Note 9 — HOOFDSTUK I.—INLEIDING.
Reading edition
Nu komt dit bijvoegsel: „in deren Bearbeitung durch das Denken” niet te pas,—want het geldt hier juist de „Erfahrung” zonder „Bearbeitung”,—het zuiver gegevene.—En het lijkt mij niet voor tegenspraak vatbaar, dat deze ervaring 1o. slechts feiten kan leveren, nooit noodwendigheid en 2o. slechts biezondere feiten, zij ’t ook ontelbaar vele, of algemeenheid („Konstanz”) in alle tot dusver voorgekomen en bekende gevallen, nimmer dus de volstrekte algemeenheid, waaruit kan worden geconcludeerd ten opzichte van een nietgegeven geval.—We begrijpen nu ook, dat de onderscheiding tussen apriori en aposteriori betrekking heeft op het ontstaan onzer overtuigingen, onzer zekerheden. Aposteriori, „achteraf”, weten we àl wat ons „gegeven” wordt, wat we waarnemen en beleven,—„was wir durch Eindrücke empfangen”,—zodra echter zou blijken, dat we „noodwendige” of „algemeen geldige” wetenschap bezitten, dus ons bevinden op terrein, verder en hoger gelegen dan „ervaring”, waarneming, reikt, (het zgn. logiese apriori, het apriori t.o.v. het gelden der oordelen: voor alle mogelike gevallen noodwendig) en in déze zin „onafhankelik van ervaring” (= apriori) zijn,—weten we tevens zeker dat … ervaring ons daar niet heeft kunnen brengen, dat deze zekerheid precies zover zij logies apriori is … ook „geneties” apriori moet zijn. Hoe zou de waarneming meer kunnen geven—dan ze heeft, hoe zou er meer uit te halen zijn—dan er in ligt?9 Die splitsing der „onafhankelikheid van ervaring” in een genetiese, naar ’t ontstaan onzer zekerheid,—en een logiese, naar de grenzen, de strekking, het „gelden” onzer zekerheid,—is dus kennistheoreties irrelevant, altans het heeft geen zin, er Kant een verwijt van te maken, dat hij tussen die twee niet „einen scharfen, überall erkennbaren Unterschied” heeft gemaakt.—Beide vallen samen en het logiese apriori is volstrekt afhankelik van het genetiese. Bij Kant bestond daarover volkomen klaarheid. Men leze slechts K. d. r. V. Einleitung I en II. En als Vaihinger er op wijst, dat de genetiese onafhankelikheid van ervaring ook, behalve het niet-afgeleid-zijn uit de waarneming, zou kunnen betekenen: niet ontstaan naar aanleiding van waarnemingen, belevenissen, dan is de opmerking juist, maar ook al weer irrelevant, daar niemand met meer nadruk de ervaring als conditio sine qua non al onzer kennis heeft aangewezen, dan juist Kant: „Dass all unsere Erkenntniss mit der Erfahrung anfange, daran ist gar kein Zweifel” enz. Het is dus nauweliks te begrijpen en geenszins te verontschuldigen, dat zelfs denkende koppen altijd nog maar weer het Kantse apriori tijdelik opvatten, trots Kant’s uitdrukkelike verklaring: „Der Zeit nach geht also keine Erkenntniss in uns vor der Erfahrung vorher, und mit dieser fängt alle an.” (aanhef der Einleitung K. d. r. V.²) of zelfs als „aangeboren” duiden, trots de precies even stellige uitspraak: „Die Kritik erlaubt schlechterdings keine angebornen Vorstellungen; alle insgesammt, sie mögen zur Anschauung, oder zu Verstandesbegriffen gehören, nimmt sie als erworben an.”10—Nunquam satis dicitur, quod nunquam satis discitur: niet vaak genoeg kan de aandacht gevestigd worden op de beroemde, ook methodologies zo belangrijke, verklaring uit de inaugurele rede van 1770 („de mundi sensibilis atque intelligibilis forma et principiis”): „Cum itaque in Metaphysica non reperiantur principia empirica; conceptus in ipsa obvii non quaerendi sunt in sensibus, sed in ipsa natura intellectus puri, non tanquam conceptus connati, sed e legibus menti insitis (attendendo ad ejus actiones occasione experientiae) abstracti, adeoque acquisiti.” (Uitg. Rosenkr. I : 313).