Front matter (continued 2)
Reading edition
De meeste vogels werken alleen in de morgenuren van vieren tot negenen, maar de zwaluwen zijn bij gunstige omstandigheden den ganschen dag bezig met bouwen en bouwstof te verzamelen. En ook zijn ze den heelen dag aan ’t zingen; de boerenzwaluw is een van de vlijtigste zangvogels en laat zijn gekweel en gekwetter den heelen dag hooren. Zelfs het wijfje zingt mee.
De huiszwaluw is minder zangrijk. Hij laat onder het vliegen wel aardige geluidjes en monter geroep hooren, maar een werkelijk aaneengeschakeld gezang brengt hij niet ten gehoore. ’t Is anders een aardig diertje, wel mooier dan de boerenzwaluw, al heeft zijn staart ook niet zoo’n stouten zwier. Zijn veertjes blinken in helderder blauw en een plek op den rug bij ’t begin van den staart is blinkend wit, evenals de geheele onderzijde van het lichaam.
Aan die witte stuitvlek is de huiszwaluw al heel in de verte te herkennen en als een gezelschap huiszwaluwen op de muggenjacht is aan een waterkant met donkeren elzenzoom, dan lijkt het wel of kleine witte vlindertjes daar heen en weer zweven.
Huiszwaluwen houden ervan, om gezellig op jacht te gaan, nu eens laag langs den waterkant, dan weer honderden meters hoog in de lucht en dan kunnen ze daar zoo lustig zwenken en draaien en zoo vroolijk elkaar aanroepen, dat het meer een spel lijkt dan een inspanning, om aan den kost te komen.
Fitis. Nachtegaal. Tuinfluiter.






Zwartkop. Boompieper. Spotvogel.






Eereprijs. Narcissen. Spar.






Klaverzuring, wakker. Klaverzuring, slapend. Den.






Bij het modder zoeken loopen ze vaak tusschen de boerenzwaluwen in, maar hun nesten bouwen ze meestal op andere plaatsen en altijd op een andere manier. Ze houden er niet van, om binnenshuis te wonen en maken niet zooals de boerenzwaluwen een ondiep komvormig nest, dat op een onderlaag steunt, maar een half bolvormige woning tegen een muur met geen andere beschutting dan een daklijst of dakgoot.
Onder bruggen huizen soms boerenzwaluwen en huiszwaluwen bij elkander en samen hebben ze er plezier in, om koekoeken en roofvogels te achtervolgen en uit te schelden. Maar zelf hebben ze geweldig veel last van de huismusschen en ringmusschen, die ze berooven van hun nesten. Men heeft zelfs wel gemeend, dat de mooie huiszwaluwtjes gaandeweg door de brutale musschen verdreven worden.
Metselaars en aardwerkers zijn die zwaluwen. Aan steile zandhellingen, dijkglooiingen, slootkanten, aardafgravingen werken nu de oeverzwaluwtjes, kleine grijze vogeltjes zonder glans of gloed, maar in vaalbruin pakje zooals dat voor aardwerkers het beste is. In den vroegen morgen, als nog de ochtendnevel over de velden hangt, zijn ze al bezig aan ’t pikken en graven, zoodat de helling wriemelt van bedrijvige arbeiders.
Onvermoeid met snavel en pooten boren zij in den grond en maken zij horizontale gangen van éen tot twee meter lang. Aan het eind der gang komt een nestje van veertjes en daarop de eitjes, spierwit en zoo klein en teer, dat ge ze haast niet kunt aanvatten, zonder ze te breken.
Deze oeverzwaluwen jagen bijna uitsluitend langs het water, vlak langs de oppervlakte en als op gure dagen de boerenzwaluwen en de huiszwaluwen daar ook om voedsel komen, dan maken de grauwe aardgravers te midden van de in staalblauw schitterende bouwheeren een vrij armoedige vertooning.
Nog een andere langvleugelige insectenvanger voegt zich bij hen: de groote zwarte gierzwaluw of torenzwaluw, die de langste vleugels, de stoutste vlucht en den wijdsten bek van alle heeft. In mooi zonnig weer jaagt hij hoog in de lucht, torenhoog, maar als Mei nog van die gure dagen geeft, dan wordt ook hij genoodzaakt, zijn toevlucht te nemen tot den waterkant, waar altijd nog het meest te vinden is.
Zijn eigenlijk te huis is de stad, waar hij zijn woning heeft aan de huizen. Hij is noch aardwerker, noch metselaar, maar bouwt evenals de musschen een tamelijk slordig nest onder dakpannen en in hoeken en gaten van muren. Ja, hij is mans genoeg, om de musschen uit hun bouwsels te verjagen en zoo krijgen die dan de vergelding voor het leed en den overlast, die zij den huiszwaluwen aandoen.
Veel bekoorlijks heeft die torenzwaluw niet. Hij vliegt mooi en gemakkelijk en ’s avonds gieren zij in troepen met woest gekrijsch door de lucht. De mannetjes jagen de wijfjes naar huis en gaan zelf zich dan nog een poosje amuseeren. Vaak komen zij den heelen nacht niet thuis; men meent te weten, dat zij dan hoog in de lucht boven de wolken blijven rondzwieren en daar misschien nog slapen ook.
Hun woestheid en gekrijsch is velen onaangenaam. Er is een andere stadsvogel, die in de lente ook in troepen vliegt en drukte maakt, maar alles veel sierlijker en prettiger doet dan die torenzwaluw. Ik bedoel het kerkkauwtje, de kleinste en beminlijkste van onze kraaiachtige vogels. In troepen van tien tot honderd spelen zij krijgertje om de torenspitsen, vlug en sierlijk glijden de zwarte gestalten door de lucht met rustig gestrekte vleugels en fraai gespreide staart. Daarbij roepen ze elkander onophoudelijk aan met een soort van kort, melodieus gekef.
Ze zijn niet grooter dan duiven, en er ligt ook iets zachtzinnigs over hun wezen. Maar het is met die zachtzinnigheid als met den witten satijnglans die over nek en wangen ligt, het is maar schijn, de zwartheid, het wreede en verderfelijke, ligt er onder en uit het witte oog spreekt niet alleen verstand en list, maar ook sluwe moordzucht. Want dit kerkkauwtje is al een even felle roover en moordenaar als zijn familiegenooten de raven, kraaien, eksters en gaaien.
In de stad kunnen zij niet veel kwaad doen, maar in het bosch maken zij slachtoffers bij de vleet. In sommige streken is hun kwade invloed duidelijk merkbaar, in andere lijkt het wel, alsof ondanks roof en moord de vogelbevolking maar altijd toeneemt. Daar heeft iedere holle popel zijn kauwennest of zelfs meer dan één op één stam, maar in de meidoorns brengen tal van houtduiven hun jongen groot en tortels bouwen er in de dichte sparren of in het fijne berkenhout.
Slag op slag rooven de kauwtjes de witte eieren van het nest, maar onverdroten leggen de duiven voort, verhuizen desnoods, maar rusten niet, voordat een leelijk jongenpaar lodderig zit te kijken op het ijle platform van hun takkennest. Den heelen dag klinkt het gekir door ’t hout, ’t vaag en onbepaald eentonige „toer-toer”, van den tortel en het duidelijke nabootsbare toer-toertoer-toer-toeretoer-toer-toer-toer-toeretoer-toer-toer-toer van de houtduif of ringduif.
En ook deze is met zingen alleen niet tevreden, maar voert in lentevreugd een stouten luchtdans uit, die men van zoo’n traditioneel kalm dier als een duif niet verwachten zou. Met klepperend geraas vliegt hij op uit zijn takkenhuis, stijgt in snelle vlucht hoog omhoog naar den blauwen hemel, klapt met een harden slag de vleugels tegen elkaar en daalt dan met roerloos uitgespreide vleugels in een groote bocht vijftig, zestig meter neer, om dan weer van voren af aan te beginnen.
Ook de tortel maakt aardige bewegingen, maar die worden minder gezien. Hij heeft er nog al slag van, om zich schuil te houden, zoodat er weken voorbij kunnen gaan eer ge hem te zien krijgt, ofschoon zijn gekir den heelen dag het bosch vervult.
Maar wie luistert er naar het makke duivengekir, nu de nachtegaal is teruggekomen? De nachtegaal, die ieder jaar het teeken schijnt te geven voor het rijkst ontplooien van de lentepracht, voor de sterkste uitingen van lentevreugd. Al wat er gebeurt, voordat de nachtegaal zijn intree doet, is slechts het voorspel; eerst wanneer zijn machtige stem zich verheft, beginnen beuken en eiken, sparren en dennen bloesem en blad te ontplooien, komen er aren en pluimen in ’t gras, tooit de boschbodem zich met kleuriger en geuriger bloemen dan de sneeuwklokjes van Januari of de anemoontjes van Maart.
Zie den mooien bruinen vogel zitten in de blinkende takjes van het eiken kreupelhout. De witte veertjes van de keel gaan op en neer bij de felle jubelkreten, het fijne bekje blijft roerloos open bij de lang uitgehaalde fluittonen. Geen vogel is er, die zulk een afwisseling brengt in zijn zang. Nu eens lijkt hij te gebieden, te vermanen, te toornen, dan weer vervalt hij in een roerend smeekgebed of geeft in lang glashelder geluid uiting aan de reinste vreugde.
Ieder weet, dat de nachtegaal het allermooist zingt ’s nachts tusschen tweeën en vieren, maar dat neemt niet weg, dat hij bij gunstig weer zich ook den heelen dag laat hooren, tot zelfs gedurende het eigenlijke rustuur van alle vogels, dat ergens valt tusschen twee en vier uur in den namiddag. Hoe meer nachtegalen er in een bepaalde streek zijn, des te meer wordt er gezongen, soms zelfs zoo vlijtig, dat het sommigen menschen te druk wordt.

