet wezen die te vervullen. Van mijne reisontmoetingen hoort gij wel eens later.
Genève, 186—,
L. v. Z.
Francis wil u zelve met een woordje groeten.
Dat het Leo mooi staat om de hauts faits van Majoor Frans zoo maar in al hunne kleuren en geuren aan een vriend te schetsen, zal ik nooit toegeven, maar ik voel toch dat hij in zijne position délicate behoefte had om zijn hart uit te storten, en dan ging dat nog het beste aan een overzeeschen vriend. Daarom heb ik hem dan ook volle absolutie gegeven. Als gij nu maar zijne brieven niet in ’t een of ander Indisch dagblad laat drukken! Dat zou te erg zijn! Niet dat Francis van Zonshoven dat ongedisciplineerde personage onder hare bescherming neemt; och neen! ’t Is voor haar zoo goed of het nooit had bestaan. Maar ziet ge, er zijn zooveel familiegeheimen bij in ’t spel, dat ik u in vollen ernst discretie aanbeveel.
Wacht maar niet tot uwe Indische dienstjaren voltallig zijn om ons op de Werve te komen bezoeken. Alle ruiten worden er gemaakt, en er is ruimte genoeg voor een vriend, al kwam die met een heel gezin!
Romans en Novellen in de WERELD-NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK; EN OORSPRONKELIJKE UITGAVEN:
NEDERLANDSCHE.
Ingen. Cart. Linn. Krb.
W. B. 1* en 2*. E. BEKKER-WOLFF en A. DEKEN: Sara Burgerhart. Inleiding Prof. Knappert, (5e druk) ƒ 0.60 0.80 1.— 1.20
A. L. G. BOSBOOM-TOUSSAINT:
N. B. XIII/XIV. Prinses Orsini en eigen Levensbeschrijving.—Portretten—Inleiding.—Aanteekeningen. ƒ 0.40 0.55 0.70 —
BOSBOOM-TOUSSAINT, BUSKEN HUET, SIMON GORTER:
N. B. XLV. Drie Vergeten Novellen (Nacht in een Armstoel; Dokter George; Een Praatje ƒ 0.20 0.30 0.40 —
N. B. LXXXIV/LXXXV*. HENRI VAN BOOVEN: Tropenwee (Nieuwe, complete uitgaaf) ƒ 0.50 0.65 0.80 —
N. R. CARRY VAN BRUGGEN: De Verlatene ƒ 1.90 — — 2.75
N. R. LOUIS COUPERUS: Korte Arabesken ƒ 1.90 — — 2.75
J. EIGENHUIS:
N. B. VI/VII. De Wijsgeer;—Tyme de Kroosvisscher;—Van Vrijen en Trouwen ƒ 0.40 0.55 0.70 —
N. B. XXXVIII/XXXIX. De jonge Dominee ƒ 0.40 0.55 0.70 —
N. B. CI/CIII*. Groei ƒ 0.70 0.85 1.— 1.30
W. B. 33. S. FALKLAND: Kleine Vertelsels (8e–10e duizend) ƒ 0.20 0.30 0.40 —
A. v. GOGH-KAULBACH:
N. R. Moeder ƒ 1.90 — — 2.75
O. U. Rika ƒ 1.90 — — 2.75
G. VAN HULZEN:
W. B. 17/18. Getrouwd: (2e druk) ƒ — — — 1.—
N. B. XV/XVI. Wrakke Levens ƒ 0.40 0.55 0.70 1.—
N. B. XLVII/XLVIII. De Ontredderden I ƒ 0.40 0.55 0.70 —
