LUCHTREIS. (continued 2)
Reading edition
Dat Abaris, de Noordsche reiziger, die uit zucht om wetenschap te verzamelen verre landen bezocht, Natuurkundige begrippen had, welke de Grieken nooit gekend hebben en die by ons nog zoo nieuw zijn, behoeft niet te verwonderen. Wat zijn onze kundigheden, dan het geen van sedert kort voor onze jaartelling uit de Grieken tot ons overgebracht was? En hoe deerlijk was de vervallen, verwoeste, en verwilderde staat van de in woedende horden verkeerde volken, afschrik van het zuidelijk deel van ons warelddeel, geworden. Een staat, die te minder verwonderen moet, als men de geweldige natuurschokken die de grond van dat Noorden blijkt ondergaan te hebben, in aanschouw neemt. De Grieken stelden er den ouden Hof van Febus, Φοίβου παλαιὸν κῆπον (als Sofokles zegt by Strabo VII, 1); roemden de schoonheid der Hyperboréën[6]: en dat zy van hun, zelfs godsdienstplechtigheden hadden overgenomen, is kennelijk. Doch wat ook de Grieken daarvan hielden, kinderen in verstand en in volksouderdom, en die toch bekennen dat zy van Anacharsis (een Noordlander) den vuurslag, het anker, en het pottenbakken geleerd hebben (Strab. ib. 8.): dat oudtijds in het Noorden een machtig en zeer beschaafd volk gebloeid heeft, onmiddelijk uit het Oosten daar heen gewandeld, en dat in verstand en kennissen uitmuntende, de leeraar des overigen menschdoms geweest is, dit getuigt heel het Oosten, dat aan hen zijn beschaving en de mededeeling van de belangrijkste kennissen dankt. En dat ook dit volk Natuurkundige en Chemische kennissen had, waar van men twijfelen mag of zy de onzen niet in vele opzichten te boven gingen, maakt alles waarschijnlijk. Tot in het diepste van Indien, is niet de algemeene overlevering onder de Bramannen alleen, maar zijn de geheiligde boeken vol van een (om het dus uit te drukken) heilig ontzag voor het Noorden. Daarin wordt het Noorden, bestendig voorgesteld en met levendige kleuren geschilderd, als de zetel van welvaart en rijkdom. Daar stellen zy sedert onnagaanbare eeuwen den wonderbaren berg Meru, waarin Kuvero, de God van den rijkdom, zijn throon heeft gebouwd. De rijkheid der mijnen van het (eertijds een geheel ander aanzien hebbende) Scandinavie, mag dit laatste denkbeeld verwekt hebben; maar het bewijst, dat men, van zoo oud als dien narichten, vertellingen, en haar aanteekeningen of overleveringen heugt, aldaar deze mijnen bewerkte en sints lang met veel vrucht bewerkt had; en zoodanig een volk kon niet missen in Natuurkundigheden en Scheikundige wetenschap alle andere verre te boven te gaan; maar het kon ook, daarin gants oorspronkelijk zijnde, vorderingen gemaakt hebben, die wy, naar systemaas geleerd, die wy van Arabers en Grieken ontleenden (zelve onkundige en uit nabootsing en naprating denkende en handelende volken), niet dan na eeuwen op eeuwen, en dan nog niet anders dan door een gelukkig toeval, bereiken konden.
Veel ware er nog aan te merken, over de verkeerde wijze, waarop deze wetenschap altijd behandeld is geweest, en vooral over de tot in onze dagen altijd verwaarloosde beoefening der uitzettende vloeistoffen, door het welke al onze ontbindingen altijd onvolkomen gebleven zijn, en het allergewichtigst werkmiddel in de hand der natuur en in die van haar nabootster, de kunst, nutloos bleef. Men verongelijkt een beter, een wijzer, een minder vervallen menschengeslacht, dat ons op zoo groot eenen afstand, zoo reusachtig voorging, wanneer men het de onnoozele verkeerdheden aanwrijft, die in het nietige, ijdelhoofdige Griekenland of Arabie de opkomst der wetenschappen, die er niet geboren waren, of in Italie hare overbrenging uit Griekenland of Arabie, zoo vele eeuwen later vergezeld hebben. Gewis kenden zy de uitzettende vloeistoffen, die wy daadlyk gekend hebben, zoo dra wy op ’t rechte pad raakten om de Scheikunde recht te beoefenen. En kenden zy die, hoe konden zy niet, daar eenige aanwending van maken op de Weegkunde? Hoe kon het missen, of een doorzichtig, een recht wijsgeerig brein moest er een middel in zien, om zich in de lucht op te heffen, en op het geleide van den wind, van oorden en landstreken te verwisselen.
