← Table of contents
Lord Lister No. 0013

EEN LEVENDE DOODE.

Reading edition

„Slang, Adrienne!” kreunde lord Lister, toen hij het reuzengebouw der Engelsche Bank verliet en de straat op wankelde. Ze heeft mij een leelijke poets gebakken, die slechte vrouw, hoewel ik geloof, dat het minder mij dan wel miss Wilson geldt!

„O, ik doorzie alles! Adrienne was bang, dat miss Wilson haar met geweld den sleutel misschien zou afnemen, daarom heeft zij een gelijkend sleuteltje op haar borst gedragen!

„Maar ze kan nog niet in de Bank zijn en misschien komt ze niet eens meer op tijd, want het is al tien minuten vóór vijven! Dan blijft mij dus tot morgen vroeg negen uur den tijd om in mijn belang te werken.

„En ik moest niet lord Lister heeten, als ik van die gelegenheid geen gebruik zou maken!”

In diep gepeins verzonken, liep de meesterdief voor het Bankgebouw heen en weer.

Het sloeg vijf uur.

Gelukkig! Adrienne had zich niet vertoond.

Een minuut later kwam een beambte naar buiten om de deur te sluiten.

Maar in hetzelfde oogenblik ook kwam een cab aanrijden, waarvan de koetsier als een razende op de paarden ranselde.

Lord Lister vond nog juist den tijd om zich in een nis terug te trekken, toen Adrienne uit het rijtuig sprong en naar den hoofdingang snelde.

„’t Spijt me, mevrouw”, hoorde Lister den beambte zeggen, „ik kan u niet meer toelaten, het is juist vijf uur!”

„Maar ik moet nog naar mijn safe—niet langer dan drie minuten!”

„Dat kan vandaag niet meer! Morgen vroeg om negen uur kunt ge hier terecht!”

„Ik geef u 25 pond als ge mij binnenlaat!”

„Zelfs voor geen duizend pond, mevrouw, ik mag niet tegen de strenge voorschriften handelen.”

De beambte ging het gebouw binnen en wierp de deur in het slot.

In dit oogenblik overlegde lord Lister, of hij de schoone vrouw niet met geweld thans het sleuteltje zou kunnen afnemen.

Maar het was druk op straat en het geval zou groot opzien baren.

Met boos gelaat ging Adrienne weer in haar rijtuig zitten.

„Breng mij maar naar hotel Bristol terug”, zei zij tegen den koetsier.

„Hotel Bristol dus!” mompelde de lord op tevreden toon, „’t is ten minste een voordeel, dat ik weet, waar ik haar in Londen kan vinden!”

„Dat is een ellendige geschiedenis, miss Wilson”, sprak inspecteur Baxter van Scotland Yard, op geërgerden toon, terwijl hij in zijn bureau op en neer liep.

„Gij hebt u door die vrouw leelijk bij den neus laten nemen!”

„Ik ben volkomen onschuldig, inspecteur” verdedigde miss Wilson zich. „Zij heeft mij verzekerd, dat ze den sleutel op de borst droeg en ik heb gedurende den ganschen nacht geen oog dichtgedaan om dien sleutel voortdurend te bewaken!”

„En den volgenden morgen was hij toch verdwenen!” stiet Baxter woedend uit.

„Hij was verdwenen en de markiezin beweerde halsstarrig, dat hij des nachts moest zijn gestolen!

„Zij heeft mij er zelfs van beschuldigd, dat ik den diefstal had gepleegd”.

„Fataal!” bromde Baxter, „want als het inderdaad waar is, dat de markies De Frontignac dit geweldige geheim heeft gekend, als hij inderdaad heeft geweten, wie zich verschuilt achter dien verdoemden John C. Raffles, dan is het vreeselijk, dat ons dit geheim nog niet geopenbaard is! Ik vermoed, dat die Adrienne geen open kaart met ons wil spelen!”

„En waarom zou ze dat niet?”

„Dat weet ik niet! Maar ik zal ernstige maatregelen nemen en morgen zelf naar Parijs gaan om met den markies De Frontignac te spreken!”

„Dan komt ge te laat, inspecteur”, glimlachte miss Wilson, „de markies is gisteren in een duel gedood!”

„Gedood—allemachtig, dat was mijn laatste hoop—wat is er, mr. Brown?”

Een der detectives van Scotland Yard was binnengekomen en overhandigde den inspecteur een visitekaartje met de woorden:

„Deze heer zou u graag even heel dringend willen spreken!”

„Laat hem de duivel halen! Ik ben voor niemand te spreken!”

„Uitstekend! Ik zal het den markies zeggen!”

„Markies? Welken markies?”

„Wel, dat is markies De Frontignac uit Parijs!”

Baxter trok een gezicht als een idioot

Hij wierp een blik op het visitekaartje en—

„De dooden staan weer uit hun graven op, miss Wilson!” lachte hij toen, „ge hebt mij daar juist verteld, dat de markies gisteren in een duel gevallen is en dadelijk zult ge hem in levende lijve voor u zien! Brown, zeg den markies, dat ik hem met groot genoegen zal ontvangen”.

De deur ging open en in de uniform van een Fransch majoor, het kruis van het Legioen van Eer op de borst, trad markies de Frontignac de kamer binnen.

Baxter twijfelde er geen oogenblik aan, dat hij den markies voor zich zag.

Twee jaar geleden had hij hem eens gesproken op een buitenpost, en zich toen langen tijd met hem onderhouden, en het gebruinde gelaat, met de even grijzende snorren was den gebieder van Scotland Yard niet uit het geheugen gegaan.

„Wel, markies, zijt gij het inderdaad!” riep Baxter uit, „ge zijt dus niet dood?”

„Dood? Ik? Zooals ge ziet, waarde inspecteur, leef ik nog!”

„Ge zijt dus gister niet in een duel gevallen?”

„Een duel? De laatste tweestrijd dien ik gevoerd heb, ligt reeds vijf jaren achter mij. Maar ik begrijp alles. Deze leugen is waarschijnlijk uitgestrooid door het slechte wezen, dat ik tot gisteren nog mijn vrouw noemde, en dat, ik moet het tot mijn schande bekennen, heden nog mijn naam draagt!”

Baxter en miss Wilson keken elkander verstomd aan.

„Ge hebt dus heel droevige ervaringen met uw vrouw opgedaan?” vroeg Baxter. „Ja, mijn waarde markies, de vrouwen zijn een wonderlijk en meestal zeer treurig hoofdstuk in het leven der mannen.”

Het gelaat van den markies werd somber, en zijn stem klonk hard, toen hij uitriep:

„Zoo schandelijk als ik werd nog nooit een man bedrogen!

„Ik heb deze vrouw lief gehad, en elken wensch van haar ijdel hart vervuld!

„Ik was in de verbeelding, dat ik een eerlijk meisje, van ouden doch verarmden adel naar het altaar had geleid!

„En thans …

„Thans ben ik er achter gekomen, dat ik een deerne tot mijn vrouw heb gemaakt, eene verworpelinge, die op zeventien-jarigen leeftijd naar een bordeel in Kaïro werd gebracht, en daar eenige jaren een allerellendigst bestaan heeft geleid.

„Ik stik van woede, als ik aan de schande denk, die over mijn hoofd is gegaan!”

„Ik moet u tot mijn spijt mededeelen, markies”, zei Baxter, „dat alles uit het verleden van uw vrouw reeds lang bekend is, maar er zijn gevallen, waarin zelfs de politie moet zwijgen!”

„Maar thans vraag ik de hulp der politie”, riep de markies uit, „die mij thans niet mag en kan geweigerd worden, want deze vrouw staat op het punt om mij mijn geheele vermogen te ontstelen, en daarbij een bewijs te vernietigen, dat haar zelve in het tuchthuis zou kunnen brengen”.

„Dat zijn allemaal dingen, die aanleiding geven tot onmiddellijke inhechtenisneming van de voormalige Adrienne Faté”, zei Baxter.

„Vertel eens, markies, wat is er eigenlijk gebeurd?”

„Zij heeft mij den sleutel van mijn safe in de Engelsche Bank gestolen”, donderde de markies. „Zij is daarmee naar Londen gevlucht en wil nu zich al mijn schatten toeëigenen …”

„Als wij het tenminste zoover laten komen”, viel Baxter in.

„Bovendien beschuldig ik deze Adrienne Faté ervan”, vervolgde de markies, „dat zij vroeger de minnares is geweest van den misdadiger, die zich Raffles noemt.

„Ik vond een brief van haar, en toen ik dien wilde lezen, wierp zij zich voor mij op de knieën, en bekende, dat zij een liefdesbetrekking met den Grooten Onbekende had onderhouden en sindsdien wist, wie Raffles is.

„Dat alles had zij in dien brief geschreven. Zij smeekte mij, onder een vloed van tranen, om den brief niet te openen, en daar ik destijds nog waanzinnig veel van haar hield, vergaf ik haar alles, maar deponeerde den brief bij mijn vermogen in de safe op de Bank van Engeland.”

Baxter wreef zich de handen. „Dat is prachtig!” lachte hij op triomfantelijken toon. „Nu slaan we twee vliegen in één klap. Die Adrienne Faté moet onmiddellijk gearresteerd worden.

„Zij woont in Hotel Bristol. Gelukkig, miss Wilson, dat gij dit weet, en dat we nu eindelijk eens zullen ontdekken, wie die schurk, die Raffles is!

„Nu zal ik de wereld eens toonen, wat inspecteur Baxter van Scotland Yard vermag!

„Detective Brown!”

De detective kwam binnen, en Baxter vulde een formulier in, terwijl hij voor zijn schrijftafel plaats nam.

„Ga dadelijk naar Hotel Bristol. Hier is een bevel tot inhechtenisneming, ten name van Adrienne de Frontignac, alias Adrienne Faté.

„Arresteer die vrouw, en breng haar naar Scotland Yard.

„Morgen vroeg, om zeven uur, zal ik haar een kort verhoor doen ondergaan, en haar voor den rechter van instructie brengen.”

„Zoudt ge mij willen toestaan,” vroeg nu de markies, „om die inhechtenisneming bij te wonen?”

„Met genoegen—Brown, de markies gaat met je mee!”

„En zoudt ge den detective willen opdragen, om die vrouw onmiddellijk den sleutel van mijn safe af te nemen, en dien mij te overhandigen?”

„Dat is niet meer dan recht en billijk. Brown zal u den sleutel geven, en morgen vroeg, om zeven uur, verzoek ik u hier op Scotland Yard aanwezig te zijn.

„A propos, Brown, neem nog drie detectives mee. De vrouw zal zich misschien verweren.”

De detective verliet het bureau, en de markies nam afscheid.

„Ge hebt mijn vermogen gered, mr. Baxter,” sprak hij.

„Ik deed niets meer dan mijn plicht, markies. De Londensche politie handelt altijd vlug en goed!”

Nog een handdruk, nog een buiging voor de vrouwelijke detective, en in militaire houding verliet markies De Frontignac het bureau.

Eenige minuten later rolden twee rijtuigen naar Bristol-Hotel.

In het een zaten de markies met detective Brown, in het tweede zaten de drie andere detectives.

Toen het rijtuig het voorname hotel naderde, sprak de markies op bewogen toon: „Ik heb die onwaardige te lief gehad—ik kan haar vernedering niet aanzien.

„Doe mij het genoegen, waarde Brown, en breng mij den sleutel in het café aan de overzijde. Ik zal u daar wachten.”

Detective Brown vond dit uitstekend, en de majoor verdween in het café.

Tien minuten later zag hij hoe een vrouw, wier handen geboeid waren, onder hevig tegenstribbelen, door de detectives in het rijtuig werd gezet.

De majoor glimlachte.

Even later ging de deur open, en Brown trad binnen. Hij hield het sleuteltje je in de opgeheven rechterhand.

„Hier majoor,” sprak hij, „hier is het sleuteltje van uw safe. No. 77 staat er in gegraveerd.”

„Juist, dat is mijn sleuteltje. Ik dank u, mr. Brown, en sta mij nu toe, dat ik deze banknoot van honderd pond u aanbied voor uw moeite.”

De detective stak met verheugd gelaat het geschenk in zijn portefeuille.

„De markiezin heeft het ons niet gemakkelijk gemaakt,” sprak hij. „Zij ging als een krankzinnige te keer. Maar het baatte haar niet veel. Wij hebben haar eenvoudig geboeid en aan den lijve gefouilleerd.”

„En waar hebt ge het sleuteltje gevonden?”

„Wij twijfelden reeds er aan, het te zullen vinden, toen mij plotseling het hooge kapsel van de dame opviel. Ik dwong haar, dit kapsel los te maken, en kletterend viel het sleuteltje op den vloer.”

„Ge zijt een uitstekende rechercheur, mr. Brown, maar dat is geen wonder. In de leerschool van mr. Baxter moet ge het wel tot zulk een hoogte brengen.”

Even nadat Brown was heengegaan, verliet ook de majoor het café.

In een cab liet hij zich naar Regent Street brengen en verdween in het huis van lord Lister.

Wat zou inspecteur Baxter wel voor een gezicht hebben gezet, als hij had kunnen zien, hoe de Fransche majoor zich de pruik en den valschen baard voor een spiegel afrukte, en het fijne, geestige gelaat van lord Lister te voorschijn kwam.

En lord Lister lachte—lachte van ganscher harte, toen hij het kostbare sleuteltje bekeek. Want thans geloofde hij gewonnen spel te hebben.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings