← Table of contents
Majesteit

TWEEDE HOOFDSTUK. (continued 2)

Reading edition

En hare oogen werden vochtig met de eerste tranen, die zij om Berengars dood vergoot, en zij verborg haar hoofd in Othomars armen en snikte, snikte …

Toen voerde hij haar voorzichtig, langzaam de treden van de katafalk af, geleidde haar uit de zaal. In de galerij kwam hij Barzia tegen; het stil kalme gelaat van den prins, die zijne moeder ondersteunde, stelde den professor gerust …

Zoodra de keizerin en de kroonprins de Ridderzaal verlaten hadden, traden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, binnen. Zij namen hunne plaats in aan beide zijden van de katafalk en zij bleven er roerloos staan in den kaarsenglans, starende voor zich uit, wakende in den rouwnacht over het keizerlijke lijkje, waarover nu de blauwte van de maan viel … Ook de priesters waren binnengekomen, en baden …

Het paleis was stil. Toen Othomar aan de deur van haar appartement zijne moeder had overgegeven aan Hélène van Thesbia, ging hij de galerijen door naar zijne eigen kamers. Maar bij eene wending der gangen schrikte hij. De groote ceremonietrap gaapte, flauw verlicht aan zijne voeten, met de holte der kolossale vestibule onder aan. Behangers waren daar bezig de balustrades der trap te drapeeren met floers van krip, voor het oogenblik, dat de kist naar beneden gedragen zoû worden. Zij maten met wijde armen de nevels van zwart uit, wierpen zwarte wolk op wolk; de wolken krip stapelden zich met eene droeve luchtigheid op, en op en op, schenen de geheele trap te vullen en treê na treê hooger te stijgen of ze het geheele paleis zouden veroveren met hun zwart …

De behangers zagen den kroonprins niet, en werkten door, zwijgend, in het flauwe licht. Maar eene koude rilling ging over Othomar heen. Doodsbleek staarde hij naar de mannen, die daar aan zijne voeten het krip uitmaten en het wolken deden naar hem toe. Hij herinnerde zich zijn droom: de straten van Lipara, zich vullende met krip tot de zon zwijmde … Zijn bloed scheen hem te bevriezen in zijne aderen …

Toen sloeg hij een kruis.

—O God, geef me kracht! bad hij in ontzetting …

VIII.

Den volgenden morgen ging tusschen de paradewachten door der grenadiers het volk voorbij het lijk van den kleinen prins. Den daarop volgenden werd het vervoerd naar Altara en bijgezet in den keizerlijken grafkelder in den Dom van St. Ladislas. De prinsen Gunther en Herman van Gothland waren voor de plechtigheid overgekomen, maar den hertog van Xara was door professor Barzia verboden aan de ceremonie deel te nemen: hij bleef te Lipara.

De Gothlandsche prinsen en hun gevolg kwamen met keizer Oscar terug naar de rezidentie, waar, op het dringend verlangen van hare zuster, ook koningin Olga met prinses Wanda gekomen was. En in de rouwstilte van het Imperiaal trok de familie zich bij elkaâr in een nauwen cirkel van intimiteit. Keizerin Elizabeth had, na hare eerste tranen, die onnatuurlijke kalmte verloren; telkens onderging zij hevige aanvallen van verdriet, die de koningin Olga of Othomar nauwlijks wisten te bedaren. De keizer was ontroostbaar, gaf zich met eene kinderlijke hevigheid over aan zijne smart. Men had hem nooit zoo gezien, men kende hem zoo niet. Dat hij zijn lieveling verloren had, bracht zijne ziel in opstand tegen de wereld en tegen God. Daarbij kwam, dat hij zich zeer had aangetrokken zijn laatste gesprek met Othomar, waarin deze hem van afstand-doen gesproken had. De keizer was er niet meer op terug gekomen, maar hij dacht er telkens aan. Hij vreesde er weêr met Othomar over te moeten spreken. Met woede voelde hij zijn onmacht, den kroonprins dit besluit van wanhoop te verbieden. En hij verbeeldde zich wat er volgens de wetten gebeuren zoû, zoo de prins volhardde: de aartshertogin van Karinthië keizerin, de aartshertog prins-gemaal en het geslacht van Czyrkiski niet meer heerschende op den troon van Liparië in de mannelijke lijn. Dat dit zoû kunnen gebeuren, deed, tegelijkertijd met zijn leed over Berengars dood, keizer Oscar lijden met dat zeer bijzondere leed van den vorst, in wiens bloed nog vloeit geheel de geërfde gehechtheid aan de grootheid zijner vaderen, en die ze voort wil laten duren tot den laatsten dag. En was hij ook ontroostbaar over het verlies van het kind, dat hij het meeste liefhad, zwaarder, maar stiller, in grooter geheim—daar hij er niet over sprak—en hierom wellicht smartelijker, voelde hij zijn leed over dit idee, over deze toekomst, die hij zich beeldde. Zelfs met de keizerin had hij er niet over gesproken, uit zekere vrees en bijgeloovigheid.