Komen er gure dagen, dan houdt het zingen op, maar dat de nachtegalen er nog zijn, kunt ge merken, wanneer ge door de eikenboschjes loopt om bloemen te zoeken. Van tijd tot tijd klinkt dan een geluid, dat doet denken aan een kikvorsch „korr, korr, korr”. Het wordt al vaker en vaker herhaald en nu hoort ge ook nog helder en luid, maar een weinig angstig en vragend, „pièt; pièt”.
Pas nu op, want het zou kunnen gebeuren, dat ge u dicht bevindt bij het pas begonnen nest en daar ligt misschien reeds een glanzig koffiebruin eitje in. Het nest ligt zoo verborgen tusschen de dorre eikeblaren, dat ge het moeilijk opmerkt en ge zoudt erin kunnen trappen, eer ge ’t wist en dat zou heel jammer zijn. Verlaat daarom de plaatsen, waar ge die angst- en waarschuwingskreten verneemt. Wellicht wordt ge beloond door een heerlijken vreugdezang op het oogenblik, dat de vogel het gevaar geweken acht.
De mogelijkheid van onverwacht een vogelnest aan te treffen, maakt het zoeken naar voorjaarsbloemen in het bosch tot een dubbel interessante bezigheid. Ge ziet aan den boschzoom een donkergroene plek met glimmende blaadjes van de maagdepalm. De prachtige blauwe bloemen hebben zich geopend in de voorjaarszon en worden vlijtig bezocht door mooie roodbruine glimmende metselbijtjes, die ergens hun nest in dorre braamstengels hebben. We gaan er even bij zitten, om af te wachten, of er ook soms parelmoervlindertjes op de bloemen komen en we zitten nog geen vijf minuten, of een roodborst komt bij ons op een tak en zingt het hoogste lied.
Hij verraadt zijn geheim, want we letten nu goed op en vinden al gauw onder de ranken van de maagdepalm het roodborstjesnest met gespikkelde eitjes. Even kijken en dan maar gauw verder, anders wordt het nest misschien verlaten en voor de maagdepalm, die we nu in den steek laten, vinden we in het rijke tooverbosch nog andere bloemen in eindeloozen overvloed als schadeloosstelling.
Hier bloeien de vogelkersen: lange hangende trossen van witte bloemen te midden van frisch groen loover. Kevers en vliegen wemelen op de sneeuwwitte honigrijke bloemen en waar de laagste takken schuil gaan in het hoog opgeschoten pijpkruid, daar heeft een slimme tuinfluiter een doorzichtig nestje gebouwd, dat we nooit gevonden zouden hebben, als hij zelf niet zoo geraasd en getierd had, toen we even bij den heester stilstonden.
Dat pijpkruid heeft met een dikken wortel overwinterd na eerst in ’t najaar nog gauw zooveel mogelijk voedsel verzameld te hebben. Heel vroeg in ’t voorjaar maakte het dikke proppen van fijnverdeeld groen loover en nu de nachtegaal er is, schieten de mooi gegroefde groene stengels omhoog, die de sneeuwwitte bloemschermen dragen.
Wij kennen het kunstje wel, om die stengels te versnijden tot liefelijk klinkende toeters en menig huisvader, die rust wou hebben, heeft dit „fluitekruid” naar het andere eind van de wereld gewenscht, wanneer zijn kroost met de buurjongetjes te zamen een symphonie uitvoerden op dit natuurlijk blaasinstrument.
Maar iets zangerigs zit er toch in de plant, de kleine zangvogeltjes bouwen graag hun nest op den grond tusschen de pijpkruidstengels, zelfs de nachtegaal slaat menigwerf zijn tenten er onder op en heeft zoo de plant geholpen aan den genoegelijken naam van nachtegalenkruid.
Het ware te wenschen, dat waar deze plant groeit, ook nachtegalen nestelden, maar dat scheelt nog veel en dat kan ook niet, want deze boschplant groeit al, waar maar drie boompjes bij elkander staan of op plekken, waar jaren geleden eens een bosch prijkte. Er zijn meer van die weggeloopen boschplanten, de meest bekende is wel het speenkruid. De mooie, blauwe hondsdraf is er ook een.
Het speenkruid hoort eigenlijk thuis in ’t kreupelhout en daar blinkt het ook ieder voorjaar met zijn mooie groene blaadjes en goudgele sterrebloempjes. Het groeit daar weelderig en overvloedig, met flinke lange stengels, die schuin opstijgen boven den lossen boschgrond. Evenals de meeste vroege boschbloemen zijn ook deze zeer gevoelig voor de warmte, zoodat ze letterlijk door de zon te voorschijn worden geroepen.
Geelgerande Watertor. Bootsmannetje.




Watersalamanders. Pikzwarte Watertor.




Draaikevertjes en Kokerjuffers. Waterspin.




Meikever. Gouden Loopkevers.




Zandloopkevers. Mesttor.




Oliekever. Huisjesslakken.




Waar nu het speenkruid groeit buiten het bosch, daar wordt het meteen anders. Het is, of het zijn bescherming mist, zich niet meer veilig voelt en zoo maakt het dan zijn stengels en steeltjes veel korter, zijn bladeren kleiner en stugger, dicht op elkaar vlak tegen den grond. Maar de bloemen blijven even mooi en talrijk en de lieve jeugd krijgt ieder jaar op school zijn speenkruid-les en kan heele verhalen doen over de wortelknolletjes en okselknolletjes en over het feit, dat deze plant met al zijn mooie bloempjes toch zoo weinig rijp zaad voortbrengt. Ge kunt ervan opaan, dat ze na het speenkruid de witte doovenetel „krijgen”. Dat is ook zoo’n mooie duidelijke bloem, die overal gemakkelijk te vinden is en altijd in groote troepen bijeen groeit en lang niet altijd tusschen de echte brandende brandnetels, zooals weleens beweerd wordt. Hoe mooi staan die kransen van groote roomwitte bloemen om de vierkante stengels, krans boven krans en alle bloemen even mooi.
De jeugdige natuurbewonderaar beziet deze bloem ook van den practischen kant en rangschikt haar onder de rubriek „levensmiddelen”. In den morgen zitten de bloemkroonbuisjes vol met lekkeren honing, in den namiddag is het minder, want de bloem kan het niet bijhouden, zoo gauw als de hommels en bijen den voorraad opruimen.
Maar wij moeten nog even naar het bosch terug.
Hier en daar zijn tusschen het eikenhout heele plekken wit van groote stervormige bloemen. Nu wij ons goed herinneren, was de grond in hetzelfde boschje in het vroege voorjaar groen van tallooze dikke spruiten, die het dorre blad op zij drongen. Die groene bladeren zijn nu reeds bijna alle geheel verwelkt en hun plaats wordt thans ingenomen door de bloemen, aan lange stelen of trossen vereenigd.
Dit is de schermdragende vogelmelk, een aardig bolgewasje en die bloem is een echte zonne- en lichtvriend. Zij is er nog juist bijtijds bij, om te bloeien, voordat de eikjes dicht in blad raken. In den morgenstond lijkt er op die plaats geen enkele bloem te staan, want dan zijn ze nog dicht en daar de achterkant der bloemblaadjes groen is, vallen ze in het geheel niet in ’t oog.
Maar als de zon aan den hemel rijst en warmte teruggekaatst wordt door den mullen boschgrond, dan gaan die bloempjes vrij snel open en binnen een half uur schitteren honderd witte sterren, waar zooeven niets anders dan groene knoppen te zien waren.
Er groeit nog een andere vogelmelk in ’t bosch, maar die heeft bladeren en bloemen tegelijk; dat is de knikkende vogelmelk. Zijn bloemen zijn grooter dan die van de schermdragende, aan de binnenzijde niet zoo schitterend wit, maar van buiten heel mooi grijsgroen. Ze zijn kortgesteeld en staan meestal zijwaarts gericht. De Engelschen noemen deze mooie bloemen „Ster van Bethlehem”.
Plukt ge deze bloemen, dan blijken stengels en bladeren een dik slijmerig vocht te bevatten, wat trouwens bij meer lelieachtige planten het geval is.
Waar het bosch nog niet te veel door roekelooze plukkers en gravers is aangerand, daar komen nu ook te voorschijn die heerlijke lievelingen van alle bloemenvrienden: de lelietjes van dalen en de wilde hyacinthen.
Op het eerste gezicht zijn de wilde hyacinthjes wel het mooist. Waar ze groeien, daar staan ze in groot aantal bij elkander, hangende blauwe klokjes in rijen van zes tot tien aan zacht gebogen stengeltjes. Er is juist groen genoeg tusschen, om dichtbij eenige afwisseling te brengen in de kleurenmassa, maar op eenige meters afstands is van dit groen niets meer te zien en dekt een gelijkmatig blauw kleed de ruimte tusschen de groen bemoste stammen.
Hier en daar vertoonen zich witte hyacinthjes tusschen de blauwe en ik heb wel een bosch gekend, waar evenveel witte als blauwe hyacinthjes groeiden en daar stonden ook veel rooskleurige onder. Ieder jaar deed ik kort voor Pinksteren een bedevaart naar dat bosch. Maar de boer, wien het toebehoorde, meende dat zoo’n overvloed van planten op den grond schadelijk was voor den boomgroei en die heeft er toen een paar zomers achtereen zijn kippen in gejaagd, om den grond eens goed om te laten woelen en die plantenboel te vernielen. Hij is er uitmuntend in geslaagd en nu groeien daar niets meer dan brandnetels.
Gelukkig groeien ze langs den duinkant nog bij duizenden en als de plukgrage jeugd zich nu maar vergenoegt met plukken en de plant niet uitgraaft, dan kunnen wij daar nog lang plezier van hebben.
Zoo is het ook met de lelietjes van dalen. In menig bosch hebben ze dapper stand gehouden tot op dezen dag en op afgesloten buitenplaatsen groeien ze bij millioenen en vermenigvuldigen zij zich tot in het oneindige.
In Maart steken de blauwachtig grijze groeipieken in ontelbare menigte door het dorre blad. Een paar warme April-regentjes jagen de bladeren uit de scheeden en als de nachtegaal op zijn schoonst zingt, dan worden de groene bloemtrossen wit en de heerlijke kelkjes verspreiden den liefelijksten geur van het voorjaar. Ja, het is wel heerlijk, de groote groene bladeren op zij te buigen, om daartusschen de flinke, malsche bloeistengels te vinden, bezet met wel twintig of meer bloempjes. Maar heerlijker nog is het, dag aan dag een poosje te liggen aan den rand van ’t bosch, de witte bloempjes te zien schitteren overal langs den groenen boschbodem en den frisschen geur in te ademen onder het gezang van nachtegaal, merel, zanglijster, tuinfluiter, fitis en roodborst.
En als ik nu eens geen boschrand kan vinden met lelietjes van dalen, dan stel ik mij tevreden met salomonszegeltjes, die zijn toch ook van de familie en heusch niet minder mooi of minder geurig. De bloempjes zijn zelfs grooter dan die van het lelietje en aangenamer van vorm. Alleen staan ze niet in trossen bij elkander, maar bij paren of afzonderlijk bij den oorsprong der bladeren. Die bladeren zelf staan in twee rijen flink omhoog gericht, zoodat het lijkt of het heele plantje een soort van nieuwerwetsche vliegmachine is en zoo meteen weg zal zweven door de schemering van ’t bosch.
Door dien stand van de bladeren zijn de bloemen zelf in hun geheel te zien. Zooals ze daar in rijen hangen aan de onderzijde der stengels lijken het risten van groote witte parelen of een versiering van guirlande’s van porceleinen potjes of … maar ze zijn in ieder geval mooier dan iedere vergelijking, die ge kunt bedenken.
Intusschen nadert de tijd, dat het nederig schoon van maagdepalm en hyacinth, vogelmelk, salomonszegel en lelietje van dalen overdekt en overschaduwd wordt door de grootere en grovere boschplanten, die alle ruimte voor zich alleen begeeren. Hier spreiden grove klitten hun groote bladeren, ginds steekt de brandnetel zijn zaagpuntige blaadjes op en waar het fijnverdeelde groen en de witte bloemenzee van het pijpkruid of nachtegaalskruid een plaatsje vrij laat, daar groeit de roode koekoeksbloem in dichte bossen bijeen.
Nachtegaalskruid en koekoeksbloem beginnen te heerschen in ’t bosch, juist in den tijd dat de zang van den nachtegaal en het geroep van den koekoek alle andere vogelgeluiden overstemmen. De nachtegaal houdt er van, zijn nest tusschen deze planten te bouwen en de koekoek weet het dikwijls maar al te goed te vinden.

Tegelijk komen die vogels ook aan, in de derde week van April en de nachtegaaltjes hebben al menig koekoeksjong groot gebracht, al is het ook waar, dat de kwikstaartjes en de graspiepers het meest bezocht worden door dien mooien grooten vogel, die zelf geen nest kan bouwen, zijn eigen eieren niet kan uitbroeden.
Zijn naam is in ieders mond en iedereen kent zijn griezelige ontwikkelingsgeschiedenis; het ei, gelegd in een vreemd nest, het vraatzuchtig jong, dat zijn pleegbroertjes en zusjes uit ’t nest gooit, nog voor dat het zelf zien kan, en zijn pleegouders zoo in beslag neemt, dat zijzelf vaak van honger en uitputting sterven. Iedere koekoek kost het leven van vijf of zes kleine zangvogeltjes.
Maar zijn lenteroep is een van de heerlijkste geluiden van de natuur en wekt voorstellingen van warme lucht en bloemengeur, van witte wolken, hoog zwevend in den blauwen hemel, van hagen bedekt met bloesemsneeuw. Tal van bloemen van bosch en weide zijn naar hem genoemd; een roode anjerachtige bloem geniet de onderscheiding, officieel den naam van koekoeksbloem te mogen voeren, maar de plattelandsbevolking kent nog een groot aantal andere.
Als de koekoek over ’t veld vliegt, dan lijkt hij net een roofvogel; de dwarse streepen op zijn borst herinneren aan den sperwer. Er zijn dan ook nog een groote menigte menschen, die gelooven dat de koekoek des winters in een sperwer en de sperwer des zomers in een koekoek verandert. Intusschen zou een koekoek nooit een vogeltje kunnen grijpen of dooden, daarvoor zijn zijn pooten veel te zwak en deugt zijn snavel ook niet. Hij vergenoegt zich met insecten te eten en neemt de harige rupsen, waarvan bijna alle andere vogels een afschuw hebben.
Men noemt daarom den koekoek nuttig voor den boschbouw en dat is stellig waar, maar in ons land vliegt hij ook zeer veel over weiden en akkers en dikwijls heb ik hem ontmoet aan den waterkant, waar hij tusschen de hooge oeverplanten zijn voedsel zocht.
Het is zoo goed, in ’t voorjaar te zitten aan den waterkant. Het water is dan veel helderder dan in den zomer, het wier heeft nog niet de geheele oppervlakte bedekt en er zweven nog niet zooveel kleine levende wezentjes of overblijfselen er van in rond als in den heeten zomertijd. Lucht en wolken worden erin weerkaatst met groote zuiverheid en de bodem is zoo duidelijk te zien, dat zelfs de bewegingen van kleine zandkorreltjes merkbaar zijn.
Licht en zwierig schieten waterplanten uit den bodem op, hun fijne blaadjes strekkend naar alle kanten, waterpest en hoornblad, vederkruid en waterranonkel. Het gegroefde kroos vormt dichte massa’s van driekante groene blaadjes, klein kroos drijft in cirkelronde schijfjes aan de oppervlakte en de groote bruine bladeren van de waterlelie komen ineengerold naar boven, om zich aan de oppervlakte uit te spreiden en in de warme zon aan de bovenzijde een groene tint aan te nemen. Langzaam volgen groote groene knoppen, maar de witte bloem zelve is een bloem van den zomer en als er zich een opent vroeg in Mei, dan brengt dat feit den groenen kikvorsch in een toestand van de allergrootste verbazing.
Het ontwaken van de kikvorschen valt samen met den terugkeer der vogels, de bruine kikvorsch komt tegelijk met de kieviet, de groene met den nachtegaal, wiens naam hij voeren mag. O, wat worden die „boerennachtegalen” gesmaad en gehoond, maar wat doet het den natuurvriend goed, wanneer hij na den langen winter hun tevreden of uitgelaten gekwaak weer hooren mag.
En dan komen die wonderlijke massa’s kikkerdril in de slooten, de zwarte kikkereitjes, omgeven door een dikke geleilaag, waar de kleine vischjes tevergeefs in happen en die de eieren voor tal van schadelijke invloeden beschermt. Prompt op tijd verschijnen de kleine kikkerlarven, eerst klein, met gesloten bek en wapperende kieuwtjes aan weerszij van den kop, dan grooter, met achterpooten, dan met voorpooten en eindelijk verliezen ze hun platte zwemstaart en worden heusche, kleine speelgoedkikkertjes.
Maar al te dikwerf speelgoed! Speelgoed voor kleine onnadenkende wreedaards, speelgoed voor jongelui, die al graag den natuuronderzoeker uithangen en nog niet voldoende beseffen, dat het leed, door hen het dier aangedaan, lang niet vergoed wordt, door de luttele aanwinst van hun kennis. Het kluchtige dier met zijn menschachtige maniertjes verdient werkelijk een betere behandeling. Hij heeft het toch al hard genoeg te verantwoorden door al zijn behaarde, gevederde en geschubde belagers, waaronder otter en ooievaar, ringslang en snoek de meest geduchte zijn.
Boerenzwaluw. Oeverzwaluw. Huiszwaluw.






Torenzwaluw. Kneutje. Kauwtjes.






Berberis. Aardbezie. Geldersche Roos.






Lisch. Amandel. Ribes.






Op den bodem rollen en wiebelen ruwe cilindervormige massa’s heen en weer. Het zijn de larven van kokerjuffers in haar kunstige huisjes. Bij tientallen bewegen zij zich in een smallen strook langs den oever, waar de zonnestralen het ondiepe water doorwarmd hebben. Heel in de diepte is het hun nog te koud, of liever, daar vinden ze geen voedsel genoeg, de kleine levende wezens, die hun prooi vormen, zoeken ook nog den zonnigen waterkant.
Geen twee van die huisjes zijn aan elkander gelijk. Sommige zijn opgebouwd uit korte stukjes gras, andere uit blaadjes van het driekante kroos, weer andere uit doode stokjes met grove zandkorrels er aan en nog weer andere uit alleraardigste kleine schelpjes en slakkenhuisjes. Er zijn groote en kleine, korte en lange, uit de meeste komen kop en voorpooten van de bewoonster te voorschijn, maar bij vele is geen spoor van een dier te bemerken en dan lijkt het heel vreemd, hoe in het absoluut stille water zoo’n hoopje groen in heftige beweging kan verkeeren.
Maar andere verschijningen leiden onzen aandacht van de kokerjuffers af. Een klein blinkend vischje schiet pijlsnel door het water en blijft dan opeens met trillende vinnetjes stilstaan in de zon. Borst en rug schitteren in alle felle tinten van rood en groen en blauw en de groote oogen schijnen vuur te schieten. Alweer een stuk speelgoed voor de jeugd: het stekelbaarsje. Deze mooie roodborst is het mannetje in vollen voorjaarsdosch. Een klein kegelvormig hoopje van zand en steentjes op den bodem is het nest, waarin de eieren of de jongen beschermd moeten worden. Komt een ander dier, een kokerjuffer, een kever of een stekeltje daar te dicht bij, dan schiet als een vuurstraal het toornige mannetje op den vijand af en hij slaagt er bijna altijd in, dien te verjagen.
Maar als de schooljongen komt met zijn schepnet, dan is de roodborst er bij en mee moet hij in het chocolaad-blikje of jampot, hetzij om verpleegd te worden in een goed verzorgd aquarium, hetzij om vergeten en verwaarloosd den honger- en verstikkingsdood te sterven in een flesch met water voor een zonnig venster.
Nu komt in het heldere water van mijn vijver weer een ander personage te voorschijn. Tamelijk onbeholpen en als tegen zijn zin omhoog geschoven, komt een groote, groenbruine kever naar de oppervlakte. Helder gele randen versieren borststuk en dekschilden; het is de geelgerande watertor; een mannetje, want zijn dekschilden zijn glad en vertoonen een groote glimplek in ’t zonlicht. Hij heeft de oppervlakte bereikt en hangt daar nu met den kop omlaag. De dekschilden zijn even opgetild, zoodat de lucht kan binnendringen tusschen lichaam en vleugeldek, en als de tor nu weer met krachtige slagen van zijn roei-achterpooten nederdaalt, dan heeft hij versche lucht genoeg, om het daar beneden langen tijd uit te houden.
Op een andere plek vertoont zich zijn geribbeld wijfje en telkens zien we langs den plas van die groenbruine kevers boven komen, ook andere familiegenooten, half zoo groot. En alle zijn het even groote roovers, verdelgers en verslinders.
De groote zwarte watertor, die nu om lucht naar boven komt, is al niet veel beter, al voedt hij zich ook wel van tijd tot tijd met planten. Hij heeft zijn luchtvoorraad niet op den rug, maar tusschen fijne haartjes aan den buik, waar hij wel een zilveren plastron schijnt te dragen. Wordt de voorraad te klein, dan komt hij aan de oppervlakte met den kop omhoog en dan weet hij langs zijn dikken voelspriet de luchtvoorraad te vergrooten. ’t Is een prachtig mooi dier en als we oplettend rondzien tusschen kroos en wier, dan ontdekken we ook wel het kunstig drijvend nest, waarin de eieren regelmatig zijn opeengestapeld. Een spits mastje steekt een centimeter boven het water uit. Uit die eieren komt de larve te voorschijn: het leelijkste, afgrijselijkste waterdier van onze slooten. Maar dat is een dier van den zomer.
In den avond verlaten vele van deze kevers het water en vliegen gonzend rond en dan kan het je wel gebeuren, dat zoo’n dikke pikzwarte of geelgerande eventjes in ’t voorbijgaan tegen je hoofd komt aanbonzen. Maar nu in ’t zonnetje blijven ze in het water rondzwemmen om prooi, of zich koesteren in het lekkere bovenste waterlaagje.
Daar daalt een zilveren balletje neer, zoo groot als een knikker. Het is de waterspin die zijn luchtvoorraad draagt om het geheele lichaam, vastgehouden door tallooze fijne haartjes. Hij begeeft zich naar een lichte plek in ’t water, ook een zilveren bel, dat is zijn nest, zijn schuilhoek, waarin hij van tijd tot tijd de lucht moet ververschen. De draden, die hij tusschen de waterplanten heeft gespannen, kunt ge niet zien, want ze zijn even doorzichtig als het water zelve.
Daar wordt zijn weg gekruist door een wakkeren zwemmer. Ha, hoe gaan de lange achterpooten door ’t water, het lichaam van het dier schiet als een bootje vooruit. Dat is het bootsmannetje of ruggezwemmer, in vorm en kleur wel een van onze mooiste waterinsecten. Het rozerood van de vleugels, het geel van kop en borststuk vormen met de zilverglanzende luchtmassa van de buikzijde een prachtig geheel. De lange achterpooten zijn prachtige roeiriemen, flink lang en bij iederen slag worden zij verbreed door een haarfranje, die bij den terugslag weer vlak tegen den poot gaat aanliggen en zoo den weerstand minder maakt.
Kinderen, die met een schepnetje de slooten afvisschen, nemen niet licht die bootsmannetjes mee. Waarom niet? Weten ze, dat de bootsman, als het hem lust, met zijn snuit een fermen steek kan geven? Of hebben zij de ervaring opgedaan, dat hij in het aquarium de andere dieren aanvalt en doodt? Het een is zoo goed waar als het ander, maar wanneer je bootsmannetjes houdt in een afzonderlijke flesch met wat zand en waterplanten, dan kun je er veel pleizier van hebben. Ik heb ze eens een jaar lang gehouden in een gewonen glazen jampot. Ze tierden opperbest en kregen aardige jongen, die al dadelijk den echten bootsmanvorm hadden en prachtig op hun rug konden zwemmen.
Wie wel altijd mee moeten in de gevangenis, dat zijn de salamanders. Die zijn nu ook op zijn mooist, de mannetjes met prachtige, kleurige kammen op den rug en zeer verbreeden staart. Wie stil aan een slootkant zit, kan ze telkens voorbij zien zwemmen. Op goede dagen liggen ze bij dozijnen aan den zonnekant in het ondiepe water. Af en toe komt er leven in ’t gezelschap, dan zwemmen ze met slang-achtige kronkelingen om en over elkander. De eitjes van deze dieren worden niet gelegd in klompen of snoeren, maar afzonderlijk aan de waterplanten. Ze zijn niet gemakkelijk te vinden, je moet er geduldig stengel na stengel voor nazien.
Uren lang kan ik aan zoo’n zonnigen vijver liggen te kijken naar al dat gedierte, dat uit de groene diepte verrijst en zich komt verlustigen in het lauwe kantwater. En ook aan de oppervlakte zelf is leven en beweging zonder ophouden. Daar krinkelen in zuivere cirkelbochten de glimmendblauwe draaikevertjes rond in scholen van soms wel meer dan honderd. Wat een drukte en gewoel. Soms raakt er een in geestdrift en die is dan niet tevreden met lustig te glijden langs het oppervlak, maar hij geeft zich een zetje en huppelt vier, vijf keer achtereen omhoog net op de manier van een plat steentje, dat wij langs het water pleieren of schuifelen of kiskassen, of hoe noemen ze het bij u in stad of dorp?

Die draaikevertjes lijken wel geen beenen te hebben, maar dat is slechts schijn. Zij bezitten aardige grijppootjes en allermerkwaardigste roeipooten, bovendien een dubbel stel oogen: één dat kijkt langs de bovenzijde van ’t watervlak en een tweede waarmee het dier kan zien, wat er in het water gebeurt. Ze zijn schuw en schichtig in hooge mate; een slag met een stokje jaagt het heele gezelschap naar omlaag en ieder kevertje neemt bij het neerduiken weer een waterbelletje mee.
Tusschen de onrust van de schijnbaar pootlooze draaikevertjes bewegen zich de langpootige schaatsenloopers met de uiterste kalmte. Waar hun pooten het water raken, heeft de gladde vlakte een heel klein deukje, maar overigens maken deze dieren den indruk van geheel gewichtloos te zijn. En het is toch ook eigenlijk wel iets heel bijzonders, zoo je heele leven lang te loopen over het water en nooit nat te worden. Er zijn verschillende soorten van schaatsenloopers, sommige kort en dik, andere zoo lang en zoo smal van lijf, dat het haast onbegrijpelijk is, hoe zoo’n schimmetje nog een hart en ingewanden, spieren en zenuwen, een heele anatomie, kan bevatten.
De oever zelf raakt dicht begroeid. Het riet is nog kort, maar steekt toch al met duizend pieken boven het watervlak. Kalmoes en lischdodden vormen dichte bossen en de gele lisch steekt zijn grijsgroene bladeren al hoog in de lucht en ontplooit aan de knoopige stengels de eene bloem na de andere, heerlijke groote bloemen, mooi van het oogenblik af, dat ze als netjes opgerolde puntige knop uit de bloeischeede komen, totdat ze verwelken en de groote, groene, onrijpe vrucht overlaten.
De gele bloemdekblaren wapperen in den wind, de bladachtige stempels met hun uitgeknipte punt steken er vroolijk boven uit en op mooie dagen zoemt en gonst het om de bloem van vliegen en bijen, die uit de diepe bloemdekbuis den zoeten kruidigen honing komen halen. Er bestaat een groote verscheidenheid in de honderden lisschen langs den slootkant: verscheidenheid in tint van geel, verscheidenheid in de bruine versiering van de groote hangende dekslippen, verscheidenheid in den stand der stempels, die nu eens hoog boven de bloem uitsteken, dan weer vlak op de dekslippen liggen.
Wij willen armen vol van deze heerlijke bloemen afsnijden en thuis in glazen zetten, om te zien, hoe ze zich ontplooien en hoe telkens een verwelkte bloem vervangen wordt door een frissche, die bijna dezelfde plaats inneemt. Zoo kan één stengel een week lang het venster sieren.
Tusschen de lisschen staan hier en daar de groote waterzuringen, die hun groote bladeren omhoog steken, haast op de manier van tropische pisangs. Op andere plekken verdringen zich de ruige bladeren en stengels van de smeerwortels, met de mooie hangende, klokvormige bloempjes, die in gedraaide trossen bij elkaar staan en allerlei kleuren kunnen vertoonen: geelachtig wit, oranje, rose, lichtblauw, donkerblauw, violet en paars. Een ruige plant, die alle fijnheid en gratie schijnt te missen, maar als ge de bloem openmaakt, dan vindt ge daarin vijf driehoekige dekseltjes, waarvan de randen versierd zijn met het allerfijnste goudsmeewerk.
Hoe dichter de oever begroeid is, des te meer kans bestaat er, dat er aardige vogels huizen. Op rustige plekken aan breede wateren broedt nu de fuut, in gedaante en kleur en manieren een van onze zonderlingste watervogels. Zijn nest is een drijvende moddermassa, niet te onderscheiden van de zwarte veenmassa’s, ontstaan uit de half verrotte planten van het vorig jaar.
Meer algemeen vertoont zich de koet, net een zwart eendje met een witten bles. Als hij zich schuil houdt tusschen de oeverplanten, dan hoort ge toch nog altijd zijn korte keffende roepjes. Hij heeft een mooi hoog nest, opgebouwd van stengels en bladeren, en daar liggen zijn tamelijk groote en talrijke bruine, fijn gespikkelde eieren, waaruit later enorm leelijke ruige, kleine, harige duveltjes van jonge koeten te voorschijn komen.
Maar het echte vogeltje van den waterkant, het beminnelijkste vriendje van den eenzamen hengelaar, dat is het waterhoentje, dat zelfs in kleine vijvers en smalle slooten zijn nest durft te bouwen en hoe langer hoe meer vertrouwd raakt met de menschen.
Waterhoentjes. Kikvorsch.




Stekelbaarsje. Tapuiten.




Wulp. Leeuwerik.




Muurbloemen. Lentelandschap.




Konijnen. Haasjes.




Maagdepalm. Dennen.




Hoe sierlijk zwenkt dat diertje rond, hoog op ’t water, het spierwitte staartje opstijgend als de achtersteven van een ouderwetsche karveel. Bij iederen slag met de groene pooten schokt het slanke nekje voor en achteruit en de groote roode plakkaat boven op den bovensnavel blinkt in de zon. Hij hapt in de lucht en langs het water en als hij zijn bek vol heeft met kleine insecten, dan stuurt hij regelrecht naar huis en loopt voor de gauwigheid met weergalooze behendigheid over een groot bed van wiebelende waterleliebladeren. Als hij aan den waterkant komt tusschen de bloeiende lisschen, dan komt hem ongeduldig al een spitse snavel te gemoet en het broedende wijfje neemt haar voedsel in ontvangst. Dadelijk maakt de man weer rechtsomkeert, om in weinig minuten weer een nieuwen voorraad op te doen.
Hoe dikwijls heb ik deze familietafereelen begluurd langs den vijver van Duin en Daal aan het Meertje van Caprera en in de grachten van de ruïne van Brederode, toen die nog frisch en helder waren. Nog broedt daar ieder jaar een paartje en ’t is een groot genoegen er naar uit te zien in den tijd dat de ruïne overdekt is met de heerlijke, geurige muurbloemen.
Het is wel een van de liefelijkste openbaringen van de Lente dat zij de oude vervallen bouwwerken zoo guitig versiert met mooie bloemen. Tot boven aan toe komen uit de muren de grijsgroen bebladerde stengels te voorschijn met honderden oranje bloemen, omzwermd door bijen en vlinders. Elders staat weer in een muurspleet een lijsterbes te bloeien, of een vlier ontwikkelt er zijn bladeren en laat zijn breede bloemtuilen zien, die nu nog groen zijn. De groote abeel op de binnenplaats heeft pas zijn witte bladeren gekregen en de hooge wilgen langs de gracht vertoonen gele bloesemkatjes tusschen lichtgroen loover.
Langs de grachtkanten staan in dichte rijen de lisschen te bloeien en wilgenroosje en koninginnekruid zijn gereed hen te volgen, terwijl op en om de muren en in de boschjes look zonder look en fluitekruid bloeien in een wolk van wit. Hier vinden we ook onze oude vrindjes, de oranjetipvlindertjes weer. Bij dozijnen vliegen ze over de witte bloemen, de wijfjes heelemaal wit, de mannetjes met groote oranje vlekken aan de toppen der voorvleugels. En als ze gaan zitten op het bloeiend pijpkruid of op de lookraket, dan zijn ze opeens verdwenen, zoozeer harmonieert de wit met groen gekleurde onderkant hunner vleugels met het wit en groen van deze lentebloemen.
Nu nog een keer de duinen in, om nog meer vlinders en vogels en bloemen te ontmoeten. Ik ken een pad, waar de rustige wandelaar geduld wordt, ik weet een plekje, waar we een paar zonnige morgenuren verdroomen kunnen. Het is een berkeboschje aan de oosthelling van niet hooge, maar steile duinen. De helling van die duintjes is in de hoogte begroeid met duindoorns, maar lager komen wilde rozen en wilde asperges en eindelijk allerlei fijne bloempjes: wikke, vergeetmijnietjes, viooltjes, aardbeitjes en pimpernel, fijn kruidig goedje, waarboven de glinsterende vuurvlinders en de fijne blauwtjes rondfladderen.
Waar veel viooltjes bijeenstaan, daar komt ook een bruin met zwarte vlinder rondvliegen en als hij zich te midden van de bonte bloempjes neerzet en de vleugels opslaat, dan blijkt de onderkant daarvan bezet te zijn met groote glinsterende plekken van het mooiste parelmoer. Het is de parelmoervlinder, die in de duinen even algemeen is, als de oranjetip in de pinksterbloemen-wei aan den boschrand.
Het is goed, dat we buiten het boschje zijn gaan liggen, want nu kunnen we niet alleen nachtegaal en roodborst, fitis, roodstaart en winterkoning in het bosch hooren zingen, maar we zien ook, hoe een zanglijster vlug van onder een bloeienden meidoorn rent naar een open plekje en daar met veel animo een huisjesslak stukslaat, die hij in den bek had. Hij pikt de weeke slak er uit en hipt daarmee weer het bosch in en nu weet ik, dat daaromtrent zijn nest met geelbekkige jongen te vinden moet zijn. Hij heeft al wat slakjes verbruikt, want de slachtplaats ligt vol met stukgehakte huisjes. Een bontgekleurde tapuit houdt er nalezing.

Een groote ronde violette kever loopt over een open zandplek, hij rolt een konijnenbolletje voor zich uit, het is de mesttor, die hier nuttige grondwerkersarbeid verricht. Nu zien we ook naar konijntjes uit en jawel, die zitten te spelen aan de overzijde van de vallei, tusschen de duindoorns. Toen ik de verrekijker aan de oogen bracht, bleven ze opeens als versteend stil zitten. Maar als ik ze wijs kan maken, dat ik hier zit te dutten, dan begint het gestoei weer van voren af aan. Zij rennen elkaar na in groote kringen en de witte staartjes lijken in de verte wel vlindertjes, want het grauwe dier zelf steekt tegen den duin-achtergrond bijna niet af.
Opeens vliegt met luid gejoel een groote vogel met krommen snavel over ons heen. Het is een wonder, dat wij hem al niet eerder gehoord hebben, want wie in Mei een wandeling doet door het duin, wordt vroeg of laat altijd begeleid door dezen hoogvlieger en luidkrijter, de wulp. Ik wil nooit zeggen, dat een wulp schreeuwt, daarvoor is zijn geluid veel te diep, te metaalachtig, te welluidend. Het is een heerlijk krachtig dier, een onvermoeid vlieger, een volmaakt wandelaar, een volleerde dansmeester, een uitstekend krabbetjesvisscher, een vlugge sprinkhanenjager en bovendien een baas in het verstoppertje spelen, die zelf ieder meteen opmerkt en dadelijk onraad blaast.
Zie hem rondvliegen door de blauwe lucht en langs de witte wolken. Wanneer ge denkt, dat hij aan ’t eind van de vallei verdwenen is, dan roept hij meteen weer vlak boven uw hoofd, want hij heeft niet anders gedaan, dan in een wijden kring rondvliegen. Het duurt langen tijd, eer hij volkomen gerustgesteld is en zelfs nadat hij is neergestreken op een naburigen duintop, loopt hij nog lang schutterig heen en weer met veel vleugelgeklep en snavelgezwaai.
Nu vallen opeens veel witte blaadjes van een bloeienden meidoorn vlak bij en daar het niet waait en de meidoorn pas in bloei komt, moet daar ook een vogeltje aan den gang zijn. Jawel daar fonkelt een rood borstje en een rood schedelkapje, het is een kneutje, dat flink en vroolijk zijn liedje uitkraait, kweelt en kwinkeleert. Dit is het vroolijkste en prettigste vogeltje van hei en duin, weinig opgemerkt en overal aanwezig en ’s ochtends vroeg zit hij wel te zingen op den telefoondraad vlak bij mijn huis.
En nu lijkt het wel of de heele helling een kneutjes-verblijf is, want als de kneu in den meidoorn heeft uitgekraaid, dan begint er weer een in den eglantier en eindelijk een stuk of drie hoog boven in de duindoorns. Ze zingen al luider en luider en het duurt niet lang, of het komt tot de onvermijdelijke vechtpartijen, die er op uitloopen, dat het heele kneuengezelschap knutterend en kraaiend in schokkende vlucht een grooten optocht houdt door de lange vallei.
Weer blinkt er iets in ’t zand, het is een gouden loopkever, die een rups heeft gevangen en er mee marcheert naar een rustig plekje om hem op te peuzelen. Een eindje achter hem scharrelt een bruine zandloopkever en net als ik hem pakken wil, tilt hij zijn metaalglanzend dekschild op en vliegt ineens vijfentwintig meter ver weg. Je kunt aardig buiten adem raken, als je die zandloopkevers wilt vangen en bovendien je geduld verliezen met te hengelen naar hun leelijke, dikkoppige, gebochelde larven, die hun verblijf houden in loodrechte, twee tot drie decimeter diepe putten. Maar daar wil ik vandaag niet aan denken.
Hoe heerlijk staan al de heesters in bloei! De berken zelf zijn uitgebloeid, maar de meidoorn heeft geurigen bloesem en heerlijke, mooie witte knoppen. En de sneeuwbal of Geldersche roos (hij groeit in de duinen veel meer dan in Gelderland) is overdekt met zijn platte witte tuilen, kleine echte bloempjes in ’t midden en daaromheen een krans van groote witte lokbloemen, die zelf geen stampers of meeldraden hebben, noch honing voortbrengen, maar de insecten den weg wijzen naar die echte kleintjes binnenin. Die laten dan ook niet op zich wachten, want het wemelt op die witte sneeuwbal van vliegen, wespen, bijen, vlinders en kevers.
En vlak daarbij staat weer een berberis, een eeuwenoude struik met honderden stammetjes, die dicht opeen uit de aarde komen, zich fijn vertakken en tusschen de bundeltjes van lichtgroene blaadjes ontelbare trossen met mooie goudgele bloemen dragen. Gij kent de bijzonderheid van die bloempjes; wanneer de binnenzijde der meeldraden wordt aangeraakt, dan buigen deze plotseling naar binnen: ze kunnen niet tegen kriebelen. Menige honigbij zal geschrokken zijn; als zijn tong zoo opeens bekneld raakte tusschen meeldraad en stamper. Maar hij kon ’t toch niet laten, om in een andere bloem weer naar den zoeten honing te zoeken en bracht zoo wel het stuifmeel over, dat dienen moest om den stamper te doen rijpen tot de lekkere en mooie zure roode bes, die we in den herfst zullen zoeken.
Al die heerlijke heesters staan hier dicht opeen en het is alsof op zoo’n gezegend plekje ook alle vogels, alle vlinders gaarne willen komen. Onophoudelijk schitteren bonte kleuren, onophoudelijk klinken vroolijke liedjes. Een vogel is er, die in lied en vlucht op deze plaats de lentevreugd nog duidelijker openbaart dan de nachtegaal en de fitis in het bosch. Het is de boompieper, een grauw diertje, dat wel op een leeuwerik lijkt. Met vluggen wiekslag stijgt hij snel zingend omhoog, spreidt dan vleugels en staart wijd uit en daalt zonder eenige beweging in de grauwe veertjes zingend weer neer. Bij het stijgen is de zang vlug, krachtig en vroolijk, bij het dalen gaat hij over in reine, langgerekte fluittonen vol vervoering en bijna klagend en als de vogel op een boomtop is neergekomen, dan krijgt de vreugd weer de overhand en besluit hij zijn lied met een flinken, rammelenden, krachtigen triller.
Zoo gaan ook wij de lente door, met blijdschap, als de winter wijkt, met diepe ontroering, wanneer al het schoone leven zich aan ons openbaart, met vreugd en vertrouwen, als de teere bloesem overgaat tot forschen bloei en ontwikkeling, als de pracht der rozen den zomer binnenleidt.
JAC. P. TH.

Roodstaartjes. Houtduiven.




Tortelduif. Spreeuwen.




Koet. Fuut.




Citroenvlinder. Oranjetipvlinder.




Dagpauwoog. Rouwmantel.




Blauwtjes. Wijngaardslak en Morielje.




[
Inhoud
]