N. B. XLIX/L. De Ontredderde II ƒ 0.40 0.55 0.70 —
N. R. Liefde’s Tusschenspel ƒ 1.90 — — 2.75
N. B. II. P. v. LIMBURG BROUWER: Een Ezel en Eenig speelgoed. Inleiding Prof. Damsté ƒ 0.20 0.30 0.40 —
N. B. LXXVIII*. ELINE MARE: Cleemke’s Fortuintje, tragisch-humoristische schets van Vlaamsch Leven ƒ 0.30 0.40 0.50 —
MULTATULI:
N. B. XXII. Max Havelaar (7e druk) ƒ — — 0.40 0.80
N. B. LXXX*. Duizend en één Specialiteiten, met nieuwe noten van den schrijver en inleid. van Mevr. Douwes Dekker-Schepel ƒ 0.30 0.40 0.50 —
E. J. POTGIETER:
N. B. XLII/XLIII*. Jan, Jannetje en hun jongste kind;—het Rijksmuseum—Geïllustreerd; Inleiding en aanteekeningen van L. S. (2e druk) ƒ 0.50 0.65 0.80 1.10
N. B. XLIV. Liedekens van Bontekoe—Blaauw Bes!—’t Is maar een Pennelikker—Marie—De Ezelinnen—2e druk (6e, 7e duizend) ƒ 0.20 0.30 0.40 —
M. SCHARTEN-ANTINK:
W. B. 22*. Sprotje (2e druk) ƒ 0.30 0.40 0.50 —
N. B. LXXII*. Sprotje heeft een dienst (2e druk) ƒ 0.30 0.40 0.50 —
N. B. LXXXII*. Sprotjes verder leven (2e druk) ƒ 0.30 0.40 0.50 —
N. B. XXVI/XXVII. Catherine (2e druk) ƒ 0.40 0.55 0.70 —
C. en M. SCHARTEN-ANTINK:
N. R. Een Huis vol Menschen (5e druk) ƒ 1.90 — — 2.75
N. R. De Vreemde Heerschers ƒ 1.90 — — 2.75
N. B. XI/XII*. STIJN STREUVELS: Reinaert de Vos, naar de Middeleeuwsche handschriften herwrocht (2e druk) ƒ 0.50 0.65 0.80 1.10
N. B. CXVIII/CXX. NICO VAN SUCHTELEN: Quia Absurdum (2e druk) ƒ 0.60 0.75 0.90 2.75
N. R. HERMAN TEIRLINCK: Het Ivoren Aapje, een roman van Bruss. leven (2e dr.) ƒ 1.90 — — 2.75
BUITENLANDSCHE.
Ingen. Cart. Linn. Krb.
1) Russisch.
L. ANDREJEF:
R. B. 8. In de slaapstee ƒ 0.35 — 0.60 —
R. B. 13/14. Judas Iskarioth ƒ 0.70 — 1.— —
R. B. 3/4. F. M. DOSTOJEFSKIE, Witte Nachten ƒ 0.70 — 1.— —
R. B. 2. N. W. GOGOLJ: De Mantel ƒ 0.35 — 0.60 —
R. B. 9/10. M. LERMONTOF: Een Held van onzen tijd ƒ 0.70 — 1.— —
W. B. 41/42. VLADIMIR KOROLENKO: Schetsen en vertellingen uit Siberië, met portret ƒ 0.40 0.55 0.70 1.—
R. B. 5. J. S. TOERGENJEF: Klop, klop klop ƒ 0.35 — 0.60 —
LEO TOLSTOY:
W. B. Iwan de Dwaas ƒ 0.20 0.30 0.40 —
B. B. 1/2. De Kozakken ƒ 0.20 — 0.40 —
B. B. 5/6. Sebastopol ƒ 0.20 — 0.40 —
B. B. 9. Sneeuwstorm ƒ 0.10 — — —
B. B. 10. De twee Huzaren ƒ 0.10 — — —
B. B. 21. De jonge Landheer ƒ 0.10 — — —
R. B. 1. ANT. P. TSJECHOF: Een toeval ƒ 0.35 — 0.60 —
2) Duitsch:
W. B. 71/72*. LUDW. ANZENGRUBER: De Schandvlek (2e druk) ƒ 0.50 0.65 0.80 —
