Note 25 — HOOFDSTUK I.—INLEIDING.
Reading edition
Ziedaar zijn geweldige, zijn onvergankelike grootheid. En de grootsheid dier oplossing was het probleem, dit grootste, algemeenste aller wetenschap, waardig. Het was zijn geestelike Copernicus-daad, zijn Revolutie. Ik noemde zijn vorm-idealisme25. Wie dat begrip „vorm” eenmaal begrepen heeft, als verklarings-hypothese aller synthesis a priori—en een andere is er niet alleen nimmer voor gegeven, maar zelfs nauweliks als mogelik denkbaar!—die weet, waarom waarlik hier de zgn. „Subjectiviteit” tevens louter Subjectiviteit betekent en tegelijkertijd „Objectiviteit” in de strengste zin van volstrekte noodwendigheid (apodicticiteit) en daarop berustende algemeenheid,—dat inderdaad de mogelikheid van formeel of „transcendentaal realisme”, (Hartmann) niet is in te zien, en het „objectief phaenomenalisme” van Kant, in plaats van in strijd met zijn leer,26 juist de onmiddellike konsekwentie daarvan is, en wel verre van een „negatief dogmatisme” of zelfs een „falsche Anwendung vom Satz des ausgeschlossenen Dritten” te zijn (Hartmann!), juist deze „kritiek” of „weerlegging” tot positief dogmatisme en louter wanbegrip stempelt.