← Table of contents
Lord Lister No. 0350

Oom en neef.

Reading edition

Het was ver over het lunchuur, toen Charly dien dag ontwaakte, snel een bad nam en zich naar de eetkamer begaf—slechts om uit den mond van den ouden Gaston, den kamerbediende van Lord Aberdeen te vernemen, dat deze reeds een uur te voren was uitgegaan.

„Die man is van staal,” bromde Charly voor zich heen. „Hij kan ternauwernood vier uur geslapen hebben. Ik geloof, dat hij niet weet, wat vermoeienis is!”

Hij nam een blad van het stapeltje, hetwelk Gaston zooeven had binnengebracht, legde het naast zijn bord en begon in eenzaamheid te lunchen, terwijl hij zich den tijd kortte met het doorlezen van de stadsberichten.

Juist toen hij gereed was, trad Raffles het vertrek binnen.

Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking.

„Neem mij niet kwalijk, Charly, dat ik je alleen heb laten lunchen—ik werd vroeg wakker, kon den slaap niet meer vatten en ben toen maar opgestaan, om eens op onderzoek uit te gaan.”

„En heeft je dat onderzoek iets opgeleverd?”

„In zekeren zin wel. Door een weinig handig te vragen, ben ik er achter gekomen, wie de man is met het bleeke gezicht, die gisteren Macmillan vergezelde. Hij heet George Spider, hij is een jaar of veertig, misschien twee en veertig; hij is tamelijk welgesteld, ongehuwd, of liever weduwnaar en hij woont pas een half jaar in dat huis, waar wij hem gisteren zagen binnengaan—een duur pension. Een bepaalde bezigheid schijnt hij er niet op na te houden—hij moet van een kleine lijfrente leven, of van het geld, dat zijn vrouw hem heeft nagelaten.”

„Heb je hem zelf nog gezien?”

„Ja, hij ging net de deur uit, toen ik in de verte aankwam.”

„Heeft je dat alles nu veel verder gebracht?”

„Niet in het minst. Maar ik weet nu tenminste zijn naam—en dat zal naderhand misschien van nut kunnen blijken te zijn.”

„Je schijnt veel belang te stellen in deze zaak?”

„Slechts in zooverre, dat ik gaarne Macmillan van zijn hartstocht zou willen genezen—als het nog tijd is.”

„Alleen terwille van zijn beide lieve kinderen zou ik je graag daarin terzijde willen staan Edward!” riep Charly uit. „Het is een vreeselijk denkbeeld, dat die twee meisjes een opiumschuiver tot vader zouden hebben—want ik geloof niet, dat zij behalve hem nog familie hebben, tenminste geen naverwanten.”

„Wat wij er aan doen kunnen, dat zullen wij doen,” zeide Raffles vastberaden. „Wij zullen beginnen hem te overtuigen van den ellendigen invloed, die het opiummisbruik heeft.”

„Hij zal er natuurlijk niet voor uit durven komen, Edward!”

„Dat zal hij wel moeten, als wij zeggen, dat wij hem gezien hebben.”

„Maar dat kunnen wij toch niet!” riep Charly verschrikt uit. „Daardoor zou toch immers dadelijk aan het licht komen, dat wij ons vermomd moeten hebben. Het is toch niet aan te nemen, dat Lord Aberdeen zich naar een opiumkit begeven zou?”

„Neen, maar hij kan het van anderen gehoord hebben,” hernam Raffles kalm. „Nog hedenavond wil ik met Macmillan spreken, en kleed je nu aan—ik heb lust om een rijtoer te maken.”

Een half uur later zaten de beide vrienden te paard, maakten een langen toer en keerden weder naar het groote huis in de Regent Street terug, om hun rijcostuum uit te trekken en zich te kleeden voor het diner.

Zij zouden dien avond in de club dineeren en vandaar naar een schouwburg gaan om een paar bedrijven te zien van „De Koopman van Venetië,” waarin een nieuwe veel belovende tooneelspeler zou debuteeren.