Het is ongetwijfeld ook door de verwantschapping en het verband der Schei- en Natuurkundige kennissen met Genees- en Heelkunde, dat de Noordlijke volken by de Grieken-zelf in dit laatste vak zoo beroemd waren. Plato maakt daar, op meer dan één plaats, gewag van. Hy spreekt van Zamolxis Artsen, die den naam hadden de onsterflijkheid te kunnen meêdeelen, en wien het bygeloof der vertellers, by ’t aanwenden hunner bereidingen of artsenyen, bezweeringen toedichtte, waar in Plato-zelf onnoozel genoeg was om de heelkracht te stellen; dan die niemand zekerlijk thands in aanmerking nemen zal.
Abaris is ook de eenige Schyt of Hyperboreër niet geweest, die de Grieksche wareldstreken bezocht. Verscheiden worden er door de Historieschrijvers der Grieken, door Dichters en Filozofen, genoemd; alle als liefhebbers van wijsheid, en verlichte verstanden. Zoodanige reizen toonen beschaafdheid en kunde by ’t volk waartoe zy behoorden; en dit volk woonde diep in het Noorden, als de hun gegeven naam medebrengt. Geen wilde, reist om kundigheden op te doen. Maar de beschaafde geest der genen die van uit dit volk tot de Grieken kwamen, bewijst, op wat punt van verlichtheid en kunde, zoo wel als rechtschapenheid dit volk toen gesteld wierd. Zy boezemden alom door hunne hoedanigheden verbazing en achting in, en gingen voor toovenaren, bovenmenschlijke verrichtingen machtig.
Niets overzulks is er onwaarschijnlijks in, dat zoo my deze hachlijke reis naar een planeetbol, die in onzen dampkring met den zijnen als samensmelt, toevalliger wijze heeft kunnen gebeuren, zy ook Abaris den luchtreiziger gebeuren kon, wiens naam niet alleen als reiziger, maar ook meê als Natuur- en Scheikundige of als Arts der toenmalige tijden bekend staat. En natuurlijker wijs berust ons verstand in de opschriften die geen ander dan hem schijnen aan te kondigen.
Ik zal voorts mijnen Lezer met geenen geleerden Commentarius over deze inscriptien ophouden. Ik wil alleen aanmerken, dat de Alpha daarin voorkomende, zichtbaar de oude Fenicische form heeft, die naar het getuigenis van Plutarchus den ploegenden os afbeeldde, en nergens zoo duidelijk voorkomt: Dat er geen onderscheid tusschen de ρ en de ϛ is: Dat de κ haar standaart niet heeft, welke dus van een later tijd schijnt, maar de omgezette Oostersche כ is, als de Roomsche C: en de N de form der π heeft. In een byzonder Hoofdstuk hoop ik by de nader ontwikkeling dezer byzonderheden de geschiedenis der letterfiguren niet weinig toe te lichten, wanneer ik mijn uitvoeriger reisverhaal en beschrijving in ’t licht geve.
In de middelste regel van het Grieksche opschrift van ’t plaatjen verbeeldde ik my ook het woord ΟΔΟΠΟΡΟΣ (ὁδοιπορος) op te maken, doch de plaats was zeer uitgevreten, en mijne lezing onzeker.
Van de tegenzijde wist ik niets uit te brengen. De taal, voor zoo verre ik iets gewaar werd, was my onverstaanbaar, en het plaatjen had daar ongelijk meer geleden.
