Note 8 — HOOFDSTUK I.—INLEIDING.
Reading edition
Geheel en al on-Kants dus bepaalt Riehl (Der philosophische Kriticismus, I 326–7) zowel het onderscheid tussen syntheties en analyties als het verschil tussen apriori en aposteriori: „Es wird nicht aus der Allgemeinheit auf die Apriorität geschlossen, sondern umgekehrt aus dem Beweise und der Rechtfertigung der Apriorität auf die Allgemeinheit.”
Natuurlik wordt door Kant de aprioriteit (in zoverre heeft Riehl, p. 327, gelijk) niet „gerechtvaardigd” met „algemeenheid en noodwendigheid”, maar enkel er uit gekend („Kennzeichen”); algemeenheid en noodwendigheid beantwoorden niet de quaestio juris, maar de quaestio facti; in het jargon van Kant: algemeenheid en noodwendigheid dienen slechts voor „metaphysische Erörterung”, niet voor „transcendentale Deduction”. ↑