ZIELGEDICHTJES
Reading edition
I
L.J.D.W.
1852
Het aardsche vat was al te teêr voor 't machtige verstand, de band des lichaams kon niet meer weêrstaan der zielen brand; hij brak... ze ontlook heur vleugelen en koos de hemelbaan: daar mag zij, zonder teugelen, God minnen, God verstaan.
II
H.L.B.G.
1852
Uw stemme, o Heer, hebbe ik vernomen: "Gaat in mijn wijngaard," sprak ze mij. Ik ben, gehoorzaam, er gekomen, al is 't dat ik onweerdig zij; en nauwlijks daar nog ingetreden of, met den wille alleen te vreden, zoo roept gij mij bij uwen throon, en geeft, voor onverdienden, loon, zoo veel aan mij als aan die 't ploegen en 't daaglijks strijden voor uw kerk, en d'hitte van den dag verdroegen, gegrijsd op 't heilig wijngaardwerk!
III
GULIHELMUS, Koster van 't Kl. Sem.
1855
Welzalig is de sterveling, die nooit in kwade wegen ging, maar die zijn leven, dag en nacht, Gods wet bewaard heeft en betracht.
IV
J.F.C.
1855
Gelukkig die, in 't dorre zand van 's werelds vreemd Egyptenland, op weg ten hemelwaard, geen oogbedriegend weeldrig oord vergeefs vervolgend, op en spoort, maar zijnen weg bewaart. Gelukkig die de wreede beet der wereldbraam zoo haast vergeet als hij ten Hemel schouwt, of die, in zijnen lentedag, een enkle blomme plukken mag, en... dat 't hem niet en rouwt. Maar geen die ik zoo gelukkig nom als hem die 's werelds doorne en blom en 't jonge leven laat, om vroeg naar 't eigen land te gaan, waarheen de pelgrim, op de baan, nog reekende oogen slaat. Gelukkig, jongst ontslapen vriend: nooit heeft uw ziel het stof gediend, op ijdelheid verzot; een enkele blomme pluktet gij: de zuivre blom der Poësij, en droegt die meê naar God!
V
D.J.V.K.
1858
Daar lacht een nieuwe zon de nieuwe velden tegen, de voorjaarmorgen breekt, na winternacht, weêr aan; ik zie het groeiend licht ten oosten opgestegen, maar nauwelijks op, het licht is weêr aan 't ondergaan! Aan 't ondergaan? Toch niet! 't Is ik die ben gerezen, 't is ik die Hemelwaards gerukt, uit rampe en wee en uit alle aardsche vreugd, — mag vreugd heur name wezen? de zonne duistren zie in eene gloriezee. De zee, waarin gij baadt, onwetend en omhangen met sluierend geloove, in 't zalig God-ontvangen, gebroeders, in 't geheem van Jesus' liefdebron; de zee der Godlijkheid, die ben ik ingeschoten, en, had ik maar een teug van 't lavend licht genoten, die waar mij 't sterven weerd, zoo ik nog sterven kon.
VI
P.F.J.S.
1755 † 1858
't Geen waarvan de droeve menschen altijd klagen hier beneên, 't geen waarnaar zij 't meeste wenschen hebt gij honderd jaar geleên. Maar, weer m'oud wordt en grijsharig, weer onmondig kind verscheidt, — gij wierdt honderd-en-driejarig, — schilt het iets in de eeuwigheid? Zegt, wat hebt gij meer verworven, mocht gij in den Hemel gaan, als het kind met u gestorven, en naast u in 't graf gedaan? Jaren, maanden, dagen, uren, ware 't honderd, duizend jaar, zijn, bij Gods oneindig duren, of het niet een stonde en waar!
VII
K.J.D.C.
1859
Gelukkig die, van kindsbeen af, Maria gansch zijn herte gaf, en, tot zijn laatste stonden, bij haar en haren Zoon alleen den troost in 's werelds droef geween gezocht heeft en gevonden!
VIII
A.D.K.
1859
Een kind ontsliep: wie anders weet als moeders herte ervan, en Jesus', die 't gewonnen heeft en nooit meer kwijt en kan?
IX
E.J.B.
1859
Naar sterren, als de zonne uitschiet, en vraagt men noch en zoekt men niet. De nacht,... hij brak, de zonne klom, uw zonne... Gij zeidt: willekom! en vloogt, o vriend, en leeft nu, waar geen nacht meer is en sterreklaar lijk hier, maar dag, bij God den Heer, en nacht, dat en wordt het u nimmermeer!
X
Advocaat S.
1859
Die, rijk gekanst, is arm gebleven; die 't zweerd droeg van het Recht, en die bemind was en beminnend; wie in zulk een deugd hem grauw kon leven, dien loont geen lof dien mensch kan geven, dien loont, — het is van God gezeid, — God zelf maar, en Gods eeuwigheid.
XI
A.V.D.
1860
God gaf het ons, God nam het ons, Gods name zij geprezen; 't was wel bij ons, 't ging weg van ons, 't was beter in den Hemel; daar blijft het ons, daar wacht het ons, daar zien wij 't eenmaal weder!
XII
J.V.D.
1860
Ah! gij hadt zoo geren 't leven aan uw kindtje weergegeven, liefste moeder: uw verdriet kent het dan Gods woorden niet? Alle liefde en alle zoetheid, leven zonder levensmoedheid, leven zonder stervensdag erft... die zalig sterven mag.
XIII
L.L.D.
1860
Leeft gij lange of korte dagen, moet gij leed of leute dragen, God, die 't eene en 't ander geeft, zal u 't een en 't ander laten in dit vluchtig leven baten, zoo gij 't voor en met Hem leeft.
XIV
N.V.N.
1860
Hetgene een' moeder troosten kan, die weent, noch vriend noch vreemd en weet daarvan, o neen; 't is God die slaat, 't is God die troost, 't is God die alles doet: 't is vele dat men goedheid heet, maar God alleene is goed.
XV
N.N.
1861
't Zij vroeg of laat daar niets en baat, daar moet elk tol betalen; 't zij munk of non, gij, nu, ik ton: de dood komt alles halen!
XVI
Cordula
1862
De trage ziekte brak intween den band van lijf en lenden, maar kon de ziel, 't geloof, de hoop noch de edele liefde schenden; ze vlamde los, en vluchtte omhoog, onstuimig om te vinden den Meester, Vriend en Bruidegom, in Jesu, den beminden: in Hem bij wien geen tijd meer is, geen toekomst, geen verleden, maar de eeuwige onvergankelijkheid van 't altijd altijd heden.
XVII
Alfons DANNEELS
3 Aug. 1847 † 9 Nov. 1864
o, Kon het ooit voor regel gelden dat kunst of dappre moed verschoont van 't sterven, o, men vond meer helden, meer kunst'naars met het loof gekroond! Maar neen, 't en baat niet; al die leven ze zullen sterven, jong of oud: die schatting moet eenieder geven, al weigerde hij tienduizendvoud. God wilde 't zoo en al ons klagen bewijst maar hoe eilaas de mensch geschikt was om een lot te dragen dat hem nog voorzweeft in den wensch. Onsterflijkheid, daar elk naar hankert, onsterflijkheid, die ze al trotseert... daar 'n is geen andre als zij, die in de kruisrotse ankert en in 't graf Christi triompheert!
XVIII
F.I.D.R.
1865
Gelukkig kind, dat van zijn spel, zijn engelken voor reisgezel, zijn hertje vrij van zonde en schand, is weggegaan naar 't hemelsch land! Gelukkig kind, gij liet ons al bedroefd om u, in 't aardsche dal: gij, blijde, daar omhooge, bidt voor ons, waar ge op den throon nu zit!
XIX
A.V.S.
1871
Gelijk het paaschenblommeken, als 't winterweêr gesust is, zoo smeet het zijnen lijkdoek af, en 't rees al uit zijn donker graf, en 't leeft nu waarder ruste is.
XX
L.S.P.
1872
Onwetend en onschuldig nog van al dat menschen weten, wat hebt gij, kind, uw leven toch onlang voorbijgesleten! Bemind van al, bemind van elk, vol vreugde, waarheid, goedheid: 't en was in uwen levenskelk geen dreupel of 't was zoetheid. En eer hij uit was nam u God: gij waart van hooger weerden als dat gij zoudet dienen tot versier van dezer eerden. Naar hooger streken zijt gij, kind!... Gebenedijd van heden zoo moet Gods naam zijn, en bemind, tot in alle eeuwigheden.
XXI
VADER EN MOEDER G...
1872
God liet hen, als twee boomgewassen, gesteund d'een op den andre staan, en lief en leed zoo zeldzaam passen dat geen verschil ooit kan bestaan. Zij leefden, stierven, oud van dagen, aanschouwde ik 't eeuwig leven niet; zij zijn bij God: 't was zijn behagen, al dat Hij wilde 'et zij geschied!
XXII
E.F.V.T.
1872
Verloren moeite, onnuttig streven, om langer als den tijd te leven dien God, in zijn beschik, ons stelt: zijt keizer, koning, oorlogsheld, zijt jong of oud, zijt rijk aan gaven of arm, gij sterft, gij wordt begraven... 't Is al voorbij, verleên, gedaan! Toch neen, daar blijft iets voortbestaan, dat meest veracht wordt en misprezen, dat is, en dat zal eeuwig wezen... Past op uw ziele, o mensch, en doet hetgeen God wil, hetgeen gij moet. Laat lachen al die lachen konnen: de ziel gered is 't al gewonnen; en die dit één verliezen zal verliest, eilaas, verliest het al!
XXIII
A.K.E.
1873
Een stap is 't maar van wieg tot graf, voor ouden en voor jongen. Gelukkig die, dit leven af, hoe kort of lang het God hun gaf, den beteren weg ingongen!
XXIV
H.D.M.
1873
Verkieslijk is het, duizendmaal, te rusten in Gods hemelzaal, als, op der aarde, al wierd men rijk, te slaven om wat ijdel slijk. 'k Beminde uw huis, o Heer, en zag den luister geren van uw' dag: uw dag, hij is mij opgestaan; uw huis, ik ben erin gegaan. Vaartwel, en die dit leest onthoudt dat ge ook in tijds de dood beschouwt.
XXV
C.D.B.
1874
Het vier, 't gesmolten lood, het kruis, het zweerd, de tangen deên menige eedle ziel de martelkroone ontvangen; elk wist het. Maar, bedekt en 't menschdom ongeacht, wordt menig martlares gemarteld dag en nacht. 't Geen Agatha stond uit ééne ure, heb ik geleden drie maanden en nog meer, drie schrikkelijke eeuwigheden. De kroone kwam op 't laatst: verheugt, die mij bemint, 't en is geen sterven, neen, 't is 't leven dat begint!
XXVI
B...
1874
Ons leven houdt maar aan een draad: wie weet er, waar hij gaat of staat, wanneer de dood zal komen; of hoe dat hem, bij nacht of dag, bij hoorenstoot of wapenslag, zijn zielken wordt ontnomen? De felste valt aleer hij 't weet; de mate die hem 't leven meet weet niemand van te vooren. Zoo, zijt bereid, en leert hiervan: 't geen mij behoort vandage kan u morgen ook behooren.
XXVII
N.N.
1874
'k Groet u, zoete zielke lief, roosken rijk in geuren, lelie uit de dellingen, prachtsteen vol coleuren; hatende al dat vleeschlijk is en van kwad' humeuren: zalig was uw sterven en eeuwig goed te keuren.
XXVIII
J.V.D.P.
1870
't Getemmer van des menschen leest is licht in stof en asch verstoven, maar mensch zijn dat is aldermeest onsterflijk leven, ver hierboven; dit schendt geen dood, geen lichaamsdood, dit kan noch vier noch staal bederven: het kwaad alleen doet, — jammer groot — de onsterfelijkheid voor eeuwig sterven!
XXIX
O.L.A.
1876
In 't kloosterkleed gedekt en opgevat, draagt, Englen, Hemelwaard een weerden schat! En, weet gij wat gij draagt? Ons kind is het, uit vader en uit moeder voortgezet, ons eigen... Neen, 't was Gods, en God gebood dat 't, nauwlijks levend, welkeren zou ter dood! o Bittere stonden die een moeder leeft, wanneer zij 't nieuwgeboorne 't leven geeft; o bittere stonden, als 't geboren kind al sterven in de dood weêr 't leven vindt! Want graf en wieg zijn een en 't zelf; voorwaar, de pelder, 't is als of 't een wiegkleed waar', waaronder Gods almachtigheid bewijst dat uit het graf de onsterflijkheid verrijst, en dat de dood, die elk ende een bedriegt, met eigen hand God blijde kinderen wiegt.
XXX
J.M.D.R.
1876
Ach, 't bitter leven is zoo kort: van als het kind geboren wordt tot dat het sterft, een stonde maar, al duurde 't leven honderd jaar! Ik stierf; na lang geleden pijn en mochte ik niet genezen zijn, ofschoon ik, Moeder, welbemind, ofschoon ik, Vrouwe, man en kind zoo geren, ach, zoo geren zag: hij kwam, de bittere stervensdag! Ik leef nochtans en derf niet meer dat leven, dat in God den Heer de doop mij gaf, de dood mij bracht, en dat u, man en kind, verwacht! Vaartwel, vaartwel, wij scheiden maar voor korten tijd: vaartwel tot daar.
XXXI
A.K.V.C.
1876
Rechtzinnig, God getrouw, geloofbaar en geloovend, zoo wierd ze eene oude vrouw, en stierf, den Hemel roovend. Gelijk een kind, voorwaar, dat, uit den doop geheven, geen kwaad en kent, zoo klaar was heur eenvoudig leven. Zij hield aan 't waar gewin, en met heur' laatste krachten zoo bleef z'heur huisgezin in eere en deugd betrachten. Een waar exempel van voorvaderlijke deugden: God hebb' heur ziele dan in 's Hemels ruste en vreugden!
XXXII
K.R.S.
1877
Van kindsbeen af getrouw aan recht en plicht en zeden in weinig goeds voldaan, met kleen gewin te vreden; van 's morgens, voor den dag, tot in de nachtsche stonden, in werk en kerk gelijk, vol neerstigheid bevonden; heur' man een ware schat van bijstand en genoegen; heur kindren zóó dat nooit zij moeder nutloos vroegen; de kindsheid heiliglijk bewakend; veler kleenen een tweede moeder; elk een voorbeeld; van geen eenen gehaat ofte onvereerd; vol dagen en vol deugden; ja, van heur jonkheid af verdienend eeuwge vreugden; heur name eene eer, door haar met vlek noch schand bedorven, alzoo heeft zij geleefd, alzoo is zij gestorven!
XXXIII
Blanche
1877, 22 Maarte
Nog nauwlijks heft een blomke of twee zijn kopken uit de groene wee en zoekt de zonnestralen, of blanker blomkes gansch een stoet de blijde wegen schittren doet omtrent de kerkportalen. Ik zie daar een, zijn name is blank, gelijk zijn' kleêren, wit en lang: zijn' kinderlijke leden bewegen of 't een Engel waar, die, in een witten wolksamaar, de kerk kwame ingetreden. Dat is ons kind! God riep, het kwam, en 't broodgelijkend Offerlam mocht in zijn herte dalen; zijn hert, dat kloppend d'eersten keer, uit onz' twee herten kwam weleer zijn' levensloop te halen. Leeft lustig voort dan, kindtje, en laat zoolang u 't leven openstaat, niet af vooruit te schrijden; vooruit, waar God u wilt en waar gij moogt, met ons, uw oudrenpaar eens eeuwiglijk verblijden.
XXXIV
Blanche
1877, 8 Junij.
Nog nauwlijks is een maand of twee den schoonen dag voorbij, of wee verblindt onze oogenstralen; wij zoeken weêr den blijden stoet, maar alles treurt en treuren doet omtrent de kerkportalen. Ik zie daar een... zijn lijkje blank ligt roerloos, en een sluier lang ombundselt zijne leden; zijn zielken, of 't een Engel waar, is door den witten wolksamaar des Hemels ingetreden. Dit was ons kind! God riep, het kwam, gelijk een schuldloos offerlam, blij uit deze aardsche dalen; ons kind, dat, levend d'eersten keer, uit onz' twee herten kwam weleer zijn' levensloop te halen. Vaartwel, vaartwel dan, Blanche, en laat ons allen in dien droeven staat niet hulploos verder schrijden, maar bidt, alwaar gij zijt, voorwaar nog dikwijls voor uw oudrenpaar, zoo zal ons hert verblijden!
XXXV
J.D.S.
1877.
Nog nauwlijks t' halvenweeg mijn oudrendervend leven, o Heer, wat ben ik blij, U alles weêr te geven dat gij mij gaaft, geheel en door geen schâ belet! Benijdt mij, gij vooral, die, uit uw' kinderjaren, onschuldig, ach, niet meer, gescheept zijt en moet varen de wreede wereld in, met zoo veel kwaad besmet! Indachtig blijft toch, ja, dat elk van u zal sterven; indachtig, opdat elk eens ook de kroon moge erven die "Onze Vader" zelf mij, weez', heeft opgezet.
XXXVI
O.R.D.C.
1878
Goevrijdag was 't dat ik mijn kind zag henendragen naar 't kerkhof! En bij 't kruis aldaar begroeven zij't! Maria, laat mij U mijn bitter lijden klagen, Maria, Moeder Gods, die ook toch moeder zijt! Mijn kind!... 't Was God getrouw en U, naast God, genegen, met bovenaardsche liefde! Eenvoudig, onbedacht, zoo kende 't God en U en ons! En, met Gods zegen, geen hooger jonste en had noch hij noch ik verwacht! Die schat is weg! Die gunst heeft God mij zelf ontnomen! Waarom? o Moedermaagd, waarom en vrage ik niet: uw Jesus weet het best, Hij is om haar gekomen, Hij, die mij, moeder, met U, Moeder, weenen ziet.
XXXVII
C.M.N.
1878
De wereld had, met scherp geweld, zoo geren hare ziel geveld en hare deugd doen falen; de Dood heeft ook de kans geproefd, met pijn en smert haar lijf gegroefd, en rustloos afgemalen; dan viel op 't laatst de booze aan 't werk, maar Jesus wees, almachtig sterk, hem de onderaardsche dalen: en, rustende op zijn vaderhand, Caelina ging naar 't Vaderland, voor eeuwig zegepralen!
XXXVIII
P.P.D.M.
1878
Ik heb mijn Heer en God gebeden, in 't midden van mijn hert; 'k en kende 's werelds ijdelheden noch 's werelds smert. Ik langde om hooger staat te leven, en God, daarmeê voldaan, heeft 't hoogste mij van al gegeven en toegestaan. Vaartwel, die mij gekend hebt, allen, rondom Maria's voet; en die door 's werelds ongevallen nog reizen moet. God geve aan die mijne ouders waren, en die ik heb bemind, de rust, na lange of korte jaren, bij mij, hun kind! Dan zal de dood geen scheiden wezen, geen eeuwig scheiden, neen, maar ouders doen en kind, nadezen, weêrom bijeen!
XXXIX
W.R.A.K.
1878
o Schoone dagen, ongeweten, of die, te laat gekend, o Heer, zoo gauw geleên zijn en versleten, en komen her noch immer meer! Ik was een kind te weinig jaren, ik bleef onschuldig al te onlang; den zeeweg roekte ik in te varen, voor schipbreuke onbevreesd, onbang! Eilaas, daar faalt mij mast en steven, daar vliegt mij bank en boord intween; daar is van al mij niets gebleven, niets, niets als ik en God alleen! Ter hulpe, o Jesu, moet ik zinken in dezen nood, zoo laat mij vrij naast u de bittre teugen drinken uit dezen kelk! Staat bij! Staat bij!
XL
K.J.A.J.D.M.
1878
Het lag gebundseld en gebonden in de dood, toen Jesus kwam, als schijnbaar brood. Hij sprak: "Staat op!" En alle schijn verdween; 't wierd levend, het zag Jesus-God med' een, en 't mocht den blijden choor ingaan, in 't wit gewaad der onschuld, die voortaan zal eeuwig blinken. Treurt niet, maar, die hem bemindet, volgt zijn stappen naar!
XLI
OP DE DOOD VAN GELUKZALIGER GEDACHTENIS.
PIUS IX
13 Mei 1792 — 7 Februarij 1878
De Koning van de Priesters is niet meer der levenden. De mare vliegt. Elk weet het. En, gestorven, heeft Pius hooger naam dan levend ooit verworven. 't Was hij! Daar was zulk geen! Men weeklaagt niet, veeleer verheugt men in zijn dood, die, triomphant gebleven, elk staaft in zijn geloove, elk steunt van die nog leven en biddend overal. Elk zag hem niet, elk toch, elk kent en elk bemint, elk eert en weet hem nog. Elk zal hem kennen, weten, elk beminnen, eeren, schoon duizend jaren nog na duizend wederkeeren. Geen tijd meer haalt hem in, hij is de tijden voor, en de eeuw die nog niet is ontvangt alree zijn spoor. Verkrachting, list, verraad, zij poogden, maar zij vonden des Pausen ziele sterk, gerust en ongeschonden. 't Was hij! Hij zag en: "Neen, de Pausen falen niet!" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Poogt wederom, nu dat gij hem gestorven ziet, spant al te zamen, helle en helsche strijdgenoten! Staat op! Hij ligt in lijke!... Uwe ure is 't! Saamgeschoten! Geweld gedaan! Gepoogd!... En, eeuwig neergeveld, zoo zult gij machtloos zijn in al uw strijdgeweld; en vallend over 't spoor van zijn bezweken voeten, daar zult gij, spijts uw hert, lijk Pius, zeggen moeten: "Non possumus!"
XLII
F.L.V.
1879
Ik ben Maria's kind, voortaan en moet ik niet meer duchten van uit den rechten weg te gaan om eeuwiglijk te zuchten. Ik stierf, maar God verleende mij, 't geen God alleen kan geven, van in den Hemel, eeuwig blij en eeuwig lang, te leven!
XLIII
E.M.P.
1879
Te vroeg gesmaakt, te vroeg ontvlogen, te vroeg, eilaas, hebt gij mijne arme ziel bedrogen, bedrog van 's werelds ijdelheid: gij duurdet eenen dag, eene ure, een' stonde, ha... tijds genoeg om arrebeid en zonde, en om nog erger kwaal na die, mij toegezeid, te kennen! 'k Wierd u moe! De kwade wegen, door distels en door doornen diep gelegen, zijn, op het end, veel beter nog als al de valsche vroolijkheden der korte dagen die 'k heb doorgeleden! Vaartwel! Alwaar ik ga 'n is geen bedrog, maar waarheid, leven, vreugde: in 's Hemels vreden!
XLIV
F.M.
1879
Hoe menig kind, den zelfsten dag en 't zelfste jaar verschenen, dat met mij eens het leven zag en voor mij is verdwenen! Zoo leerde ik lang en leerde ik goed de kunst van wel te sterven, ach, Onbevlekte, ik bidde U, doet mij 't eeuwig leven erven!
XLV
R.D.
1880
o Vrienden, jeunt me een goed gebed en peist, eer ge uw betrouwen zet op al dat ijdle menschen raân, hoe dat het is met mij vergaan! Ach! jong zijn, dat en heeft, eilaas, den duur niet van een enklen blaas; gezond zijn is schier nog zoo broos als 't ijs waar 't eenen nacht op vroos! Het leven is één stap, gesteld, het wiegsken uit, in 't gravenveld! En dan! o Dan, 'k en weet het niet! Hij weet 't alleen, die alles ziet! Hij weet 't alleen, 't zij heil of ramp, voor eeuwig, na den wereldkamp, wat dat er ons te wachten staat, wanneer de tijd van sterven slaat. o Dan, mijn God, bermhertigheid, gij hebt het aan uw Kruis gezeid: vergeeft mij wat gij weet en ziet. want, wat ik deed en wist ik niet!
XLVI
Ridder Adolf Loosveldt
13 October 1845 — 20 Junij 1879.
Thielt — Zanzibar.
Held des vreden, overleden op het slagveld, vrij van bloed; g' hebt uw leven God gegeven, gansch en geerne en onvergoed! Andren lijden, andren strijden, andren liegen, valsch en schoon; die de wereld 't hoofd omperelt met een ijdele gloriekroon. Gij zaagt lijden gij zaagt strijden, gij zeidt: "Op!" en gij waart voort; vriend noch mage en kon u tragen, want gij man waart van een woord. Overleden vriend, in vreden bleeft gij voor de Kerke dood: ha, Gods kerke hebbe uw sterke ziele, in haren moederschoot! Thielt verloos u, God verkoos u, blijft aan God gejeund voortaan, eeuwig, eeuwig; en wij, leeuwig, zullen we op uw voetspoor gaan!
XLVII
E.P.C.
1880
Voorbij is 't lijk een zonnestraal, die, uit den hemelwagen, een korten tijd elkeen verblijdt, omtrent de winterdagen. 't Was al zoo zuiver, noch 't en heeft, van als het wierd geboren tot op den dag dat 't weg ging, ach, zijne onschuld nooit verloren. Het was verstandig, wijs en vroed, en menig mensch met reden, 't zij man of vrouw, niet durven zou naast hem in 't oordeel treden. Zoo schikte't God. Een korten tijd verscheen het vóór onze oogen, en, op de baan ons voorgegaan, zal 't ons den Hemel toogen.
XLVIII
Th. S., Uurwerkmaker.
1880
God geeft den tijd bij dag en jaar, ach neen, bij kleene tikskes maar, en 't laatste tikske komt aleer men 't peist of weet, eilaas, te zeer! De wijzer wijst elke uur en tijd, maar de uur niet dat gij schuldig zijt te sterven! Zijt dus voorbereid, de wijzer wijst naar de eeuwigheid.
XLIX
Felix A. J. Baron Bethune
12 Junij 1789 — 28 Sept. 1880
Ik heb gekend dien ouden grijsgedaagden, dien fellen, goeden, welgezinden man; dien blijden ouderling, dien sterken, onversaagden, dien edelen mensch, dien christenen! 'k En kan geen dag mij brengen dien ik leefde weêr te binnen dat hij niet oud en sterk, en jong en was van geest: hij scheen onsterflijk. Ja, onsterflijk is 't beminnen dat hij verwekte en dat hem volgen zal, nu meest dat hij is weggegaan en ijdel heeft gelaten die groote en edele plaats, die eens zijn naam besloeg: nu dat hij, goedgekeurd van God, en t'zijnder baten, ter onzer niet, ontging eilaci, veel te vroeg! Hij leefde eene eeuw bijkans, lijk Pius, dien hij eerde, en die den grijzen zoon, gekend en hoog geschat, zijn koninklijke blasoen vertreflijkte en vermeerde, met 't graaflijk edelzijn der Roomsche wereldstad. Hij 'n stierf niet, hij verdween; hij 'n krankte niet, maar zwijgend, zoo scheen hij, al met eens verrukt, als naar een stem te luistren, die hem sprak onhoorbaar... tot dat, hijgend, hij eindlijk henentoog, hij, 't beste deel van hem, zijne edele en vranke ziel! — Vaartwel dan, oude vader, gaat, gaat, wij jeunen 't u bij duizenden, beweend van droefheid, blij nochtans; treedt God voor altijd nader, en blijft met ons, in Hem, onsterfelijk vereend!
L
E.D.V.
1881
Die altijd, eere en plicht getrouw, goê man, goê vader, kind en vrouw beminde en was bemind ervan, zou zulk een kwalijk sterven dan? Al stortt' hij onder 't vier en 't lood, al sloeg de donder zelv' hem dood, of was 't een moordnaars schuld, nog dan geen ware Christen schrikte ervan. Neen, niemand weet hoe wonder dat God alles wel te zamen vat dat is en zal zijn; geen en kan doorgronden 't diep geheem daarvan. Bij hem die waakt ten allen tijen, daar zult ge uw vader wederzien, o kind; en, vrouw, den braven man zult ge eeuwig blijven hebben dan!
LI
M.V.J.M.V.
1881
't Was 't uwe en 't onze, eilaas, en, hadde 't mogen leven, 't waar' 't onze en 't uwe, o God, zoo hope ik wel gebleven! Waarom dan? Neen, waarom en vrage, en rade ik niet: ik berg mijn tranen, en... dat Gij wilt is geschied! 'k Ben blijde, intusschentijd, dat 't zielken onzer ziel, na eenen lach met ons gewisseld, U beviel; en, U bevallend, dat ons aldereerste kleentjen voor eeuwig worden mocht ons zalig Madeleentjen!
LII
J.B.B.
1881
Welaan, mijn weerde dienaar, lang genoeg hebt gij den rechten gang gevolgd, dien 'k uwe ootmoedigheid met loonbelofte had voorgeleid. Gij hebt voor mij veel meer gedaan als Vorsten die daar slagen slaan, die winsten doen en, jammer dies, die stervend doen meest al verlies. Uw sterven wel was 't voorbedacht, want veerdig waart gij, dag en nacht, om, altijd en met neerstigheid, te doen dat u was opgeleid. 't Zij wie, met recht, u gaf bevel, gij hoordet en gij deedt het wel, en altijd hebt ge uw Meesters woord, of waar 't mijn eigen, wel aanhoord. Verblijdt u, goede knecht, voortaan; gij hebt mij grooten dienst gedaan, in de alderminste kleenigheid: verblijdt u in der eeuwigheid!
LIII
S.V.C.
1881
'k En trok mij al 't geweld niet aan der wereldlijke zaken, maar 'k wilde, langs de nauwe baan met d' hulpe Gods, geraken tot in dat land, waar ze altemaal gerechtigd zijn te wenschen hun erflijk deel, 't zij rijke of kaal, 't zij groote of kleene menschen. Hoe kleender hier, hoe grooter daar, dat heeft God zelf gesproken, en God en heeft zijn woord, voorwaar, noch nu noch nooit gebroken. 'k Verwachte u, man, en kind, en al, 'k verwachte u, naastbestaanden: de nauwste weg u leiden zal, verzaakt den breed gebaanden, dien velen volgen, rijke en groot, benauwd van iets te derven dat goed is, maar, dat, na de dood, eilaas, doet eeuwig sterven!
LIV
E.H. DHOOP
Thielt 1840 — Dixmude 1881
Die steen weêrsta den tijd, zoo lang er menschenherten leven; Hij teekne 't graf met eere en dank door vrienden hier verheven; 't bedekt het stof van een die, 't leed van iedereen indachtig, te snel zijn eigen leven sleet: hem loone God almachtig!
LV
M.V.V.
1881
Bermhertig weest mij, God, met 't aldermeeste erbarmen, en houdt mij, schuldenvrij, in uw' almachtige armen! Besproeit mij met hyssoop en wascht mij witter dan ooit versch gevallen sneeuw, ooit lijnwaad wezen kan! Verleent dat mijn gehoor uw' hulp vernemend zij, en maak 't gevelde stof van mijn gebeenten blij! Ge aanveerdt den geest die rouw en leed heeft in zijn schuld, en 't nederig boetend hert Gij nooit versmaên en zult! Dan, luistert, o mijn God, vol goedheid, naar mijn stem, en zet mij zetelvast in 't hoog Jeruzalem!
LVI
F.J.P.
1881
Moe en tendenuit versleten zat en zuchtte ik, jaren lang, om weer los, en van de keten vrij, te gaan den vrijen gang. Los en vrij dat wierd ik heden, En al 't gene ik meest ontzag, 't gaf mij, oud en stram van leden, weêr den jong- en vrijen dag. Al die sterven zult, onthoudt het: 't leven is een blijde baan maar voor hem, die altijd houdt het sterven in zijn oogwit staan. Leeft en leert dus allen sterven, gij die groot zijt en die kleen; gij die 't waar geluk wilt erven, 'k wete 't, daar en is maar één! Dat zult gij ook zelve eerst weten en genieten, zoo 'k betrouw, als gij vrij zult van de keten zijn daar ik ben, vriend en vrouw!
LVII
M.L.V.D.B.
1881
Voor velen is de weg naar Lourdes hooge steden een hoopverwekkend gaan, vol lof- en dankgebeden, en 't wederkeeren wordt door velen, in hun land, als of 't een bruiloft waar', gevierd ten allen kant. Eilaas, zoo ging ik ook, vol hopende gepeinzen, om troost in mijn verdriet, van hier naar Lourdes reizen, en 'k wenschte al 't gene God, met Onze Lieve Vrouw, had best voor mijne ziel beschikt, dat 't wezen zou. Triomph, het is geschied! Geloofd zij God! Genezen en mocht ik van de kwaal des lichaams wel niet wezen, maar hooger giften gaf mij, op Maria's woord, die God, die altijd elk na zijn beliefte aanhoort: 'k Genas van al 't verdriet, van al de droeve plagen, die velen nog na mij, die mensch zijn, zullen dragen; 'k genas, om nimmer meer te kranken, en om, blij, voor eeuwig God te zien, van zucht en tranen vrij!
LVIII
H.N.
1881
Eilaas, eilaas, ze zijn zoo dwaas die, van hun jongste dagen voor de eeuwigheid, die elk verbeidt, in tijds geen zorge en dragen! Ik stierf, al was ik wel te pas en op geen dood aan 't peizen, en, onverwacht, het minst gedacht en hadde om weg te reizen! Niet el en kan 't gevolg daarvan voor mijne ziel nu baten, 't en zij dat ik geen oogenblik en hebbe ooit God verlaten. God weet dat, Hij die stierf voor mij, en, stervend, heeft verworven dat ik met al niet vreezen zal, hoe haastig ook gestorven.
LIX
G.J.G.M.
1881
Welkom, kindtje, in d'Hemelzalen, 'k liet u van mijn' Englen halen uit des werelds doolwoestijn; Vader, Moeder, wilt niet weenen, omdat 't oudste der twee kleenen al zoo vroeg mocht zalig zijn. Zorgt voor 't andre, en laat geen listen 't dierbaar schaapke mij betwisten, dat ik u te weiden liet: weidt het zoo dat, Vader, Moeder, gij uw kind, — en dat zijn broeder, 't Zusterken — eens wederziet!
LX
L.P.D.
1881
o Kwaad om gaan is 't achter 't leven: men valt zoo lichte, aleer men 't weet! Wel hem dien vrienden hulpe geven, die handen trouw zijn hert besteedt, wanneer hem eens de felle winden onvoetvaste en schier vallend vinden! 'k En wist het niet, en, blij geboren, voorspelde ik mij geen zielsgevaar: eilaas, ik heb den weg verloren en hulploos ging ik vallen, maar een laatste vriend heeft me ondervangen, een vriend dien 'k aan een kruis zag hangen. Gekruiste God, zijt honderd malen, mij welkom, want Gij, liefgetal, mij achtervolgd hebt, op mijn dwalen; zijt welkom, ach, met kruis en al: ik wil 't U lijdzaam helpen dragen en u, mijn God, vergifnis vragen! Vergifnis, die mij hebt geschapen, die mij verlost hebt, en gered: vergifnis, eer ik valle in slapen met U, op 't eendlijk folterbed: o Jesu, wilt me, in 't ander leven, vergifnis en verrijsnis geven!
XLI
J.M.E.H.B.
1881
'k En heb niet lang geleefd, maar lang geleden; 'k heb weinig blijdschap, droefheid veel gezien; hoe vaart het mij, in de eeuwigheden, geen droefheid en geen lijden meer te lijen! Zoo is het in dit ballingschap der aarde: 't geluk is kort, eilaas, en 't lijden lang; 't Is nacht aleer de middag klaarde, en ruste en is het nimmer, zonder dwang! Niet zoo en is 't bij ons; die hooger steden bewonen, en, onsterfelijk voortaan, al 't lijden hebben uitgeleden, en in de blijdschap eeuwig blijven staan. Geliefden, niet terug-, niet omgekeken: alhierwaards is de weg, de zaligheid; de waarheid Gods is mij gebleken, u zal zij blijken: volgt me, en weest bereid. Want 't komt een dag weleens, van al de dagen de schoonste, vol onsterfelijk genot, dat wij, die hier ons scheiden zagen, en weenden, weêr te zamen zijn bij God!
LXII
A.B.
1881
Ik ben bij U, Maria zoet, getrouwig blijven staan, tot dat de jubelkroone mij wierd om het hoofd gedaan. Ik was bij U te Bethlehem, in 't moederlijk genot, naast U volgde ik Calvariewaard uw' Zone en mijnen God. Gij hiet zijn Kruis mij dragen en Hij deed mij vroolijk zijn, U volgende in de blijdschap en U volgende in de pijn, tot op dien alderlaatsten van de dagen, als Gij, teer, bij mij kwaamt, mij versterken met het Kruis van mijnen Heer. In 't Kruise, in U, o Moeder, dan zoo hope ik, onvervaard, dat Gij mij zult voltoogen nu den Kruisweg Hemelwaard!
LXIII
V.J.
1881
'k Geloove dat Hij leeft, die 't leven schiep en elk verwekken zal die ooit ontsliep of scheen in 't graf te dalen. 'k Geloove dat de loon de werken dekt en overmild vergeldt, ja, verder strekt als 's levens wijdste palen. 'k Geloove dat gij, Moeder, moe gewrocht en moe geleden, eindelijk los gerocht van 's werelds dienstbaarheden, in Hem nu rust, in wien gij Christen wierdt en, met Geloove en Liefde en Hoop versierd, zijt in Gods rijk getreden. 'k Geloove dat, op de oude rots gestaan, gij weerdig hebt dit leven doorgegaan en zijt alsnu gerezen waar, Moeder, gij uw kindren, trouw en goed, naartoe wenkt, en voortaan verlangen doet om weêr bij u te wezen!
LXIV
C.V.
1881
Zij heeft de waarheid Gods, zijn goedheid ondervonden, die mocht den laatsten stap van hare levensbaan, gelijk den eersten, schuldloos gaan en vrij van alle zonden! Maria ging haar vóór en zij kwam nagetreden, getrouw, van kindsbeen af, en, kinderlijk gezind, zoo heeft zij hare plicht bemind en haren last geleden. Geen sterven was 't voor haar, veel eerder zegepralen, op 's werelds erg bedrog: het was ontlaten zijn, van Adams ballingstraffe en pijn, en de oude schuld betalen. Zij stierf den dag dien God voor haar had uitverkoren 't was op de blijde feest wanneer Hij nederkwam: als van Maria 't Godlijk Lam wierd in een stal geboren. Lam Gods, zij hare ziel dan licht en rust gegeven! Maria, toogt dat Gij haar Moeder waart, en dat nooit kind dat zulk een Moeder had en miste 't eeuwig leven!
LXV
G.J.N.
1881
Een Engel te meer heeft het leven verhandeld, het tijdlijk gewisseld om 't eeuwig genot! "Wat is het?" Zoo komt men van 't kerkhof gewandeld, en zegt: "'t Is hem beter, veel beter bij God!" Veel beter is 't hem, maar eilaas, zij die blijven, zij, Vader en Moeder, hun leven, hun bloed, hun hoop, hunnen troost, al in de eerde zien drijven... die wonde, die diepe is 't, die 't meêlijen verzoet! Dan, troost u, zijt Christnen: die 't kind heeft gegeven is Meester van alles, en 't kind u vergoên, dat wil en dat zal Hij: is Hij u gebleven, wat kan u, die God nog hebt, wanhopen doen? Staat op, en ziet hemelwaards, pelgrims der aarde, die werken en slaven moet, loon is nabij: God leeft nog, God waakt nog; die niemand en spaarde, de Dood zal eens dood zijn, en leven zult gij!
LXVI
G.K.D.
1882
Te jong en niet te jong, eilaas, is hij geleden naar 't eeuwig land, daar elk naartoe ziet, die nog leeft! Te jong, zoo spreekt allicht de menschelijke reden, die, diep getroffen, haast geloove en hope ontgeeft. Te jong en is het niet, om pijne en smert te laten; om, vrij van al 't gevaar dat deze wereld brouwt, te rijzen boven 't stof der menschelijke staten, en eeuwig vrij te zijn, zegt hij die hooger bouwt. Vaartwel, En laat ons niet beroofd van uw gebeden, o broeder: balling zijn wij, ver van u, voortaan. Vergeet ons immer niet, die lastig achtertreden, en die, nog ongetroost, den weg des werelds gaan!
LXVII
R.F.D.
1882
't Geweld des waters kwam tot in mijn huis, en al de banden des lichaams voelde ik, neergeveld, hoe ze, een voor een, ontspanden! Geen hope op medicinen meer, geen hulpe in 's menschen krachten! van U alleen bleef hulpe, o God, bleef alles af te wachten. Gij riept: ik kwam. Geen tegenzeg en lag in mijne woorden, omdat ik zelf, mijn hert, mijn al, van jongs U toebehoorden, die eerst mij dedet hopen, en die, op den dag van heden, getrouwig liet uw huis en erf mij zalig binnentreden. Een ander water vloeit alhier, en blijdt het huis des Heeren: Gij zelve zijt die Levensbron, en, mocht ik wederkeeren, 'k en kwam maar om de liefste, die 'k op de aarde liet, te manen: Vergeet uw vrouw, uw Moeder niet, noch 's Hemels rechte banen!
LXVIII
F.M.V.
1882
Ik was hetgeen gij zijt, en meer als u misschien heeft mij de hand van God verleend en toegegeven al 't geen men in een kind zoo geren pleegt te zien, van jonkheid, levenslust en kracht om lang te leven. Wat blijft mij nu daarvan? Dat zelve en is mij niet, dat onverliesbaar scheen, standvastig aangebleven! Ik ligge in 't duister graf, geen mensch meer die mij ziet, en met een enkel woord is heel mijn lot beschreven! Toch neen! Mijn Schepper leeft, mijn hoop, mijn toeverlaat, die waakte op mij wanneer, de wereld ingedreven, ik vallen zou; Hij die mij heeft, in de overmaat van zijn bermhertigheid, een helpend hand gegeven! o Jesu, blijft mij toch indachtig, en gedenkt dat niemand op U steunt, of had hij 't al bedreven, die zonder hope zal voor altijd zijn gekrenkt, en 't zalig deel beroofd van 't eeuwigdurend leven!
LXIX
H.L.V.
1882
o Schoone onnoozelheid waar zijt gij nog te vinden, of tref ik nievers meer uw aanschijn? Inderdaad, zijt gij voor goed verhuisd, of door de felle winden des werelds afgeroofd uw deugdelijk sieraad? Daar dook nog eene, eilaas, zorgvuldig weggescholen; daar wist ik en daar ging ze ik wondren, nu en dan; en ziet, daar is ze voort, door de Engelen gestolen en in den Hemel, eer ooit wereld wist ervan! Vaarwel, en laat ons al voortaan in d'hoogten schouwen, om troost, bij al het kwaad dat deze wereld krenkt; een vasten voet daarheen en vaste blikken hou'en, waar gij uwe oud'ren, kind, en uwe vrienden wenkt!
LXX
E.I.V.D.B.
1882
Al dat geboren is moet sterven en 't bekoopen dat Adam, stervensvrij, de onsterflijkheid verloos, terwijl hij, zijn gedacht laatdunkend nageloopen, het willen Gods verzaakte en satans willen koos. Eilaas geen hope meer, de dood, eens ingelaten, zit wakende in de lucht, in 't leven, in het bloed; men kent geen artsenij die heur vergif kan baten, men maakt geen wet die ooit heur wet ontwijken doet! Men leeft al sterven, en elk pulsslaan brengt ons nader den afgepaalden tijd, die onzen loop gezet, ons wedergeven zal in d'handen van den Vader, dien wij aanbidden in ons dagelijksch gebed. Hij wacht ons altemaal, Hij roept ons, en de dreven naar hem toe, wijst Hij, vol bermhertigheid, ons aan, opdat geen een van al zijn' kinderen, die daar leven en sterven zullen, ooit voor goed zou sterven gaan!
LXXI
K.C.S.
1882
Soldaten, die, nog jong, terwijl 't kardatsen dondert, hun leven wagen, met 't moorddadig staal in d'hand, die heet men helden, die vereert men, en bewondert: voor eeuwig strekt hun naam tot eer van 't vaderland. Waarom? En is 't verdiend, wie zal dan die vergeten, die brave vaders, die, voor vrouwe en kind, bereid te sterven dag en nacht, hun arme brokken eten, niet wetend waar de dood hen onvoorziens verwacht? 't Zijn helden dat: hun Vrouw, hun kinders mogen toogen hun aanzicht onbeschaamd; en die ze bedelen liet, of weigerde, als hij kon, hun tranen af te droogen, verdiende, neen, den naam van mensch noch christen niet!
LXXII
M.T.D.
1883
Vergeet ze niet die, al heur leven, is God en plicht getrouw gebleven: die man en kind, die maag en vriend tot voorbeeld heeft en troost gediend; die moe gevrocht, die moe geleden, een beter land is ingetreden, alwaar zij u, vergeet ze niet en bidt voor haar, eens wederziet!
LXXIII
J.M.
1883
Het water heeft mijn ziel gered, wanneer ik, kind geboren, door Vader Adams schuld belet, het leven had verloren. Het water heeft mijn lijf ontsteld en lang heb ik geleden, tot dat het, bij een laatst geweld, is in mijn hert getreden. Ik ga verzinken! Laat, o God, uw helpend woord verschijnen: de hand mij vat: op uw gebod zal al 't gevaar verdwijnen! God hielp mij, in den nood, en ziet, zijn hand gebood de baren met mij en mijn betrouwen niet den afgrond in te varen. De have blinkt, het kruis komt mij van verre al tegenstralen: ach, vrienden, bidt, en helpt mij vrij voor eeuwig zegepralen!
LXXIV
O.B.
1883
Te vroeg eilaas, voor ons, is zij gestorven, voor haren man, voor iedereen die weet hoe goed zij was, hoe onbedorven van zeden, al van kindsgebeen! Zij wist den weg te Kerkewaard te vinden, des morgens vroeg, en 't zonopstaan voorkwam zij, biddend, bij den welbeminden, naar wien zij is te gast gegaan. Te vroeg eilaas, voor ons! Na heur gedachten en was 't te vroeg, en was 't te laat: dat God wilt, dat alleen was heur verwachten; dat God wilt wilde zij. Zoo staat 't in 't groot gebed, dat duizendmaal gebeden, zij stervend zei: "Uw wil geschied' als in den hemel op de aarden!" Heden, is 't uw behaag, o Heere, 'n spaart mij niet! Zij stierf gerust, getroost, en vast geloovend dat sterven erven is, voorwaar, en vrijgevochten zijn van 't alberoovend, van 't albedervend zielgevaar. Zij stierf gerust, en wacht alree de stonden dat zij en man, en vriend, en al, die zij gesticht heeft hier, eens weergevonden, daar, en voor goed, herkennen zal. Vaartwel, dan, edele ziel, gekend van geenen, 't en zij van God, en van misschien een vriend of twee, onvalsch, die weenen omtrent uw graf. — Tot wederzien!
LXXV
A.L.W.
1883
De dood klopt altijd voort op rijk en arme deuren; 't zij jong of oud, 't moet al de bittre dood betreuren en sterven onverwacht, ha dikwijls onbereid, dat leeft! Er ware niets, en ware de eeuwigheid! o Dood, gij scheent zoo verre, en, volgend mijne voeten, daar waart gij, eer ik wist dat ik ging sterven moeten: maar sterker hand als de uw' had mijne hand geraakt, en stervend heeft God zelf mij van u vrij gemaakt! o Dood, waar is uw straal? o Zonde, waar uw keten? Gods heilig sacrament heeft beide intween gesmeten, en, rijzende uit het graf en uit de ziekte fel, vare ik naar de eeuwigheid, met God voor reisgezel!
LXXVI
E.D.
1883
Elodietje, moe geleden, moe gepijnd en moe gestreden, is te ruste, 't slaapt voortaan. 't Maagdenblomke, 't fijn van blaren, heeft gebloeid hier, twintig jaren, en 't is weêr tot God gegaan! Ach, zijn lijk, hoe eerbiedwekkend, zijn twee oogskes nederig dekkend, wit als was, en, om te zien, lachend, zoo het loech, nog heden, als 't, in al zijn' lieflijkheden, stierf! Of leeft het nog misschien? Neen 't, 't en leeft niet meer; ontslapen, heeft het God, geheel herschapen, en zijn eigen beeld, vol eer', ongeschonden, weêrgenomen, zoo 't in hem was neêrgekomen, toen Hij 't schiep, den eersten keer! Ach, onsterflijk beeld, staat binnen ons gemoed en onze zinnen; dat, aan iedereen bekend, 't maagdenblomkens uitverkoren, edel voorbeeld, onverloren blijve, in onze ziel geprent!
LXXVII
F.D.C.
1883
Een brave man was hij, oprecht, en in geen doeken en lag zijn hert, maar op zijn bloote hand te zoeken, en op zijn tonge, die de rechte waarheid sprak, 't zij wien zijn ruwe deugd ooit meê- of tegenstak. Hij diende. Diende God in al die hem geboden, maar anders geen van al de valsche wereldgoden en was hij slavelijk verbonden. Vrouwe en Kind, zijn Meester en zijn Werk, naast God van hem bemind, getuigen 't openbaar, beschamend onze tijden. Die één uit honderd was, hij komt dan te overlijden! God ruste zijne ziel! En, als voor hem en al die leefden de ure slaat dat elk herleven zal, dat zijne vrienden toen, hem kennend, zeggen mogen: Gods woord is waar, hij sprak, nu zien wij 't, onbedrogen, dat wel doen op der aard wel hebben doet nadien, en 't eeuwig Licht, voor loon, en 't eeuwig leven zien.
LXXVIII
J.F.R.
1883
't Zij kort of lang, waarom is 't dat wij leven, 't en zij om God, met winste weêr te geven hetgeen Hij ons verleende, en onzen keer van sterven af te wachten van den Heer? Ik was bereid om, op het eerste manen, met licht in d'hand, kloekmoedig meê te gaan, en, zoo Jesus deed, na lijden fel en groot, de hemelvaart te winnen, door de Dood. Ik was bereid; ik stierf, en, van die stonden, hebbe ik het licht des levens weêrgevonden; en, nu dat ik gestorven ben, o Heer, en U aanschouwe, en sterve ik nimmermeer!
LXXIX
Hendrik Conscience
3 Dec. 1812 † 10 Sept. 1883.
Hij was begaafd van God, den Gever en den Nemer; God gaf, God nam hem ons; maar, wijl hij onzer was, omstraalde Vlanderland — hoe prachtig! — het geschemer van eenen Geest, die, als een helder spiegelglas, het schoone, en 't reine, in hoog- en wijder wereld woonend, ons ongeduisterd en verrukkend wedergaf! Men zegt: "Hij is niet meer," en, zijne werken kroonend, aanschouwt men hopeloos des werkmans duister graf. Neen, hier en is hij niet; neen, weg is hij, gerezen weêr in 't geboorteland zijns zelfs; nu vrij en vrank, zoo hopen wij, van al dat ooit in hem mocht wezen, van aardsche krankheid of geleden menschendwang! Conscience ontvong van God, Conscienc' heeft weêrgegeven, aan God en aan zijn Volk, tot op den laatsten dag; en, is hij andren dood, ons zal hij eeuwig leven, die bidden, zoo als Hij met ons te bidden plag!
LXXX
C.D.S.
1883
De mensch en weet vandage niet wat morgen hem kan bringen, noch hoe, noch waar de felle dood hem in den weg zal springen. Gevreesde dood, hoe onbereid moet gij er velen treffen, die sterven, en wat sterven is ach, nauwlijks en beseffen! Zij wist en zij besief het wel, die trachtte alzoo te leven dat zij 't vermaan niet vreezen moest dat haar de dood zou geven. Zij stierf gerust, lijk iemand die, bescheed in korte stonden, heeft, vragend, naar het Vaderland den rechten weg gevonden!
LXXXI
M.K.D.
1883
Getuige van voorleden dagen, voorleden deugden dank en trouw, heeft ze altijd hoog den moed gedragen en God gezocht, de eerweerde vrouw. Zij zag heur kindren eerlijk groeien, en 't kind van kinde aanzijds heur bloeien; en zocht geen rijkdoms wankelend goed: zij zocht alleen dat 't vinden weerd is, dat minst gezocht, dat minst begeerd is, dat eeuwig wel en rijk zijn doet. Dat zocht zij lange: Op 't laatst, gevonden, weêrklonk het woord, en, losgebonden, zoo sprong de ziele, kiste en graf ontvlucht, heur oude ketens af.
LXXXII
C.M.D.H.
1883
Hoe hooge en schoon zij blad en kroon, hoe vol van levenskrachten; hoe fel gegroeid, hoe blij gebloeid, en wilt het al niet achten! het keeren van den zomer kan doen sterven en doen vallen het jongste schoon, de blijdste kroon, de vroegste jeugd van allen! Gij hebt, o Heer, nog vooraleer zij vallen zou, gevangen heur schoone ziel, en, eer ze viel, bleef ze in uw handen hangen!
LXXXIII
P.J.S.
1883
Hoe menig boom heeft zijne hand gekort, gezaagd, in Vlanderland, en nu ligt hij, een roerloos lijk, in berd gekleed, op 't aarderijk! Hoe menig wiel, hoe menig rad van hem zijne rechte rondheid had, die 't hebben moest, om voort te gaan: het wielt rolt nog, de man bleef staan. Hoe menig stoot, hoe menig slag en gaf hij niet, bij nacht en dag, die neerstige, onvermoeide man, die nu geen hand meer roeren 'n kan! Hij wist het wel, en wakker zocht hij God alleen, in 't geen hij wrocht: zoo werkend heeft hij lang gestaan, zoo stervend heeft hij loon ontvaan.
LXXXIV
L.C.
1884
Zoo wordt het goud, in 't scherp geweld des viers, geproefd en vrijgekweld van alles dat bederfenis omtrent hem, en geen goud en is. Zoo wordt de mensch, — gelukkig hij die 't wel verstaat! — ten allen tij, nu meer, nu min, in 't vier bedroefd der kwellinge, en van God geproefd. Hoe klaar en moet de ziel niet zijn, die, losgemergeld door de pijn, die uitgeleden, uitgeteerd, wordt eindlijk Gods aanschouwen weerd! Zoo waart gij, Leo, lijdend hier zachtmoediglijk uw vagevier, waardoor gij, uwe maat gevuld, nu blinkt en eeuwig blinken zult!
LXXXV
C.T.
1884
"Uwe ooge, is 't dat ze eenvoudig zij van inzicht, al uw leven zal klaar zijn als uwe ooge, en vrij van zonden": 't staat geschreven. Geen duisternis, geen doling dan, al waart gij blind van oogen, geen valschheid die den weg u kan verzeggen of mistoogen. Eenvoudig was zij, herte en al, van in heur jongste jaren; en, kwam heur leven 't ongeval des blinden dags bezwaren, ze 'n doolde noch ze 'n faalde niet, in 't zoeken van de waarheid; zij vond hetgeen zij eeuwig ziet nu, hopen wij: Gods klaarheid!
LXXXVI
R.A.H.
1884
Dat haar brave ziele in vreden ruste, en in alle eeuwigheden God geniete, los en vrij van des lichaams heerschappij. Vreedzaam en eenvoudig leven, elk ende een het zijne geven, God vooral, tot tenden toe, dat en wierd zij nimmer moe. Moe geleden was ze, en zeker dat de dood, de bandenbreker, komen zou, en traagskens kwam om heur laatste levensvlam! Rust en vrede vroeg zij, vragend, maar den uitstel niet beklagend; ja, met liefde leed zij hier, een langdurig vagevier!
LXXXVII
L.E. Vanderghinste
1884
O stil en zwijgend graf, wien hebt gij ons gestolen? Hoe! stemloos hem in uwen schoot geleid, en aan de rust bevolen, wiens ziele rusteloos, placht onze ziel te dragen, met klank en stem, tot vóór den troon van Gods aanbidlijkheid! Geeft weer, o graf, geeft weer, hetgeen wij biddend vragen: geeft weer ons zijne kunst, zijn hert: o, al dat hij verhoopte, geeft het ons en hem; en dat het zij, door God, bevrijd voortaan, o dood, van uwe slagen!
LXXXVIII
M.J.J.R.
1884
Waarom en toefde 't niet, 't zoo rijk begaafde, 't zoo liefdeweerd, 't zoo liefdewinnend hert, dat ons en aller herten laafde met blijdschap eens, en nu eilaas, met bittre smert? Waarom en toefde 't niet, om groot te groeien, om blij te zijn, om elk te maken blij? Wat baat het, nog zoo snel te bloeien, zoo niet de rijpe kroon de vrucht des bloeiens zij! Het kind was rijpe alreê voor klaardere oogen als die des menschdoms, stedevast op de aard: wilt, ouders, wilt uw tranen droogen, en kijkt, daar wacht het u, en kijkt ten hemelwaard!
LXXXIX
M.L.D.S.
1884
'n Betrouwt de jongde niet van uw gezonde dagen, die mij nu ziet gekist en dood naar 't kerkhof dragen; 'n betrouwt ze niet, die, licht dit leven ingegaan, de dood, de zek're dood uit hun gedachten slaan, en leven of zij ook niet eenmaal sterven zouden! De schuld behoort elk eerst in zijn gedacht te houden die onbetaalbaar is, die niemand delgen kan dan met zijn eigne dood, en al 't gevolg daarvan! 'k Geloofde, ik hoopte in Hem, en ik beminde Dezen, die nu alleen mij troost kan, hulpe en bijstand wezen; Hem die gezeid heeft, en, verrijzend met der daad bewezen, dat de dood in zijn geboden staat. o Helpt mij allen Hem nu zijn genade ontwerven; en leert, die leeft, ook eens, zoo ik deed, wel te sterven: de kunste is 't leeren weerd van 't gene elk eenmaal doet, en, wel- of misgedaan, 't gene eeuwig blijven moet!
XC
A.A.T.
1884
Braaf kind van twee brave ouders, God nam van uwe schouders den last des lijdens af; de korte baan des levens schaars in, en gij daarnevens gevallen ligt in 't graf! Wie zalder om u klagen, die in zoo korte dagen gewonnen hebt de poort, terwijl wijlieden moeten nog buigen lange en boeten, en strijden immer voort? De poort, ach, zijt gij heden des tempels ingetreden; daar bidt voor ons en beidt, tot dat wij winnen mogen, den tempel ingetogen, de kroon ons toebereid!
XCI
O.S.D.V.
1884
Zij gingen hand in hand, gevolgd van hunne kinderen, te kerk, te werk, voor God en mensch malkaar gelijk; en 't scheen dien blijden tronk geen storm en kon behinderen, geen ramp hem dere doen, als onvoorziens een lijk, een lijk ter aarde daalt, en man- en kindertranen den lof van Moeder doen weêrspiegelen in hun wee, die, onvermoeibaar eens, den voorweg plag te banen, en 't schip te helpen door de booze wereldzee! Zij stierf! Zij laat ons na geen schat dien menschen rooven, geen goud, dat kostlijk is, maar veel meer weerden oest, maar veel meer weerden schat van goedewerkenschooven, dien God, in de eeuwigheid, beveiligt voor den roest.
XCII
A.C.B.
1884
De wereld wist van hem noch goed noch kwaad te melden; zijne ouders, die alleen zijn' jonge jaren telden, bewaarden zijne ziel, niet zonder vrees voorwaar, voor 't menigvuldig wee van 's werelds zielgevaar. Zou hij, was hun gedacht, den schoonen hemel binnen, de plaats hem voorbereid eens na dit leven winnen? Zou hij, na onze dood, godsdienstig tot den end, de kroone hebben, aan geen ander toegekend? Zou hij... Maar schielijk is de draad kort afgebroken, die hem aan 't leven bond; zijne oogen zijn geloken, eer ze ooit het valsch gelaat des werelds schouwden aan, en nauwlijks uitgezet is hij zoo ver gegaan ter reis, dat hem geen macht des vijands achterhalen, geen list des werelds meer kan uit de baan doen dwalen, geen schâ meer deren noch geen tijd begrenzen. Dan, God hebbe u, kind, al breekt ons ouderherte ervan!
XCIII
M.L.C.
1885
o Kind van Maria, ten Hemel gevlogen, genoeg hebt gij hier om uw kroone geleên, en andren genoeg heeft de wereld bedrogen: gij, gij hebt de wereld met voeten getreên! o Kind van Maria, 't geluk van uwe ouders, ons voorbeeld, onze eere, in uw schuldlooze deugd, die nooit hebt gedoogd op uw maagdlijke schouders het jok dat zoo velen aanveerden met vreugd! o Kind van Maria, gelukkig hierboven, vergeet niet, zoo bidden wij, dragende uw lijk, dat wij, hier vereend om Maria te loven, u volgen, van verre, naar 't hemelsche rijk. Ach, helpt ons, bij Haar, die gij reeds mocht aanschouwen om, vrij van de wereldsche boosheid, de baan van 't ware geluk, zoo wij hopend betrouwen, lijk gij, onbesmet, tot den einde te gaan.
XCIV
De Moeder van Pieter Benoit.
1885
Als 't eeuw'ge voor den mensch begint, wat is er lest en best bezind, o gij, die 's werelds eeren gemaaid hebt; gij, wiens naam, vermeld, heel 't menschdom liep rondom gesneld, zoo menig blijde keeren? Ik stierf in vrede, hopende en betrouwende, of 'k uw herte ken, dat gij bestand waart tegen des werelds dwang en dwingelandije, des werelds gouden ketens, die zoo lastig neerwaarts wegen! Staat op, en volgt uw Moeder na, van God begaafde zanger, ja onsterflijke, en laat hooren uw stemme eens, en vergeet dat niet aan haar die zong uw wiegelied in 's hemels blijde chooren!
XCV
A.A.
1885
Wie weet er Gods beschik, Gods oordeel, Gods gedachten, Gods Herte, oneindig goed, al zijn bermhertigheid te meten met de maat en 't peil der menschenkrachten, ten oordeele onbekwaam en krank van onderscheid? Aan wien heeft God, aan wien die kwam naar hem te trachten, 't zij vroeg of late, aan wien ooit zijn genade ontzeid? Zoo bidt voor allen dan, die, eens de dood gesmakend, verschenen zijn voor Hem die gaf zijn dierbaar Bloed ten besten, opdat elk, dit strijdperk uitgerakend, eens kome in vrede, en erve 't alderhoogste goed! Ja, bidt, en blijft, ook gij die bidt, uwe ure wakend, want niemand weet wanneer of hoe hij sterven moet!
XCVI
C.E.D.D.
1885
Gelijk een kranke blom, die op den autaar staat, daar leeft een korten tijd en dan te nieten gaat, zoo blomde' en bloeidet gij, eilaas, en 't is voorbij! Gelijk een wassen keers, van leden blank en broos, verrookend nederbrandt en lichtend leeft een poos, zoo stondt en lichtet gij, eilaas, en 't is voorbij! Gelijk een wierookgraan, in 't blakend vier geschroeid, een zoeten reuk verspreidt, en dan ten hemel spoeit, zoo leedt en leefdet gij, eilaas, en 't is voorbij! o Zuivre maagdenblom, o licht vol deugdzaamheid, o zoete wierookreuk, in 't brandend vier bereid, alzoo verdiendet gij dat ruste en vrede u zij!
XCVII
Deken L.-L. De Bo
27 Sept. 1826 † 25 Aug. 1885
Waarom het graf bedicht met vlaamsche of andere woorden, waarom niet liever stil gezwegen en geweend, als hij gestorven is en weg naar betere boorden, dien God, te onlange eilaas aan Vlanderen heeft verleend. De sprake is ons geroofd, de tonge is ons bezweken, en zwijgen past nu best, als hem de taal begeeft, die, leerende ons weleens, die woorden leerde spreken, die hij zijn leven lang zoo wel verdedigd heeft. Hij was alleen bekwaam te spreken en te leeren; te horken was ons recht, onze eere en onze plicht, naar hem, die zwijgend nu, de hand behoort des Heeren, en, veel te vroeg eilaas, voor onze voeten ligt. Waar zouden wij, 't is waar, 't zij einden 't zij beginnen te loven aan het werk, dat zijne kunste ontviel? Veel beter zullen wij den kunstenaar beminnen, en leven in den glans van zijne groote ziel. Hij leve dan, ofschoon de pijl hem kwam te kerven den levensdraad intween, die uwe hand ontvlood; hij leve, om in ons hert voortaan niet meer te sterven, van uwe schichten vrij, o overwonnen Dood!
XCVIII
L.L.
1885
De brave vrouw, de goede moeder beklage niemand, want zij is, vol deugden, naar den Deugdvergoeder verhuisd, uit 's werelds wildernis. Beklaagt den man, beklaagt de kinderen, die, van heur hert, heur hand beroofd, het licht huns levens zagen minderen, en 't nu eilaas zien uitgedoofd. Wie zal der weezen moeder wezen, wie zal ze toeven, wie castien; wie, onder duizende uitgelezen, wie als een moeder geren zien? o Vader, gij, die Onzen Vader godvruchtig in den Hemel dient, staat vast en vreest niet: God is nader als de aldernaaste boezemvriend!
XCIX
M.E.D.
1885
o Zuivre ziel, gelost uit 's werelds oude ellende, wat liet gij ons bedroefd, niet in uw groot geluk; maar, omdat nauwlijks een ooit nog zulk eene kende als gij waart, daarom weent ons herte, en is 't in druk! Gij waart een zoete troost voor ons, die weinig weten wat troost is, in dit dal van tranen! God weet hoe wij mochten 's zondags, soms een uur rond u gezeten, den hemel smaken op deze aarde, slavens moe! Gij zijt ons afgepakt, met ure en al! Te zamen bezien wij nu malkaar, en vragen: Is dan ook de troost der armen met geen beter' naam te namen als ander tijdlijk goed: een schaduw en een rook? Doch neen! Gij zijt daarheen daar schaduw is noch logen; de kroone omspant uw hoofd; ge zijt ons voorgegaan: wij volgen, volgen vast, en trachten, onbedrogen, de baan te houden die ge ons wijst: de hemelbaan. U daar, in ons gedacht, nog biddende aan te spreken, te hooren en te zien, alsof gij bij ons waart, zal troost zijn, is 't dat iets het scherpe zweerd kan breken, dat in ons herte steekt, sinds uwe hemelvaart!
C
M.T.E.D.P.
1886
o Engelken, dat, weggevlogen, hebt ons, eilaas, en al bedrogen dat op uw' schoonheid hopen dierf: in ons verlies hebt gij gewonnen, maar wie zal ons nu troosten konnen? Ons jongste, ons liefste meisken... 't stierf! Komt dan gij zelve, o hemeldiefken, komt weer bij ons, o zalig liefken, en, schoon geen menschenooge u ziet, laat op het kerkhof 't zielloos wezen, dat gij ontgaan zijt en ontrezen, en blijft bij ons, in ons verdriet!
CI
J.H.
1886
Zij was oprecht als edelsteen, zoo zuiver, dat het wonder scheen hoe 's levens lang vertoeven bekwaam was om, met pijne en dwang, den vrij gewenschten hemelgang nog langer te bedroeven! Zij zou, zij moeste henengaan en ons eilaas, met rouw belaân, voor goed indachtig maken hoe groote schat van kostbaarheid ons is en blijft in 't graf geleid, en niet meer aan te raken! Zij weg, 't is alles meê met haar, dat troost was en geluk, voorwaar, in 't leven. o Komt weder, als liefde, als hope, als hulpe, als raad; en daalt, zoo God u dalen laat, gezuster, nogmaals neder! Komt, helpt ons en bewaart dien band onbreekbaar, dien uw zoete hand wist om ons hert te binden; opdat wij, maar van lijve alleen en voor nen korten tijd, geschee'n, ons namaals wedervinden!
CII
G. E. J. D. J.
1886
Zoo men soms bij zomernachten hooge omhooge een sterre ziet, die op snelle vederschachten schielijk door den Hemel schiet, zoo zijt gij ons, die het leven ons verblijddet meest van al, schaars een stonde of twee gebleven Gustafke, in dit tranendal! Zegt, waar zijt gij, die zoo lieflijk, alle leedzijn ons ontloecht; gij die biddend, hemeldieflijk hieldt uw handtjes zaamgevoegd als gij zeidet: "Nader, nader, kome uw rijk?... "En wij voortaan zuchten, met u zeggend: "Vader, Vader, zij uw wil voldaan!"
CIII
F.B.
1886
Om Jesu name en schaamde ik mij, in al mijn levensjaren: ik hoop dat, onbeschaamd, ook Hij, me in 't oordeel nu zal sparen!
CIV
A.B.D.
1887
Maar half en nog niet half gegaan was 't bijstre van de wereldbaan, toen al met eens een stemme sprak, en 't onvoltooide leven brak! Zijn vrouwe eilaas, zijn dochter zoet, zijn vrienden vielen God te voet en baden: Laat een stonde nog, den vriend ons en den Vader toch! Maar, weet een mensch, die sterflijk is, het woord van Gods geheimenis? 't Is beter elk in tijds bereid dat duren zal in de eeuwigheid! Zoo deed hij, en, gesterkt, getroost, verliet hij vriend en vrouwe en kroost, en ging, met Christi Kruis gekust, naar de eeuwigheid, in God gerust!
CV
G.L.S.
1887
De jubelkroon, zoo frisch en schoon ons om de kruin gewonden, heeft korts de dood, met felheid groot, gebroken en geschonden! Doch neen, ze'n kan de kroone van de onsterflijkheid niet schenden, die ons te gaêr zal kroonen, waar geen blijdschap meer zal enden!
CVI
I.P.
1887
o Mensch, uw vriend is God alleen, al 't ander moet gij schromen; de dood, al mijdt ge u, groot en kleen, de dood is licht gekomen! Leeft deugdzaam dan, en leeft bevrijd van angstigheid en zorgen, die nooit eene ure in state en zijt te zeggen: 'k Leve morgen! o Vrouwe en Kind, uw steun was ik, naast God; maar, blijft gelooven dat, zonder God, een enkle tik u lijf en ziel kan rooven. Uw ware vriend is God voortaan, o Vrouwe en Kind, bemint Hem; en wilt gij Vader volgend gaan zoo 't God beveelt, gij vindt hem!
CVII
R.H.
1887
Zij was de brave vrouwe, erkend van alle lieden; zij sprak: De wille Gods in alles moet geschieden oprechtelijk, en geen die in heur werken vond het minste dat het woord heurs herten tegenstond. De lieden mochten boos en valsch zijn, en de tijden den eenen klagen doen, den anderen verblijden, 't en ging heur af noch aan: ze'n zocht de wereld niet, maar God alleen in al: in voorspoed, in verdriet. Het is eene eere 't kind van zulk een vrouw te wezen, en, volgt ge uw moeder na, o kinderen, geprezen verdient ge en preusch te zijn, om die u 't leven gaf: zij leeft met eere nog, al ligt ze diepe in 't graf. Zij ruste in vreden ja, in 't graf niet, maar hierboven, zij hebbe al 't gene God kwam winnen en beloven; die stierf en, op het kruis gestorven, wees de baan om, door het kruis, met hem ter blijdschap in te gaan!
CVIII
A.G.M.D.
1887
o Zielke, schaars gekomen, en seffens afgenomen, Gods Englen willekom, blijft, blijft, den Hemel binnen, God kennen, God beminnen, en keert niet wederom! Verlost van rampe en lijden, blijft eeuwiglijk verblijden, en wordt nooit biddens moe, ont wij ook, vrij geleden, geworsteld en gestreden, bij u eens komen toe! Daar zal ons hert genezen, daar zal het blijdschap wezen, o zielken, onzen tween; daar zal u, kind, herwonnen, ons niemand rooven konnen, noch van uwe ouders schee'n!
CIX
J.H.
1887
Een jaar geleên, schier dag op dag, is 't dat ze een lieve zuster zag, die, in de rust getreden, heur scheen te zeggen: "Volgt mij na die korten tijd u vorenga: komt, rust met mij in vreden!" o Jaar van lijden, dag en nacht, in pijne en smerten doorgebracht, in zuchten en in wachten; hoe brandet gij heur deugden schier tot louter goud, in 't smertenvier, eer zij mocht ruste smaken! "o Heere," sprak ze, "Uw herte kent alleene al mijne ellenden: zendt mij kracht, en leert mij vragen niet anders als, nog dezen dag, zoo 't uwen wil believen mag, met U mijn kruis te dragen!" "Nog dezen dag!" En moegekweld, in 's werelds dorre doorenveld, gekweld, doch niet geschonden; heeft ze eindlijk, langs de blijde baan, heur zuster in 't gemoet gegaan, voor eeuwig rust gevonden!
CX
E.J.V.E.
1887
Hij placht den scherpen tand van 't staal te temperen en te wetten, en door zijn kunst tot maalbaarheid den meulensteen te zetten. Hij won daaraan zijn daaglijksch brood; en 't brood daar wij af leven, het wierd ons door de neerstigheid, van zijnen arm gegeven. Eilaas, een scherper staal heeft hem een scherper steen, gemalen: de felle dood, die schielijk wist den fellen man te stralen. Hij viel! Niet onbereid en was die steen en staal bereidde, en daaglijks, over 't vier gestaan, Gods oordeelvier ontbeidde. Gezuiverd op der aarden, lang genoeg heeft hij geleden. opdat hem God een betere als een aardsche kroon zou smeden; opdat hem Gods bermhertigheid in liefde zou onthalen, en vrij doen zijn voor altijd van 's viers onbermhertig stralen!
CXI
L.V.R.
1887
Aan u voorwaar had menig man zijn laatste kleed te danken, het bruiloftskleed der dooden, van eilaas vier arme planken! Dat wist ge, en uw' voorzichtigheid sprak, wakend lang voordezen: "o Hout, misschien, door mij bereid, zult gij mijn grafhout wezen!" Gelukkig die, met 't scherpe in d'hand, geslaafd hebt zooveel jaren aan 't vaartuig, dat in 't Vaderland u vrij zou helpen varen! Gelukkig dien de vriend van al die waakt en bidt, zal geven, na 't werkend, in dit tranendal, daar, 't eeuwig rustend leven!
CXII
H. J. B. J.
1887
Kerstnacht, of 't koud en donker was, hebbe ik, in 't huis des Heeren, als autaarkind, drie Messen lang gediend, zoo menig keeren! Kerstnacht is mijn geboortenacht, na dertig jaar, geworden; Kerstnacht ben ik, de wereld moe, den Hemel ingetorden! Kerstnacht, o Moeder, Vrouwe en Kind, Kerstnacht kwam mij verblijden en liet mij weten hoe God loont die met en om God lijden! Geen dagen vol ellende meer, geen lange en bange nachten: ach, volgt mij, Moeder, Vrouwe en Kind: hier blijve ik u verwachten!
CXIII
M. C.
1888
Voor niet en droeg hij 't zweerd van Gods geweld in d'handen, noch was de zware plicht van 't straffen hem betrouwd; hij wist aleventwel ook in de knevelbanden met eerbied aan te zien het beeld na God gebouwd. Ei, wapenknecht, hij wierd, de dieven eens betrapend, hij, van den grooten dief die al wat leeft bespringt, besprongen, vastgepakt, geknevelband, ontwapend, en eeuwig pal gezet waar Vrede en Vrijheid blinkt.
CXIV
M. L. R.
1888
Mijn kinderkens, ik heb u al dat geeflijk was gegeven: mijn' werkzaamheid, bij dag en nacht, mijn' liefde, en ook mijn leven! God spare u nu! Ik ben verlost, terwijl 'k uw broerken baarde, van 't leven dat maar lijen en was voor mij, en wee op de aarde! God spare u, spare u, Man, die mij beminnen hielpt en dragen den lieven last, nu meer als ooit: God spare u, lange dagen! Hebt hope en troost, en... Wilt o God, aan vrienden 't hert verleenen te helpen hem, ook zonder mij, nog zorgen voor die kleenen!
CXV
E.J.C.
1888
Het moorddallaam, de donkre nacht, mijn' donkerder gedachten bekoorden mij om, roekeloos, dat God verbiedt niet te achten! Een plof... en dood, zoo waande ik mij, ellendiglijk aan 't dolen! o Goede God, Ge 'n wildet niet: G' hebt me aan de dood ontstolen! Gij zocht mij, daar 'k U vluchtend was, U vloekend, in mijn' zonden; en toch hebt Gij mij, armen dwaas, o Goede God, gevonden!
CXVI
G.D.W.
1888
Wij hoopten beiden dat gij zoudt, o kind, de lasten menigvoud verzoeten, die uwe oudren twee gedoogen, op dees wereldzee. Wij hoopten...! Maar we 'n wisten niet 't is God alleen die alles ziet, dat ge ons zoo vroeg gingt afgeplukt, geroofd zijn en schier weggerukt! Eilaas, hoe scheurt ons herte en doet het zeer, omdat het missen moet 't geen 't niet missen wil noch zal, 't en zij om U, o God van al! Hebt Gij het dan, o goede God, en ziet ons kindtje geerne, tot dat Gij ons ook, die altijd leeft, den hemel... en ons kindtje geeft!
CXVII
A.V.D.V.
1888
Gelukkig paar die met malkaar in 't huwelijk verbonden, de jubelkroon, die eeuwig schoon zal blinken, hebt gevonden! Op de aarde was, als ijdel glas, uw blijdschap licht om schenden; maar nu en kan de vreugde van de bruiloft niet meer enden!
CXVIII
E.A.M.T.
1888
Elisa, blijft ons nog, schoon door de dood gescheiden, met uwe zoete hand beschermen en geleiden; ons toogen, zoo weleer gij als een Engel placht, den weg des Hemels, door dees booze wereldnacht! Hoe lang nog zullen wij, eilaas, nu driemaal weezen, verlangen naar uw lot en om het onze vreezen? Elisa, blijft, o blijft, en, 't geen gij immer waart, een Engel blijft, die ons in eere en deugd bewaart!
CXIX
C.J.A.D.L.C.D.
1888
o Zoete ziel, die 's lichaams leven te vroeg eilaas, te laat misschien voor u, aan God hebt weêrgegeven, wij hopen u weerom te zien! Gij waart alrêe, hoe jong van dagen, zoo schrander dat wij hooger iet als menschlijks in uwe oogen zagen, en gij alleen en wist het niet! Vaartwel, o ziel, die 's Hemels streken behoordet en, verhuisd voortaan, uws vaders hof zijt ingeweken: vaartwel, vaartwel, o Christiaan!
CXX
G.V.D.W.
1888
O Jesu, 't zielken dat Gij ons geschonken hadt, als echtelijken zegen; hoe is 't uit onzen schoot zoo schielijk, door de dood, gerukt en weggedregen? Het dunkt ons menigmaal zijn lieve kindertaal te hooren... maar, 't is dolen dat 't minnend herte doet: ons kindtjen is voor goed, ons kind is ons gestolen! Het licht is ons geroofd, het leven uitgedoofd, en 't huisgezin, geschonden, en schettert nimmermeer vol vreugde, lijk weleer: het zwijgt ten allen stonden! De dood en kent geen leed, zij zeisent, immer wreed en zonder mededoogen; geen troost en wete ik, geen: Gij, Jesu, zult alleen, Gij kunt onz' tranen droogen!
CXXI
E.J.P.
1888
Het leven is, vol ongevals vol ramp- en rooi, te aanschouwen als een kruisweg op de wereld, die slinks en rechts vol kruisen staat, en dien men meest met tranen gaat, en bloedig zweet, bepereld. Ach, 'k wist het wel, en 'k droeg getroost mijn kruis naast U, die 't lijden koost, onschuldig, om het leven, van schulden vrij- en losgeboet, o Jesu, door uw dierbaar Bloed, ons wederom te geven! o Man, gij stondt mij neerstig bij: dat God uw hulpe en troost nu zij; en, dapper doorgetreden, vergeet mij niet, die haastig viel, noch dat ik, arme kranke ziel, verlange om uw gebeden!
CXXII
J.N.H.
1888
Moet ik, ouders, teerbeminde, moet ik, zusters, broederen al, u verlaten, ik en vinde nooit hetgeen mij troosten zal. Nooit! o God, maar gij zijt vader, gij zijt moeder, zuster; gij zijt mijn broêr, en duistmaal nader vriend als welke vriend het zij. Op dan, ouders, moed genomen, zusters, broeders, al te gaâr; eens daar ik ben, óók gekomen vrienden, vrede, en... God is daar!
CXXIII
J.N.A.
1888
Och arme, ofschoon het leven zij boos om door te streven, o Kind, wij hoopten dat 't den Heere u, lange jaren, believen zou te sparen! Doch neen! Onze oogen, zat van weenen, moeten derven hetgeen gij, met te sterven ons hebt geroofd: een' schat! Ach, laat het zoo: daarboven zult gij den Heere loven, in 's hemels blijde stad: terwijl we, in God te vreden, wij, weenend, hier beneden, och arme, zullen... Wat?
CXXIV
G.J.T.
1888
Wij minden 't zoo, wij zagen 't noo, te noo misschien, ontdragen; maar, Jesu zoet, ons herte bloedt en 't breekt van niet te klagen! Geeft weer! — o Neen, ons kindtje kleen, we 'n durven 't U niet vragen!
CXXV
E.H. Victor van Coillie
1888
Hij, dichterlijk begaafd, en heeft, in al zijn wegen, maar op het waarlijk schoon een wondrende oog geslegen; en 't, in zijn eigen taal, beschreven onbeschaamd. Gods volk lag hem aan 't hert, hij minde 't, en bekwaamd als Priester en als Mensch, om met het Volk te leven, heeft hij getrouwiglijk, hem zelven 't Volk gegeven. God loone 't hem, die weet en weerdiglijk vergoedt hetgeen — Hij zegt het zelf — men aan de kleenen doet. Hij stierf! Onsterfelijk blijft op deze aarde in eeren zijn vreugdevolle ziel; en, in het Huis des Heeren, de loon die zulken loont die, niet hen zelven, maar den armen evenmensch, met liefde nemen waar!
CXXVI
Eerwaarde Pater AMEET VYNCKE van Zedelghem,
als geloofzendeling gestorven te Kibanga in Opper-Congoland, op den 17 van Bâmesse 1888.
Gij zijt de vriend van God, die ouders, vrienden, magen, die land en lieden, om Gods arme Zwarten liet, in 't Africaansche veld. Wie zouder u beklagen, die u, voor zulk een zaak, zoo vroeg gestorven ziet? Gij zijt de vriend van God, nu meest nog, nu de vrede, de rustdag u alrêe verschenen is. Voortaan geen lijden meer, geen angst, geen ongewissighede van hangen tusschen lijf en dood meer uit te staan. Gij zijt de vriend van God, gekozen tusschen honderd- en duizenden, om Hem een boodschap hooge en groot te dragen, verre weg naar 't erflijk afgezonderd, naar 't weggeworpen kind, in 't zwarte land der dood. Gij zijt de vriend van God; Hij sprak, en gij, gij hoordet, gij greept het vendel aan, als minnebode, en gingt tot waar gij 't zwart geweld, met levend licht doorboordet, eilaas, dat op uw graf, uw heerlijk graf nu blinkt! Vaart wel, o vriend van God; o onze vriend: genegen waart gij ons Vlaamsche Volk, maar God was u veel meer, veel meerder als uw land, uw tale en al: Gods zegen zij ons door u, Ameet, verworven, vóór den Heer!
CXXVII
R.C.V.
1889
't Heeft mij de dood gekost, als, na de wet des Heeren, ik neerstig werken ging en reizend wederkeeren. 't Heeft mij de dood gekost; o vrouwe, vrienden, magen, en al die 'k geren zag: 't en helpt geen bitter klagen. 't Heeft mij de dood gekost: na korte of lange stonden zal 't kosten u de dood, die leeft! — Leeft vrij van zonden! 't Heeft mij de dood gekost! o Jesu, door uw sterven en door uw dierbaar Bloed, helpt mij den hemel erven!
CXXVIII
E.M.M.
1889
Wij waren 's eens, van herte en zin, in lief en leed verbonden; de dood, eilaas, de dwinglandin, en ziet geen lief-, geen leedzijn in: de dood heeft ons geschonden! De dood alleen, niet els en kon dat God vereende krenken; maar Hij die, als de morgenzon, de macht der wreede dood verwon, Hij zal ons 't leven schenken. Het leven, dat geen ziekte en kan, geen droefheid meer bederven: o Vrouwe daar verwacht mij dan, mijn kind, ons kind, en mij, uw man, om nimmermeer te sterven!
CXXIX
B.S.
1888
o Blankske bij uw stervensbed zoo menig versche blom gezet, verwelkt, gedord en weggedaan, komt nu in ons geheugen staan! Geplukten uit het blomgebied, ze stierven, maar ze 'n leden niet; en, onbeklaagd hun teer gewas haast weg en haast vergeten was. Maar gij, o blank en bleek gewaad eens maagdenblomkens, gij en gaat niet smerteloos, niet onbeschreid, vergeten niet, naar de eeuwigheid! Wij zagen 't, hoe gij bitter kreescht, in ons meer als in u bevreesd; en lijende, omdat gij, kranke maagd, die u beminden lijden zaagt! Vaartwel... en blijft in ons gemoed, o Blankske, teeder blomke zoet, gebloeid staan, en, bij God den Heer, o kindtje lief... en sterft niet meer!
CXXX
S.A.L.
1889
Zij was van jongs aan God, als Moeder en als Vrouw, spijts alles, zediglijk et stediglijk getrouw; de tijd en mochte nooit, noch met den tijd het keeren en 't wenden des gebruiks, haar andere zeden leeren; zij stond tot tenden toe, heur kinderen voorgegaan, en bleef navolgensweerd, schier onnavolgbaar staan! God kent die vastigheid in 't goed, en zal ze loonen met iets dat langer duurt als 's werelds ijdle kroonen: met onveranderlijk en stervensvrij genot in Hem, die zelve en loon en loonder is, in God! Daar, moeder, mochte ik, U indachtig al mijn leven, mij dankbaar, U en God voor altijd wedergeven, dien gij bemindet en bewaardet, en voortaan dien gij alleen liet op den weg des levens gaan!
CXXXI
V.S.
1889
Het werken was heur lot, heur blijdschap en heur leven; het werk is zij getrouw tot aan den dood gebleven; en, als zij lijdend lag en stervend neergeveld, dan heeft zij nog in 't werk heur hoop en troost gesteld. Om God heeft zij gewrocht, met God heeft zij geleden, op God heeft zij gehoopt, tot God heeft zij gebeden; en vast gesteund op Hem, die loonder is van 't goed, en heeft zij niet gevreesd dat leêggang vreezen doet. Welaan, de rust zij u, Victoria, gegeven: ge'n hebt z'hier nooit gekend, geniet ze in 't ander leven!
CXXXII
J.F.M.
1889
Hij wist wat werken was en waakzaam gadeslagen al 't gene, hem vertrouwd, bij nachten en bij dagen bekommerde zijn hert, vol eed'le vromigheid. Hij wist wat lijden was, en heeft, herhaalde malen, wanneer de dood hem kwam zijn liefste panden halen, als christen mensch tot God "uw wil geschie" gezeid. Hij steunde, vast en vrij, op God al zijn betrouwen, 't zij vroeg, 't zij laat bereid om ook de dood te aanschouwen, en 't kruis te aanveerden dat hem ook was opgeleid. Dat kruis, met kloeken moed zoo langen tijd gedregen, het zij een kroone nu voor hem, voor ons een zegen, 't zij een vermaan ter deugd en ter standvastigheid!
CXXXIII
P.J.D.B.
1889
De dood is doof en blend, 't en helpt geen schoone spreken! Zoo zegt men, maar de Dood is Gods bevel getrouw: Hij wist wanneer, waarom en hoe de band zou breken, dien Hij gebonden had, o zwaar beproefde Vrouw! Hij weet al 't geen Hij wilt, of doet of laat geschieden, te schikken dat er goed en weldaad uit verschijn': geeft Hem uw herte dan en doet niet zoo de lieden die, klagend van de Dood, God zelv' betichtend zijn! Hij die de Vader is van al dat leeft, hoe zal Hij verlaten die Hem dient met eerbied, en betrouwt? Schept moed, o Moeder, God is Vader meest van al, Hij; en beter is 't op Hem als op een' rots gebouwd!
CXXXIV
H.B.
1889
Het voer voorbij als lichaamloos: een schaduwe, een geschemel; een Engel van verduldigheid, een zielke voor den Hemel. Het wist dat 't hier geen stede en was voor hem om lange jaren te leven, maar een tranendal, om spoedig door te varen. En als het, 't elevatieklokske in d'hand, den Priester diende, zoo zuchtte 't: "Ons toekome uw rijk!" godvruchtig opwaarts ziende. En 't rijk des Heeren kwam in hem zijn hert vol deugden bouwen, en 't, vroeg geheiligd, laten vroeg Gods Heiligheid aanschouwen!
CXXXV
A.G.
1889
De lucht weergalme nu en klage 't aan de steenen dat wij ten grave gaan en onzen vriend beweenen, die, als een vader, als een broeder, ons zoo lang geleidde en leeren deed de kunst van spel en zang! De lucht weergalme nu en klage 't aan de stede wat hij voor 't weezenhuis en voor de weezen dede, spijts ziekte en ongemak, spijts alle ondankbaarheid, voor 't ouderlooze kind tot elken dienst bereid! De lucht weergalme nu... Eilaas, nog korte stonden waar zult gij, vriend Goddaert, waar zult gij zijn geblonden? In 't duister graf? o Neen, ver boven 't duister graf: gij zijt, waar God alreede u rust en vrede gaf.
CXXXVI
A.J.M.D.
1889
Hij stierde vrij en blij, zijn vaartuig op de baren; nam water, wind en streek, nam 's hemels licht te baat, en zou, voorspoediglijk door 's werelds nood gevaren, bereiken 't lustig land waar gij te bloeien staat, o Wetenschap, o Kunst! Maar neen, de winden sprongen geweldig op hem neêr, en slingerden 't gebouw dat al zijn' hope droeg tot dat het, moegedwongen, begaf en nederzakte in 's afgronds diepste grauw! Is niets gebleven, is hij hopeloos verloren? Kan niets u troosten, die, zijn schipbreuk ziende, staat en weent nu op de kust? Of zal hij, eens herboren, genieten eeuwiglijk des levens dageraad? Gewis, de Schepper zal zijn schepsel zijn indachtig; de Heiland zal zijn Bloed indachtig zijn, en dan zal die vernederd was, verwekt door God almachtig, eens leven waar geen dood hem ooit meer naken kan.
CXXXVII
Th. Th.
1889
Ik heb den Heer gediend, ootmoedig weggeborgen, o kloosterzusters, door uw moederlijk bezorgen; in 't huis des Heeren, in Maria's waakzaamheid, ben ik, met raad en daad, tot sterven voorbereid! Vaartwel dan, goed en trouw gebleven brave zielen, die mij als eigen kind, om Gods wille onderhielen: die alles loont, hij zal 't u loonen, onverbeid, 't zij nu, 't zij naderhand, — vaartwel! — in de eeuwigheid!
CXXXVIII
Eerw. H. Emile De Monie
vereerd met het kruis Pro Ecclesia et Pontifice.
1890
Wij bouwden op uw leven een getemmer van eere en deugd, voor God en 't vaderland; maar schielijk grijpt de felle menschentemmer en keert u, onzen grondsteen, overkant! Wat nu gedaan? Geklaagd, geweend, gedropen in diepe droefheid, zonder ende of maat; de ellendigen gelijk, die niet en hopen dat ooit een weerzien hun te wachten staat? Neen! Hooger zult gij nu en beter wezen een leidend licht ons en een bake in zee, totdat wij allen zijn voor goed genezen van Adams schuld en onvermijdbaar wee. Tot daar zij 't: Hoog den moed en 't hert gedragen! Geen veege droefheid! Immer moed voortaan, en, spijts de dood, spijts al heur nederlagen, op God betrouwd en neerstig voortgedaan!
CXXXIX
J.B.V.L.
1890
Mijn huis- en echtgenoot, getrouw tot in de dood, ben ik bijgebleven; gij hebt door lief en leed, in arebeid en zweet, mij hulpe en troost gegeven. Nu zijn wij ver vaneen van herte en ziele, neen, van lijve eilaas gescheiden; en ik, den korten tijd dat gij mij voorenzijt, moet mijnen dag bereiden. Och keer' de dag weêrom, als ik u, bruidegom, in God teruggevonden, zal mogen immermeer beminnen, bij den Heer, en zijnen lof verkonden!
CXL
G.A.A.
1890
Uw hand heeft mij geschapen, getrokken uit den niet, en nu ben ik ontslapen, na 's werelds lang verdriet: gedenkt, o goede Vader, uw schepsel nu; ik kom u biddend nader: 'k geloove in u! Door 's vijands macht gebonden, met Adams schuld belaan, hebt gij uw schaap gevonden en weêr naar huis gedaan: gedenkt, o Heilig Herte, mijn zielke nu; door alle uwe pijne en smerte: ik hope op U! Gij zijt mij komen laven, op mijnen laatsten tijd, met al uw' beste gaven, gij die bermhertig zijt: gedenkt niet... ik beweene mijn zonden nu, en, stervend, Heer, alleene beminne ik U!
CXLI
A.M.
1890
Amandine, uw deugdzaam leven heeft ons langen tijd gesticht: moge God u vrede geven, nu dat ge overleden ligt! Och, of wij ook, al te zamen, 't geen gij neerstig hebt gedaan nadoende, op uw' stappen, kwamen waar gij ons zijt voorgegaan! Die de menschen weet te paaien, wereld, ons en zult gij niet in uw' valsche netten draaien en in 't eeuwig helsch verdriet! Amandine, rust in vrede, tot een zalig wederzien; rust, en al de zielkes mede! Amen! Moge 't zoo geschiên!
CXLII
P.H.M.L.
1890
De dood en heeft niet onverwacht u, man en vrouw, gescheiden: God hielp, eer 't vallen van den nacht, hare arme ziel bereiden. De tijd is snel, het leven kort: bereidt toch alle dagen uw werk, eer ge ook geroepen wordt om 't schielijk in te dragen. Verleent het licht des Hemels haar, o Heere, en wilt ons geven 't geluk van haar te ontmoeten daar zij rust, in 't eeuwig leven!
CXLIII
R.S.L.
1890
De dood heeft mij bereid en heel doorpijnd gevonden: 't is beter hier als in het vagevier geboet! Hebt dank, o Heere, en, door uw' vijf bebloede wonden, verleent, bermhertig, mij het onverganklijk goed! Verleent aan die ik laat in droefheid en in tranen, mijn Kind'ren, mijnen Man, te leven naar uw' wet. En, als 't te sterven komt, wilt hun de wegen banen ten Hemel en tot mij... Dit is mijn sterfgebed.
CXLIV
E.P.E.W.
1890
Ge'n weet niet, gij die leeft, noch gij en kunt niet weten, aleer gij sterven zult, hoe waarlijk ongemeten de goedheid is van God en zijne bermhertigheid. Geen einde en is eraan, noch geen bekende palen: die schuld kent helpt Hij zelf zijn schulden doodbetalen, en houdt den schuldenaar den hemel toebereid. o Bidt voor mij, gij al, die, langs des werelds paden, hebt moeite, en nauwlijks weet uw rechten weg te raden; maar, met betrouwen bidt tot Hem die 't al vergeeft. Hem, wiens bermhertigheid, zoo menigmaal gebleken, eilaas vergeten wordt of dikwijls weggesteken, terwijl men jong is nog en zonder zorge leeft!
CXLV
E.J.L.H.V.D.M.
1890
Hoe zijt gij ons ontvlucht, gij kleene troostverschaffer; de blijdschap van ons huis, het licht van onze baan? Hoe zijt gij ons geroofd; wie, onbermhertig, gaf er uw ijdel wiegsken ons te vinden ledig staan? o God, gij zijt te goed opdat men 't U zou wijten; o Vader, duizendmaal gezegend zij uw naam; maar, zendt ons sterkte toe, en, om de plicht te kwijten der christ'ne droefheid, maakt ons lijdend hert bekwaam!
CXLVI
F.V.
1890
De dood is onmeêdoogend, en God alleene laat den mensch, het Kruis hem toogend, nog hope en goeden raad. Dat stierf dat zal herleven, zoo zegt hij, en daar is, voor al dat wierd misdreven, bij mij vergiffenis. Ik steek de hand, als Vader, u, kranke kinderen, toe; aanveerdt ze, en komt mij nader, die de eerste stappen doe! Gelukkig zijn zij allen, die, hemelwaards genood, in 's Vaders handen vallen, en leven, spijts de dood!
CXLVII
Hoogeerw. Heer D.P.A. De Haerne
1890
Blijve in 't Vlaamsch uw' naam niet ongemeld, die, uw' taal niet looch'nend, ed'le held, God en Kerke en Burger trouw gediend, groot en kleen bleeft vaste en goede vriend! Die, ja, stomme en doove spreken liet, zwijg' dit steen uw weldoen immer niet, maer, De Haerne, ontluike't, te uwer eer: geldloos stierf hij, schatrijk bij den Heer!
CXLVIII
S.A.
1891
Vermaak en wist zij grooter geen, als kinders Godwaarts op te lee'n; en, elk tot raad en daad bereid, te helpen met ootmoedigheid. De ware liefde Gods geleerd, die 't altijd al in 't beste keert, en kende zij noch nijd noch haat; en goed, ja, raapte ze uit het kwaad. Zoo minde en leefde en leed zij wel, gesteund op haren Kruisgezel; tot dat zij, 't lijden uitgeleefd, den laatsten strijd gestreden heeft. Aan wien was heel heur hert bekend? Aan u die weent heur lijk omtrent; aan U, o God, die 't groot geduld van al heur liefde kroonen zult!
CXLIX
Z.H.B.
1891
Onschuldig kind, na korte dagen hebt gij den Heer reeds opgedragen uw' schoone ziel; maar bitter maalt, door 't leed gedreven, uw Moeders en uw Vaders leven het smertenwiel! Het zij zoo 't moet: 't en helpt geen klagen; op dezen moge, en alle dagen, Gods wil geschiên! Ach bidt voor ons, en blijft daarboven den God van al dat goed is loven... Tot wederzien!
CL
Eerweerde Zuster Marie-Stanislas
Moeder-Overste van Sint-Jansput te Kortrijk
1891
Zoo zedig, zoo zorgvuldig en zoo zelfvergetend wezen en hadde ik nooit te huldigen, en kende ik nooit voordezen. Bekommerd in al 't minste dat den evenmensch kon baten, zoo had zij 't leven opgevat, in al heur doen en laten. Heure overheid was neder zijn, en dienen te allen stonden den Gene, die nu weder zijn goê dienstmaagd heeft gevonden.
CLI
L.D.K.
1891
Vergeet hem niet, dien braven man, dien man van de oude Gulde, die dertig jaar de vesten van de steê met eerde vulde. Vergeet hem niet, die 's Konings kruis aanveerden mocht met eeren; en, moegewerkt, trok weêr naar huis, vol hope in 't Kruis des Heeren. Vergeet niet, al die werkers zijt, 't goed voorbeeld na te leven; dat hij, bij goed- en kwaden tijd, ulieden kwam te geven. Vergeet hem niet, voor wien hij, dag en nacht, zijn werk besteedde; en zorgt zoo hij te zorgen plag, gij vrouwe, en kinderen mede. Vergeet, o Volk van Kortrijk, niet, maar spreekt voor hem ten besten bij God, als gij zijn werk beziet, en wandelt langs de vesten.
CLII
M.D.V.H.
1891
Eilaas, mijn licht is uitgedoofd, nu dat mijn uitverkoren, mijn eerste kind is weggeroofd, en uit mijne oog verloren. Mijn' huwlijkshope is heel vergaan, Gods banden zijn ontloken; en, felle dood, uw bitter slaan heeft gansch mijn hert gebroken. Gij liet eene enk'le blomme mij, één teeder blomke blijven; och spaart het, Heere, of komme mij de dood met hem ontlijven! Neen... vaster vele als alle smert wille ik mijn' hope bouwen; en, Jesu, op uw lijdend Hert mijn kind en mij betrouwen!
CLIII
M.L.
1891
Geboren voor des werelds oogen vol vreedzaamheid, vol mededoogen, onschuldig als een kind, zoo koos zij 't rechte pad en 't beste altoos. Maria als een Moeder minnend, heur Mans geluk en troost bezinnend, zoo was zij lief en leed bereid te dragen met zachtmoedigheid. Een voorbeeld, onverwist, elk zijnde, terwijl zij naar den Hemel pijnde, zoo is 't dat zij, bij God bekend, heeft 's levens korten loop volend. Gelukkige! Uit de hooge zalen en wou zij niet meer nederdalen, maar wenkt van daar, en spoort ons aan om waar zij ging heur na te gaan.
CLIV
B.L.H.
1891
Zoo 't eens was uit Gods hand gekomen, zoo heeft Hij 't weêr tot Hem genomen en losgedaan uit 's lichaams leed en lastigheden, die 't onverbidlijk lijden deden en pijne uitstaan. 't En kon niet meer... 't Was moegelegen, zijn stemme sprak zijn herte tegen, en 't doolde rond, onwetend waar, tot dat, zijn wezen, zijn handen bei tot God gerezen, het ruste vond. Ach, ruste en vrede u zij geschonken: den bitt'ren kelk hebt ge uitgedronken en God bemind; ons Heere weet zijn vrienden weunen, gij meugt op zijn beloften steunen, onschuldig kind!
CLV
L.L.
1891
Al liefde, en anders niet, hebt ge in uw lijkvat mede, o Engelken, dat ons zoo hoog verheugen dede; maar dat, onvaste alhier, verblijvende, éénen stond, een' hooger', ver van ons, een' hooger' woonsteê vond! Vaartwel, ons beider beeld, en, bij den Heer verscholen, blijft eene leidsterre ons, die nog op de aarde dolen!
CLVI
Eerw. Pastor P. Busschaert
1891
Zijn herte zong, van binnen hem, een lied dat de Engelen hoorden; dat somtijds uit zijne oogen sprak, en tintelde in zijn' woorden; maar dat eilaas, dit tranendal onweerd, bij hooger zangen behoorde als bij al 't weegedreun der duistere levensgangen. De vriend is weg, te lijve, ja; maar ongenaakbaar, boven dit lijdensperk, den wolkendoek voor altijd weggeschoven van 't eeuwig schoone, aanbidt hij nu, en zingt, in 't driemaal heilig, zijn erflijk deel, voor al dat hij hier uitstond, ginder veilig.
CLVII
L.P.
1891
Zij was den Heere, in 't dagelijksch werk en in zijn huis, verbonden; daar heeft ze God beproefd en, als het goud, hem weerd gevonden. o Kinders, volgt uw' moeder na, zoo zij was, tracht te wezen godvruchtig, neerstig, eerbaar, kloek in 't hopen; en, na dezen, zoo zult gij haar aanschouwen in Gods huis, niet meer in 't lijden, maar eeuwiglijk, met al die haar beminden, in 't verblijden.
CLVIII
B.S.
1891
Te midwege op de levensbaan zoo vroeg reeds mogen binnengaan in 't eeuwig, 't ander leven; wie 'n zou niet, om zoo schoon een kans, een honderdjarig leven gansch en geheel ten besten geven!
CLIX
N.
1891
Een jong man kan, een oud man zal, als alles moet begeven, dat rechte staat, dat vaste staat, dat leeft of schijnt te leven.
CLX
V.H.
1892
Vaartwel, Vincent! In 't ander leven zal God u loon naar werken geven, terwijl wij hier nog lange jaren 't geheugen van uw' deugd bewaren. Zoo gij waart zijnder weinig, heden; zoo vol van eere en dienstbaarheden; getrouwe uw' meesters, en uw leven bereid voor hen in pand te geven! Zoo diendet gij, en, vriend van allen, zoo zijt gij ons en elk ontvallen! Vaarwel, nog eens! En, moge 't wezen dat wij u zien verblijd nadezen, waar God eens zal aan groot- en kleenen hem zelve als hoogsten loon verleenen.
CLXI
C.Ph.S.
1892
Ach, vier onnoozele schaapkens, 'k laat u moederloos in 't leven; wie zalder nu, zoo moeder deed, u hulpe en bijstand geven? g'Hebt vader nog, die mij bemint, die u bemint te gader; weest Gij, o God, weest hem en hun een toevlucht en een vader! o Kinderkens, o vader lief, vaartwel nu; eens na dezen zal 't eeuwig, eeuwig blijdschap zijn, zal 't altijd samen wezen!
CLXII
O.V.M.
1892
Geliefden, die ik achterlate in eere en deugd getogen, zoo veel 't een' Moeder machtig was met God en al heur pogen; gedenkt hoe ik geleden heb; hoe, dag en nacht gedwongen en eindelinge eens ben losgerocht en 's werelds leed ontsprongen! 't Verheugt mij nu, veel meer als ooit het leed mij kon doen lijden, 't oneindig onverstaanbaar zijn van 's hemels hoog verblijden. Vaartwel dan. 't Gene ik trachtte in u te stichten, blijve 't wezen en wassen, tot zijn' volheid, in elk een van u, nadezen! En, leedt gij, waar' 't zoo vele als ik, blijft, vaste en onbewogen, uw' Vader en uw' Moeder weerd, naar 't eeuwig welzijn pogen!