W. B. 74 LUDW. FINCK: De Rozendokter, vertaling M. van Vloten, versiering Midderigh-Bokhorst (2e druk) ƒ 0.20 0.30 0.40 —
G. R. HAUFF: Lichtenstein, rom. verhaal ƒ 0.45 — — —
W. B. 151/152*. KELLERMANN: De Dwaas ƒ 0.50 0.65 0.80 —
G. R. CLARA VIEBIG: Absolvo Te ƒ 0.45 — — —
ERNST ZAHN: Romans:
W. B 97/98*. Het gezin van Lucas Hochstraszer vertaling A. van Gogh-Kaulbach voorrede Aug. de Wit (2e druk) ƒ 0.50 0.65 0.80 —
W. B. 120/121*. Eenzaamheid, vertaling Annie de Graaff ƒ 0.50 0.65 0.80 —
W. B. 146/147*. Clari-Marie, vert. J. Kuglman ƒ 0.50 0.65 0.80 —
W. B. 7/8. Levensstrijd ƒ 0.20 — 0.40 —
Novellen:
B. B. 22 Onderstroom ƒ 0.10 — — —
3) Engelsch:
G. R. BULWER: Rienzi, de laatste der Tribunen, vertaling E. J. Potgieter ƒ 0.45 — — —
CHARLES DICKENS:
W. B. 15. Een Kerstlied in Proza ƒ 0.20 0.30 0.40 —
G. R. Londen en Parijs ƒ 0.45 — — —
B. B. 23. L. FALCONER: De geheimzinnige Gouvernante ƒ 0.10 — — —
W. B. 136. EDGAR ALLAN POE: Tien vertellingen ƒ — 0.30 0.40 —
W. B. 47/49. UPTON SINCLAIR: De Wildernis ƒ 0.60 0.75 0.90 —
B. B. 11/12. R. L. STEVENSON: De Verkeerde Kist ƒ 0.20 — 0.40 —
B. B. 3/4 MARK TWAIN: De Erfgenaam uit Amerika, geïllustreerd ƒ 0.20 — 0.40 —
H. G. WELLS:
W. B. 24/25. Het voedsel der Goden en hoe het op aarde kwam ƒ 0.40 0.55 0.70 1.—
B. B. 16/19. De Oorlog in de lucht, geïll. ƒ 0.40 — 0.70 —
W. B. 117* OSCAR WILDE: Het Granaatappelhuis, vertaling L. van Oosterzee, illustr. Midderigh-Bokhorst ƒ 0.30 0.40 0.50 —
B. B. 24. J. ZANGWILL: Het groote geheim van Bow ƒ 0.10 — — —
4) Fransch:
W. B. 30* HONORE DE BALZAC: Het gevloekte Kind, vertaling en inleiding G. en M. Scharten-Antink (2e druk) ƒ 0.30 0.40 0.50 —
W. B. 148. BENJAMIN CONSTANT: Adolphe: een kleine roman, vertaald en ingeleid Cd. Busken Huet ƒ 0.20 0.30 0.40 —
W. B. 118*. JULES RENARD: Natuurlijke Historietjes, vert. C. Scharten, illustr. Bonnard ƒ 0.30 0.40 0.50 —
5) Noorsch, Italiaansch, Hongaarsch:
W. B. 82/83. BOCCACCIO: Decamerone, Bloemlezing. Vert. en Inl. W. G. van Nouhuys ƒ 0.40 0.55 0.70 —
W. B. 110/111. ARNE GARBORG: Bij Moeder thuis, een roman ƒ 0.40 — 0.70 —
B. B. 14/15. KALKMAN MIKSZATH: De Wonderparapluie, uit ’t Hongaarsch ƒ 0.20 — 0.40 —
KJELLAND:
W. B. 55/56. Vergif ƒ 0.40 0.55 0.70 —
W. B. 84/85. Fortuna ƒ 0.40 0.55 0.70 —
W. B. 89. CARL LARSEN: De Biecht eener Vrouw (4e druk) ƒ 0.20 0.30 0.40 —