Ik heb gezegd, dat ik my onder ’t ontcijferen van de opschriften, en in het gewoel van de denkbeelden, die dit in my deed opkomen, gelukkiger vond, dan ik op mijn planeet nog geweest was. Dit ging zoo verr’, dat ik, lang genoeg, my met niets anders ophield dan wat hier betrekking toe had. Ik stelde my mijnen Schytschen lotgenoot voor in zijne oprichting van de ingestorte woning en van zijne huishouding. Ik dacht om hem daarin na te volgen, terwijl ik zijn bijl op een steen scherpte, of er een boomtak mede afscheidde die ik er tot een steel in vastmaakte. Ik dacht, hoe my best van de kalkoenbende meester te maken. Ik bedacht, hoe deze weerbare vijanden te beloeren, te verstrikken, by kleine partyen aan te vallen en t’ onder te brengen. Ik rekende uit, hoe velen er om moesten komen, om my heer van de overigen te maken; nam maatregelen om dezen op te sluiten, en de jongen die zy voort zouden brengen, vervolgens te voederen en daaruit een nieuw tam geslacht te vormen. Nu dacht ik my in Abaris plaats, als zijn opvolger, gevestigd, en wilde my Abaris den tweede noemen. Zelfs was het my geen gering voorwerp van overleg, of ik my Abaris op zijn Grieksch, dan (gelijk mijne opschriften als den eigenlijken naam medebrachten) abra of abir zou heeten. Indien ik geweten had hoe de tweede in datzelfde Schytsch waar ik abra of abir toe bracht, uit te drukken, ik had ongetwijfeld het laatste verkozen als ongemeener. Nu helde ik meer tot het eerste, en Ἁβαρις ὁ δευτερος klonk my al vrij welluidend in de ooren, Maar nu schoot my in, dat de ouden de personen van éénen naam zoo niet onderscheidden. Dat dit niet Abaris de tweede, in den hedendaagschen zin, zijn zoude, maar de tweede Abaris, en een vergelijking met Abaris als met een model of voorbeeld, te kennen geven, waarmede ik veel minder gekuifd was.
Dit alles was goed en wel. Ik had daar, op een planeet waar ik geen mededinger had, koning kunnen zijn even als Adam; maar het schortte my, waar het Adam aan faalde. En hier was geen hulpmiddel voor. Mijn rijk moest als dat van mijn Schytschen voorzaat eindigen, zijne nagedachtenis in my verdwijnen, en de mijne verloren gaan. Want hoe kon ik my vleien, dat spoedig weder een ander luchtreiziger hier mocht aanlanden, en dat er met de aarde eene gemeenschap ontstaan zou. Ja was die gemeenschap-zelve wel eens zoo te wenschen voor den wareldkoning wiens eenige legermacht in het overschot der kalkoenen bestaan moest, die hy om zijn throon te bestijgen, op zeer weinige na, uit moest roeien. Deze denkbeelden kwamen niet op, of zy kregen vat by my.—En echter, altijd alleen en ellendig, hier om te komen als Abaris, de oogen misschien uitgepikt door mijn hoenders! mijn beenders voor ’t minst door hen uitgepikt als zy dor wierden!—En geheel geene nagedachtenis van my!—Ja, wist men op den aardbol, daar is hy, daar leeft hy, daar woont hy, daar geneert hy zich als een klein onafhanklijk prinsjen, ’t waar wel. Maar daar was ter wareld geen uitzicht op.
Ik gevoelde nu eerst in volle kracht, dat alleen voor zich-zelven te bestaan, geen bestaan is; dat men niet leeft, dan wanneer men in anderen leeft, en dezen in ons; en nu werd ik in een groote mate naargeestig. Alle lust verging my om waarnemingen te doen. Ik zag den hemel niet meer aan; ik bereisde mijn planeet niet meer. Ik raakte al meer en meer in mijmeringen verzonken, die hoe langer hoe onduidlijker waren, en van langzamerhand in een stompe gevoelloosheid overgingen, die niet afgebroken werd dan door slaap, of door ’t zoeken van aardvruchten, wanneer de behoefte van voedsel my daartoe aanprikkelde.
Dus had ik verscheiden malen den aardbol vol en nieuw, en in zijn kwartierstanden gezien, en derhalve (naar de tijdrekening, op hem gebruiklijk) etlijke maanden doorgebracht; wanneer ik, zonder oogmerk of doel omwandelende, op den plek gronds kwam waar ik ’t eerst aangeland was, en mijn bol en vaartuig weêrom vond. Dit gezicht wekte my hevige aandoeningen op, en ik raakte aan het schreien. De zucht om op het gemeene vaderland aller menschen, de aarde, weder te keeren, verhief zich in my. Ik zag daar geene mooglijkheid op. Echter onderzocht ik mijn bol en bootjen. De eerste was ledig, gelijk men begrijpen kan, maar had slechts een geringen scheur van niet meer dan twee vingers lengte, in een van de naden. Het schuitjen was gaaf, behalven dat de onderkielbalk er af gestoten was, het geen tot de zaak weinig deed. En, daar ik al het ijzervijlsel en al de vitrioolgeest die ik van mijn Perzianen gevorderd, maar niet half gebruikt had, in verscheiden tonnetjens, en glazene met hout overtogen bussen, by my in het schuitjen genomen had, had ik dezen deels in, en gedeeltelijk in de rondte om dat bootjen op den grond wedergevonden, en ook weder by een gepakt.—Wat (dacht ik nu) zoo ik de breuk van mijn bol herstelde, en op nieuw opging? Eens tot eene genoegzame nabyheid der aarde genaderd, zou deze my wederom tot zich trekken; en, men moet iets wagen in een’ staat als de mijne is.
Het denkbeeld echter van zoodanig eenen overgang was zoo weinig klaar by my, als dat van mijn vorigen overgang naar Selenion. Tusschen de twee aantrekkingen opgaande, begreep ik in het punt des evenwichts (daar naamlijk waar de nabyheden der bollen hunne aantrekkingen gelijk maakten) te moeten blijven staan, en zoo had ik zeker moeten doen by mijn opgang van de aarde. Doch ik had toen mijn bol veel te licht gemaakt, en dit had my een geweldige vaart naar de hoogte gegeven, en deze vaart moest geduurd hebben tot over en door dat evenwicht van de twee tegenstrijdige aantrekkingen heen: als wanneer de aantrekking des naasten schoon kleineren bols over moest wegen. Mijn schuitjen, als zwaarder, onderging die aantrekking sterkst, de bol minder, maar hy had veellicht alreeds een gedeelte van zijn lichter lucht verloren; en het was op deze wijze dat ik was overgeraakt. Een duidelijker denkbeeld wist ik er my niet van voor te stellen; maar zoo duister en onvolkomen dit denkbeeld was, ik vergenoegde my daar meê. Ik meen opgemerkt te hebben, dat de Selenische lucht voor mijn denkvermogen niet gunstig was, en ik was in mijn naargeestigheid en verstrooiing voor geene Logische netheid meer vatbaar. Ik was, zonder zelfs my veel te bekommeren of ik de zaak wel dan kwalijk begreep, tot het waagstuk gereed, zoo ik ’t vullen van den bol op nieuw in het werk kon stellen. Wat ongeluk toch, zoo ik omkwam? Zoo te leven, was in der daad geen leven, dat eenig genoegen meer had of hebben kon. En beter, door een halsbrekenden val uit de hoogte verpletterd, dan door de ontzetlijke langzame dood eener krankte, of, by eenig toeval van verlamming, door den neep des hongers verteerd!
Ik ontrafelde dan een lap van mijn kleed, en zocht kleine dorentjens om voor naalden te dienen. Het was een werk van geduld, en dat my ten hoogste onhandig afging, den geopenden naad van mijn bol weder te heelen. Het gelukte. De stof was zeer vochtig, en de bol werd in de hoogte in zon en wind te droogen gehangen. Nu zocht ik naar eenige klevende taaie stof. Ik vond niets dan een soort van smerige of vetachtige lijm van een moeras. Met dezen bestreek ik, tot meerder zekerheid, zoo dezen vernieuwden als de overige naden. Ik begreep, dat het gelukken mijner reis van de snelheid der vaart in het opgaan moest afhangen. Dit deed my zoo veel ik maar kon, van de zwaarte van mijn schuitjen verminderen. Het had den kielbalk onder den bodem verloren: de ribben naamlijk zaten slechts in een dunnen balk, welke met dezen versterkt was. Ik brak nu het tafeltjen met de twee zitplaatsen af, nam den vlakken bodem uit, waar onder ik by mijn eerste opgaan, de ballast had willen vastleggen. Van den voor- en achtersteven kapte ik weg wat ik kon, en stelde daarvoor slechts een soort van horde, uit lichte takken bestaande, in de plaats.
Nu begon ik te overleggen of het my raadzamer ware, mijne oprijzing te doen op een plaats waar ik de aarde in het zenith had dan waar niet. Dit problema hield my langer op dan het verdiende. Ik wilde de aantrekking des aardbols: de kortste lijn tot den aardbol was derhalve my dienlijkst. Maar het scheen my aan den anderen kant, dat eene aantrekking, die eenigzins zijdelings werkte, mijne omwending beter en geregelder uitwerken moest. Ik bleef dus voor de oplossing staan, en besloot eindelijk om daar op te gaan, waar ik was, en daartoe zonder verder uitstel het tijdstip van morgen te nemen. Dus namelijk, had ik my aangewend de tijd van ontwaking te heeten, na dat ik geslapen zou hebben. En zoodanige tijden van morgen vielen er naar mijn gissing tusschen de dertig en veertig in den natuurlijken dag van mijn planeet. Zy waren zich ongelijk, daar zy bloot door mijne behoefte van rust geregeld wierden, die van velerlei oorzaken afhing.
Ik stak drie gevorkte takken door den ring, die boven aan den bol was, en waardoor hy nu ter vulling boven mijn schuitjen verheven wierd. By gebrek van touwen, sneed ik van mijn kleed stroken om door dien ring te halen en hem dus te overspannen, en ik maakte deze stroken met pinnen in de aarde vast. Ik bond voorts eenige dergelijke maar kortere stroken aan de koorden waarmeê mijn bootjen aan het overnet van den bol vast was, om als ik over eind stond, my voor het uitvallen te hoeden. Ik had te voren trechters van verschillende grootte in gereedheid gehad, om de invloeiing des damps die zich ontwikkelde door de buis te besturen; een van die was in ’t schuitjen gebleven en diende my weêr. Ik voorzag wel dat de bol door mijn pinnen niet genoegzaam vastgehouden zou worden om niet op te gaan eer hy rond uitgespannen zou zijn, maar ik begreep hem in ’t opgaan-zelf nog te kunnen blijven vullen, om daardoor een meerder drift aan de vaart der oprijzing te geven. Eindelijk ik beval my den Hemel, sloot mijne oogen voor alle gevaar, maakte mijn dozen of bussen open, verlengde de zuren en begon de dampvorming en vulling.—Weldra ging ik op; ik hield aan te vullen, tot het gezicht my verging. Toen wierp ik mijn uitgediende metaalschorien uit. Ik gaf nu wederom bloed op, had geweldige pijn in de borst en ingewanden, en het was my of ribben en buik my openberstten. Ik had geenerlei voedsel noch versterking meê, werd geheel buiten besef; en, hoe lang dit duurde, dit gevoelt ieder dat my onmooglijk was na te gaan.
Toen ik my wedergevoelde was het met een verward maar ontzettend besef van klaterend of klapperend geluid en een pijnlijke gewaarwording van kwetsing die my aan mijn kalkoenbeten herinnerde. Ik bloedde werklijk en het scheen of my dit de bedwelming waar ik in was verlichtte. Maar daar zweefde ook iets geweldigs om my heen, dat my daar ik oprijzen wilde om verr’ sloeg, en zonder dat ik ’t zoo dra herkende, na eenige allergezwindste in ’t ronddraaiingen, woedende aanviel. Het was erger dan een kalkoen: ’t was een arend, en dit overtuigde my eensklaps dat ik in den dampkring der aarde zweefde. Ik had Abaris bijl by my, en dien lang gesteeld; ik hieuw mijnen vijand een wond in de hals, en hy verdween. Ik waagde ’t nu uit en naar beneden te schouwen, maar geen grond was voor my te zien. Ik had een wonde in de borst door mijn kleed heen ontfangen, en zoo vleesch als huid waren my weggescheurd, en de wond hol en diep. Eenige schrappen van minder belang deden my ’t aangezicht bloeden; en de linker arm was my doof en als lam. Ik verbond mijn borstwonde met een lap van mijn kleed, na haar met verlengde vitrioolgeest die by my stond gebaad te hebben, doch de pijn die zy my deed was hevig, en tot stuiptrekking toe. Ik zag wederom uit, maar het zij dat ik nog werklijk te hoog was, om met mijn verzwakt gezicht den bodem waarboven ik zweefde te kunnen bereiken, het zij de bedwelming van geest my verblindde, ik herkende geen grond onder my, zelfs geen wolken, en scheen steeds op gelijke hoogte te blijven. Te vergeefs zag ik weder en weder uit. Eindelijk werd ik radeloos van een angst, die steeds aangroeide, en my docht, dat ik uit- en inwendig verstijfde. In vertwijfeling en zonder te weten wat ik deed greep ik den bijl en sloeg eene opening in den bol waar hy wijdst was. Nu zonk ik welhaast, maar de beweging naar benedenwaart versnelde verbazend en ik stelde een verpletterend nederkomen onvermijdelijk. Ik gaf ’t op, lei my plat neder op den rug, en neep mijne oogleden toe. Behoud viel niet meer in den kring van mijn denkbeelden.
Het was echter bestemd, dat ik nog bij het leven bewaard moest blijven. Ik was, als by de uitkomst gebleken is, boven den grooten oceaan. Een Russisch schip dat zich op 12° breedte bevond, zag mijn voertuig op kleinen afstand van zich, met geweldige snelheid in zee storten, doch na eenigen tijd boven komen, omgekeerd, en ledig, mij-zelven eenige vademen verr’ daar van daan. De boot was juist uitgezet, en men redde my, schoon ik in dat oogenblik en nog een geruimen poos lang voor dood werd gehouden. De omstandigheden die hier by plaats hadden en de gevolgen van deze behoudenis beware ik voor mijn reeds meermaal gemeld uitvoeriger Reisverhaal. Zy behooren niet tot dit verhaal.—Ik wilde hier alleen de door my gedane ontdekking der ondermanen beschrijven; waarvan ik de verdere nasporing aan de Starrekundigen onzes tijds aanbevele. Ik laat daarby aan de Natuurkundigen over, de noodige proeven en waarnemingen in het werk te stellen, hoe het mogelijk zijn of gemaakt worden mag, de snelheid der vaart van den luchtbol zoodanigerwijs te regelen en te bestieren, dat men veilig van de overwegende werkingskreits der aantrekkingskracht van den aardbol in die van eene der ondermanen gerake; en daar den koers naar toezette, en aan- en weêr van te rug kome, waar ik zoo onwillig aanlandde en op een zoo hachlijke wijze van wederkeerde. De eerste reis te water, en daarby toevallige kustontdekking, was by eenen veel onwetender staat van het menschdom toch niet verloren; en ik verbeeld my niet, dat deze luchtreis en planeetaandoening het zou moeten zijn. Ten minste heb ik haar, voor zoo veel het van my afhing, niet onnut willen maken, en dit is al wat ik vermag. Om haar te herhalen, gevoel ik my in mijn tegenwoordigen toestand en na al het geen ik daarop geleden heb, even weinig de lust als de krachten. Maar ik steun op den moed, op de inspanningskracht des verstands van mijn tijdgenooten; en dit doet my, van nu aan, de hemelbollen niet slechts als bereikbaar, maar als reeds met onze aarde vereenigd beschouwen.

Opmerkingen van de bewerker:
Voor deze tekst is gebruik gemaakt van scans van Google en de Koninklijke Bibliotheek.
Afhankelijk van de gebruikte leessoftware en de instellingen is het mogelijk dat niet alle symbolen correct worden weergegeven.
Inconsistenties in spelling en ander taalgebruik (inclusief het gebruik van ij en y en twijfelachtige zinsconstructies) zijn ongewijzigd overgenomen uit het originele werk, behalve zoals hieronder aangegeven: in plaats van de ſ is de normale s gebruikt; overduidelijke zetfouten zijn stilzwijgend verbeterd; schildvereffening is veranderd in schuldvereffening; beschoude is veranderd in beschouwde zoals elders in de tekst.
Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarop ze betrekking hebben.
In de Griekse teksten wordt in het originele werk gebruik gemaakt van ligaturen en andere speciale weergavetekens; deze zijn hier als normale Griekse letters weergegeven.
Het citaat van Horatius is niet als zodanig terug te vinden; het originele citaat luidt Et dominum fallunt in plaats van Quæ dominum latent.
... en gingen voor toovenaren ...: mogelijk ontbreekt het woord door.
De genoemde wetenschappers zijn Jean-André de Luc, 1727-1817 (de Luc in het boek) en Jean-François Pilâtre de Rozier, 1754-1785 (Pilastre de Rosier in het boek).