Note 22 — HOOFDSTUK I.—INLEIDING.
Reading edition
Vast staat, dat niets van dit alles uit waarneming (die immers slechts feitelike, nooit noodwendige waarheid levert), uit inductie, kan zijn ontstaan22; vast staat ook, dat we ons zelf te goed kennen als redelik denkende wezens, om niet te weten, dat we onze overtuigingen niet uit niets kunnen scheppen, dat er een grond, een „voldoende grond” voor moet zijn.