Note 7 — HOOFDSTUK I.—INLEIDING.
Reading edition
„Ervaring” hier in de gewone zin (waarvoor Kant bij voorkeur „Empirie” gebruikt) van waarneming, ondervinding, belevenis, kortom: het „gegevene”, streng te scheiden van het specifiek Kantse begrip „Erfahrung” sc. „het geheel der ervaringswetenschappen”, speciaal de natuurwetenschappen, nog specialer de mathematiese natuurwetenschappen. Sommige quasi-kantianen scheppen er blijkbaar een behagen in, de desonkundige menigte te overbluffen met het orakelspreukige: „De ervaring is slechts de helft der ervaring”, ’t welk overgezet zijnde dus niets anders betekent dan: Ervaring, waarneming is slechts de helft der exacte wetenschap. Deze helft is te danken aan de „Sinnlichkeit” = het waarnemingsvermogen. De andere helft levert het „verstand”, dat de gegevens der zinnen logies en causaal („kategorieel”) hanteert en verwerkt.—Op de vereenzelviging van Kant’s „Erfahrung” als objectieve natuurwetenschap en „Erfahrung” als individuele waarneming berust Kuno Fischer’s even onkantse als onjuiste onderscheiding tussen een a posteriori, dat wel, en een, dat niet „empirisch” zou mogen worden genoemd, en zijn pseudo-kantiaans verbod, de „stof” der „ervaring”, de gewaarwordingen, als „empirisch gegeben” te beschouwen. Zie zijn Philosophische Schriften, II, Kritik der Kantischen Philosophie, pp. 166/7: „Empirisch, was uns durch Erfahrung [= indiv. waarneming] gegeben wird. Nun sind die Empfindungen das Material der Erfahrung [= natuurwetenschap, objectieve kennis], also zu derselben, nicht durch sie gegeben; daher sind sie wohl a posteriori, aber nicht empirisch.”—„Kant soll widersinniger Weise gelehrt haben, dass der Stoff zur Erfahrung [= obj. wetensch.] durch Erfahrung [= indiv. gewaarwording] gegeben sei!” Vgk. noot 1, pag. 19. ↑