En bij dit denk-verdriet,—dat zijne ziel van kracht, waarin altijd een zweem van kinderlijkheid gebleven was, zich zwak deed gevoelen, of zij de ziel ware van ieder ander mensch in plaats van de zijne: die van een vorst—mengde zich de zakelijke ergernis over de legerwet. Er zouden driehonderd millioen noodig zijn; honderd millioen waren reeds toegestaan voor de versterking der infanterie; de twee andere honderd, voor de artillerie, had de Minister van Oorlog, graaf Marcella, nog niet weten te verwinnen. De meerderheid der legercommissie was tegen die kolossale wapening der grensforten; in het Huis der Standen ried de minister reeds heftige tegenkanting, vermoedde hij zijn val. Noch Oscar, Myxila noch Marcella, wilden het minste toegeven. En Oscar zoû zijn minister daarenboven willen handhaven tot in het onmogelijke toe.

Het was in deze dagen, dat Othomar zich door generaal Ducardi geheel op de hoogte der questie liet brengen, de stafkaarten en legerstaten en verslagen der commissie bestudeerde, de parlementaire discussies van uit zijne afzondering volgde. Hij hield lange overwegingen met den generaal. Hij had echter in maanden niet meer de ochtendberaadslagingen in het kabinet van zijn vader bijgewoond. Maar op een morgen kleedde hij zich—wat hij niet altijd deed—in uniform en liet door een kamerheer aan Oscar verzoeken of de keizer hem vergunde tegenwoordig te zijn bij de ontvangst van graaf Marcella. De keizer was verwonderd, haalde de schouders op, maar bestreed zijne antipathie, en liet zijn zoon zeggen, dat hij komen kon. Zoodra de Rijkskanselier en de minister bij den keizer waren, vervoegde Othomar zich bij hen. Hij was tengerder nog geworden en de zilveren brandebourgs van zijn lanciersuniform konden nauwlijks aan zijne slankte eenige breedte leenen; hij was bleek en wat hol van wangen, maar de blik in zijne oogen had die vroegere koortsachtige onrust verloren en zijne melancholieke kalmte teruggewonnen, tegelijk met iets straks van hoogheid. Hij mengde zich eerst niet in de discussie, liet den keizer vloeken, den Rijkskanselier zijne schouders ophalen en berusten in het onmogelijke, den minister verklaren, dat hij nooit toe zoû geven. Toen vroeg hij echter aan Oscar vergunning een woord in het midden te brengen. Hij had een potlood in de hand genomen; hij toonde met enkele kort besliste lijnen van aanwijzing over de kaarten, met enkele direct juiste aanduidingen op de staten, met enkele cijfers, die hij uit zijn hoofd, en nauwkeurig opnoemde, dat hij geheel op de hoogte was. Hij meende, dat, voor zoover hij kon nagaan uit de verslagen der commissie, uit de stemming in het Huis der Standen, het ongetwijfeld vast zoû staan, dat de tweehonderd millioen geweigerd zouden worden. Dat de minister vallen zoû. Hij herhaalde deze laatste woorden nadrukkelijk en zag toen vast zijn vader eerst aan en daarna graaf Marcella. Toen, met zijne zachte stem, die logisch in klank na klank zich verhief en daalde met rustige woorden van overtuiging, vroeg hij, waarom men zich niet voegen zoû naar de omstandigheden en van ze maken wat van ze te maken was. Waarom men niet de honderd millioen voor de infanterie zoû aanvaarden als het gewonnene en—hetgeen, zonder o ogenblikkelijk gevaar, toch zoû kunnen—de tweehonderd anderen zoû pogen te verdeden over eene tijdlengte van vier of vijf jaar. Hij meende zeker te zijn, dat een twintig millioen ’s jaars meer, niet zoo heftige tegenkanting zoû vinden. Met zulke eene schikking zoû graaf Marcella zichzelven kunnen handhaven en door den keizer gehandhaafd kunnen worden …