Maar juist toen zij waren opgestaan en uit de restauratiezaal de biljartkamer binnentraden, zagen zij daar Jeffries Macmillan staan, die zich gereed maakte om met een ander lid van de Club een partij te gaan spelen.

Zijn oogen stonden hol, er waren groote blauwe wallen onder, en zijn houding scheen dieper gebukt te zijn dan ooit terwijl er een droge kuch nu en dan naar zijn lippen drong.

Raffles bedacht zich geen oogenblik, maar trad op Macmillan toe, tikte hem vriendschappelijk op den schouder en zeide op zachten toon:

„Zoudt gij om mijnentwille uw partij niet een half uurtje willen uitstellen, waarde Macmillan? Ik zou u gaarne even willen spreken.”

De aangesprokene keek Raffles eenigszins verbaasd aan, maar hij zette dadelijk zijn queue weg en antwoordde:

„Ik ben natuurlijk aanstonds tot uw dienst, Mylord!”

„Zoudt gij mij dan even naar mijn particulier spreekvertrek willen vergezellen.”

„Het wordt dus een gewichtig gesprek onder vier oogen?” vroeg Macmillan met een flauwen glimlach.

„Wel eenigszins, mijn waarde,” antwoordde Raffles terwijl hij de deur voor den ander openhield en hem toen langs de breede gang voorging naar het fraai gemeubelde vertrek, hetwelk hem als Vice-President van de club ter beschikking was gesteld en waar hij vrienden kon ontvangen, of zaken kon regelen.

Raffles sloot de deur, trok er het dikke fluweelen gordijn voor, dat ieder geluid zou dempen en wees Macmillan zwijgend een gemakkelijken stoel aan, waarop hij tegenover hem plaats nam en hem een oogenblik, met het geoefende en het doordringende oog van den geneesheer, aandachtig opnam.

En toen kwam het op ernstigen toon van zijn lippen:

„Gij moet dat werkelijk nalaten, Macmillan—het zal u den dood berokkenen.”

De ander was half uit zijn stoel opgestaan en keek Raffles met groote verschrikte oogen aan.

Toen stamelde hij:

„Wat meent gij, wat wilt gij zeggen, Mylord?”

„Gij weet het heel goed, gij moet het schuiven laten, en dat zeer spoedig, anders zult gij niet lang meer leven. Het zal u wel bekend zijn, dat ik geneesheer zou kunnen zijn, als ik verkoos en zou mogen praktiseeren, en als geneesheer verklaar ik u op mijn woord, dat uw gestel het schuiven niet lang meer zal kunnen verdragen. Ik bezweer u, luister naar mijn raad. Tracht ook niet te ontkennen, ik weet van een vriend, die mij nimmer zal bedriegen, dat gij een opiumkit in de Thames Street bezoekt. En luister nu. Sommige gestellen zijn tamelijk goed bestand tegen het opiumschuiven, ofschoon ook zij per slot van rekening moeten ondergaan—maar het uwe zou niet lang weerstand kunnen bieden!”

Macmillan was zeer bleek geworden en daarop was een ziekelijke blos in zijn wangen komen opstijgen.

En nu sloeg hij plotseling de magere handen voor het gelaat en zeide op heeschen toon:

„Ik schaam mij, ik schaam mij diep. Maar—uw raadgeving zal te laat komen, Mylord.”

„Neen, wanneer gij slechts ernstig u voorneemt haar op te volgen!” riep Raffles met kracht uit. „Gij zijt immers een man! Acht gij u niet eens in staat, een eenmaal genomen besluit ten uitvoer te brengen?”

„Neen, Mylord,” antwoordde Macmillan op doffen toon, terwijl hij langzaam en treurig het hoofd schudde. „Waarom zou ik er om liegen—ik heb die kracht niet meer. Het is te laat—het is te laat, een half jaar geleden, drie maanden misschien zou ik nog in staat zijn geweest, om een eenmaal genomen besluit ten uitvoer te brengen maar nu ben ik een ellendige slappe willooze kerel geworden. Gelooft gij niet, dat ik er zelf onder lijd? Denkt gij dat ik in heldere oogenblikken niet besef, dat ik mijzelf, en daardoor ook mijn lieve kinderen ten gronde richt? Denkt gij dat ik niet weet, dat ik een ellendeling ben?”

Macmillan had dit laatste op heeschen, hartstochtelijken toon uitgeroepen, terwijl hij zich met beide handen op de borst sloeg en Raffles herkende in het geheel niet meer den rustigen, gedistingeerden man van vroeger, die geen enkel gebaar zou maken, als het niet strikt noodzakelijk was.

„Gij weet dat—en toch kunt gij geen weerstand beiden?” riep Raffles uit.

„Neen, ik kan niet. Ik zou u nu kunnen beloven, dat ik mijn vervloekte gewoonte zal nalaten—en reeds, terwijl ik het beloofde, zou ik in mijn hart overtuigd zijn, dat ik mijn woord niet zou houden,” ging Macmillan op schorren toon voort. „Het is sterker dan ik, er is niet meer tegen te vechten. Laten wij er dus niet meer over spreken, Mylord. Ik ben u oprecht erkentelijk voor uw goeden wil—gij hebt gehandeld als een waar vriend—maar ik ben verloren—aan mij is niets meer te redden! Soms houd ik het vier dagen uit, nooit meer—en dan word ik met een onweerstaanbare kracht naar—die verdoemde plek getrokken!”

Hij had het hoofd in de handen begraven en zat daar nu onbewegelijk, een oud, gebroken man.

Raffles keek een oogenblik op hem neer met een blik, waarin medelijden en minachting om den voorrang streden en hernam toen:

„Zeg mij eens—wilt gij mij niet eens mededeelen, hoe gij tot die verderfelijke gewoonte gekomen zijt? Het is toch onmogelijk, dat gij uit eigen beweging u die vreeselijke gewoonte hebt eigen gemaakt.”

„Neen, Mylord—iemand anders heeft mij overgehaald!”

„Die „iemand” heet George Spider, nietwaar?”

Macmillan schoof zijn stoel met een ruk achteruit en vroeg verschrikt:

„Hoe weet gij dat? Ik wil zeggen.…”

„O, gij behoeft niet te trachten, mij om den tuin te leiden, of mijn vraag te ontwijken,” zeide Raffles met een welsprekend handgebaar. „Mijn zegsman is volkomen betrouwbaar, dat zweer ik U, ik weet dat hij het was!”

„Welnu, ja, het is zoo,” kwam Macmillan plotseling. „Ik heb het zoo lang mogelijk geheim willen houden—maar hiertoe moest het wel komen—tenslotte heeft men ons wel samen moeten zien!”

„Is hij reeds lang een vriend van U?”

„Hij is mijn oom!”

Nu was het de beurt van Raffles om zich te verbazen.

„Uw oom? Zegt gij? Hoe is dat mogelijk!” riep hij uit. „Hij is nauwelijks zoo oud als gij!”

„Hij is twee jaar jonger dan ik—George Spider is een broer van mijn moeder—zij schelen bijna twintig jaar—mijn moeder huwde op zeer jeugdigen leeftijd, toen zij nauwelijks achttien jaar oud was.”

„En uw eigen oom heeft u dus tot het opiumschuiven overgehaald.”

„Overhalen kan men het niet noemen, wij bezochten eens met een heel clubje, louter uit de aardigheid, een opiumkit aan de haven, en daar hebben wij toen allen een pijp gerookt—en in die kit, op dat tijdstip is het begonnen!”

„Welzoo, welzoo, een aardigheid dus!” riep Raffles met een minachtend lachje uit. „Een aardigheid, die u uw levensgeluk, uw gezondheid kan kosten. Maar grap of niet—uw oom, George Spider, heeft u dan toch daarna steeds vergezeld, nietwaar?”

„Niet altijd, vaak ging ik alleen!”

„Schuift uw oom zelf niet?”

„Ik heb het hem nooit zien doen.”

„Maar den eersten keer?”

„Toen wel, maar hij scheen er in het minst geen hinder van te hebben.”

Raffles was opgestaan en legde nu zijn hand op den mageren schouder van Macmillan.

Zijn stem had een warmen klank, toen hij zich over hem heenboog en zeide:

„Als vriend en als geneesheer—zeg ik u nogmaals, wend al uw wilskracht die U nog rest, aan, om uw hartstocht te bestrijden. Het is geen looze bedreiging, als ik zeg dat gij binnen een jaar dood en begraven zult zijn, als gij er mee voorgaat! Gij behoort juist tot degenen, die door het opiumschuiven het ergst worden aangegrepen. Ik heb u in den laatsten tijd nauwkeurig gadegeslagen en ik vermoedde reeds half, waardoor uw vreeselijke vermagering, uw slecht gezicht en uw trillende handen werd teweeggebracht en als mijn goed gemeende raad niets uitwerkt—denk dan toch in Gods naam om uw kinderen. Zij zijn nog zoo jong, zij hebben niemand anders dan u—wat moet er van hen worden?”

Inplaats van te antwoorden, bedekte Macmillan opnieuw het gelaat met de handen en barstte in een krampachtig snikken uit, dat zijn geheele magere lichaam deed schokken.

Raffles liet hem rustig uithuilen en besloot toen:

„Denk nog eens over mijn woorden na—zij werden mij alleen ingegeven door mijn waarachtige sympathie voor u zelf—maar misschien nog meer voor uw beide dochters.”

Het was of Macmillan iets wilde zeggen, maar hij bedacht zich, bette zijn brandende oogen, stak Raffles zijn trillende hand toe, schoof met een onhandig gebaar het fluweelen gordijn terzijde, hetwelk voor de deur hing en verliet haastig het vertrek.

Raffles keek hem hoofdschuddend na en bleef toen geruimen tijd in gedachten verzonken staan.

Maar plotseling sprong hij op, mompelde iets onverstaanbaars voor zich heen en verliet op zijn beurt het vertrek, om zich naar de biljartkamer te begeven, waar hij Charly aantrof die een partij speelde met een der clubleden.

Hij gaf den jongen man een wenk en deze zette dadelijk zijn queue weg, verontschuldigde zich bij zijn partner en verliet met Raffles de biljartzaal.

De twee vrienden begaven zich naar de conversatiezaal, waar zich op dat oogenblik slechts weinig leden bevonden, want het seizoen was reeds begonnen en de meeste hadden met hun gezin hun zomerverblijf reeds betrokken.

Zij zochten een stil plekje op, bij een der groote vensters en daarop vroeg Charly op zachten toon:

„Mag ik weten, wat je met hem besproken hebt?”

„Dat kun je je wel voorstellen, Charly. Ik heb hem onder het oog gehouden, dat hij binnen een jaar niet meer tot de levenden behoort, als hij niet ophoudt met schuiven.”

„Is dat werkelijk zoo?” vroeg Charly verschrikt.

„Het is zoo—ik zeide het hem als geneesheer!”

„En wat antwoordde hij?”

„Weinig anders, dan dat ik verwacht had van iemand, die al zoover heen is—hij kon mij niets beloven!”

„Dat is vreeselijk!”

„En toch is er nog iets—dat erger is, Charly!”

„Wat kan dat wel zijn.”

„De man, die hem hiertoe overhaalde, is zijn eigen oom!”

„Wat, is die George Spider een oom van Macmillan?” vroeg Charly in de grootste verbazing.

„Een volle oom, een broer van zijn moeder!”

„Dat is zeker ontzettend, Edward. Dat is een laagheid, door niets te evenaren! Dan draagt die man zijn naam wel met eere?—Wat kan hem daartoe wel bewogen hebben?”

„Daarover heb ik ook geruimen tijd nagedacht, nadat Macmillan mij verlaten had en ik ben tot de volgende slotsom gekomen.”

Hij keek even uit het raam naar het drukke gewoel in de Oxford Street en vervolgde toen:

„Je weet, dat de twee dochters van Macmillan buiten hun vader geen naaste familie hebben. Hij zelf is zeer rijk. Natuurlijk beheert hij zelf zijn groot vermogen. Maar wat zou er gebeuren, denk je, als hij eens niet meer in staat was dat te doen?”

„Wel dan zou er natuurlijk een curator moeten worden aangesteld,” antwoordde Charly verwonderd.

„Juist, dat heb je nog goed onthouden uit je studententijd! Er zou een curator moeten worden aangesteld en die zou waarschijnlijk tegelijkertijd voogd worden over de beide onmondige meisjes. In ons land mag iemand die onder curateele gesteld wordt zijn eigen vermogen niet langer beheeren. En wat is er natuurlijker dan dat men den oom van Macmillan zou benoemen tot curator?”

Charly keek Raffles, toen deze de vraag gesteld had, geruimen tijd zwijgend aan en eindelijk zeide hij:

„Dat zou wel ongeveer de gemeenste streek zijn, dien ik mij met mogelijkheid kan voorstellen. Je denkt dus, dat de Spider met opzet zijn neef aan het opiumschuiven gebracht zou hebben, met het doel en in de hoop, dat hij zijn hersens en zijn lichaam zou kunnen vernielen zoodat men hem onder curateele zou moeten stellen.”

„Dat acht ik tenminste volstrekt niet zoo onmogelijk,” antwoordde Raffles de asch van zijn sigaar wegtikkend. „De menschelijke boosheid heeft vele wegen en middelen, Charly; bedenk, als hij zijn neef doodt, dan komt hij niet veel verder, want volgens onze wet zou zijn vermogen dan eenvoudig verdeeld worden tusschen de beide dochters.”

„Maar die zijn nog minderjarig en dus zou hun vermogen toch beheerd moeten worden,” merkte Charly op.

„Zonder twijfel, maar onder veel ongunstiger omstandigheden voor Spider, want binnen een jaar of daaromtrent zou hij hun het fortuin toch moeten uitkeeren, wat hij ook zou moeten doen, als zij huwden.”

„En hoe zou je het kunnen bewijzen wat je daar zegt?”

„Dat is natuurlijk volstrekt niet te bewijzen. Spider zou natuurlijk eenvoudig de schouders ophalen, als men hem van zooiets beschuldigde. Hij zou aanvoeren, dat zijn neef zich in gezelschap bevond toen hij voor het eerst de opiumpijp aan de lippen bracht en verder zou hij zich nergens iets van aantrekken. Trouwens geen enkele wet ter wereld zou hem voor iets dergelijks kunnen straffen—en dat vind ik erg genoeg. Naar mijn oordeel moest de man, die een ander overhaalt om te drinken, opium te schuiven of cocaïne te gebruiken, levenslang worden opgesloten!”

„En heb je in het geheel geen hoop dat Macmillan zijn ongelukkige gewoonte zal afleggen?”

„Om je de waarheid te zeggen, bitter weinig, Charly. Hij is al te ver heen, naar ik vrees.”

„Zouden zijn dochters er van weten?”

„Dat betwijfel ik sterk.”

„Maar als die arme meisjes eens op de hoogte werden gesteld—zouden zij niet kunnen bereiken, waartoe jij niet bij machte bent?”

Raffles dacht even na en antwoordde toen:

„Misschien, het is een gewaagde proefneming. Wie weet, tot welke wanhoopsdaad Macmillan zich laat verleiden, als hij weet dat zijn dochters zijn geheimen hartstocht kennen. Want ik weet, dat hij zijn kinderen verafgoodt!”

„Dus wij zouden volkomen machteloos staan?”

„Neen, Charly, neen, dat zal ik nimmer erkennen,” riep Raffles vastberaden uit. „Wij zullen Macmillan redden—al was het ook tegen zijn zin en als het niet met de gewone middelen gaat, welnu, dan zullen wij een paardenmiddel toepassen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings