De handelaar in opium.
Reading edition
Tylar zat aan een weelderig gedekte tafel in de Chineesche villa, die Raffles van af het dek had gezien.
Zijn gastheer was een nogal gezet koopman van middelbaren leeftijd, wiens gelaatstrekken buitengewone sluwheid en geslepenheid verrieden.
Terwijl het tweetal daar zat, bevonden de matrozen zich op een veranda achter een formeelen berg van flesschen met allerlei wijn en likeuren.
Het vertrek was half Europeesch, half Chineesch ingericht.
Wou-Wang rookte een sigaret en nam den etenden gast op als een vos zijn buit.
Wou-Wang stond aan het hoofd van de bende der veertig dieven, waartoe ook de door de Yaquis vermoorde Mexicaansche gouverneurs Marquez en Matteo hadden behoord.
De Chinees had reeds uit telegrammen van zijn agent in Mexico van de verongelukte expeditie en den dood der beide gouverneurs gehoord.
Twintig jaar geleden was hij op een bank begonnen als eenvoudig inpakker van Mexicaansche dollars.
Door zijn uitstekende talenkennis werd hij echter weldra in een hoogere positie geplaatst, waardoor hij in contact kwam met allerlei agenten en kooplieden der geheele wereld.
Zoo werd hij de stichter van een bond van zeeroovers en smokkelaars, aan welks hoofd mannen stonden uit de aanzienlijkste klassen van alle landen.
Hij had zijn draden gespannen van Japan naar de Sandwich-eilanden, naar Alaska, Britsch-Columbia, Californië en bezat overal agentschappen, die door blanke of bruine dieven waren bezet.
Rijk en machtig was Wou-Wang en meester in zijn vak, en jaar in, jaar uit gelukte het hem de belastingambtenaren der verschillende staten voor steeds grootere sommen te bedriegen.
Hij wisselde met zijn agenten bijzondere cijfertelegrammen, en deze gaven bijna aan iedere stoomboot, die den Oceaan kruiste, geheime brieven mee.
En bij zijn reusachtige ondernemingen, zijde- en opium-smokkelarijen, had Wou-Wang de hulp van honderden handen.
Zijn hoofdkwartieren vormden Hongkong, Honolulu, Nagasaki en San Francisco.
Hij was eigenaar van het beroemde Chineesche restaurant in San Francisco, en mede-eigenaar van verschillende andere hotels in China en Japan.
Bovendien bezat hij een vloot van stoombooten.
Toen zijn agenten hem berichtten over het opduiken van het zeiljacht in de Mexicaansche wateren en van zijn enorme snelheid, had hij hun direct opgedragen het schip tot elken prijs te bemachtigen.
Daardoor was het gekomen, dat een der agenten van den Chinees in Honolulu met Tylar en zijn manschappen het plan bespraken, het jacht in plaats van naar New-York naar Japan te brengen en vandaar een groote lading opium naar China te vervoeren.
„We hebben nog nimmer een meer waardevolle lading op een schip gehad dan die, met welke gij naar China zult gaan,” zei Wou-Wang tot Tylar.
„De hoofdzaak is, dat ik mijn tweeduizend dollars verdien. De boot is zoo goed, dat geen der Engelsche kruisers haar kan inhalen.”
„Wat hebt ge met den gevangen kapitein gedaan?” vroeg Wou-Wang.
„Hij is nog aan boord,” antwoordde Tylar.
„Wat!” riep Wou-Wang uit. „Leeft die hond nog? Hebt gij hem niet den hals afgesneden en over boord geworpen?”
„No, sir,” gaf Tylar ten antwoord, „en ik ben blij, dat wij het niet hebben gedaan, want dan zat ik beslist, zoo zeker als tweemaal twee vier is, niet bij u en het schip zou hier niet voor anker liggen.
„De taifun, die wij moesten doormaken, was een der verschrikkelijkste, die ik ooit heb beleefd.
„Bovendien behoeven we hem niet te vreezen. Hij is in Engeland datgene, wat gij hier in China zijt!”
„Allright!” sprak de Chinees, „gij moet maar weten wat ge doet. Gij moet vannacht dit water alweer verlaten en naar China varen. Doch vóór alles, hebt ge wapens aan boord?”
Tylar begon te lachen.
„Een heele lading geweren en revolvers, die wij vóór onze Mexicaansche expeditie aan boord hebben genomen. Waarom vraagt ge dat?”
„Heel eenvoudig,” hernam Wou-Wang, „voordat ge de Straat van Simoneseki zijt gepasseerd, zijt ge niet veilig. Het wemelt hier van zeeroovers en die hebben al heel wat koopvaardijschepen ingepikt.
„Ik zal je aan boord twintig à dertig van mijn manschappen meegeven, die ge van wapens kunt voorzien.
„Zij kunnen je helpen bij het laden en je kunt hen op de plaats van bestemming, Shanghai, achterlaten.
„Vandaar kunnen zij met mijn eigen boot terugkeeren.
„Kijk goed uit op de Gele Zee. Gij hebt voor eenige millioenen dollars aan opium aan boord.
„Ik zal nu order geven, dat mijn manschappen de lading aan boord brengen.”
Een uur later lichtten de volgeladen booten het anker en koersten achter het jacht aan.
In een der eerste booten zaten Wou-Wang en Tylar.
Toen hij aan boord van het schip was, bekeek en bewonderde de koelbloedige Chinees ieder plekje van het prachtige schip, dat den vreeselijken taifun zoo schitterend had doorstaan.
„Wanneer uw logboek niet liegt, Mr. Tylar, dan is dit jacht een oceaanwonder!” lachte de Chinees.
„Gij kunt het aan boord van dezen zeevogel opnemen tegen alle kruisers der wereld.”
Raffles was in zijn kajuit gebleven, daar hij niet in aanraking wilde komen met de Chineezen, die groote kisten op het jacht brachten.
Binnen eenige uren was de lading aan boord en Wou-Wang reikte Tylar zijn met diamant beladen vingers met de woorden:
„Wel, kapitein, hijsch de zeilen, ik zal dadelijk een cijfertelegram naar Shanghai zenden, dat gij vertrekt, en ook mijn agenten aan de kust opdragen dat zij zoo veel mogelijk een oogje in het zeil houden.
„Houd uw oogen open voor zeeroovers, belastingambtenaren en Engelsche kanonneerbooten.
„Ik geef u Ah-Kee mee. Dat is een loods en stuurman, die elke haven van hier tot Hokodate kent.
„Bovendien, wanneer ge wordt aangevallen is hij een duivel in den strijd. Alleen moet ge oppassen, dat ge hem niet in een opium-roes vindt.
„Mocht dat het geval zijn, dan giet je hem twintig liter koud water op zijn hoofd en dient hem vijftig slagen toe, doch met het beste uiteinde van het touw. Heb je verstaan, Kee?”
De breedgeschouderde Mongool grijnslachte en liet zijn door opium zwart geworden tanden zien.
Het was de grijnslach van een hongerigen tijger.
„Als hij geen opium heeft gerookt, is hij de meest bruikbare mensch,” ging Wou-Wang voort, „ik redde hem van een zeeroovers-expeditie. Ik kocht hem af door een bevriend mandarijn, anders zou hij nu, als de laatste zijner vijf-en-twintig makkers, in het zand bijten!
„Je herinnert je toch nog wel, hoe ge in twee rijen, de handen op den rug gebonden, voor den beul moest knielen en deze met een zwaard het eene hoofd na het andere afsloeg?
„Wel? Ik redde Kee op het oogenblik, dat het hoofd van zijn laatsten kameraad in het zand rolde.
„Ik hoop, dat je dat niet zult vergeten, Kee!
„Bovendien zal mijn klerk meegaan. Hij heeft de brieven voor mijn handelsvrienden in Shanghai.
„Ik hoop, dat ge een gelukkige reis moogt hebben!”
Het volgende oogenblik riep de kapitein:
„Het anker lichten.”
En met het eigenaardige sing-sang der zeelieden, trokken de matrozen het anker op.
De Chineesche loods ging aan het stuurrad staan en liet het rad door zijn handen glijden, terwijl de overige matrozen de zeilen richtten.
Wou-Wang echter sloeg vanaf zijn boot de zeilmanoeuvres gade en keek met zijn verrekijker het jacht na, totdat het van de reede van Nagasaki was verdwenen zonder een douaneboot te kruisen.
Toen Raffles den volgenden morgen op het dek kwam, zag hij de zwarte kust van Tung-chow, waarlangs het jacht voer met een snelheid van twaalf knoopen.
Arbeiders vulden het dek en zaten pratend onder een zonnezeil.
Den volgenden nacht dook de Koreaansche kust op, waarover Raffles zich verbaasde.
Het jacht moest, sinds het Tung-chow had verlaten, al minstens een dozijn malen van koers veranderd zijn.
De wind was gaan liggen en het was gloeiend heet geworden.
Het jacht kon slechts langzaam vooruit komen.
Tevergeefs brak Raffles zich het hoofd, wat voor een lading aan boord van het jacht was gekomen.
Plotseling dook van de kust een dozijn merkwaardig gevormde booten op met geelroode wimpels, die regelrecht op het jacht af kwamen.
„Alle hens aan dek! Zeeroovers!” klonk de roep van den Chineeschen stuurman tot Tylar, en als een troep mieren begon de bemanning af en aan te loopen en met hun geweren en revolvers het vuur te openen op de langzaam naderende booten.
De zeeroovers hadden het schip omsingeld en beantwoordden het vuur.
Voor het eerst sedert het begin der reis nam Raffles zijn revolver ter hand, onderzocht ze en moest lachen, toen hij zag, dat er geen patronen op waren.
De muitende bemanning had ze heel wijselijk leeg gehaald.
Toen hij aan dek kwam, was alles daar in het heetst van het gevecht.
Met pieken, geweren en revolvers stonden de matrozen naast de Chineesche werklieden aan alle kanten van het schip en hadden moeite de gele duivels het beklimmen van het schip te beletten.
Bij de voorplecht woedde de strijd het hevigst.
De Chineesche zeeroovers hadden hun beruchte stinkpotten aan boord geslingerd, en de verdedigers werden door de ontzettend bijtende lucht, die hun het ademhalen belette, bemoeilijkt.
Het volgend oogenblik sprongen eenige dozijnen mannen aan boord en wierpen zich met revolvers en messen op de matrozen.
Van weerszijden gaf men niets toe.
Raffles zag, hoe de stuurman Lee plotseling met een mes den niets vermoedenden Tylar wilde aanvallen.
Hij pakte Tylar in den nek, wierp hem op den grond en wilde hem zijn mes in de borst stooten, toen Raffles den kapitein te hulp kwam, de enterbijl van een gevallen matroos greep, toesprong en den langstaartigen verrader neersloeg.
„Goddam!” schreeuwde de gewezen bootsman, toen hij weer overeind kwam, „dat zal ik nooit vergeten, Sir!”
Raffles nam een revolver, die in den gordel van den gedooden Chinees stak en vuurde op de naderdringende langstaarten.
Daarop greep hij een met ijzer beslagen harpoen en stortte zich, gevolgd door Tylar, op de zeeroovers.
Deze vluchtten voor den blanken duivel, zooals zij hem noemden en Raffles wierp hun de stinkpotten achterna.
Maar de strijd was nog niet geëindigd.
De Chineesche arbeiders, die aan boord waren gekomen, en die door den bootsman van wapens waren voorzien, maakten plotseling gemeene zaak met de zeeroovers en vielen de matrozen aan.
„Nu ziet gij”, riep Raffles tot zijn gewezen bootsman, „hoe dom gij zijt geweest, om die valsche langstaarten onze goede wapens te geven.
„Nu moeten wij ons naar twee kanten begeven.
„Alle man hierheen!”
De matrozen werden door het bevel van Raffles met nieuwen moed bezield.
Zij weerden hun aanvallers af en schaarden zich om de commandobrug.
Besluiteloos verzamelden zich daarentegen de Chineesche werklui op het achterdek van het schip terwijl de zeeroovers opnieuw de onbeschermde zijwanden van het schip beklommen.
Vlak onder de commandobrug bevond zich de munitiekamer.
Raffles liet deze openen en verscheiden geopende munitiekisten op de commandobrug zetten.
De brug was het hoogste punt van het schip en er konden gemakkelijk zes man staan.
Op eenigen afstand daarvan bevond zich een dek der kajuit en daarop zoowel als op de kajuit zelf verdeelde Raffles de matrozen.
„Eén man schiet en één man voorziet hem van munitie …
„Snelvuur;” commandeerde Raffles.
En nu begonnen zij te vuren op de dicht bij elkaar staande zeeroovers en arbeiders.
Huilend en schreeuwend trachtten deze zich te verdedigen.
Maar als een onbluschbare vuurregen vloog het van de commandobrug en het dek der kajuit en wierp hen neer.
Hoopen dooden lagen in hun bloed te baden en elk salvo eischte nieuwe offers.
De munitie der Chineesche arbeiders en zeeroovers was verschoten en zij moesten zich dus met handwapenen verdedigen.
Het duurde niet langer dan een kwartier, of het dek was van aanvallers gezuiverd en slechts dooden en gewonden lagen in het rond.
De wind was gaan liggen en nu beval Raffles, terwijl hij overal op het schip posten uitzette, dat de rest van de bemanning de zeilen moest hijschen.
In eenige minuten was dit geschied.
Als een meeuw vloog het zeiljacht heen en liet de aanvallers als donkere stipjes op de kust achter.
Nu droegen de matrozen hun gewonde kameraden in het scheepsruim om hen daar te verbinden.
Meer dan de helft van hen was zwaar gewond en verscheiden waren dood.
Ook de bootsman had een schampschot aan het hoofd gekregen en eenige steken in den linkerarm.
Met de gewonde Chineezen en zeeroovers maakten de matrozen een kort proces. Zij wierpen hen eenvoudig als ballast in zee.
Van de Chineesche arbeiders was geen enkele aan boord gebleven.
Toen het schip weer in orde was gebracht, kwamen verschillende der matrozen naar Raffles toe, bleven in deemoedige houding voor hem staan en een van hen, een zekere Tom Back, zei:
„Wel, kapitein, wij hebben niets anders te zeggen, dan dat mijn kameraden en ik ons schamen, dat wij ons in Honolulu hebben laten omkoopen om te muiten.
„Wij zijn bereid, u opnieuw gehoorzaamheid te zweren en willen, dat gij het schip naar de naaste haven brengt.
„Daar kunt gij ons dan, als gij het wenscht, door de overheid laten straffen.”
„Ik dank u ervoor”, antwoordde Raffles, „dat gij eindelijk verstandig zijt geworden en ik ben blij, dat gij dit prachtige schip eindelijk weer in een haven terug wilt brengen.
„Ik wensch u niet te laten straffen, integendeel!
„Gij ziet, in welke gevaren en avonturen uw domheid u heeft gebracht en ik geloof, dat gij zonder mijn hulp reeds tweemaal het leven er bij had ingeschoten.
„Nu doe ik u een voorstel!
„Gij zult van nu af het schip met de lading aan mij toevertrouwen. Ik betaal u, zoodra gij het schip in een bevriende haven hebt, zes maanden loon en gij kunt uw eigen gang gaan.
„Zijt gij het daarmee eens?”
Met verheugde gezichten beloofden de teerjakken Raffles dit en volgden nu blindelings zijn aanwijzingen.
In den mast wapperde weer lustig de Amerikaansche vlag en Raffles, die persoonlijk het stuur in handen had, liet dit nu aan den tweeden stuurman over en begaf zich naar de kajuit, waar de gewonde Tylar lag.
Kermend lag deze op zijn bed.
„Ik weet niet”, sprak hij tot Tylar, „of gij hebt gehoord, dat uw kameraden u afvallig zijn geworden en dat ik weer meester van het schip ben.”
„De duivel hale u!” vloekte de bootsman.
„De duivel had jou bijna gehaald!” antwoordde Raffles. „Als je niet verstandig bent, zal ik je door mijn manschappen in ijzer later klinken en een anderen toon tegen je aanslaan!”
„De duivel hale je!” vloekte Tylar nog eens. „Ik was gek, dat ik niet naar Wou-Wang luisterde, die mij raadde je met een messnede in de keel in zee te werpen.”
„Je bent een nette kerel”, antwoordde Raffles, „is dat de dank ervoor, dat ik je voor den messteek van den Chinees behoedde?
„Wel, je wordt, totdat wij een haven hebben bereikt, als gevangene beschouwd en ik verzeker je, bij de geringste weerspannigheid, die je toont of wanneer ik van de bemanning hoor, dat je weer verraad wilt plegen, krijg je van mij een kogel en ga denzelfden weg, dien alle verraders moeten gaan.
„Dit is het laatste woord, dat ik met je spreek.”
Het was twee dagen later, toen een Engelsche kanonneerboot in zicht kwam.
De Engelschman gaf Raffles bevel, stil te houden en hem te antwoorden, wie hij was.— —
Maar de Groote Onbekende was niet van plan, het bevel van het Engelsche oorlogsschip te volgen en, daar er een behoorlijke bries waaide, liet hij alle zeilen bijzetten en met volle snelheid vloog het jacht weg.
Een schot, waarop nog verscheiden andere volgden, werd hun nagezonden.—
Raffles zag, hoe uit den schoorsteen van den kruiser dikke rookwolken opstegen en wist, dat deze stoom zette om hen te vervolgen.
„Voorwaarts, jongens!” riep hij zijn matrozen toe. „Wij moeten den Engelschman toonen, dat wij, Amerikanen, tegen hem zijn opgewassen.
„Gij kent het schip, en weet wat het vermag. Wij moeten den Engelschman achter ons laten!”
De Engelsche pantserkruiser deed wanhopige pogingen om het zeiljacht in te halen.
Maar het hielp hem niets.
Steeds grooter werd de afstand en eindelijk was van het jacht niet meer dan een witte plek, zoo groot als een meeuw, te zien.
Toen viel de duisternis en het jacht was geheel en al verdwenen.
Den volgenden morgen dook aan de Chineesche kust Shanghai op.
Doch in een groote bocht vermeed Raffles de kust van Shanghai en het scheen, alsof hij de haven niet wilde binnenloopen.
In de buitenhaven wemelde het van vaartuigen van alle naties. Douanebooten vlogen heen en weer en maakten aanstalten om het zeiljacht op te zoeken.
Hij had in de kajuit, in den borstzak van den gedooden Chineeschen klerk, de brieven gevonden, die Wou-Wang aan zijn vriend in Shanghai had gericht.
Op eenige mijlen afstands liet Raffles de boot in een stille bocht varen en begaf zich den volgenden dag op een klein bootje, dat zij in Nagasaki van Wou-Wang hadden gekregen, aan land.
Hij wilde probeeren, een der Chineesche kooplieden, wier adressen hij uit de brieven kende, in Shanghai op te zoeken.
Dicht bij het strand bevond zich een klein visschersdorp.
Onder de visschers vond hij een, die zooveel Engelsch sprak, dat hij zich tegenover hem verstaanbaar kon maken en dezen nam hij als gids mee naar Shanghai.
Het was na middernacht toen hij voor het huis van den koopman aankwam en dezen door een bediende liet wekken.
Sam-Li, een oude Chinees, verscheen ontstemd in de voorhal van zijn huis en vroeg Raffles naar diens verlangen.
Hij sprak vloeiend Engelsch.
Het viel Raffles dus niet moeilijk, met hem te praten.
„Ik kom van Wou-Wang” begon de Groote Onbekende, „en ben kapitein van het zeiljacht „Carmenrita.””
Nauwelijks had de Chinees deze woorden gehoord, of hij vertrok zijn gelaat tot een vriendelijken lach en noodigde Raffles, diens matrozen en gids uit, binnen te komen.
Binnen een half uur was Raffles het met hem eens en de Chinees verklaarde zich bereid het bedrag voor de zending aan hem uit te betalen.
Een uur later vertrok een karavaan muildieren en arbeiders om nog in den nacht de kostbare lading te gaan halen.
De Chineesche tolbeambten schenen dien nacht te slapen.—
Zonder eenig beletsel werd de opiumlading aan land gebracht.
De Chineesche koopman overhandigde Raffles daarvoor 8 zakken, die met goud gevuld waren en het bedrag van 1½ millioen dollars vertegenwoordigden.
Tegen den morgen reeds lichtte het jacht zijn ankers en voer nu met volle zeilen de haven van Shanghai binnen.
Ook hier wekte het de algemeene bewondering op.
Nauwelijks waren de ankers uitgeworpen, of een Amerikaansche consulaatsboot naderde en de Amerikaansche consul Brown kwam aan boord.
„Mr. Lister”, riep hij, toen hij voor Raffles stond.
„Yes, Sir, wat wenscht gij van mij?”
De consul haalde een telegram te voorschijn en sprak:
„Ik heb van mijn regeering een telegram gekregen, waarin mij wordt bevolen, acht te geven op een zeiljacht, waarvan gij de kapitein zijt en dat sinds eenige weken is verdwenen.
„Zijt gij dat werkelijk?”
„Ja, Sir”, antwoordde Raffles weer. „Wij waren in een taifun en konden ons slechts met moeite redden.”
„Ontvang dan mijn gelukwenschen met den goeden afloop.”
Nu verliet de consul het jacht en de Chineesche douanebeambten kwamen aan boord zonder iets te vinden.
Den volgenden dag ontsloeg Raffles zijn matrozen, nadat hij hen goed had beloond en liet zich door een agent nieuwe manschappen bezorgen.
Maar een enkelen ontsloeg hij niet en dat was Tylar, dien hij in zijn hut gevangen hield.
Nadat hij vier dagen in de haven had gelegen en al het ontbrekende voor het schip had gekocht, nam hij zijn koers naar het Westen.
Charly Brand echter ontving op dien tijd een telegram in New-York van den volgenden inhoud:
„Mr. Brand, Usterhotel, New-York.
Vaar heden van Shanghai naar Londen. Hoop, dat pruik succes heeft gehad. Beste groeten aan de dames Delma en aan Señor Delma.
J. C. R.…..”
Toen Charly Brand dit telegram ontving, viel hem een pak van het hart.
Reeds sinds eenige weken hadden hij en de familie Delma alle hoop opgegeven, Raffles terug te zullen zien.—
Groote vreugde heerschte onder hen, toen zij het telegram ontvingen.
Maar tevergeefs vroegen zij zich af, hoe Raffles met zijn jacht naar China was gekomen.
Alleen Charly Brand begreep, wat zijn vriend met de pruik bedoelde.
Bijna had hij het zelf vergeten, hoe hij maanden geleden, voordat hij zich voor Mevrouw Delma in Mexicaansche avonturen waagde, aan het Strand in Londen een pruik had gekocht, om daardoor eindelijk een vrouw te vinden.
Zijn kalen knikker was hij nu kwijt, maar een vrouw had hij nog niet gevonden.
Toen hij op zekeren dag bescheiden toespelingen maakte tegen Alma Delma over een ongelukkige liefde, zag zij hem vol medelijden aan en antwoordde:
„O, mijn vriend, het doet mij innig leed, dat gij een ongelukkige liefde hebt; tracht toch, een gelukkige te vinden.”
Hij begreep haar woorden niet en meende, dat het een blauwtje voor hem beteekende.
Nu, na ontvangst van het telegram, kreeg hij eindelijk moed zich tegenover het beminde meisje uit te spreken.
Toen hij zweeg, keek zij hem trouwhartig in de oogen en zei:
„Gij spreekt weer van uw liefde, Mr. Brand. Ik ben heusch nieuwsgierig om te vernemen, wie uw uitverkorene is.”
En Charly Brand durfde weer niet te zeggen, dat zij zelf dat was!
Dienzelfden avond besloten zij, met de eerste boot naar Londen te varen, om daar Raffles te ontmoeten.