Toen hij zweeg, volgde eene stilte zijne woorden. Zijn raad was, zoo niet geniaal, practisch geweest, makende van dit oogenblik van crizis wat er van te maken zoû zijn. Graaf Myxila knikte zijn hoofd langzaam, goedkeurend. De keizer en graaf Marcella konden Othomars denkbeeld niet dadelijk aanhangen, halsstarrig, als ze doordrijven wilden de legerwet in hare eerste onveranderde conceptie. Maar de Rijkskanselier voegde zich bij den kroonprins, deed nog nadrukkelijker uitkomen, dat eene zoodanige schikking de eenige zijn zoû, waarmeê Zijne Majesteit graaf Marcella zoû kunnen behouden. En de beraadslaging eindigde, dat het voorstel van den hertog van Xara in overweging zoû genomen worden. Toen Myxila en Marcella gegaan waren, vroeg de keizer den prins nog een oogenblik te blijven.

—Othomar, sprak hij: het doet mij groot genoegen, dat je je weêr met de zaken van ons land bezig houdt …

Hij weifelde even, bijna angstig.

—Welke concluzie kan ik daaruit trekken … voor de toekomst? ging hij eindelijk langzaam voort.

De kroonprins begreep hem.

—Papa, sprak hij zacht. Ik heb mijne moedelooze oogenblikken gehad. Ik zal ze misschien nog wel hebben. Maar vergeet … wat er zoo kort voor Berengars dood tusschen ons besproken is geworden. Ik denk er niet meer over afstand te doen …

De keizer haalde diep adem.

—Ik ben vroom, papa, en geloovig, ging de prins voort. Misschien bijgeloovig. Ik zie duidelijk in wat er gebeurd is, de hand van God …

Hij streek met de hand over het voorhoofd, peinzende voor zich heen.

—De hand van God, herhaalde hij. Ik heb een voorgevoel gehad van den dood van éen onzer binnen dit jaar. Ik dacht dat ik het zelf zoû zijn, die sterven zoû. Daarom papa, zag ik misschien niet in, dat het monsterachtig van mij was, waartoe ik besloten had. Ik dacht niet aan mijzelven, die toch zoû dood gaan; ik dacht alleen aan Berengar. Ik zag, dat hij meer vorst was dan ik. Maar nu is hij dood en ik leef, en ik zal nu aan mijzelven denken. Want ik voel het, dat ik mijzelven niet behoor. En ik voel, dat het dit is, wat ons staande moet houden in het leven: dit gevoel, dat wij niet aan onszelven behooren, maar aan anderen. Ik heb altijd van ons volk gehouden en ik woû het helpen in het vage, in het abstracte; ik sloeg mijn handen uit, zonder te weten wat en als ik niet volbracht, was ik er wanhopig om …

Hij hield in eens op, zag schichtig naar zijn vader, als had hij zich te ver laten gaan in het uitspreken zijner gedachten. Maar Oscar zat hem kalm aan te hooren, en hij ging voort:

—En ik weet nu, dat zulke wanhoop niet goed is, omdat wij met zulke wanhoop ons aan onszelven behouden en ons niet kunnen geven aan anderen. U ziet—en hij stond op en glimlachte—ik kan maar niet genezen van mijn filozofie, maar ik hoop nu, dat ze mij zal leeren sterken in plaats van mij te ontzenuwen, omdat ze nu uit een geheel ander principe voortvloeit.—De keizer haalde licht de schouders op.

—Ieder moet zich zijn eigen levenswijsheid maken, Othomar; ik kan je alleen dezen raad geven: dweep niet en hoû je standpunt hoog. Cijfer jezelven niet te veel weg, want zulke abnegatie duurt niet en herneemt toch weêr later oude rechten. Ik denk zooveel niet na; ik ben meer spontaan en impulsief. Maar ik wil niet over je oordeelen, omdat jij anders bent; je kan er niets tegen. Je bent misschien meer van dezen tijd dan ik. Ik wil alleen naar het rezultaat zien van je overpeinzingen en dat rezultaat is: dat je jezelven teruggeeft aan het gewone leven en aan de belangen van je land. En hierom verheug ik me, Othomar. Ik wil ook niet te ver in de toekomst zien; ik vermoed, dat je ook later niet mijn ideeën zult hebben; ik vermoed, dat je later zult regeeren met een constitutie van A tot Z, met een gekozen Hooger-Huis. Ik vermoed, dat je van de autoritair adellijke partij veel tegenkanting zult hebben … Maar zooals ik zeg, ik wil daar niet te ver in doorgaan en mij alleen verheugen over je moreele beterschap. En ik ben je heel dankbaar voor den raad, dien je ons zoo even gegeven hebt. Ze was eenvoudig, maar uit onszelve waren wij er zeker niet toe gekomen. Wij zijn daartoe te vasthoudend. Ik geloof nu wel, dat wat je voorstelde, het beste zal zijn; dat het wel niet anders zal kunnen …

Hij stak zijne hand uit, Othomar greep die.

—En, vervolgde hij, met de groote loyaliteit, die ondanks zijne tirannieke hoogheid het fond van zijne ziel was; laat geene rancune bij je blijven over … woorden, die ik je gezegd heb, Othomar. Ik ben hevig en driftig, dat weet je. Ik hield meer van Berengar dan van jou. Maar jijzelf hield van dat kind. Hoû me geen rancune na, terwille van hem … Je bent toch mijn zoon ook en ik hoû van je, alleen al om het feit, dàt je mijn zoon bent, en de laatste van mijn geslacht … Vergeef me mijn eerlijkheid.

Toen drukte hij Othomar in zijne armen. Het trof hem pijnlijk de tengerheid van den prins te voelen in zijne stevige omhelzing, zoo dadelijk na zijne woorden: de laatste van mijn geslacht … Een vreemde, bittere wanhoop ging er om door zijne ziel, maar tevens vermoedde hij duidelijk het mysterie in die tengerheid: een onbekende, moreele drijfveer, die hij zelve in zijn weinig complexen eenvoud zeker miste, maar, vol verwondering, voelde in zijn zoon. Toen de prins gegaan was en Oscar, alleen, hierover dacht, en die drijfveer zocht in hetgeen hem in zijn kind bekend was, vond hij niet, maar voelde toch, dat wat ze ook ware, ze iets benijdenswaardigs was: een kracht, die taaier was dan spierkracht. Hij zag om zich heen: zijn oog viel op het portret van de keizerin op zijne schrijftafel. Hoe dikwijls had hij er niet op getuurd met ergernis, om hun troonopvolger, die zoo geheel haar eigen zoon was. Maar alsof eene schemering van glans voor zijne oogen opging, zag hij nu naar het delicate gelaat, zonder dien ouden wrevel en eene dankbare warmte begon in hem op te stralen. Wat ze ook ware, Othomar had die geheimzinnige kracht van zijne moeder. Ze redde hem en behield hem voor zijn land, voor zijn geslacht. En— wie wist het—misschien was dit mysterie, wat dan ook, het element, dat hun geslacht behoefde, eene noodige essence voor zijne nieuwe levensvatbaarheid … Hij drong daar verder niet in door; de toekomst—ook al klaarde ze nu op uit hare eerste duisternis—was hem niet lief. Hij had het verleden lief, die ijzeren eeuwen met hare helden van keizers. Maar hij voelde, dat niet alles verloren was. In zijn vroom geloof aan het Hoogste, dacht hij als zijn zoon, aan de hand van God. Zoo het zoo moest, zoû het zoo goed zijn. De wil van God was ondoorgrondelijk …

En dankbaar aan de keizerin, dankbaar, dat het licht voor hem werd, boog hij de knieën voor het crucifix aan den muur, en bad hij voor zijne beide zonen, bad hij lang voor den zoon, die zijne kroon zoû dragen, maar langer voor de ziel van het kind van zijn éigen bloed, en welks gemis de smart zijn zoû, die altijd alsem zoû blijven op den grond van zijne, nu uitgestorte, ziel …

IX.

Uit het Dagboek van Alexa, Hertogin van Yemena. Gravin van Vaza.

Nov. 18 …

De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.

Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft, voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor mij zie lichten …

En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij niet kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche liefde koesteren wil.

Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven! Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O, ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige. Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders, dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw Leven …

Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel, tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf: me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.

Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O, de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods, zal het ooit mogen!

— — — — — — — — — — — — — — — — — —

Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!

— — — — — — — — — — — — — — — — — —

Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw. Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op …

Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt, omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik heb U getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet! Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb. Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins, mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn vorst, en mijn vorst alleen!

Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid Othomar, Hertog van Xara te Lipara.

Castel Vaza, Nov. 18 … Mijn dierbare Prins!

Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U alleen voor mijzelve, nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk, na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het mysterie, dat onze liefde was …

Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,

Alexa.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings