KORTE BESCHRIJVING VAN LEIDEN. (continued 2)
Reading edition
„Het vaderland vergeet die braven niet!”
Weder een eindweegs verder zien wij een gebouw, dat, bekend onder den naam van »Huiszittenhuis” de zetel is der Diaconie van het Nederduitsch-Hervormd kerkgenootschap en tevens als armbakkerij gebruikt wordt. Ruim het vierde eener eeuw geleden was het een twistappel tusschen de Stedelijke regeering en den Kerkeraad. Thans is de veete daardoor ontstaan, en door eenige eerzuchtigen op treurige wijze gevoed, naar het gebied der historie verwezen, en is er, welke quaestiën ook aan de orde gesteld worden, althans van de befaamde »huiszittenhuisquaestie” geene sprake meer.
Zoo pratende zijn wij de Vischbrug weder genaderd en voeren wij u langs Aal-, Bloem- en Boommarkt, over de Borstelbrug, door de Paardensteeg, over de Blauwpoortsbrug en Steenstraat, weder naar den Heerenweg, welke eigenlijk de Stationsweg heeten moest; natuurlijk met het doel om u naar de plek te geleiden, vanwaar wij het genoegen hadden u te komen afhalen. Daar de trein nog lang niet in het gezicht en het aan zoo'n station gewoonlijk vrij saai en vervelend is, noodig ik u uit eenige oogenblikken met mij dat Zomerzorg binnen te treden, waar wij zoo straks voorbijgingen.
Gij zult u voorzeker dat bezoek niet beklagen, hetzij ge u nederzet onder het geboomte en den blik slaat op die inderdaad keurige bloemperken en op dien vijver door den zonneglans verzilverd en met goudschubbige visschen als bezaaid; hetzij gij de zaal beschouwt, waarin Leidens beau monde de vlucht neemt, wanneer het zomerweder maar niet wil toegeven dat DUNKLER of VÖLLMAR juist in de open lucht de gaven van hun muziekcorps moeten tentoonstellen, hetzij gij u begeeft naar de achterzijde en, neergezeten op de eenvoudige houten bank het oog laat weiden over een echt Hollandsch landschap,—steeds zult gij moeten toegeven, dat Zomerzorg met zijne vriendelijke wandeldreven ook in uw oog den goeden dunk rechtvaardigt, dien stadgenoot en vreemdeling daarvan koesteren; dat het, welke plaatsen van vereeniging en genot er ook in en om Leiden verrijzen mogen, eene geheel eigenaardige aantrekkelijkheid bezit, die het in den strijd met deze de overwinning verzekeren—althans geene nederlaag berokkenen zal.
Maar reeds klinkt de schel ten teeken dat de trein in het gezicht is.
Ik bid u, schrik niet op en haast u maar niet!
Men waarschuwt hier bijtijds, dat wil zeggen vroeg genoeg voor lieden die aan langdurig afscheidnemen gewoon zijn.
En daar wij niet tot die soort behooren kunnen wij doodbedaard opwandelen naar het Station.
Zie zoo, we zijn er. De locomotief vertraagt hare vaart, het geratel houdt stil.
»Leiden, Heeren!” klinkt het vele malen uit den mond der conducteurs en de reizigers komen een voor een uit de deurtjes der rijtuigen.
Het is tijd in te stappen. Een handdruk nog door het portier en gij verlaat mij.
Hebt gij u nog al geamuseerd, mijn waarde tochtgenoot; hebt gij u althans niet verveeld?
Het antwoord gaat verloren in het krijschend schel gefluit van het snuivende en kokende monster, dat zich in beweging stelt; en voordat ik mijne vraag kan herhalen glijdt de wagen voort.
Hoe het ook zij, God zegene u! Vaarwel!